Wetenswaardigheden 18
|
Het skelet van de hond
Het skelet in schema 1. Onderkaak; 2. Aangezichtsschedel; 3. Oogkas; 4. Hersenschedel; 5. Occiput of jachtknobbel; 6. Achterhoofdsbeen met achterhoofdsknobbels; 7. Halswervels; 8. Borst- of rugwervels; 9. Lendenwervels; 10. Kruisbeen; 11. Staartwervels; 12. Bekken; 13. Dijbeen; 14. Penisbeentje (alleen bij reuen); 15. Knieschijf; 16. Scheenbeen; 17. Kuitbeen; 18. Voetwortel met spronggewricht; 19. Middenvoetsbeentjes; 20. Teenkootjes; 21. Schouderblad; 22. Opperarmbeen; 23. Borstbeen; 24. Spaakbeen; 25. Ellepijp; 26. Handwortel; 27. Middenhandsbeentjes; 28. Vinger(teen)kootjes; 29. zwart: kraakbeen van de ribben overgaand in het zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen; 30. zwevende ribben
Honden zijn in het bezit van een skelet of geraamte. Dit beenderstelsel heeft verschillende functies: 1. het geeft vorm en stevigheid aan het lichaam; 2. het beschermt vitale lichaamsdelen (hersenen, hart, longen, nieren, voortplantingsorganen etc.); 3. het biedt aanhechtingsplaatsen aan de spieren; 4. het maakt het voor het dier mogelijk om zich te bewegen; 5. het bevat een zodanig grote hoeveelheid kalk en fosfor, dat het bloed, de zenuwen en het spierstelsel zelden van deze stoffen verstoken blijven; 6. het biedt ruimte aan het rode beenmerg om bloedcellen te kunnen produceren; 7. het biedt ruimte voor opslag van reservevoorraden vet.
Het skelet kan onderverdeeld worden in kraakbeen en in been.
Kraakbeen bestaat uit vrij grote cellen, die meestal in paren bij elkaar liggen binnen een grote massa celtussenstof. Deze celtussenstof is in zeer jonge toestand bijna glashelder en zeer veerkrachtig. We spreken van hyalien kraakbeen (bijv. neustussenschot). In de celtussenstof kunnen grote massa's collagene en elastine vezels worden gevormd, waardoor elastisch kraakbeen (bijv. oorschelp) kan ontstaan. Calcium en fosfor zijn nagenoeg afwezig. Kraakbeen kan tijdens de groei in been overgaan, maar kan ook gedurende het gehele leven als kraakbeen aanwezig blijven. Zo kan kraakbeen worden opgesplitst in blijvend kraakbeen en tijdelijk kraakbeen.
Gedurende het gehele leven blijft het kraakbeen in de volgende lichaamsdelen bestaan: de oorschelp, het strottenhoofd, het neustussenschot, de luchtpijp en zijn vertakkingen, de gewrichtsvlakken, de menisci, de schijf op het schouderblad en de ribuiteinden. Het blijvend kraakbeen is veelal bekleed met een vlies, het kraakbeenvlies, dat de voeding van het kraakbeen verzorgt.
Het kenmerk van het tijdelijke kraakbeen is, dat het tijdens de groei gaat verbenen. Hierbij worden de kraakbeencellen omgevormd tot beencellen. Als voorbeeld kan het kraakbeen van de zogenaamde groeizones (epifysairschijven) worden aangehaald, maar ook de schaambeennaad, die pas verbeent, als het dier volwassen is geworden.
Beenweefsel bestaat uit beencellen en een grote massa celtussenstof, die door de beencellen wordt geproduceerd. Deze celtussenstof bestaat uit eiwitvezels, vooral de collagene en elastine vezels, waartegen hydroxy-apatiet is afgezet (chemische formule: Ca5(PO4)3OH). Zeer belangrijke bestanddelen voor het hydroxyapatiet zijn dus calcium en fosfor. Bij zoogdieren vormen calcium en fosfor ongeveer 60 à 70 procent van de massa. In de celtussenstof vinden we ook andere zouten, zij het in zeer geringe hoeveelheden, zoals natrium, magnesium, kalium, fluor en andere.
Bij jonge dieren is er verhoudingsgewijs meer vezelmateriaal aanwezig dan bij oudere dieren. Door de elastische eigenschappen van de vezels zijn jonge honden beter bestand tegen valpartijen en breken zij niet zo snel hun botten als oudere dieren. Indien honden onvoldoende eiwit in de voeding meekrijgen, zullen er ook onvoldoende vezels worden gevormd. Omdat voor de afzetting van kalk en fosfor de vezels noodzakelijk zijn, zal het bot fragiel van opbouw zijn, vrij bros en snel breekbaar. Extra toevoeging van kalk en fosfor in het voedsel biedt geen soelaas, want het 'skelet' van het skelet (de vezels) ontbreekt. Is de eiwitvoorziening wel in orde, maar komt er onvoldoende kalk en fosfor in het beenweefsel terecht (bijv. door onvoldoende kalk- en fosforvoorziening of door onvoldoende opname van vitamine D), dan ontwikkelt het beenweefsel niet zijn stevigheid en buigen de botten onder het toenemende gewicht van het dier door. Er ontstaan dan X- of O-benen.
Botten worden omgeven door het beenvlies. In dit taaie en sterke vlies bevinden zich bloedvaten, die voedingsstoffen en zuurstof afgeven aan de vloeistof, die de botcellen omgeeft. Botcellen, die wat verder van het beenvlies af liggen, krijgen hun voedingsstoffen en zuurstof via bloedvatvertakkingen in de Haverse kanalen aangevoerd. In het beenvlies vinden celdelingen plaats. Sommige van de nieuwe cellen kunnen zich gaan specialiseren tot beencellen en gaan celtussenstof (vezels en kalk/fosforafzettingen) produceren. Bij een beenbreuk, een fractuur, zal het beenvlies herstel trachten te bevorderen door snel en massaal nieuwe cellen te vormen. De celmassa kan ter plaatse van de breuk zelfs een bobbel op het been gaan vormen, een zogenaamde callus. Na een lange tijd zal de callus langzamerhand verdwijnen, waarna de originele botstructuur weer verschijnt. Op plaatsen, waar het been deel uitmaakt van een gewricht, is er een dun laagje (blijvend) kraakbeen op het bot afgezet. Als we botten van binnenuit bekijken, moeten we onderscheid maken in massief been en sponsachtig been. Vaak komen in één beenstuk zowel het massief als het sponsachtig been voor. Massief been bestaat alleen maar uit botcellen en celtussenstof. De botcellen liggen alle regelmatig in cirkels gerangschikt rondom de Haverse kanalen. In sponsachtig been is deze circulaire opbouw bijna niet meer herkenbaar. De botcellen liggen in dunne plaatjes gerangschikt. De botplaatjes kruisen elkaar, zodat er tussen de plaatjes holtes gaan ontstaan. Die holtes zijn niet leeg, maar worden opgevuld door rood beenmerg, waarin aanmaak van bloedcellen plaatsvindt.
Beengroei We onderscheiden bij de beengroei een dikte- en een lengtegroei. Voor de diktegroei is het beenvlies verantwoordelijk. Vanuit het beenvlies specialiseren zich sommige cellen tot botcellen, die celtussenstof gaan produceren en het beenvlies daardoor van diens originele plaats naar buiten wegduwen. Voor de lengtegroei is het kraakbeen verantwoordelijk. Tijdens de foetale periode wordt het skelet als kraakbeen aangelegd. In de kraakbenige botjes ontstaan door omvorming van kraakbeencellen beencellen. We zien achtereenvolgens in het midden van het bot de diafyse ontstaan en aan de uiteinden van het bot de epifyses. Tussen de diafyse en de epifyses blijven 2 kraakbeenzones bestaan. In het midden van deze zogenaamde epifysairschijven of groeizones vindt celvermeerdering plaats, zodat de kraakbeenschijven steeds dikker zouden worden, maar op de overgang van het kraakbeen naar de benige diafyse of epifyses veranderen de kraakbeencellen zich tot botcellen, zodat de dikte van de kraakbeenschijven constant blijft. In de diafyse en epifyses zien we een holte ontstaan. Daarvoor zijn wat afwijkende typen botcellen verantwoordelijk. Osteoblasten zijn de cellen, die been vormen (door de afzet van kalk/fosforzouten), terwijl osteoclasten cellen zijn, die celtussenstof kunnen afbreken en verwijderen. Het voortbestaan van de epifysairschijf wordt geregeld door het groeihormoon uit de hypofyse. Als eenmaal het bot zijn uiteindelijke grootte bereikt heeft, wordt de afgifte van het groeihormoon drastisch gereduceerd. Als gevolg hiervan zal het resterende kraakbeen in de epifysairschijf stoppen met de celdeling, waarna ook deze schijven langzamerhand zullen verbenen. Aanvankelijk zal de epifysairschijf nog zichtbaar blijven als een dunne lijn (groeilijn), later is ook deze lijn niet meer in het bot herkenbaar.
Soorten beenderen We kunnen in het skelet 4 belangrijke beenvormen onderscheiden: 1. de holle beenderen of pijpbeenderen. Bij deze botten omvat massief been een centrale holte, die opgevuld is met geel beenmerg. Het gele beenmerg is een reservevoorraad vet, dat tijdens voedselarme periodes wordt gebruikt. Aan de uiteinden van de pijpbeenderen vinden we sponsachtig been, dat geheel is opgevuld met rood beenmerg. In dit rode beenmerg vindt de aanmaak plaats van rode en witte bloedcellen en van bloedplaatjes. Voorbeelden zijn onder meer de botten van het voorbeen: het opperarmbeen, het spaakbeen en de ellepijp, de middenhandsbeentjes (middenvoetsbeentjes) en de teenkootjes en de botten van het achterbeen: het dijbeen, het scheenbeen en het kuitbeen, de middenvoetsbeentjes en de teenkootjes. 2. de platte beenderen. Het kenmerk van deze beenderen is, dat ze bijna geheel zijn opgebouwd uit sponsachtig been, dat het rode beenmerg bevat. Men mag beslist niet naar de vorm kijken, want menig plat been is absoluut niet plat. Voorbeelden zijn onder meer de ribben, het borstbeen, het schouderblad, het bekken en de wervels. 3. de korte beenderen. Deze beenderen bevatten alleen massief botweefsel en worden daarom ook wel massieve beenderen genoemd. Voorbeelden zijn de voetwortelbeentjes van de voor- en de achterhand. 4. de schedelbeenderen. Deze beenderen bestaan bijna allemaal uit 2 beenplaten, waartussen zich lege holtes bevinden. D.m.v. botuitlopers houden de platen zich aan elkaar vast. Dankzij de holtes zijn de botten in hun geheel wel dik, maar niet zwaar. De holtes noemt men in de regel boezems. De 2 bekendste boezems zijn de kaakboezem en de voorhoofdsboezem (voorhoofdsholte). Zij staan via de neusholte in contact met de buitenlucht.
Beenverbindingen De verschillende manieren, waarop botten onderling zijn verbonden, kunnen als volgt worden onderscheiden: 1. starre verbindingen. Er zijn hierbij 2 mogelijkheden: a) een volledige vergroeiing, waarbij geen onderscheid meer is te maken tussen de oorspronkelijke botten. We vinden dit bij de bekkenbeenderen en bij het kruisbeen. b) een naadverbinding, waarbij de beenstukken in elkaar grijpen, zoals puzzelstukjes van een legpuzzel. We vinden dit tussen de verschillende schedelbeenderen. 2. halfstarre verbindingen. Hierbij is er een geringe mate van souplesse tussen de verschillende beenderen. Als voorbeelden kan ik noemen de verbinding tussen de voetwortelbeentjes van voor- en achterhand, de verbinding tussen de wervels via de tussenwervelschijven en de kraakbenige verbinding tussen de ribben en het borstbeen. 3. beweeglijke verbindingen. Deze worden gevormd door de gewrichten.
Een gewricht is een beweeglijke verbinding tussen twee beenderen. Soms vormt het ene been een kom en het andere een daarin passende kop. Voorbeelden zijn onder meer het dijbeen (met kop) en het bekken (met kom) of de opperarm (met een kopvormig uiteinde) en de ellepijp (met een komvormig uiteinde). Indien kom en kop ontbreken, bevinden er zich vaak op de grens van beide botten een of meer kraakbeenschijven (de menisci, bekend van het kniegewricht), die voor afronding zorgen. Bewegingen van bot op bot levert het risico van het splinteren van de harde botdelen. Bovendien maakt het lawaai. Daarom bevindt zich op het gewrichtsuiteinde van het bot een laagje gewrichtskraakbeen. Het beenvlies zet zich voort over het gewricht heen, maar is ter plaatse veel dikker. We spreken dan ook over het gewrichtskapsel. Het kapsel scheidt een smeerstof af (de synovia), waardoor de beweging soepel kan verlopen. Buiten het kapsel lopen verschillende banden, die de beenstukken bij elkaar houden. In het kniegewricht bevinden zich zelfs in het gewricht banden, die kruislings t.o.v. elkaar van de dijbeenkop naar de scheenbeenkop lopen (kruisbanden). Nog meer naar buiten liggen de spieren met hun pezen, die de botten aantrekken om hun beweging uit te voeren. Om de pezen op hun plaats te houden zijn peesschedes aanwezig. Dit zijn een soort van dubbele manchetten, die aan de binnenzijde gevuld zijn met synovia. De peesschedes zijn weer met bandjes aan de botten bevestigd.
Soorten gewrichten Gewrichten kunnen op verschillende manieren worden onderscheiden. Zo kan men gewrichten indelen naar het aantal beenderen, dat samen een gewricht vormt. Men kan ook kijken naar de vorm van de gewrichtsoppervlakken. Onderstaand is een indeling naar de aard van de bewegingsrichtingen, die de gewrichten mogelijk maken. 1. Kogelgewricht. Dit gewricht laat bewegingen toe in alle richtingen. Een voorbeeld is het heupgewricht en het schoudergewricht bij mensen en vogels. Bij veel zoogdieren, ook bij de hond, wordt het schoudergewricht in zijn bewegingen belemmerd door de ligging en aanhechting van de verschillende gewrichtsbanden en tot scharniergewricht gereduceerd. 2. Scharniergewricht. Er is slechts beweging mogelijk in één richting ofwel de beenstukken bewegen zich slechts in één vlak. Voorbeelden zijn het ellebooggewricht, de pols (bij zoogdieren de voorknie), de knie en het hakgewricht. 3. Zadelgewricht. Er zijn bewegingen mogelijk in twee loodrecht op elkaar staande vlakken. Bij de mens is de duim t.o.v. de pols een aardig voorbeeld. Bij alle diersoorten kan het kaakgewricht als voorbeeld worden aangegeven. 4. Rolgewricht. Dit gewricht wordt ook wel en draaigewricht genoemd. Als voorbeeld kan gelden het gewricht tussen de atlas en de draaier. De draaier draait niet, maar de atlas draait om de draaier heen, waardoor de nee-knikkende beweging ontstaat. 5. Straf gewricht. Dit is te beschouwen als een overgangsvorm naar de halfstarre verbindingen of kan de halfstarre verbindingen zelf aanduiden. Voorbeelden zijn het hand- en voetwortelgewricht (respectievelijk de pols of voorknie en de hak).
Een aantal onderdelen van kraakbenige of benige aard, die vaak voor spieren van grotere betekenis zijn dan voor botten. De menisci zijn hulpstukken om dienst te doen voor de imitatie van gewrichtskommen. Een aantal botstukjes ontstaan niet vanuit kraakbeen, maar vanuit bindweefsel, in het bijzonder vanuit peesweefsel. Dat zijn de zogenaamde sesambeentjes. Het grootste sesambeentje is de knieschijf, die onderdeel uitmaakt van de pees van het middenstuk van de Musculus quadriceps, de vierhoofdige dijbeenspier. Hij glijdt op en neer in een geultje op de onderzijde van het dijbeen. Kleinere sesambeentjes bevinden zich aan de achterzijde van de gewrichten tussen de teenkootjes. Sesambeentjes zorgen ervoor, dat de pezen een eindje van de botten worden weggehouden, waardoor een katrolwerking ontstaat: met minder kracht kan toch een bepaalde beweging worden uitgevoerd. Tussen de wervellichamen ligt de tussenwervelschijf. Deze schijven bestaan uit een zeer sterke bindweefselring (de annulus fibrosus; fibreus duidt op sterke vezelvorming) en een vrij zacht middendeel (de nucleus pulposus). Vooral dankzij dit zachte middendeel kunnen wervels t.o.v. elkaar bewegen. De tussenwervelschijf kan wat worden ingedrukt en uitgerekt.
Onderverdeling van het skelet We kunnen de beenderen van het skelet in de volgende 3 onderdelen verdelen: - beenderen van de romp, nl. de wervels en de borstkas - beenderen van de gordels en ledematen - beenderen van de schedel
De wervels worden als volgt onderverdeeld: - halswervels - rugwervels (ook borstwervels genoemd) - lendenwervels - kruisbeenwervels (bij de mens heiligbeenwervels genoemd) - staartwervels
Een hond heeft: 7 halswervels (zie atlas en draaier), 13 rugwervels, 7 lendenwervels, 3 kruiswervels en 20-23 staartwervels (d.w.z. dat er ook rassen zijn met iets minder staartwervels, zoals de Engelse en Franse Bulldog, of met veel minder staartwervels, zoals de Entlebucher Sennenhond en de Epagneul Breton).
Bouw en verbinding der wervels De wervels bestaan uit een wervellichaam, waarop een wervelboog voorkomt. Door het wervelgat, dat door de boog wordt omsloten, verloopt het ruggenmerg. Op de boog vinden we een aantal uitsteeksels: 1. één doornuitsteeksel; deze bevindt zich midden op de boog. Van de halswervels en een aantal rugwervels is het doornuitsteeksel naar achteren gericht, maar de schuine stand wordt steeds minder. Op de zogenaamde antikliene wervel steekt het doornuitsteeksel recht naar boven en op de volgende wervels steekt het doornuitsteeksel naar voren. De positie van de antikliene wervel is soms uitwendig waar te nemen aan een 'dip', een kleine inzinking op de rug. 2. twee dwarsuitsteeksels; deze bevinden zich aan weerszijden van de boog. 3. twee voorste gewrichtsuitsteeksels; deze grijpen vast aan de 4. twee achterste gewrichtsuitsteeksels van de voorgaande wervel en vormen samen een tussenwervelgewricht.
Wervels zijn op twee manieren met elkaar verbonden. Ter hoogte van de wervelbogen vormen de voorste en achterste gewrichtsuitsteeksels een vrij beweeglijke verbinding. Tussen de wervellichamen bevindt zich de veerkrachtige tussenwervelschijf. Aan de onderzijde en aan de zijkanten van het wervellichaam liggen gewrichtsbanden. Over de toppen van de doornuitsteeksels loopt een vezelrijke band. Deze band bestaat voornamelijk uit reticulinevezels. Bij de halswervels is deze band verwijd tot een grote verticale plaat, de zogenaamde nekband.
Bij de zoogdieren zijn de kruisbeenwervels (resp. heiligbeenwervels) met elkaar vergroeid tot het kruisbeen (resp. heiligbeen). Bij de mens zijn de staartwervels met elkaar vergroeid tot het stuitbeen.
De eerste 2 halswervels wijken t.o.v. de andere wervels sterk af in hun bouw. De eerste wervel noemt men de atlas en deze wervel wordt gekenmerkt door een zeer groot wervelgat, terwijl er nauwelijks sprake is van een wervellichaam. Het doornuitsteeksel is afwezig en de dwarsuitsteeksels zijn tot grote vleugels geworden. Het gewricht tussen de atlas en de schedel veroorzaakt de ja-knikkende beweging van het hoofd. De tweede halswervel noemt men de draaier, hoewel deze wervel niet draait. De draaier bezit een tandvormig uitsteeksel, dat in het wervelgat van de atlas past. De nee-schuddende beweging wordt veroorzaakt, wanneer de atlas om dit uitsteeksel heen en weer wordt gedraaid. Tussen de draaier en de derde halswervel vinden we voor het eerst een tussenwervelschijf. Ook de tussenwervelgewrichten via de voorste en achterste gewrichtsuitsteeksels zijn vanaf dit punt aanwezig. De doornuitsteeksels van de halswervels zijn niet erg lang, de dwarsuitsteeksels zijn kort. Bovendien zijnde dwarsuitsteeksels vaak tweedelig. De rugwervels of borstwervels hebben een kort lichaam en erg lange doornuitsteeksels. De dwarsuitsteeksels zijn vrij kort. Op de wervellichamen kunnen nu ook gewrichtsvlakjes worden herkend voor de aanhechting van de ribben. Het kopje van een rib ligt tussen 2 wervels in. Op het halsje van de rib ligt nog een gewrichtskopje, dat contact maakt met het gewrichtsvlakje op het dwarsuitsteeksel van de achterliggende wervel. De lendenwervels hebben een groot lichaam en lange dwarsuitsteeksels. Deze dwarsuitsteeksels nemen de taak van de ribben over en dienen voor bescherming van de buikorganen, met name van de nieren. De kruisbeenwervels zijn met elkaar vergroeid tot het kruisbeen. De doornuitsteeksels zijn bij de hond met elkaar vergroeid tot een kammetje. De dwarsuitsteeksels zijn ook met elkaar vergroeid. Aan de voorzijde vormen zij een enorm uitsteeksel, dat bekend staat als de zogenaamde vleugel. De kruisbeenvleugels vormen de verbinding met de darmbeenderen. De darmbeenderen zijn een onderdeel van het bekken. Bij de staartwervels gaat de algemene bouw van de wervel langzamerhand verloren. De doorn- en dwarsuitsteeksels verdwijnen helemaal. Enkele staartwervels bezitten onder hun wervellichaam nog een tweede boog, de zogenaamde haemale boog. Door de haemale boog verlopen bloedvaten.
De bovenzijde van de borstkas wordt gevormd door de rugwervels of borstwervels. De zijwanden van de borstkas worden gevormd door de ribben. Aan de onderzijde bevindt zich het borstbeen.
De ribben zijn meer of minder sterk gebogen beenderen. Elke rib is met de wervelkolom verbonden d.m.v. een drietal gewrichtsvlakjes: het bolvormige uiteinde van een rib hecht zich vast aan het gewrichtsvlakje van een rugwervel en het gewrichtsvlakje van de daarop volgende rugwervel. Een rib hangt dus a.h.w. tussen twee wervels in. Het derde gewrichtsvlakje vindt men op het uiteinde van de dwarsuitsteeksels van de achterste van de twee wervels.
De voorste serie ribben links en rechts zijn direct via een kraakbenige verbinding aan het borstbeen gekoppeld. We noemen deze ribben de ware ribben. De daarop volgende ribben zijn door kraakbeen verbonden met het kraakbeen van de laatste ware rib. We noemen deze ribben de valse ribben. Bij verschillende diersoorten ontbreekt voor de laatste rib of voor de laatste paar ribben een verbinding met het borstbeen. We spreken dan van zwevende ribben. De hond heeft 9 paar ware ribben en 4 paar valse ribben, waarvan het laatste paar zwevend is.
Borstbeen (sternum) Het borstbeen bestaat uit een aantal losse stukken, die met elkaar verbonden zijn via kraakbeenvoegen. Op oudere leeftijd is het borstbeen meer verbeend dan op jonge leeftijd. Aan de voorzijde steekt het borstbeen wat puntig uit. We spreken van de snavel of van het handvat. Als we de hond van opzij bekijken, steekt de borstbeenpunt soms wat tussen de voorbenen naar voren uit. We spreken dan van de voorborst. Het middelste deel van het borstbeen wordt in de regel aangeduid met borstbeenlichaam. Aan de achterzijde blijft het borstbeen tot op zeer hoge leeftijd kraakbenig. We noemen dit uiteinde het zwaardvormig aanhangsel. N.a.v. de vorm wordt ook wel gesproken over de schubvormige plaat. Een afgezette borst of kippenborst ontstaat door een te sterke kromming van het zwaardvormig aanhangsel.
Men verdeelt de ledematen in een voorhand en in een achterhand. Aan beide maakt men onderscheid tussen de gordel en de vrije ledematen.
De voorste gordel, de schoudergordel, bestaat bij de hond alleen maar uit het schouderblad. De schoudergordel is dus in het geheel niet gesloten: een verbinding naar de wervelkolom en een verbinding naar het borstbeen ontbreken. Bij de mens en de mensapen heeft men wel een verbinding naar het borstbeen, nl. het sleutelbeen. Honden hebben geen sleutelbeen nodig, omdat zij met de voorbenen geen zijwaartse bewegingen maken. Wel vinden we een klein restant van het sleutelbeen terug in de Musculus brachiocephalicus. Dat is een complex samengestelde spier, die vanaf het achterhoofd en de onderkaak naar de top van het opperarmbeen en naar het borstbeen loopt. Op ongeveer de hoogte van het schouderblad vinden we in deze spier een kleine overdwarse bindweefselstreng als overblijfsel van het sleutelbeen. Het schouderblad is bij de zoogdieren enigszins driehoekig van vorm. Aan de bovenzijde zet het schouderblad zich voort in een kraakbenige plaat, die men bij sommige rassen heel goed kan zien en/of voelen links en rechts naast de rugwervels. Op het buitenste oppervlak ligt een sterk ontwikkelde kam, die zorgt voor oppervlaktevergroting ten gunste van de spieraanhechting. De kam verdeelt het schouderblad ongelijk: ongeveer eenderde van het oppervlak ligt voor de kam en ongeveer tweederde van het oppervlak ligt achter de kam. Naar beneden toe is het schouderblad smal. Dat deel noemen we de hals. Vervolgens verbreedt het schouderblad zich weer tot een ondiepe komvormige gewrichtsvlakte, die samen met de kop van het opperarmbeen het schoudergewricht of boeggewricht vormt. Het schouderblad is aan een aantal spiergroepen opgehangen.
De achterste gordel, de bekkengordel, is opgebouwd uit 3 beenstukken, nl. het kruisbeen en de beide heupbeenderen. Het kruisbeen is op zijn beurt een vergroeiing van de 3 kruisbeenwervels. De beide heupbeenderen zijn elk apart opgebouwd uit 3 botstukken, die met elkaar zijn vergroeid. De vergroeiingnaden zijn bij zeer jonge dieren nog net te zien in de heupkom. De 3 beenderen zijn: - het darmbeen; - het zitbeen; - het schaambeen. Bij de hond zijn de heupbeenderen aan de onderzijde via de schaambeenderen met elkaar verbonden. Bij het jonge dier vinden we een kraakbeenverbinding. Dat kan de geboorte bevorderen, omdat het kraakbeen het toelaat, dat de heupbeenderen, zij het minimaal, uiteenwijken. Bij oudere dieren is de verbinding benig geworden.
De vrije ledematen van de voorhand en van de achterhand zijn volgens eenzelfde principe opgebouwd. Het bouwplan bij de hond bestaat uit:
voorhand achterhand
gordel schoudergordel bekkengordel boeggewricht heupgewricht 1 beenstuk opperarmbeen dijbeen ellebooggewricht kniegewricht (knieschijf) 2 beenstukken spaakbeen/ellepijp scheenbeen/kuitbeen pols of voorknie enkel of hak of hiel of sprong 3 beenstukken handwortel voetwortel 4 beenstukken 5/4 beenstukken middenhand middenvoet kogelgewricht kogelgewricht 14/12 beenstukjes vinger(teen)kootjes teenkootjes kroongewricht kroongewricht teengewricht teengewricht
Het gewricht tussen het schouderblad (scapula) en de opperarm noemen we het schoudergewricht of het boeggewricht. Het is in principe een kogelgewricht, maar door de aanwezigheid van stevige banden werkt het gewricht bij de hond meer als een scharniergewricht. Het opperarmbeen (humerus) heeft een vrij sterk afgeplatte gewrichtskop. Aan de voorzijde daarvan bevinden zich wat uitsteeksels, die een katrolwerking vertonen. Het ellebooggewricht wordt hoofdzakelijk gevormd tussen het opperarmbeen en de ellepijp (Latijn: ulna). Zijdelings neemt ook het spaakbeen (radius) deel aan dit gewricht. De ellepijp is duidelijk herkenbaar aan een uitstekend botdeel, het ellebooguitsteeksel (het 'telefoonbotje'). Aan dit uitsteeksel is de Musculus triceps vastgehecht. Het spaakbeen en de ellepijp lopen parallel. Via het polsgewricht of de voorknie (niet te verwarren met de knie van het achterbeen!) komen we terecht bij de handwortel, ook wel de voetwortel van het voorbeen genoemd. In principe zijn er twee rijen beentjes, hiervoor genoemd een rijtje van drie en een rijtje van vier beentjes. In werkelijkheid wordt dit schema van toenemend aantal botdelen niet echt gevolgd. Zo is de bovenste rij opgebouwd uit 4 botjes, waarvan er 2 met elkaar zijn vergroeid en waarvan het buitenste beentje naar achteren uitsteekt. Dit beentje wordt wel het haakbeentje genoemd. De onderste rij bestaat wel uit 4 botjes. In principe telt de middenhand 5 beenstukjes. Aan elk middenhands(voets)beentje zijn 3 vingerkootjes (teenkootjes) bevestigd, behalve bij de duim, waar slechts 2 vingerkootjes aanwezig zijn. Deze opbouw is bij de mens nog helemaal intact en vinden we bij de hond ook aan het voorbeen. Bij grote landbouwhuisdieren heeft men de teenkootjes afzonderlijke namen gegeven. Bij de hond zou men het laatste teenkootje het nagelbeentje kunnen noemen en het erbij behorende gewricht het nagelgewricht. In de regel worden de teenkootjes, noch de gewrichten met aparte namen aangeduid.
Middels het heupgewricht is het dijbeen met de bekkengordel verbonden. We vinden hier enkele gewrichtsbanden aan de buitenzijde van het gewricht, maar in het gewricht is er ook een spier/bandje aanwezig. De aanhechtingsplaats is op de kop van het dijbeen zichtbaar als een iets dieper gelegen, ruwer oppervlak dan de rest van het gewrichtsoppervlak. Vaak ziet men dat de kom van het bekken te ondiep is en/of de kop van het dijbeen te vlak. Er is dan geen goede aansluiting van de 2 botstukken en we spreken dan van heupdysplasie. Deze afwijking kan steeds sterker worden. Er kan zelfs een abnormale botafzetting op de gewrichtsranden optreden. Kenmerkend bij het dijbeen zijn een aantal uitstulpingen. Vooral het uitsteeksel naast de gewrichtskop valt op. Deze uitstulpingen zijn aanhechtingspunten voor spieren. Onderaan op de voorzijde van het dijbeen vinden we een sleuf, waar de knieschijf in op en neer beweegt. Bij de afwijking patella luxatie wil de knieschijf nog wel eens de sleuf uitrollen en naar de binnenzijde van het been wegglijden. De hond kan dan zijn achterbeen niet meer strekken. Het kniegewricht is zeer gecompliceerd van opbouw, zodat er vaak kniegewrichtsaandoeningen worden geconstateerd. Het kniegewricht heeft 2 menisci nodig om goed te kunnen functioneren. Tussen het dijbeen en het scheenbeen vinden we de inwendig gelegen kruisbanden, die nog wel eens willen scheuren. De knieschijf is onderdeel van de pees van de Musculus quadriceps. Deze pees hecht vast op de kam van het scheenbeen. Aan de achterzijde van het scheenbeen ligt het kuitbeen. Het kuitbeen is vrij klein en over grote lengte met het scheenbeen vergroeid. Het spronggewricht heeft ook andere benamingen: hakgewricht, enkelgewricht en hielgewricht. In feite wordt het gewricht tussen het scheenbeen en de voetwortel slechts door een van de voetwortelbeentjes gevormd, nl. door het sprongbeen of katrolbeen. Een ander opvallend voetwortelbeen is het hielbeen, dat naar achteren uitsteekt. Dit been vormt de aanhechtingsplaats voor de achillespees, de uitloper van de Musculus gastrocnemicus. De andere botjes van de voetwortel variëren in aantal, afhankelijk van de diersoort. Van de middenvoetsbeentjes is het 'duimpje' aan de binnenzijde van het achterbeen meestal rudimentair. Een 'gewone' hond heeft aan de achterbenen dus slechts 4 tenen. Soms is het vijfde teentje er wel. We spreken dan van een Hubertusklauw of wolfsklauw. Bij 3 Franse herdershonden (Briard, Beauceron en Pyrenese herdershond) én de Pyrenese Berghond is een dubbele wolfsklauw verplicht. Bij deze 4 rassen vinden we aan elk achterbeen dus 6 tenen.
Men verdeelt de schedelbeenderen in 2 groepen: 1. de beenderen van de hersenschedel omgeven de hersenen; 2. de beenderen van de aangezichtsschedel omvatten de neus en de kaken.
We onderscheiden: 1. Het achterhoofdsbeen. Dit been bezit aan de onderzijde het achterhoofdsgat, waardoorheen het verlengde merg naar buiten treedt. Aan weerszijden van het achterhoofdsgat liggen de achterhoofdsknobbels. Dat zijn gewrichtskoppen, die met de atlas een gewricht vormen, dat zorgt voor de ja-knikkende beweging. Links en rechts van de achterhoofdsknobbels liggen de tepelvormige uitsteeksels, die een aanhechtingsplaats bieden aan spieren. Aan de bovenzijde van het achterhoofdsbeen bevindt zich vaak een kam, die men aanduidt met de naam jachtknobbel. Deze kam zorgt voor oppervlaktevergroting ten gunste van de spieren, in het bijzonder van de Musculus temporalis (hapspier). 2. Twee voorhoofdsbeenderen. Deze liggen bovenop de schedel en vormen de verbinding tussen het achterhoofdsbeen en de neus. De voorhoofdsbeenderen bestaan grotendeels uit 2 beenplaten, waartussen zich een holte bevindt: de voorhoofdsholte of voorhoofdsboezem. 3. Twee wandbeenderen (kruinbeenderen of schedelbeenderen). Deze beenderen vormen min of meer de zijkant van de schedel. 4. Twee slaapbeenderen. Deze beenderen liggen links en rechts onder de wandbeenderen. Zij hebben 2 kenmerkende onderdelen: naar voren hebben zij een uitsteeksel, dat aangrijpt op een uitsteeksel van het jukbeen. Deze 2 uitsteeksels vormen samen de jukbeenboog. De hond mist de benige boog zoals bijv. planteneters wel hebben: jukbeenboog met een tak naar boven, die aangrijpt op het voorhoofdsbeen. Wel heeft de hond een kraakbenige verbinding. Het tweede kenmerk is het rotsbeen. Dit is het hardste onderdeel van het gehele skelet. In het rotsbeen vinden we het inwendige oor. 5. Het wiggebeen (het keelbeen of de schedelbasis). Dit is een groot, maar zeer onregelmatig gevormd been, dat de bodem van de hersenholte vormt. De 2 zijvleugels van het botstuk vormen de binnenste en achterste begrenzing van de oogkassen. 6. Het zeefbeen. Dit been vormt de verbinding tussen de neusholte en de hersenholte en is van de buitenzijde dan ook niet te zien. In het been liggen zeer veel kleine openingen, waardoorheen de reukzenuw zijn vezels naar de hersenen stuurt.
We onderscheiden: 1. Twee bovenkaaksbeenderen. Deze beenderen vormen de zijwanden van de neusholte en slaan dan naar binnen om de bodem van de neusholte en het dak van de mondholte te vormen. In de buitenste randen zijn de kiezen geïmplanteerd. Aan de voorzijde van de rand staan nog net de hoektanden geïmplanteerd. In de neusholte zijn de beenderen voorzien van krulvormige uitstulpingen: de neusschelpen. Op sommige plaatsen worden door de bovenkaaksbeenderen holtes omgeven, die we kennen als de kaakboezems. 2. Twee tussenkaaksbeenderen (snijtandsbeenderen of kleine kaakbeenderen). Deze liggen voor de bovenkaaksbeenderen en vormen het voorste deel van de zijwanden en onderzijde van de neusholte. In de tussenkaaksbeenderen zijn de snijtanden geïmplanteerd. 3. Twee gehemeltebeenderen. Deze 2 vrij platte beenstukken liggen in het verlengde van het monddakdeel van de bovenkaaksbeenderen en sluiten de neusholte grotendeels af van de keelholte. 4. Twee neusbeenderen. Deze sluiten aan de bovenzijde de neusholte af. 5. Twee traanbeenderen. Deze kleine beenstukjes liggen in de binnenste ooghoeken en bevatten een of meer kanaaltjes voor de afvoer van traanvocht. 6. Twee jukbeenderen. Deze steunen de wangen en vormen de onder- en buitenwand van de oogkassen. Door een naar achteren uitstekend boogdeel zijn de jukbeenderen met de slaapbeenderen verbonden. 7. Het ploegschaarbeen. Dit merkwaardig gootvormige beentje ligt op de bodem van de neusholte. Het vormt a.h.w. een profieltje voor het kraakbenige neustussenschot, dat bij het levende dier de neusholte in een linker- en rechterneusgang verdeelt. 8. De onderkaak. Dit is het benige onderdeel van de schedel, dat t.o.v. de andere schedelbeenderen kan bewegen. De onderkaak bevat holten voor de tanden, hoektanden en kiezen. De onderkaak is ontstaan door een kraakbenige vergroeiing van 2 beenstukken. Bij sommige diersoorten, zoals de hond, is die kraakbeenverbinding nog aanwezig. De ruimte tussen de kaaktakken noemt men de keelgang. 9. Het tongbeen. Dit been bestaat uit een aantal onderdelen. Aan de ene zijde hecht het beentje vast aan de schedel, aan de andere zijde is het tongbeen via de gaffel verbonden aan de tong. In het algemeen wordt het tongbeen niet tot de schedelbeenderen gerekend, maar wordt het vanuit zijn functie gevoegd bij het complex samengestelde strottenhoofd.
Bij de geboorte zijn de beenstukken van de schedel nog onderontwikkeld en ze sluiten niet geheel aan. Naast de vele kieren tussen de schedelbeenderen zijn er ook wat grotere openingen aan te wijzen. Deze grotere openingen noemen we fontanellen. De grote fontanel ligt tussen de voorhoofdsbeenderen en de wandbeenderen en de kleine fontanel tussen de wandbeenderen en het achterhoofdsbeen. Dankzij de fontanellen en de andere openingen tussen de beenderen kunnen bij de geboorte de beenstukken wat naar elkaar toe gedrukt worden, waardoor de geboorte wat gemakkelijker kan verlopen. Na enkele maanden tot een jaar (afhankelijk van de groeisnelheid van het betreffende ras) zijn de fontanellen verdwenen en zijn de naadvormige openingen vervangen d.m.v. een naadverbinding. Alleen bij de Chihuahua blijven de fontanellen gedurende een groot deel van het leven open. Pas op hoge leeftijd worden de fontanellen gesloten door een bindweefselplaat, die eventueel zelfs kan verbenen. Het groter en omvangrijker worden van de schedel vereist een subliem samenspel van osteoblasten (botvormers) en osteoclasten (botruimers). Door dit samenspel zal de schedel naar buiten toe groter worden, terwijl tegelijk ook de hersenholte in omvang toeneemt. Bij een vitamine A-tekort gaat het mis: terwijl de schedel naar buiten toe groeit, groeien de schedelbeenderen ook naar binnen, waardoor de hersenholte niet groter, maar juist kleiner wordt. Dat geeft druk op de hersenen en uittredende zenuwen met uitvalsverschijnselen als gevolg. |
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell