Wetenswaardigheden 17
|
Overzicht van de spieren en spiergroepen Er zijn meer dan 300 paar gepaarde spieren plus nog enkele ongepaarde. De meeste van de gepaarde spieren zijn van belang bij de voortbeweging.
De oppervlakkige spieren van de hond 1. Musculus masseter (buitenste kauwspier); 2,3,4,5 Sterno-brachiocephalicus-complex met 2. Musculus sternooccipitalis (borstbeen-achterhoofdsbeenspier), 3. Musculus sternohyoideus (borstbeen-tongbeenspier), 4. Musculus cleidocervicalis (sleutelbeen-halsspier), 5. Musculus cleidobrachialis (sleutelbeen-bovenarmspier); 6. Het handvat van het borstbeen; 7. Musculus serratus ventralis cervicis (halsgedeelte van de onderste getande spier); 8. Musculus supraspinatus (spier vóór de schouderbladkam); 9. Musculus omotransversarius (schouderdwarsuitsteekselspier); 10. Musculus trapezius, pars cervicalis (halsgedeelte van de trapeziumvormige spier); 11. Musculus trapezius, pars thoracalis (borstgedeelte van de trapeziumvormige spier); 12. Musculus infraspinatus (spier achter de schouderbladkam); 13. Musculus deltoideus, pars scapularis (schouderbladdeel van de deltavormige spier); 14. Musculus deltoideus, pars acromialis (haakgedeelte van de deltavormige spier); 15. Musculus latissimus dorsi (brede rugspier); 16. Musculus triceps brachii, caput longum (lange hoofd van de driehoofdige bovenarmspier); 17. Musculus triceps brachii, caput laterale (buitenste hoofd van de driehoofdige armspier); 18. Musculus brachialis (bovenarmspier); 19. Musculus extensor carpi radialis (binnenste handstrekker); 20. Musculus extensor digitorum communis (gemeenschappelijke tenenstrekker); 21. Musculus pectoralis profundus (ascendens) (diepe (opstijgende) borstspier); 22. Musculus obliquus externus abdominis (buitenste schuine buikspier); 23. Musculus rectus abdominis (rechte buikspier); 24. Musculus obliquus internus abdominis (binnenste schuine buikspier); 25. Musculus gluteus medius (middelste bilspier); 26. Musculus sartorius, pars cranialis (voorste deel van de kleermakersspier); 27. Musculus tensor fasciae latae (spanner van het brede dijvlies); 28. Musculus biceps femoris (tweehoofdige dijspier); 29. Musculus semitendineus (halfpezige spier); 30. Musculus gluteus superficialis (oppervlakkige bilspier)
Spieren van de kop
- Musculus masseter (uitwendige kauwspier) De aanhechtingsplaats is het jukbeen. Het aangrijpingspunt is de onderkaak. Door de spieren afwisselend links en rechts samen te trekken wordt de onderkaak afwisselend links en rechts aangetrokken, hetgeen een licht malende kauwbeweging veroorzaakt. Deze spier ligt aan de buitenzijde van de kaaktakken, juist onder de jukbeenbogen.
- Musculus pterygoideus medialis (inwendige kauwspier) Deze spieren liggen links en rechts aan de binnenzijde van de kaaktakken.
- Musculus temporalis (hapspier) De aanhechtingsplaats is het wand- of kruinbeen, overlopend naar het voorhoofdsbeen en achterhoofdsbeen. Het aangrijpingspunt is het kroonuitsteeksel van de onderkaak. Wanneer de hond zware prooidieren moet kunnen verslepen, resp. moet kunnen apporteren, kan deze spier zeer sterk ontwikkeld zijn dankzij een sterk ontwikkelde jachtknobbel. Deze spier ligt meer boven op de kop, d.w.z. boven de jukbeenboog.
Een sterke elastische band, die van het doornuitsteeksel van de draaier verloopt naar ongeveer het doornuitsteeksel van de 1e borstwervel, doorlopend tot de 4e borstwervel. Vandaar loopt deze streng uit in de ligamenten van de rugwervels. Naar beneden toe wordt een web afgegeven naar de doornuitsteeksels van de nekwervels. De functies zijn: 1. Het ophouden van het hoofd. Door het hoofd rustig te laten hangen worden de elastinevezels van de nekbandstreng zo ver uitgerekt, dat er een evenwicht ontstaat. Door de nekspieren aan te trekken kan de hond zijn hoofd naar achteren halen. Door de halsspieren aan te trekken wordt het hoofd naar beneden gebracht. Daarbij worden de elastinevezels van de nekbandstreng tot het uiterste uitgerekt. 2. Aanhechting van belangrijke spiergroepen. Hierbij moet met name worden gedacht aan het oppervlakkig liggende nekdeel van de Musculus trapezius en aan de dieper liggende nekdelen van de Musculus rhomboideus en van de Musculus serratus ventralis.
Spieren van de voorhand
- Musculus trapezius (trapeziumvormige spier) Er zijn 2 delen van deze spier. Het nekdeel (halsdeel) hecht vast aan de buitenzijde van het schouderblad, juist voor de schouderbladkam. Hij waaiert naar voren uit naar de nekband. Het rugdeel hecht ook vast aan de buitenzijde van het schouderblad, maar dan juist achter de schouderbladkam. Hij waaiert naar achteren uit naar het uiteinde van de nekband en naar de doornuitsteeksels van de borstwervels.
- Musculus rhomboideus (ruitvormige spier) Ook van deze spier zijn er 2 delen: een nekdeel en een rugdeel. Het verloop is nagenoeg gelijk aan het verloop van de Musculus trapezius, zij het dat de Musculus rhomboideus dieper ligt en aan de binnenzijde van het schouderblad aanhecht.
De functies van beide spieren zijn: 1. Bevestiging bovenste deel schouderblad aan het lichaam, waardoor er een draagfunctie voor de romp ontstaat. 2. Opheffen van de schouder. Door beide delen van beide spieren tegelijk aan te trekken wordt het schouderblad t.o.v. de romp omhoog getrokken. 3. Bewegen van de top van het schouderblad naar voren en naar achteren. Door het aantrekken van de nekdelen kantelt de top van het schouderblad naar voren. Het schouderblad komt recht te staan, hetgeen te voelen is aan de richting van de schouderbladskam: recht naar beneden. Door het aantrekken van de rugdelen kantelt de top van het schouderblad naar achteren. De schouderbladkam gaat meer evenwijdig verlopen aan de ruglijn resp. bodemlijn. 4. Afhouden van het schouderblad van het lichaam. Indien alle 4 de spieren (Musculus trapezius, Musculus rhomboideus, Musculus serratus ventralis en Musculus pectorales; ze zorgen voor een soepele ophanging van de romp: harde klappen bij het neerkomen op de voorbenen kunnen tot op zekere hoogte goed worden opgevangen) worden ontspannen, komt er meer ruimte tussen het schouderblad en de romp. Door alle 4 de spieren aan te trekken, wordt het schouderblad naar de romp toe getrokken.
- Musculus serratus ventralis (onderste getande spier) De serratus heeft weer 2 delen, een halsdeel en een buikdeel. De spier is vastgehecht aan het bovenste derde deel van de binnenzijde van het schouderblad. Het nekdeel waaiert uit naar de 3e tot 5e halswervel. Het rugdeel hecht zich vast aan de eerste 7 ribben. De functies zijn: 1. Het dragen van het lichaam tussen de schouderbladen (hangmat). 2. Opheffen van de borstkas. Door aan weerszijden van het lichaam beide delen van de spier tegelijk aan te trekken, wordt de romp omhoog getild tussen de schouderbladen. 3. Naar voren en naar achteren bewegen van het schouderblad. Hierbij kan samengewerkt worden met de Musculus trapezius en Musculus rhomboideus. Indien bijv. de nekdelen van de trapezius en rhomboideus gelijktijdig worden aangetrokken met het borstdeel van de serratus, zal het schouderblad gaan roteren. Het boeggewricht zal daarbij naar achteren gaan liggen. 4. Hulp bij de ademhaling. Indien het schouderblad als aanhechtingspunt dient, zullen voor het borstdeel de ribben als aangrijpingspunt dienen. De ribben kunnen nu naar voren worden getrokken. Door de kromming van de ribben zal de borstkasinhoud worden vergroot, waarna dankzij de onderdruk in de borstholte automatisch lucht in de longen wordt gezogen. 5. Afhouden van de schouder van het lichaam. Deze functie is bij de vorige 2 spieren (zie hierboven) al besproken.
- Musculus brachiocephalicus (spiercomplex tussen opperarm en schedel en tussen borstbeen en schedel) In feite is dit niet één enkele spier, maar een geheel complex, dat een verbinding vormt tussen de achterzijde van de schedel (cephalus) en de boven-voorzijde van de opperarm (brachium). In het brachiocephale deel van het complex vindt men een kleine overdwarse bindweefselstreng als restant van het sleutelbeen. Honden hebben geen sleutelbeen nodig, omdat zij met de voorbenen geen zijwaartse bewegingen maken (zie gordels). De functies van de Musculus brachiocephalicus zijn: 1. Het opheffen van de opperarm, mits de nekspieren het hoofd en de nekband gefixeerd houden. 2. Zijwaarts buigen van de nek, zodat het hoofd opzij gaat. Worden de spieren aan beide lichaamszijden aangetrokken, dan zal het hoofd neerwaarts buigen.
- Musculus omotransversarius (schouderdwarsuitsteekselspier) De aanhechting van deze spier aan de onderzijde van het schouderblad ligt nog net oppervlakkig. Vervolgens loopt hij naar de dwarsuitsteeksels van de nekwervels tot aan de atlas toe en duikt daarbij onder de Musculus brachiocephalicus weg. De functie is het naar voren brengen van het schouderblad.
- Musculus biceps brachii (tweehoofdige of tweekoppige armspier) Deze spier is met een pees verbonden aan het schouderblad. Hij loopt dan aan de voorzijde over boeg naar bovenvoorzijde van het spaakbeen. De functies zijn: 1. Het buigen van de elleboog en het gelijktijdig strekken van de boeg. 2. Samen met een aantal andere spieren in dit gebied kan de spier het voorbeen naar binnen bewegen, waardoor single tracking kan gaan optreden. 3. Het opvangen van de schok bij het neerkomen van het lichaamsgewicht op het voorbeen.
- Musculus triceps (driehoofdige of driekoppige spier) De spier met de 3 hoofden. Twee hoofden zijn aan de achterzijde van het schouderblad vastgehecht. Het derde hoofd is bevestigd aan het ellebooguitsteeksel. De functies zijn: 1. Het strekken van de elleboog en het gelijktijdig buigen van de boeg. In die zin is de triceps een echte antagonist voor de biceps. 2. Het opvangen van de schok bij het neerkomen van het lichaamsgewicht op het voorbeen. 3. De stuwing vanuit de voorhand. 4. Graven.
- Musculus deltoideus (deltavormige spier) Deze spier, enigszins driehoekig van vorm, hecht zich vast aan de buitenzijde van het schouderblad en wel aan de achterzijde van de schouderbladskam. Vandaar verloopt hij naar de achterzijde van de opperarm. De functies zijn: 1. Het buigen van de boeg. Indien deze spier alleen werkt, wordt dus alleen de boeg gebogen. Zou de buiging van de boeg worden veroorzaakt door de triceps, dan wordt tegelijkertijd de elleboog gestrekt. 2. Het buitenwaarts bewegen van het voorbeen.
De oppervlakkig liggende spieren van de voorhand (van rechts gezien) 1,2 Het brachiocephalicus-complex met 1. Musculus cleidocervicalis (sleutelbeen-halsspier) en 2. Musculus sternohyoideus (borstbeen-achterhoofdsbeenspier); 3. Musculus serratus ventralis cervicis (halsgedeelte van de onderste getande spier); 4. Musculus supraspinatus (spier vóór de schouderbladkam); 5. Musculus omotransversarius (schouder-dwaruitsteekselspier); 6. Musculus trapezius, pars cervicalis (halsdeel van de trapeziumvormige spier); 7. Musculus trapezius, pars thoracalis (borstdeel van de trapeziumvormige spier); 8. Musculus deltoideus, pars scapularis (schouderbladdeel van de deltavormige spier); 9. Musculus deltoideus, pars acromialis (haakgedeelte van de deltavormige spier); 10. Musculus latissimus dorsi (brede rugspier); 11. Musculus triceps brachii, caput longum (lange hoofd van de driehoofdige bovenarmspier); 12. Musculus triceps brachii, caput laterale (buitenste hoofd van de driehoofdige bovenarmspier); 13. Musculus pectoralis profundis (ascendens) (diep (opstijgende) borstspier)
- Musculus latissimus dorsi (brede rugspier) Deze zeer brede rugspier, een dunne driehoekige spier, heeft een uitgebreid aanhechtingspunt op de lendenen, de rug en de laatste twee à drie ribben: hij is enerzijds vastgehecht aan de doornuitsteeksels van de rug- en lendewervels, anderzijds aan het boveneinde van het opperarmbeen. Bij het voorbeen duikt hij onder de triceps weg en hecht met een pees vast aan de achterzijde van de opperarm. Het is de voornaamste antagonist van de Musculus brachiocephalicus. De functies zijn: 1. Het naar achteren brengen van het voorbeen. Daarbij wordt de boeg gebogen. 2. Het binnenwaarts brengen van het voorbeen.
- Musculi pectorales (pectoraalspieren) Deze spieren lopen van het borstbeen en van de onderzijde van de ribben naar de opperarm. De functies zijn: 1. Het dragen van het lichaam. Deze functie hebben ze gemeen met de Musculus serratus ventralis. 2. Binnenwaarts bewegen van het voorbeen. Deze functie komt ook voor bij de Musculus biceps en de Musculus latissimus dorsi. 3. Het naar voren en naar achteren bewegen van het voorbeen. De Musculus pectoralis profundis vormt min of meer het borstdeel van de spieren en trekt het been naar achteren. De Musculus pectoralis superficialis vormt min of meer het halsdeel en tilt het voorbeen op en naar voren. Om die reden wordt dit deel in het Latijn ook wel het Pars humeri descendens genoemd: het neerlatend deel van de opperarm.
Spieren van de romp en van de lendenen
- Musculus longissimus dorsi (lange rugspier) De zeer lange rugspier loopt over de dwarsuitsteeksels van alle wervels vanaf het bekken tot de laatste vier halswervels. Bij de slager is de spier bekend als de karbonadestreng. De functie is het strekken (hollen) en zijwaarts buigen van de rug.
- Musculus rectus abdominus (rechte buikspier) Deze zogenaamde rechte buikspier loopt van de bekkenrand naar het borstbeen. De functies zijn: 1. Het buigen (bollen) van de rug. 2. De spier bepaalt mede de buikbelijning. Een 'slappe' buikspier leidt tot een uitpuilend buikje.
- Musculus psoas major (grote rugbuiger) Deze loopt van de wervellichamen van de laatste borst- en lendenwervels naar de bovenvoorzijde van het dijbeen. De functie is het buigen van de heup. Daarbij wordt het dijbeen naar voren bewogen.
- Musculus psoas minor (kleine rugbuiger) Deze loopt van de onderzijde van de borst- en lendenwervels naar het darmbeen. Bij de slager is deze spier bekend onder de naam 'haas'. De functies zijn: 1. Het buigen (bollen) van de lendenen, de rug. 2. Het voorwaarts brengen van het bekken.
- Musculus quadratus lumborum Deze spier verloopt langs de onderzijde van de dwarsuitsteeksels van de lendenwervels. De functie is het buigen van de lendenen. Indien men op het achtereinde van de rug, ter hoogte van de lendenen, drukt, kan de hond zijn rug rechthouden door de Musculus quadratus lumborum aan te trekken.
De oppervlakkig liggende spieren van de achterhand (van rechts gezien) 1. Musculus gluteus superficialis (oppervlakkige bilspier); 2. Musculus gluteus medius (middelste bilspier); 3. Musculus sartorius, pars cranialis (voorste deel van de kleermakersspier); 4. Musculus obliquus externus abdominis (buitenste schuine buikspier); 5. Musculus tensor fasciae latae (spanner van het brede dijvlies); 6. Musculus semitendineus (halfpezige spier); 7. Musculus biceps femoris (tweehoofdige dijspier); 8. Musculus gastrocnemicus (kuitspier)
De dieper liggende spieren van de achterhand (van rechts gezien) 1. Musculus gluteus profundis (diepe bilspier); 2. Musculus rectus femoris (rechte dijspier); 3. Musculus sartorius (kleermakersspier); 4. Musculus gracilis (slanke spier); 5. Musculus semitendineus (halfpezige spier); 6. Musculus semimembranosus (halfvliezige spier); 7. Musculus vastus lateralis (brede zijspier); 8. Musculus gastrocnemicus (kuitspier); 9. Sacro-tubereus ligament. De Musculus rectus femoris (2) en Musculus vastus lateralis (7) maken deel uit van de Musculus quadriceps femoris (vierhoofdige dijspier)
Spieren van de achterhand
- Musculus quadriceps femoris (vierhoofdige dijbeenspier) De quadriceps is een wat diep liggende spier, die vanaf het heupbeen naar de kam op de voorzijde van het scheenbeen loopt. De pees van deze spier bevat de patella (knieschijf). De functies zijn: 1. Het strekken van de knie. Daarbij komt het onderbeen in het verlengde van het bovenbeen te liggen. 2. Het buigen van de heup. Het onderbeen is daarbij het aanhechtingspunt. Bij de mens ontstaat een bukkende beweging.
- Musculus gluteus (bilspieren) Er zijn een paar bilspieren (zie bovenstaande 2 tekeningen). De belangrijkste, de Musculus gluteus superficialis (oppervlakkig liggende bilspier) loopt van het heupbeen naar de boven-achterzijde van het dijbeen. De functie is het strekken van de heup. Daarbij wordt het dijbeen naar achteren gebracht.
- Broekspieren (hamstrings) Deze spieren lopen van het bekken naar het bovenste deel van het schaambeen (achterzijde). Achtereenvolgens zijn dit de volgende spieren: Musculus semitendineus (halfpezige spier) Musculus semimembranosus (halfvliezige spier) en Musculus biceps femoris (tweehoofdige dijspier) De functies zijn: 1. Het strekken van de heup. Daarbij wordt het achterbeen naar achteren bewogen. 2. Het buigen van de knie. Deze actie is vooral toe te schrijven aan het samentrekken van de Musculus biceps femoris.
- Musculus gastrocnemicus (kuitspier) Deze spier loopt van de achterzijde van het dijbeen via de achillespees naar het hielbeen. De functies zijn: 1. Het buigen van de knie en tegelijk: 2. het strekken van de hak (spronggewricht).
Aan de binnenzijde van de achterbenen vinden we een aantal spieren, die we aanduiden onder de naam adductoren. Zij hebben tot taak de benen recht onder het lichaam te houden. Een van de adductoren is de Musculus semitendineus, die er voor zorgt, dat de kop van het dijbeen in de kom van het bekken blijft steken. Aan de buitenzijde van de achterbenen vinden we een aantal spieren, die we aanduiden onder de naam abductoren. Zij bewegen het achterbeen zijwaarts. Indien reuen hun poot optillen om te plassen, gebruiken zij daartoe hun abductoren. Voorts vinden we op de voorzijde van het onderbeen enkele teenstrekkers en aan de achterzijde enkele teenbuigers (zoals dat ook geldt voor de voorbenen).
De diepst liggende spieren van de achterhand (van links gezien) 1. Musculus biceps femoris (tweehoofdige dijspier); 2. Musculus semitendineus (halfpezige spier); 3. Pees van de Musculus semitendineus
Info Voor meer info over spieren: klik hier. |
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell