Menu-knop.

 

Wetenswaardigheden 14

                                  

Pas op met zogenaamde stambomen

Sinds 2001 werd er een negatieve campagne gevoerd tegen de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied. Dit werd vooral gedaan door de N.V.F.R., een vereniging waar fokkers lid van kunnen worden, die het niet zo zien zitten bij de Raad van Beheer.

Aan het N.V.F.R. hangt weer een vereniging: de Rashonden Federatie Nederland, de R.F.N.

Deze federatie geeft ook "stambomen" uit, zodat de fokkers de Raad van Beheer zogenaamd niet meer nodig hebben. Er zit echter een gemeen addertje onder het gras. De zogenaamde stamboom van de RFN is niet FCI-goedgekeurd en is dus een waardeloos papiertje.

Mensen die een hond met zo'n stamboom kopen, kunnen niet naar shows, niet naar sommige wedstrijden en hun hond wordt dus officieel en volgens de wet gewoon gezien als een hond zonder stamboom.

 

Dit gebeurt ook bij de Australian Labradoodle. De fokker zelf geeft de a.s. puppykoper een "eigen" stamboom mee.

Vanaf waarschijnlijk eind 2009 wijzigt dit, want dan wordt een stamboom meegegeven, uitgegeven door de ALAEU.

Ook deze stamboom van de ALAEU is niet FCI-goedgekeurd en is dus waardeloos, omdat dit volgens de wet gezien wordt als een hond zonder stamboom.

 

Een groot aantal mensen maakt dat helemaal niets uit, voor hen hoeft dat ook allemaal niet. Maar ik krijg er regelmatig vragen over van cursisten. Bovendien is een hond met stamboom duurder dan zonder, dus dan moet het wel de echte zijn.

En daarom wil ik middels dit verhaal aanstaande puppykopers goede voorlichting geven over welke stamboom echt waarde heeft en welke niet, zodat ze zich later niet bedrogen hoeven te voelen door de fokker.

 

Ik hoop, dat deze boodschap duidelijk is: er bestaat maar één stamboom en dat is de door de FCI erkende stamboom. Dus let ook op bij importhonden: stambomen móeten het FCI-logo hebben, want alle andere stambomen zijn waardeloze papiertjes!

Terug naar de knoppen op "Wetenswaardigheden".

                 

Wedstrijdje.

 

 

Koop een hond en riskeer een gevangenisstraf

Of koop een hond en riskeer dat de hond moet worden afgemaakt

Sinds 1993 was de Regelgeving Agressieve Dieren (RAD) rond pitbulls een feit. In de volksmond werd dit de Pitbullwet genoemd. De wet 'agressieve dieren' was duidelijk: "Het is verboden honden van het pitbull-type te fokken, te houden, te verkopen en ter verkoop voorradig te hebben".

Een pitbull is geen erkend ras en de wet omschreef enkel de uiterlijke kenmerken, waaraan een pitbull moest voldoen. Wanneer honden op een pitbull leken en een stamboom van de Raad van Beheer hadden (zoals de American Staffordshire Terrier, maar ook de Staffordshire Bull Terrier), dan vielen zij niet onder deze regeling.

Als een hond echter geen officiële FCI stamboom had, maar dus wel leek op een pitbull zoals omschreven in de wet, dan was de kans groot, dat het dus om een pitbull ging. Omdat het verboden was om een pitbull te houden, kon de hond dus zonder meer in beslag genomen worden en dus worden afgemaakt.

Sterker nog: de bezitter kon ook nog strafrechterlijk worden vervolgd en een maximumstraf van 2 jaar krijgen.

 

RAD Regeling Agressieve Dieren

Per 9 juli 2008 is door de minister van LNV de Regeling Agressieve Dieren ingetrokken.

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de Minister van LNV een wijziging in de Regeling Agressieve Dieren, kortweg RAD of vaak pitbull-wet genoemd, aangekondigd, die per 1 januari 2009 in werking treedt. Honden die ongewenst agressief gedrag vertonen in het openbaar kunnen in beslag genomen worden, ongeacht de grootte van het dier.
Dit wil zeggen dat honden niet meer worden beoordeeld op uiterlijk of grootte en op basis daarvan in beslag kunnen worden genomen. Honden kunnen bij klachten over ongewenste agressie op basis van een Algemene Politie Verordening in beslag genomen worden. Deze honden zullen met behulp van een nog door de overheid te ontwikkelen valide gedragstest worden beoordeeld.
De minister heeft tevens besloten, dat in beslag genomen pitbullachtigen, die enkel op basis van uiterlijke kenmerken in beslag waren genomen, direct werden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.


Overgangsbeleid
In haar berichtgeving van 9 juni 2008 heeft de minister het volgende vermeld:
"Overgangsbeleid in aanloop naar inwerkingtreding alternatieve regeling.
Sinds het moment dat ik het rapport van de Commissie van Wijzen in ontvangst genomen heb, worden op grond van de RAD in beslag genomen honden niet meer gedood. Het is mijn streven om vanaf heden geen honden meer uitsluitend op basis van uiterlijke kenmerken in beslag te laten nemen. Ik heb hiervoor de nodige communicatie in gang gezet.
Het voorgaande betekent niet, dat in het geheel geen honden meer in beslag worden genomen. Inbeslagname zal nog geschieden op basis van de RAD en op basis van artikel 350 en 425 Wetboek van Strafrecht.

Op basis van de RAD zullen echter alleen honden in beslag genomen worden, die voldoen aan de in de regeling beschreven uiterlijke kenmerken én betrokken zijn bij een bijtincident. Als sprake is van een bijtincident, verricht door welke hond dan ook, is het mogelijk om op te treden via artikel 350 en 425 Wetboek van Strafrecht."

 

De berichtgeving van de Minister aangaande de RAD-wijzigingen:

Rapport Commissie van Wijzen RAD en beleidsadvies 9-6-'08

Hondenbeten in perspectief 8-5-'08

Wijziging grootte van honden 11-8-'08

Brief minister teruggave honden 10-9-'08

 

Wat wil het ministerie van LNV?
Er bestaat op dit moment een lijst van ca. 13 rassen bij het ministerie van LNV, waar buiten de Rottweiler ook bijv. de Jack Russell Terriër op staat.

De minister schrijft hierover het volgende: 'Eigenaren en verenigingen van rassen die vaak zijn betrokken bij bijtincidenten hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het beperken van bijtincidenten. Zij dienen adequate maatregelen te nemen om de kans op bijten door hun eigen hond te beperken en om ongewenste agressie binnen het ras terug te dringen'.

In navolging van het standpunt van de minister heeft het bestuur van de Raad van Beheer besloten dat de huidige koppeling tussen de MAG-test en stamboom tot eind 2008 gehandhaafd blijft.

Voor 1 januari 2009 dienen de betreffende rasverenigingen een Plan van Aanpak in te dienen hoe zij hun verantwoordelijkheid willen nemen ter preventie van bijtincidenten door honden van hun ras. Daarbij dienen zij een beargumenteerde motivatie te geven of zij willen kiezen voor handhaving van de koppeling van de stamboomafgifte of niet. Dit plan van aanpak moet eerst door het bestuur - na advies van de commissie Opvoeding & Gedrag - worden goedgekeurd.


Koppeling MAG test en stambomen
Ondanks de intrekking op 9 juli 2008 blijft de koppeling tussen de MAG test met goed gevolg afleggen en het verstrekken van stambomen voor de rassen American Staffordshire Terrier, Argentijnse Dog, Fila Brasileiro, Mastino Napoletano en de Rottweiler vooralsnog gehandhaafd.
Dit betekent dat voor het aanvragen van stambomen voor een nest pups van deze rassen de ouderdieren de MAG test (gedragtest) met goed gevolg moeten hebben afgelegd.

Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met de erkende rasvereniging.

 

Per 1 augustus 2009 gelden de volgende regels voor honden van het ras Rottweiler en Mastino Napoletano om hun nakomelingen van een stamboom te voorzien:

Fokdieren van het ras Rottweiler en Mastino Napoletano geboren na 1 april 2008, uit Nederlandse ouders geboren na 1 april 2008, hoeven geen voldoende MAG-test te hebben.

Fokdieren van het ras Rottweiler en Mastino Napoletano geboren  na 1 april 2008 uit ouders geboren voor 1 april 2008, hoeven zelf geen voldoende MAG-test te hebben voor het voortbrengen van het nest, mits de ouders een voldoende MAG-test hebben, of in het geval het een in het buitenland geregistreerde vaderdier betreft een voldoende MAG-test of ZTP.

Toelaten pitbullachtige honden bij hondenclubs
Aangezien de pitbullachtige honden bij wet dus nu niet meer op uiterlijk of grootte worden beoordeeld, betekent dit dat ook een hondenvereniging dit type honden niet meer hoeft te weigeren bij cursussen op het gebied van hondenopvoeding of hondensport.
Voor alle duidelijkheid: een hondenclub blijft bevoegd om mensen en dieren die ongewenst gedrag vertonen van het terrein te verwijderen en/of de toegang te weigeren.

 

Sociaal honden vaardigheidsbewijs d.d. 7-12-'08
S
tichting Zinloos Geweld tegen Dieren wil een sociaal honden vaardigheidsbewijs (SHVB). Waarom? Om d.m.v. een sociaal vaardigheidsbewijs de hondeneigenaar bewust te laten worden van hun verantwoordelijkheden naar zijn hond, zijn gezin en de maatschappij, zodat dit een aanzienlijke vermindering van bijtincidenten tot gevolg zal hebben. Het neveneffect zal zijn, dat honden niet zinloos gedood zullen worden.

Klik hier voor de folder.

 

Voortgang besluitvorming agressieve honden d.d. 12-12-'08: bestaande regels voldoende voor aanpak agressieve honden

De gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht bieden voldoende mogelijkheden om agressieve honden aan te pakken. Er komt dan ook geen nieuwe regeling. Dat heeft minister Gerda Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit besloten.

 

Eerder dit jaar werd de Regeling Agressieve Dieren (RAD) ingetrokken, omdat uit een evaluatie bleek dat de regeling niet effectief was: het aantal bijtincidenten was in 15 jaar tijd niet afgenomen en er was, ondanks het fokverbod, geen vermindering van het aantal pitbull-achtige honden.

Aanvankelijk wilde minister Verburg een nieuwe regeling in het leven roepen, maar in het overleg met de Tweede Kamer op 11 september is de vraag aan de orde geweest of dat effectief zou zijn. Verder zette de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het OM vraagtekens bij de handhaafbaarheid van de voorgenomen regeling.

De VNG wijst daarbij vooral op de problemen rond het preventief optreden tegen agressieve honden. Volgens de VNG konden gemeenten de afgelopen jaren zonder ophef optreden tegen agressief gedrag met honden en tegen agressieve honden die niet tot het type pitbull behoorden. De APV's hebben de gemeenten daartoe de noodzakelijke handvatten geboden.

Het OM denkt dat het moeilijk te bewijzen is, dat de eigenaar schuld heeft wanneer zijn hond agressief gedrag toont of getoond heeft.

Daarop is gekeken of bestaande regelgeving voldoet voor het aanpakken van agressieve honden. Artikel 172 van de Gemeentewet biedt de burgemeester de mogelijkheid op te treden bij agressiviteit door honden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de praktijk van de gemeente Assen. De VNG gaat in navolging daarvan bekijken of de bestaande model-APV moet worden aangescherpt.

Verder biedt Artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid op te treden tegen eigenaars van honden die hun dier ophitsen of onvoldoende terughouden. Ook kan op grond van de artikelen 285 en 302 (achtereenvolgens bedreiging waarbij een hond is gebruikt en zware mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht opgetreden worden tegen houders van honden.

Daarop heeft minister Verburg geconcludeerd, dat er voldoende mogelijkheden zijn voor maatwerk bij het optreden bij agressie met en door honden. De houders van de honden kunnen zowel op grond van de APV's worden bestraft, als ook op grond van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht.

Langs zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke weg kunnen ook de gewenste maatregelen jegens honden worden genomen. Daarom zou een nieuwe regeling in de ogen van de minister vooral symbolisch zijn in plaats van een praktisch toepasbaar extra instrument.

 

Meer informatie: klik hier voor de Kamerbrief.

Terug naar de knoppen op "Wetenswaardigheden".

                 

Kaarten.

 

 

Een hondenlucht in huis

Het laat heel wat liefhebbers van honden koud of er bij hen in huis een hondenlucht hangt, terwijl veel andere eigenaren het als bijzonder onprettig ervaren. Natuurlijk we weten heel goed, dat een hond nu eenmaal geen 'dametje' is.

Zelfs het ogenschijnlijk sjiekste hondje ziet er niet tegenop om zich in de smerigste viezigheid te rollen. En de thuiskomst houdt dan het midden tussen een komische verrassing en een ergerlijk ongemak. Gelukkig verdwijnt deze narigheid tijdens een flinke wasbeurt meestal als sneeuw voor de zon.

Maar in dit stukje wil ik echter met u gaan kijken naar de hond, die ogenschijnlijk heel schoon, ja misschien zelfs pas gewassen is, en toch al heel gauw die typische hondengeur verspreidt.

Ieder dier heeft zijn eigen geur, die vaak heel duidelijk geroken wordt als de vacht nat of vochtig is. En het lijkt soms wel dat naarmate de hond ouder wordt, we hem steeds vaker gaan ruiken.

 

Huid en vacht

Tegenover een droge huid, die we bijna niet ruiken, staat een vette vacht. Het overmatige huidvet (talg) geeft niet alleen een doffe vacht, maar ook de hondenmand en dekens worden er mee ingewreven. Vet wordt heel gauw ranzig. Een vette huid stinkt dus, m.a.w. de hond heeft een vieze lichaamsgeur. Vanzelfsprekend zullen we zo'n hond wat vaker gaan wassen, maar de meestal onbekende oorzaak kunnen we er niet mee oplossen. Het kan een bijzonder lastig probleem zijn, omdat een groot aantal factoren invloed hebben op de huid. Want niet alleen de uitwendige omstandigheden spelen een rol, maar ook "van binnen uit" worden de huid en de vacht sterk bestuurd. Een rustig gesprek met de dierenarts kan voor een flink aantal van de patiënten inzicht verschaffen.

 

Een allergische huidreactie

Meestal heeft de hond nu ook jeuk en wat extra haaruitval. Heel vaak zijn een paar vlooien de oorzaak, maar daarnaast staan nog vele andere oorzaken ter discussie.

 

Een hormonale verandering

Vooral bij ouder worden doemen er kwalen op, die o.a. op de huid een negatieve invloed kunnen hebben. Bijv. voor een oude reu kan het zijn, dat nu eens een castratie verbetering brengt, dan weer het geven van bijv. mannelijke of mogelijk andere hormoontabletjes, die de huid gunstig beïnvloeden.

Bij sommige rassen komen honden voor met een overmatige huidproductie, zonder dat de oorzaak daarvan te achterhalen is. Hoewel deze huidziekte niet te genezen is, staan ons voldoende middelen ter beschikking om de toestand ook voor langere tijd aanzienlijk te verbeteren.

 

Voedingsstoffen

Een tekort aan bepaalde voedingsstoffen speelt in onze tijd, met zijn vele complete hondenvoeders, nauwelijks meer een rol. Mogelijk dat in een aantal droogvoeders het vetpercentage wat aan de lage kant is. Minstens 8% vet, maar meer verdient de voorkeur. Met name het linolzuur, wat in plantaardige vetten en olie voorkomt, is van wezenlijke betekenis voor een optimale conditie van de huid en vacht. Een weeldeprobleem vormen de hoge percentage eiwitten, die wel degelijk hun invloed op huid en vacht hebben.

 

Andere oorzaken

Het is natuurlijk niet altijd de vacht, die verantwoordelijk is voor een onaangename geur of lucht, maar ook andere plaatsen aan een hondenlichaam kunnen verantwoordelijk zijn. 

Hierbij een greep uit de meest voorkomende gevallen.

 

De oren

Oren, soms vol met oorsmeer of andere viezigheid, kunnen geweldig stinken. Oorontsteking wordt gemakkelijk chronisch. Laat voor een juiste diagnose en een passende behandeling altijd de dierenarts de situatie beoordelen.

Zie ook hier.

 

Het gebit

Voor heel veel honden geldt, dat op 2-jarige leeftijd een gele aanslag, dus tandsteenvorming, op het gebit zichtbaar wordt. Het aangrenzende tandvlees raakt rood ontstoken en het geheel kan een vieze tot smerige lucht verspreiden. 

Maar ook dat melktandje, dat nog niet is uitgevallen, kan een prop viezigheid vasthouden.

 

De hangende lipplooi

De hangende lipplooi aan de onderlip is bij een aantal rassen soms een diepe groef. Vlak bij de natte bek wordt de huid daarin nooit droog en gaat smetten. Als drogende zalf geen uitkomst biedt, wordt de plooi wel eens operatief verwijderd.

 

Keelontsteking

Het komt regelmatig voor, dat honden last hebben van keelontsteking en dikke amandelen. Mogelijk kokhalzen ze zo af en toe wat wit schuim en een vieze adem hoeft ons niet te verbazen.

 

Aantal andere oorzaken

Overvolle of ontstoken anaalklieren, oude wonden, open huid, melkkliertumoren of hotspots kunnen eveneens een geweldige stank veroorzaken.

 

Laatste punt

Soms bevuilt een hond zijn ligplaats. Denk maar eens aan honden, die te lang opgesloten zitten in hun hok of een oude hond met pijnlijke heupen of stijve rug en knieën. Hij loopt niet graag meer en houdt zijn behoeften wat langer op. Bij het moeizaam opstaan laat hij gemakkelijk wat urine lopen.

Een teef kan wat uitvloeiing hebben, wat ook niet zo hygiënisch is.

Soms raakt een oude hond (bijv. een gesteriliseerde/gecastreerde teef) de controle over de blaas kwijt en verliest daardoor zo af en toe wat urine. Gelukkig is tegen deze kwaal in veel gevallen effectief met tabletten op te treden.

Terug naar de knoppen op "Wetenswaardigheden".

                  

Kaarten.

 

 

Bacterie van uw hond krijgen (hondenbeet)

Aanpak van bijtwonden door honden en katten

Capnocytophaga Canimorsus en Bartonella Henselae

 

Essenaar invalide na verkeerde diagnose

 

Wat er gebeurde: Kees Klinkhamer uit Essen loopt in november 2002 tijdens een stoeipartij met een van zijn honden beten in beide armen op. Als de wond in de linkeronderarm na een paar dagen rood en dik wordt, adviseert de assistente van de huisarts telefonisch de wond nat te houden.

De klachten verergeren en Kees – toen nog projectleider bij een installatiebedrijf – meldt zich de volgende dag ziek met veertig graden koorts. Vervolgens gaat hij met zijn vrouw Lia naar de huisarts, maar die legt geen verband tussen de hondenbeet en de ziekteverschijnselen. "Hij keek wel in het computersysteem", vertelt Lia, "maar we hadden een paar jaar geleden nog een tetanusspuit gehad, zei hij. Dus gingen we naar huis met penicillinezalf en de boodschap dat Kees maximaal acht paracetamol per etmaal mocht nemen. Het zou om een virusinfectie gaan."

Maar de volgende nacht wordt Kees nog veel zieker: zijn temperatuur daalt tot 35,8 graden en hij krijgt bruine vlekken in zijn gezicht. Lia belt ’s morgens heel vroeg de huisartsenpost Roosendaal. "Maar er kwam geen dokter, omdat zo’n post niet grensoverschrijdend werkt. Wisten we niet, maar goed. We moesten volgens de assistente wachten op de eigen huisarts."

Die kwam die ochtend meteen en schrok enorm van Kees' toestand (de wonden waren helemaal zwart geworden), zegt Lia. "Hij schakelde direct een ambulance in om hem naar het Franciscusziekenhuis te brengen."

Op de intensive-care afdeling houden ze Kees kunstmatig in slaap. Om hem te stabiliseren. Want Kees blijkt een bacterie (Capnocytophaga Canimorsus) in zijn lijf te hebben, die zijn bloed op agressieve wijze vergiftigt. Een bacterie, zo heeft Kees later uitgezocht, die bij 1 op de 6 honden en katten in het speeksel zit. "Ik weet er zelf niks meer van, maar ik was ontzettend ziek. Zo erg, dat ik eraan had kunnen overlijden, zei de internist."

Als Kees na 3 weken wakker wordt, is hij blind aan zijn rechteroog. En als hij na een maand wat aangesterkt is, moeten zijn tenen geamputeerd worden, omdat ze als gevolg van de bloedvergiftiging zijn afgestorven.

"Tja, en dan begint een langdurig proces van revalideren", zegt Kees. "Ik kreeg orthopedische schoenen en moest opnieuw leren lopen. Als ik 500 meter loop, houdt het wel op. Verder kan niet. En dat is heel moeilijk te accepteren, vooral omdat mijn vrouw en ik enorm van wandelen houden."

Kees wordt voor 50% afgekeurd en werkt nu als calculator en werkvoorbereider. Werk waarbij hij niet hoeft te lopen en regelmatig een beeldschermpauze kan nemen. Zijn hobby – knutselen aan modelspoorbanen – wordt ernstig belemmerd door zijn beperkte zicht. "Ik zie geen diepte en dan gaat er regelmatig wat mis. Daar word ik nog steeds wel eens boos om."

Lia worstelt tot op de dag van vandaag met haar emoties. "Ik heb destijds een andere man thuisgekregen. In het begin was hij erg opstandig, mijn zorgzaamheid viel nogal eens verkeerd. Hij moest ook echt afkicken van al die morfine, die hij gekregen had. Weet u, we hadden ons erg verheugd om allerlei leuke dingen samen te gaan doen, nu de kinderen de deur uit zijn. In plaats daarvan moet ik juist allerlei dingen alleen doen."

Capnocytophaga Canimorsus infecties

Een mogelijk dodelijke complicatie van bijtwonden

 

A.M.H. Kramer - Student Diergeneeskunde

en D.J. Houwers - Specialist Veterinaire Microbiologie, Hoofd VMDC, Faculteit der Diergeneeskunde.

Tijdschrift Diergeneeskunde 1999, deel 124.

 

Samenvatting

Praktiserende dierenartsen en hun assistenten lopen het risico door patiënten te worden gebeten. Deze 'ongelukken' worden meestal door honden en katten teweeggebracht en worden tot de beroepsrisico's gerekend.

Dat bijtwonden en met name bijtwondinfecties vervelende gevolgen kunnen hebben, heeft menig dierenarts aan den lijve mogen ondervinden.

Er is in de laatste jaren meer inzicht verkregen in een nieuwe bacteriële infectie, die bij bijtwonden op kan treden en niet alleen zeer ernstige lokale, maar zelfs levensbedreigende systemische consequenties kan hebben.

Het betreft infecties met de bacterie Capnocytophaga canimorsus. Een adequate wondbehandeling is uiteraard bij alle bijtwonden van cruciaal belang, maar bij een Capnocytophaga canimorsus-infectie zelfs van levensbelang.

Na een korte bespreking van honden- en kattenbeten bij de mens in het algemeen, wordt ingegaan op wat tot nu toe bekend is van Capnocytophaga canimorsus en op de geëigende profylactische maatregelen.

 

Bijtwonden en wondinfecties in het algemeen

Elk jaar worden er in Nederland ongeveer 50.000 mensen door de huisarts en/of op de EHBO van een ziekenhuis behandeld i.v.m. een bijtwond. De meeste bijtwonden worden veroorzaakt door honden of katten. De door honden toegebrachte bijtwonden leiden meestal tot hematoomvorming, weefselnecrose en grillige wondranden (stomp trauma). Bij kattenbeten is er vaak sprake van diepe steekkanalen (scherp trauma). Dit soort wonden vormen uitstekende voedingsbodems voor bacteriën.

De kans dat er een ontsteking van de wond optreedt, hangt o.a. in sterke mate af van tijdige - adequate - wondbehandeling. In 85% van de bijtwonden zijn vóór de wondbehandeling potentieel pathogene bacteriën aanwezig. Potentieel pathogene bacteriën, die veel in bijtwonden voorkomen zijn Pasteurella multocida, coagulasepositieve stafylokokken en obligaat anaërobe bacteriën.

Over het algemeen blijkt dat tot ongeveer 20% van de bijtwonden door honden en tot 50% of meer van die door katten bij niet adequate behandeling ontstoken raakt.

Voor de behandeling van bijtwonden bij de mens is een algemene richtlijn voorgesteld. Deze geeft criteria op grond waarvan profylactisch antibiotica gegeven zouden moeten worden.

Deze criteria hebben betrekking op de aard (diepe wond), de lokalisatie (handen of gezicht) en de ouderdom van de bijtwond op het moment van behandelen (ouder dan 8 uur). Voorts wordt het behoren tot bepaalde risicogroepen (bijv. mensen met verminderde weerstand, zoals diabetes-mellitus-patiënten) meegewogen.

Omtrent het preventief gebruik van antibiotica bestaat echter geen consensus. Zo spreken sommige auteurs zich, mede gezien het Capnocytophaga canimorsus-risico, uit voor een minder restrictieve benadering.

 

Capnocytophaga Canimorsus

Een potentieel pathogene bacterie in bijtwonden, waarover tot nu toe nog maar relatief weinig bekend is, is Capnocytophagga canimorsus.

Een wondinfectie met deze bacterie kan tot ernstige lokale problemen leiden, maar bovendien is er een grote kans op een fulminant verlopende sepsis, waarbij diffuse intravasale stolling (DIS) en multi organ failure (MOF) kunnen optreden. Door verbeterde diagnostische methoden is er de laatste tijd steeds meer bekend geworden over deze kiem.

In 1961 isoleerden de Centers for Disease Control (CDC) voor het eerst een bepaalde slecht groeiende, koolzuurminnende, Gram-negatieve bacterie die tot de DF-2 groep (dysgonic fermenters) werd gerekend. Er volgden meer isolaties en enkele jaren geleden kreeg de kiem zijn huidige naam Capnocytophagga canimorsus.

Inmiddels zijn er diverse casuïstische mededelingen en andere publicaties verschenen waaruit het volgende blijkt.

De eerste symptomen bij een lokale wondinfectie door Capnocytophaga canimorsus zijn meestal weinig specifiek: braken, diarree, spierpijn en algehele malaise. Er kan rondom de wond en eventueel naar regionaal uitbreidende intravasale stolling optreden met weefselversterf als gevolg. Als dit bijvoorbeeld in een ledemaat optreedt, kan amputatie noodzakelijk zijn. Vooral bij patiënten met een verminderde weerstand door bekende of onbekende oorzaak, kan vanuit een lokale infectie vrij snel een sepsis optreden. Hierbij ontstaan vaak eerst maculo-papuleuze veranderingen in de huid, erytheem en/of petechiae en vervolgens, afhankelijk van het zwaarst getroffen orgaan, symptomen zoals acuut nierfalen, acute ernstige benauwdheid en zelfs shock. In feite kunnen allerlei organen ernstige schade oplopen als gevolg van de optredende DIS met de daarbij horende functionele symptomen MOF.

Minder vaak voorkomende implicaties zijn: acute myocardiale necrose, endocarditis, meningitis, artritis, pleuritis en oogontstekingen.

De mortaliteit van mensen waarbij een Capnocytophaga canimorsus-infectie is vastgesteld bedraagt 30%, ondanks medische interventie (!). Capnocytophaga canimorsus is vrij moeilijk uit de wond te isoleren. Bij sepsis is het aantonen relatief gemakkelijk, maar het resultaat van de bloedkweek komt dan meestal te laat. Hoeveel slachtoffers er precies zijn, is natuurlijk niet bekend; lang niet alle humane doodsoorzaken worden onderzocht.

De bacterie werd bij 16% en 18% van de onderzochte honden en katten in het mondslijmvlies aangetroffen. In werkelijkheid zullen deze percentages hoger uitvallen, omdat de bacterie zich moeilijk laat isoleren uit de totale mondflora. Derhalve wordt verondersteld dat Capnocytophaga canimorsus tot de normale mondflora van honden en katten behoort.

Een infectie met Capnocytophaga canimorsus kan dus tot stand komen via bijtwonden. Verder blijkt dat ook krabwonden veroorzaakt door katten, of het likken van huidlaesies ('open benen') door honden, tot infecties kunnen leiden. Bij ongeveer 90% van de Capnocytophaga canimorsus-infecties bij de mens is er een duidelijke relatie te leggen met honden of katten; bij ruim 50% is sprake van een bijtincident, bij bijna 10% een krabincident en bij bijna 30% is alleen sprake van contact met dieren zonder bekende verwonding.

Bij de resterende 10% is de infectiebron onbekend. In die gevallen waarbij er een relatie is gelegd met een dier, betreft het in grote meerderheid honden.

Bij ongeveer 60% van de infectiegevallen is er sprake van één of meerdere predisponerende factoren zoals splenectomie, alcoholmisbruik, chronische longproblemen of leverziekten, of weerstandsvermindering, o.a. door het gebruik van corticosteroïden.

Echter, in 40% van de gevallen is er voorzover bekend geen sprake van predisponerende factoren. Dat er geen sprake hoeft te zijn van een verminderde weerstand, blijkt ook uit een recente beschrijving van 4 patiënten in het academisch ziekenhuis van Groningen.

De incubatietijd van een infectie met Capnocytophaga canimorsus gerelateerd aan een bijt- of krabwond kan variëren van 2 á 3 dagen tot zelfs 2 á 4 weken.

Het stellen van de diagnose is niet eenvoudig. Het is dan ook noodzakelijk om bij een verdenking van infectie van een bijtwond deskundige hulp in te roepen. Voor de behandeling van Capnocytophaga canimorsus-infecties bij mensen worden meestal amoxycilline-clavulaanzuur of doxycycline als eerste keus gebruikt. Er is resistentie gevonden voor o.a. trimethoprim en de aminoglycosiden.

Recent is tevens gevonden dat ß-lactamase-vorming kan voorkomen. Antibiotische therapie is nooit 100% effectief; het resultaat hangt in sterke mate samen met het moment van inzet. De behandeling moet - uiteraard - zo snel mogelijk worden gestart.

Door de vereiste specifieke diagnostiek en het toepassen van antibiotica wordt het voorkomen van Capnocytophaga canimorsus-infecties zeer waarschijnlijk onderschat. In Nederland zijn tot nu toe 9 gevallen beschreven. In Denemarken is een schatting van één geval per 2 miljoen inwoners per jaar gemaakt. Wanneer dit naar ons land geëxtrapoleerd zou worden, zou er sprake zijn van minimaal 8 gevallen per jaar.

 

Bijtwonden en antibiotica

In het algemeen is de kans op een wondinfectie bij een bijtwond groot. Een wondinfectie veroorzaakt behalve fysieke schade en ongemak ook extra kosten door een langer durende behandeling en eventueel - langer - werkverzuim en uiteindelijk een grotere kans op restverschijnselen / functieverlies. En er kan dus ook nog een adder onder het gras zitten in de vorm van Capnocytophaga canimorsus.

Dit is vooral een gevaar gebleken voor mensen met bepaalde risicoverhogende factoren, maar toch ook voor 'gezonde' personen. De kans op het oplopen van de infectie is ogenschijnlijk niet zo hoog, maar hier tegenover staan echter wel de ernstige consequenties, zeker als de infectie niet snel genoeg onderkend en behandeld wordt.

In principe is een groot deel van alle bijtwondinfecties, inclusief die door Capnocytophaga canimorsus, te voorkomen door een adequate wondbehandeling bestaande uit onmiddellijk uitspoelen met veel water en bij oppervlakkige wonden desinfecteren met povidine-jodium.

Bij diepere wonden dient onverwijld wondtoilet te worden toegepast, gevolgd door het aanbrengen van een nat verband en het geven van rust (bijv. een mitella). Tenslotte moet, afhankelijk van de omstandigheden, een adequate antibioticumprofylaxe worden overwogen. Binnen 3 uur na het ontstaan van de wond kan worden volstaan met een eenmalige toediening. Indien later met de toediening wordt begonnen moet een kuur van enige dagen worden verstrekt.

Volgens de eerdergenoemde richtlijn is antibioticumprolaxe globaal geïndiceerd bij bijtwonden aan handen of gezicht, of bij wonden die bij de behandeling al langer dan 8 uur bestaan, of als er sprake is van risicoverhogende factoren bij de patiënt. In de andere gevallen, bijv. ondiepe bijtwond in weke delen, niet.

Het is evident dat dierenartsen en dierenartsassistenten een substantieel hoger risico lopen op bijtwonden. Daarbij komt dat dierenartsen gewoonlijk niet zo snel naar hun huisarts stappen. Voorts zijn huisartsen over het algemeen terughoudend m.b.t. het voorschrijven van antibiotica. Eén en ander zou er toe kunnen leiden, dat in bepaalde gevallen antibioticumprofylaxe dan wel -therapie achterwege blijft, hoewel dat eigenlijk wel geïndiceerd zou zijn.

Gelet op bovenstaande is het verstandig om elke bijtwond een zorgvuldige wondbehandeling te geven en vervolgens af te wegen of antibioticumprofyiaxe geïndiceerd is. Bij bijtwonden waarbij zich al verschijnselen van wondinfectie voordoen, is antibioticumtherapie zonder meer geïndiceerd.

Indien tot het toepassen van antibiotica wordt besloten, dan is bijv. amoxycilline met clavulaanzuur een goede keus, gezien het brede spectrum (incl. obligaat anaërobe kiemen en Capnocytophaga canimorsus) en het neutraliseren van eventueel aanwezige ß-lactamase-activiteit.

Of bijtwonden door hond of kat bij hond of kat tot Capnocytophaga canimorsus-infecties kunnen leiden is niet bekend.

 

Bartonella Henselae

Kattenkrabziekte of 'cat-scratch disease or fever' werd in 1950 beschreven. Buiten krabletsels (>90%) kan dit syndroom eveneens veroorzaakt worden door bijten of likken of door direct contact. Naast de kat die de voornaamste besmettingsbron is, kunnen ook andere huisdieren, zoals de hond, dit syndroom veroorzaken.

De voornaamste bacteriële agentia werden tijdens de jaren 90 geïdentificeerd: Bartonella (Rochalimea) henselae, Bartonella clarridgeiae en Afipia felis. De eerst genoemde komt het meest frequent voor (meer dan 80% van de gevallen). Deze kiem komt bij de kat (reservoirgastheer) voor in de rode bloedcellen en veroorzaakt bacteriëmie, die meestal asymptomatisch verloopt.

Katten zijn drager van de Bartonella henselae-bacterie en kunnen hoge aantallen levende bacteriën in het bloed hebben zonder zichtbare ziekteverschijnselen. Uit onderzoek is gebleken dat 22% van de katten de bacterie in het bloed heeft en dat ongeveer de helft van de onderzochte katten antistoffen heeft tegen Bartonella henselae. Dit betekent dat ze de bacterie een keer in hun leven in het bloed gehad hebben.
Besmette katten kunnen de bacterie 2 tot 12 maanden nadat ze zelf besmet zijn, nog steeds verspreiden. Katten kunnen elkaar onderling via vlooien besmetten.

Het is niet duidelijk of de mens ook via een vlo besmet kan worden. Wel is zeker, dat de mens besmet wordt met Bartonella henselae via een krab of een beet of contact met speeksel van een kat.
De mate van besmettelijkheid is niet precies bekend. Contact met een kat met vlooien zorgt wel voor een verhoogde kans om de ziekte op te lopen. Vooral vrouwtjeskatten jonger dan 2 jaar kunnen de bacterie bij zich dragen. Kattenkrabziekte kan niet tussen mensen worden overgedragen.

Ook teken dragen veelal de bacterie bij zich, maar er is niet bekend of er mensen besmet geraakt zijn via tekenbeten.

Kattenkrabziekte bij mensen met een goede weerstand is vaak een onschuldige, soms met koorts gepaard gaande ziekte, die meestal vanzelf overgaat. Het begint vaak met één of meerdere knobbeltjes (2-3 mm) op de huid in de buurt van de krab of beet. Dit worden al snel blaasjes met na enkele dagen een korstje erop. Hierna verdwijnen de plekjes weer. Soms heeft men dit niet eens gemerkt.
Na ongeveer twee weken kunnen de lymfeklieren groot en pijnlijk worden (lymfeklierontsteking of lymfadenitis). Er kan zich in de lymfeklier een abces vormen. Wanneer men echter contact met speeksel of de beet of krab in het oog heeft opgelopen, kan er een fikse ontsteking van de slijmvliezen rond het oog optreden. Soms leidt dit tevens tot een ontsteking van de lymfeklier bij het oog, waardoor een abces kan ontstaan. Deze lymfeklierontsteking kan weken tot maanden aanhouden (gemiddeld 6 weken), maar verdwijnt uiteindelijk in het geheel spontaan.

Bij ⅓ van de patiënten gaat de ziekte in de eerste dagen tot weken gepaard met koorts, hoofdpijn en algemeen ziek zijn.
Bij 2% van de patiënten kan de ziekte leiden tot een hersenvliesontsteking, waarbij men een verlaagd bewustzijn of zelfs coma en stuipen kan krijgen.
Bij mensen met een verminderde weerstand verloopt de ziekte vaak ernstiger. Hierbij vindt men in eerste instantie vaak knobbeltjes en bloedingen in de huid, lever en milt. Deze kunnen met koorts en algemeen ziek zijn gepaard gaan en soms zelfs tot de dood leiden.

Preventief kunt u natuurlijk iets doen. Hygiëne na een beet of krab (wassen van de huid, desinfectie van de wond en wondverzorging) is belangrijk. Verder is het goed om vlooien te bestrijden. Mensen met een verminderde weerstand kunnen beter niet met (jonge, speelse) katten omgaan.

Terug naar de knoppen op "Wetenswaardigheden".

 

En plezier dat we hebben....

 

                                                                                                                                  Naar de 15e pagina "Wetenswaardigheden".

Terug naar 'Wetenswaardigheden'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

 

Menu-knop.