Wetenswaardigheden 14
|
Al geruime tijd wordt er een negatieve campagne gevoerd tegen de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied. Dit wordt vooral gedaan door de N.V.F.R., een vereniging waar fokkers lid van kunnen worden, die het niet zo zien zitten bij de Raad van Beheer. Aan het N.V.F.R. hangt weer een vereniging: de Rashonden Federatie Nederland, de R.F.N. Deze federatie geeft tegenwoordig ook "stambomen" uit, zodat de fokkers de Raad van Beheer zogenaamd niet meer nodig hebben. Er zit echter een gemeen addertje onder het gras. De zogenaamde stamboom van de RFN is niet FCI-goedgekeurd en is dus een waardeloos papiertje. Mensen die een hond met zo'n stamboom kopen, kunnen niet naar shows, niet naar sommige wedstrijden en hun hond wordt dus officieel en volgens de wet gewoon gezien als een hond zonder stamboom.
Een groot aantal mensen maakt dat helemaal niets uit, voor hen hoeft dat ook allemaal niet, maar er zit een ander heel groot gevaar aan voor rassen, zoals de American Staffordshire Terrier en andere rassen met brede kaken en een gespierd postuur. Deze vallen met zo'n RFN-stamboom (of een andere, niet FCI-erkende stamboom) dus gewoon onder de Pitbullwet (zie hieronder) en kunnen zomaar, zonder reden, in beslag genomen en afgemaakt worden. Steeds vaker lezen we berichten over in beslag genomen honden. Het is dus geen "ver van mijn bed show" meer en ik denk, dat het absoluut nodig is, dat aanstaande puppykopers goede en uitgebreide voorlichting krijgen over welke stamboom echt waarde heeft en welke niet. Ook ik probeer mijn steentje daaraan bij te dragen door mensen via mailcontact of via telefonische vragen altijd de juiste info te geven, zodat ze zich later niet bedrogen hoeven te voelen door de fokker.
Ik hoop, dat deze boodschap duidelijk is: er bestaat maar één stamboom en dat is de door de FCI erkende stamboom. Dus let ook op bij importhonden: stambomen móeten het FCI-logo hebben, want alle andere stambomen zijn waardeloze papiertjes! |
|
Koop een hond en riskeer een gevangenisstraf Of koop een hond en riskeer dat de hond moet worden afgemaakt |
|
Niet alleen bij ons, maar ook bij de ombudsman Dieren komen verschillende klachten binnen over honden, die verkocht worden vanuit België naar Nederland, waar ze onder de wet 'agressieve honden' vallen. De honden, die in Nederland onder deze wet vallen, worden aangeduid als pitbull. Er zijn verschillende handelaren, die willens en wetens honden verkopen aan onwetende Nederlanders, zeker hier in onze omgeving (Zuid-Limburg), zo vlak bij de Belgische grens. Eenmaal in Nederland vallen deze geïmporteerde honden dus onder de wet 'agressieve dieren'. De ombudsman Dieren is een campagne gestart om het parlement in Brussel duidelijk te maken, dat de verkoop van dit soort honden naar Nederland, via de Europese wetgeving, verboden moet worden (klik hier voor info).
Wat is nu een pitbull? Een tijdje geleden haalde een Nederlandse familie, die niet op de hoogte was van de wet 'agressieve dieren', een kruising Amerikaanse Staffordshire Terriër uit een Belgisch asiel. Nog geen week later werd de hond door een onafhankelijke deskundige als pitbull beoordeeld en in beslag genomen. Deze hond is inmiddels afgemaakt. Sinds 1993 is de Regelgeving Agressieve Dieren (RAD) rond pitbulls een feit. In de volksmond wordt dit de Pitbullwet genoemd. De wet 'agressieve dieren' is duidelijk: "Het is verboden honden van het pitbull-type te fokken, te houden, te verkopen en ter verkoop voorradig te hebben". Een pitbull is geen erkend ras en de wet omschrijft enkel de uiterlijke kenmerken, waaraan een pitbull moet voldoen. Wanneer honden op een pitbull lijken en een stamboom van de Raad van Beheer hebben (zoals de American Staffordshire Terrier, maar ook de Staffordshire Bull Terrier), dan vallen zij niet onder deze regeling. Als een hond echter geen officiële FCI stamboom heeft (zie ook hierboven), maar dus wel lijkt op een pitbull zoals omschreven in de wet, dan is de kans groot, dat het dus om een pitbull gaat. Omdat het verboden is om een pitbull te houden, kan de hond dus zonder meer in beslag genomen worden en dus worden afgemaakt. Sterker nog: de bezitter kan ook nog strafrechterlijk worden vervolgd en een maximumstraf van 2 jaar krijgen.
Conclusie Het bovenstaande verhaal geldt niet alleen voor honden uit België. Ook hier in Nederland worden kruisingen van Staffordshires verkocht, en kruisingen hebben sowieso geen stamboom.
Pups welke voortkomen uit kruisingen van bijv. een Staffordshire Terrier met een Rottweiler, en die op een leeftijd van 6 maanden al in overwegende mate op een Staffordshire Terrier lijken, vallen automatisch onder de RAD. Kruisingen kunnen namelijk nooit een FCI-stamboom krijgen. Koop dus nooit zo'n pup, want de kans is groot, dat u hem kwijtraakt, en dat hij afgemaakt wordt.
Kijk voor meer info op de website van de A.S.T.C.H. Er is ook info te lezen op een website gemaakt door een derdejaars studente over haar onderzoek naar de werking van de RAD. Bovendien kan men via deze link een petitie tekenen, waarmee u duidelijk kunt maken tegen de RAD / Pitbullwet te zijn. |
|
Het laat heel wat liefhebbers van honden koud of er bij hen in huis een hondenlucht hangt, terwijl veel andere eigenaren het als bijzonder onprettig ervaren. Natuurlijk we weten heel goed, dat een hond nu eenmaal geen 'dametje' is. Zelfs het ogenschijnlijk sjiekste hondje ziet er niet tegenop om zich in de smerigste viezigheid te rollen. En de thuiskomst houdt dan het midden tussen een komische verrassing en een ergerlijk ongemak. Gelukkig verdwijnt deze narigheid tijdens een flinke wasbeurt meestal als sneeuw voor de zon. Maar in dit stukje wil ik echter met u gaan kijken naar de hond, die ogenschijnlijk heel schoon, ja misschien zelfs pas gewassen is, en toch al heel gauw die typische hondengeur verspreidt. Ieder dier heeft zijn eigen geur, die vaak heel duidelijk geroken wordt als de vacht nat of vochtig is. En het lijkt soms wel dat naarmate de hond ouder wordt, we hem steeds vaker gaan ruiken.
Huid en vacht Tegenover een droge huid, die we bijna niet ruiken, staat een vette vacht. Het overmatige huidvet (talg) geeft niet alleen een doffe vacht, maar ook de hondenmand en dekens worden er mee ingewreven. Vet wordt heel gauw ranzig. Een vette huid stinkt dus, m.a.w. de hond heeft een vieze lichaamsgeur. Vanzelfsprekend zullen we zo'n hond wat vaker gaan wassen, maar de meestal onbekende oorzaak kunnen we er niet mee oplossen. Het kan een bijzonder lastig probleem zijn, omdat een groot aantal factoren invloed hebben op de huid. Want niet alleen de uitwendige omstandigheden spelen een rol, maar ook "van binnen uit" worden de huid en de vacht sterk bestuurd. Een rustig gesprek met de dierenarts kan voor een flink aantal van de patiënten inzicht verschaffen.
Een allergische huidreactie Meestal heeft de hond nu ook jeuk en wat extra haaruitval. Heel vaak zijn een paar vlooien de oorzaak, maar daarnaast staan nog vele andere oorzaken ter discussie.
Een hormonale verandering Vooral bij ouder worden doemen er kwalen op, die o.a. op de huid een negatieve invloed kunnen hebben. Bijv. voor een oude reu kan het zijn, dat nu eens een castratie verbetering brengt, dan weer het geven van bijv. mannelijke of mogelijk andere hormoontabletjes, die de huid gunstig beïnvloeden. Bij sommige rassen komen honden voor met een overmatige huidproductie, zonder dat de oorzaak daarvan te achterhalen is. Hoewel deze huidziekte niet te genezen is, staan ons voldoende middelen ter beschikking om de toestand ook voor langere tijd aanzienlijk te verbeteren.
Voedingsstoffen Een tekort aan bepaalde voedingsstoffen speelt in onze tijd, met zijn vele complete hondenvoeders, nauwelijks meer een rol. Mogelijk dat in een aantal droogvoeders het vetpercentage wat aan de lage kant is. Minstens 8% vet, maar meer verdient de voorkeur. Met name het linolzuur, wat in plantaardige vetten en olie voorkomt, is van wezenlijke betekenis voor een optimale conditie van de huid en vacht. Een weeldeprobleem vormen de hoge percentage eiwitten, die wel degelijk hun invloed op huid en vacht hebben.
Andere oorzaken Het is natuurlijk niet altijd de vacht, die verantwoordelijk is voor een onaangename geur of lucht, maar ook andere plaatsen aan een hondenlichaam kunnen verantwoordelijk zijn. Hierbij een greep uit de meest voorkomende gevallen.
Oren, soms vol met oorsmeer of andere viezigheid, kunnen geweldig stinken. Oorontsteking wordt gemakkelijk chronisch. Laat voor een juiste diagnose en een passende behandeling altijd de dierenarts de situatie beoordelen.
Het gebit Voor heel veel honden geldt, dat op 2-jarige leeftijd een gele aanslag, dus tandsteenvorming, op het gebit zichtbaar wordt. Het aangrenzende tandvlees raakt rood ontstoken en het geheel kan een vieze tot smerige lucht verspreiden. Maar ook dat melktandje, dat nog niet is uitgevallen, kan een prop viezigheid vasthouden.
De hangende lipplooi De hangende lipplooi aan de onderlip is bij een aantal rassen soms een diepe groef. Vlak bij de natte bek wordt de huid daarin nooit droog en gaat smetten. Als drogende zalf geen uitkomst biedt, wordt de plooi wel eens operatief verwijderd.
Het komt regelmatig voor, dat honden last hebben van keelontsteking en dikke amandelen. Mogelijk kokhalzen ze zo af en toe wat wit schuim en een vieze adem hoeft ons niet te verbazen.
Aantal andere oorzaken Overvolle of ontstoken anaalklieren, oude wonden, open huid, melkkliertumoren of hotspots kunnen eveneens een geweldige stank veroorzaken.
Laatste punt Soms bevuilt een hond zijn ligplaats. Denk maar eens aan honden, die te lang opgesloten zitten in hun hok of een oude hond met pijnlijke heupen of stijve rug en knieën. Hij loopt niet graag meer en houdt zijn behoeften wat langer op. Bij het moeizaam opstaan laat hij gemakkelijk wat urine lopen. Een teef kan wat uitvloeiing hebben, wat ook niet zo hygiënisch is. Soms raakt een oude hond (bijv. een gesteriliseerde/gecastreerde teef) de controle over de blaas kwijt en verliest daardoor zo af en toe wat urine. Gelukkig is tegen deze kwaal in veel gevallen effectief met tabletten op te treden. |

|
Bacterie van uw hond krijgen (hondenbeet) |
|
Aanpak van bijtwonden door honden en katten Capnocytophaga Canimorsus en Bartonella Henselae
Essenaar invalide na verkeerde diagnose
Wat er gebeurde: Kees Klinkhamer uit Essen loopt in november 2002 tijdens een stoeipartij met een van zijn honden beten in beide armen op. Als de wond in de linkeronderarm na een paar dagen rood en dik wordt, adviseert de assistente van de huisarts telefonisch de wond nat te houden.
De klachten verergeren en Kees – toen
nog projectleider bij een installatiebedrijf – meldt zich de volgende
dag ziek met veertig graden koorts. Vervolgens gaat hij met zijn vrouw
Lia naar de huisarts, maar die legt geen verband tussen de hondenbeet en
de ziekteverschijnselen. "Hij keek wel in het computersysteem", vertelt
Lia, "maar we hadden een paar jaar geleden nog een
tetanusspuit gehad, zei hij. Dus gingen
we naar huis met penicillinezalf en de boodschap dat Kees maximaal acht
paracetamol per etmaal mocht nemen. Het zou om een virusinfectie gaan." Een
mogelijk dodelijke complicatie van bijtwonden A.M.H. Kramer - Student
Diergeneeskunde en D.J. Houwers -
Specialist Veterinaire Microbiologie, Hoofd VMDC, Faculteit der
Diergeneeskunde. Tijdschrift
Diergeneeskunde 1999, deel 124.
Samenvatting Praktiserende dierenartsen
en hun assistenten lopen het risico door patiënten te worden gebeten.
Deze 'ongelukken' worden meestal door honden en katten teweeggebracht en
worden tot de beroepsrisico's gerekend. Dat bijtwonden en met name
bijtwondinfecties vervelende gevolgen kunnen hebben, heeft menig
dierenarts aan den lijve mogen ondervinden. Er is in de laatste jaren
meer inzicht verkregen in een nieuwe bacteriële infectie, die bij
bijtwonden op kan treden en niet alleen zeer ernstige lokale, maar zelfs
levensbedreigende systemische consequenties kan hebben. Het betreft infecties met
de bacterie Capnocytophaga canimorsus. Een adequate wondbehandeling is
uiteraard bij alle bijtwonden van cruciaal belang, maar bij een
Capnocytophaga canimorsus-infectie zelfs van levensbelang. Na een korte bespreking
van honden- en kattenbeten bij de mens in het algemeen, wordt ingegaan
op wat tot nu toe bekend is van Capnocytophaga canimorsus en op de
geëigende
profylactische maatregelen.
Bijtwonden en wondinfecties in het algemeen Elk jaar worden er in
Nederland ongeveer 50.000 mensen door de huisarts en/of op de EHBO van
een ziekenhuis behandeld i.v.m. een bijtwond. De meeste bijtwonden
worden veroorzaakt door honden of katten. De door honden toegebrachte
bijtwonden leiden meestal tot
hematoomvorming, weefselnecrose
en grillige wondranden (stomp trauma). Bij kattenbeten is er vaak sprake
van diepe steekkanalen (scherp trauma). Dit soort wonden vormen
uitstekende voedingsbodems voor bacteriën. De kans dat er een
ontsteking van de wond optreedt, hangt o.a. in sterke mate af van
tijdige - adequate - wondbehandeling. In 85% van de bijtwonden zijn vóór
de wondbehandeling potentieel
pathogene bacteriën aanwezig.
Potentieel pathogene bacteriën, die veel in bijtwonden voorkomen zijn
Pasteurella multocida, coagulasepositieve
stafylokokken en obligaat anaërobe
bacteriën. Over het algemeen blijkt
dat tot ongeveer 20% van de bijtwonden door honden en tot 50% of meer
van die door katten bij niet adequate behandeling ontstoken raakt.
Voor de behandeling van
bijtwonden bij de mens is een algemene richtlijn voorgesteld. Deze geeft
criteria op grond waarvan
profylactisch
antibiotica gegeven zouden moeten
worden. Deze criteria hebben
betrekking op de aard (diepe wond), de lokalisatie (handen of gezicht)
en de ouderdom van de bijtwond op het moment van behandelen (ouder dan 8
uur). Voorts wordt het behoren tot bepaalde risicogroepen (bijv. mensen
met verminderde weerstand, zoals diabetes-mellitus-patiënten)
meegewogen. Omtrent het
preventief gebruik van antibiotica
bestaat echter geen consensus. Zo spreken sommige auteurs zich, mede
gezien het Capnocytophaga canimorsus-risico, uit voor een minder
restrictieve benadering.
Capnocytophaga Canimorsus Een potentieel pathogene
bacterie in bijtwonden, waarover tot nu toe nog maar relatief weinig
bekend is, is Capnocytophagga canimorsus. Een wondinfectie met deze
bacterie kan tot ernstige lokale problemen leiden, maar bovendien is er
een grote kans op een fulminant verlopende sepsis, waarbij
diffuse intravasale stolling (DIS) en multi organ failure (MOF) kunnen optreden.
Door verbeterde diagnostische methoden is er de laatste tijd steeds meer
bekend geworden over deze kiem. In 1961 isoleerden de
Centers for Disease Control (CDC) voor het eerst een bepaalde slecht
groeiende, koolzuurminnende, Gram-negatieve bacterie die tot de DF-2
groep (dysgonic fermenters) werd gerekend. Er volgden meer isolaties en
enkele jaren geleden kreeg de kiem zijn huidige naam Capnocytophagga
canimorsus. Inmiddels zijn er diverse
casuïstische mededelingen en andere publicaties verschenen waaruit het
volgende blijkt. De eerste symptomen bij
een lokale wondinfectie door Capnocytophaga canimorsus zijn meestal
weinig specifiek: braken, diarree, spierpijn en algehele malaise. Er kan
rondom de wond en eventueel naar regionaal uitbreidende intravasale
stolling optreden met weefselversterf als gevolg. Als dit bijvoorbeeld
in een ledemaat optreedt, kan amputatie noodzakelijk zijn. Vooral bij
patiënten met een verminderde weerstand door bekende of onbekende
oorzaak, kan vanuit een lokale infectie vrij snel een sepsis optreden.
Hierbij ontstaan vaak eerst maculo-papuleuze veranderingen in de huid,
erytheem en/of petechiae en vervolgens, afhankelijk van het zwaarst
getroffen orgaan, symptomen zoals acuut nierfalen, acute ernstige
benauwdheid en zelfs shock. In feite kunnen allerlei organen ernstige
schade oplopen als gevolg van de optredende DIS met de daarbij horende
functionele symptomen MOF. Minder vaak voorkomende
implicaties zijn: acute
myocardiale necrose,
endocarditis, meningitis,
artritis,
pleuritis en oogontstekingen. De
mortaliteit van mensen waarbij een
Capnocytophaga canimorsus-infectie is vastgesteld bedraagt 30%, ondanks
medische interventie (!). Capnocytophaga canimorsus is vrij moeilijk uit
de wond te isoleren. Bij sepsis is het aantonen relatief gemakkelijk,
maar het resultaat van de bloedkweek komt dan meestal te laat. Hoeveel
slachtoffers er precies zijn, is natuurlijk niet bekend; lang niet alle
humane doodsoorzaken worden onderzocht. De bacterie werd bij 16%
en 18% van de onderzochte honden en katten in het mondslijmvlies
aangetroffen. In werkelijkheid zullen deze percentages hoger uitvallen,
omdat de bacterie zich moeilijk laat isoleren uit de totale mondflora.
Derhalve wordt verondersteld dat Capnocytophaga canimorsus tot de
normale mondflora van honden en katten behoort. Een infectie met
Capnocytophaga canimorsus kan dus tot stand komen via bijtwonden. Verder
blijkt dat ook krabwonden veroorzaakt door katten, of het likken van
huidlaesies ('open benen') door honden, tot infecties kunnen leiden. Bij
ongeveer 90% van de Capnocytophaga canimorsus-infecties bij de mens is
er een duidelijke relatie te leggen met honden of katten; bij ruim 50%
is sprake van een bijtincident, bij bijna 10% een krabincident en bij
bijna 30% is alleen sprake van contact met dieren zonder bekende
verwonding. Bij de resterende 10% is
de infectiebron onbekend. In die gevallen waarbij er een relatie is
gelegd met een dier, betreft het in grote meerderheid honden. Bij ongeveer 60% van de
infectiegevallen is er sprake van één of meerdere
predisponerende factoren zoals
splenectomie, alcoholmisbruik,
chronische longproblemen of leverziekten, of weerstandsvermindering,
o.a. door het gebruik van
corticosteroïden. Echter, in 40% van de
gevallen is er voorzover bekend geen sprake van predisponerende
factoren. Dat er geen sprake hoeft te zijn van een verminderde
weerstand, blijkt ook uit een recente beschrijving van 4 patiënten in
het academisch ziekenhuis van Groningen. De
incubatietijd van een infectie met
Capnocytophaga canimorsus gerelateerd aan een bijt- of krabwond kan
variëren van 2 á 3 dagen tot zelfs 2 á 4 weken. Het stellen van de
diagnose is niet eenvoudig. Het is dan ook noodzakelijk om bij een
verdenking van infectie van een bijtwond deskundige hulp in te roepen.
Voor de behandeling van Capnocytophaga canimorsus-infecties bij mensen
worden meestal amoxycilline-clavulaanzuur of doxycycline als eerste keus
gebruikt. Er is
resistentie gevonden voor o.a.
trimethoprim en de aminoglycosiden. Recent is tevens gevonden
dat ß-lactamase-vorming kan voorkomen. Antibiotische therapie is nooit
100% effectief; het resultaat hangt in sterke mate samen met het moment
van inzet. De behandeling moet - uiteraard - zo snel mogelijk worden
gestart. Door de vereiste
specifieke diagnostiek en het toepassen van antibiotica wordt het
voorkomen van Capnocytophaga canimorsus-infecties zeer waarschijnlijk
onderschat. In Nederland zijn tot nu toe 9 gevallen beschreven. In
Denemarken is een schatting van één geval per 2 miljoen inwoners per
jaar gemaakt. Wanneer dit naar ons land geëxtrapoleerd zou worden, zou
er sprake zijn van minimaal 8 gevallen per jaar.
Bijtwonden en antibiotica In het algemeen is de kans
op een wondinfectie bij een bijtwond groot. Een wondinfectie veroorzaakt
behalve
fysieke schade en ongemak ook extra
kosten door een langer durende behandeling en eventueel - langer -
werkverzuim en uiteindelijk een grotere kans op restverschijnselen /
functieverlies. En er kan dus ook nog een adder onder het gras zitten in
de vorm van Capnocytophaga canimorsus. Dit is vooral een gevaar
gebleken voor mensen met bepaalde risicoverhogende factoren, maar toch
ook voor 'gezonde' personen. De kans op het oplopen van de infectie is
ogenschijnlijk niet zo hoog, maar hier tegenover staan echter wel de
ernstige consequenties, zeker als de infectie niet snel genoeg onderkend
en behandeld wordt. In principe is een groot
deel van alle bijtwondinfecties, inclusief die door Capnocytophaga
canimorsus, te voorkomen door een adequate wondbehandeling bestaande uit
onmiddellijk uitspoelen met veel water en bij oppervlakkige wonden
desinfecteren met povidine-jodium. Bij diepere wonden dient
onverwijld wondtoilet te worden toegepast, gevolgd door het aanbrengen
van een nat verband en het geven van rust (bijv. een mitella). Tenslotte
moet, afhankelijk van de omstandigheden, een adequate
antibioticumprofylaxe worden overwogen.
Binnen 3 uur na het ontstaan van de wond kan worden volstaan met een
eenmalige toediening. Indien later met de toediening wordt begonnen moet
een kuur van enige dagen worden verstrekt. Volgens de eerdergenoemde
richtlijn is antibioticumprolaxe globaal geïndiceerd bij bijtwonden aan
handen of gezicht, of bij wonden die bij de behandeling al langer dan 8
uur bestaan, of als er sprake is van risicoverhogende factoren bij de
patiënt. In de andere gevallen, bijv. ondiepe bijtwond in weke delen,
niet. Het is evident dat
dierenartsen en dierenartsassistenten een substantieel hoger risico
lopen op bijtwonden. Daarbij komt dat dierenartsen gewoonlijk niet zo
snel naar hun huisarts stappen. Voorts zijn huisartsen over het algemeen
terughoudend m.b.t. het voorschrijven van antibiotica. Eén en ander zou
er toe kunnen leiden, dat in bepaalde gevallen antibioticumprofylaxe dan
wel -therapie achterwege blijft, hoewel dat eigenlijk wel geïndiceerd
zou zijn. Gelet op bovenstaande is
het verstandig om elke bijtwond een zorgvuldige wondbehandeling te geven
en vervolgens af te wegen of antibioticumprofyiaxe geïndiceerd is. Bij
bijtwonden waarbij zich al verschijnselen van wondinfectie voordoen, is
antibioticumtherapie zonder meer geïndiceerd. Indien tot het toepassen
van antibiotica wordt besloten, dan is bijv. amoxycilline met
clavulaanzuur een goede keus, gezien het brede spectrum (incl. obligaat
anaërobe kiemen en Capnocytophaga canimorsus) en het neutraliseren van
eventueel aanwezige ß-lactamase-activiteit. Of bijtwonden door hond of
kat bij hond of kat tot Capnocytophaga canimorsus-infecties kunnen
leiden is niet bekend.
Bartonella
Henselae
Kattenkrabziekte of 'cat-scratch disease or fever' werd in 1950
beschreven. Buiten krabletsels (>90%) kan dit syndroom eveneens
veroorzaakt worden door bijten of likken of door direct contact. Naast
de kat die de voornaamste besmettingsbron is, kunnen ook andere
huisdieren, zoals de hond, dit syndroom veroorzaken.
De voornaamste bacteriële agentia werden tijdens de jaren 90
geïdentificeerd: Bartonella (Rochalimea) henselae, Bartonella
clarridgeiae en Afipia felis. De eerst genoemde komt het meest frequent
voor (meer dan 80% van de gevallen). Deze kiem komt bij de kat
(reservoirgastheer) voor in de rode bloedcellen en veroorzaakt
bacteriëmie, die meestal asymptomatisch verloopt.
Katten zijn drager van de Bartonella henselae-bacterie en kunnen hoge
aantallen levende bacteriën in het bloed hebben zonder zichtbare
ziekteverschijnselen. Uit onderzoek is gebleken dat 22% van de katten de
bacterie in het bloed heeft en dat ongeveer de helft van de onderzochte
katten
antistoffen heeft tegen Bartonella henselae. Dit betekent dat ze
de bacterie een keer in hun leven in het bloed gehad hebben. Het is niet
duidelijk of de mens ook via een vlo besmet kan worden. Wel is zeker,
dat de mens besmet wordt met Bartonella henselae via een krab of een
beet of contact met speeksel van een kat.
Ook
teken dragen veelal de bacterie bij zich, maar er is niet bekend
of er mensen besmet geraakt zijn via tekenbeten.
Kattenkrabziekte bij mensen met een goede weerstand is vaak een
onschuldige, soms met koorts gepaard gaande ziekte, die meestal vanzelf
overgaat. Het begint vaak met één of meerdere knobbeltjes (2-3 mm) op de
huid in de buurt van de krab of beet. Dit worden al snel blaasjes met na
enkele dagen een korstje erop. Hierna verdwijnen de plekjes weer. Soms
heeft men dit niet eens gemerkt.
Bij ⅓ van de patiënten gaat de ziekte in de eerste dagen tot weken
gepaard met koorts, hoofdpijn en algemeen ziek zijn.
Preventief kunt u natuurlijk iets doen. Hygiëne na een beet of krab
(wassen van de huid, desinfectie van de wond en wondverzorging) is
belangrijk. Verder is het goed om vlooien te bestrijden. Mensen met een
verminderde weerstand kunnen beter niet met (jonge, speelse) katten
omgaan. |
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell