Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

G

 

Gaan - gebonden:

de hond plaatst zijn achterbenen te weinig naar voren en naar achteren. De benen grijpen onvoldoende uit.

Gaan - nauw:

de hond plaatst zijn voorbenen of achterbenen te dicht naast elkaar.

Een nauwe stand is een stand van vooral de achterbenen van de hond, waarbij de middenvoeten van achteren gezien evenwijdig aan elkaar lopen, maar (te) dicht bij elkaar zijn geplaatst.

Bij een nauwe stand van de voorbenen staan de onderarmen te dicht bij elkaar. Deze fout komt als jeugdfout met name bij zware rassen voor.

Gaan - rollend:

de achterbenen moeten steeds onder het zwaartepunt van het lichaam worden geplaatst, waardoor de rug recht blijft. 

Plaatst de hond zijn benen naast het lichaam, dan gooit hij het lichaamsgewicht van het linker- op het rechterbeen en omgekeerd. De rug maakt dan een schommelende beweging, hetgeen we rollend of rolgang noemen (bijv. Pekingees en Dogachtigen).

Gaan - ruim:

de hond plaatst zijn benen goed naar voren en naar achteren. De benen grijpen mooi uit.

Gaan - vierkant:

de hond gebruikt alle vier de benen goed. Deze term is overgenomen uit de hippische sport, waar men spreekt van vierkant draven.

Gaan - zwevend:

de hond loopt licht en verend.

Gal:

door de lever afgescheiden vloeistof, die een belangrijke rol speelt bij de spijsvertering. Als er geen lozing naar de darm (bij de spijsvertering) plaatsvindt, wordt de gal opgeslagen in de galblaas. 

Gal bevat twee hoofdbestanddelen: galzure zouten en galkleurstoffen. 

Galzure zouten zijn van belang bij de vertering van het voedsel, en hebben een sterk emulgerend vermogen, waarbij ze grotere vetbolletjes uiteen slaan in tal van kleine bolletjes. 

Galkleurstoffen zijn afbraakproducten van het haemoglobine. Zij zijn in hoge mate verantwoordelijk voor de kleur van de faeces.

Wanneer het niet mogelijk is om de gal uiteindelijk af te voeren naar de twaalfvingerige darm, bijv. bij een afsluiting van de galgangen naar de darm door ingeklemde spoelwormen of galstenen, zal er langzamerhand een overvulling van de galgangen en galblaas ontstaan. In dat geval ontstaat er een overloop naar de bloedbaan. De galkleurstoffen worden dan afgezet in tal van vethoudende weefsels, zoals de vetweefsels zelf, maar ook in de vetlagen van de huid en slijmvliezen, die daardoor geel worden. Dit heet geelzucht of icterus.

Vaak geven galstenen (steen in de galblaas of in de afvoerbuis daarvan) geen klachten en worden zij bij toeval op een röntgenfoto van de buik ontdekt. Als ze wel last veroorzaken wordt gesproken van galsteenziekte (cholelithiasis).
Galstenen zijn opgebouwd uit resp. voornamelijk bilirubine of uit voornamelijk cholesterol. Zij ontstaan als de concentratie van deze stoffen in de galblaas te hoog wordt. Galstenen komen het meest voor bij gezette honden van middelbare leeftijd. Grote stenen moeten, als uw hond hier last van heeft, operatief verwijderd worden.

Als de steen de uitmonding van de galwegen afsluit, kan niet alleen galblaasontsteking (cholecystitis) ontstaan, maar ook geelzucht (zie hiervoor). Hierbij is de urine meestal donker van kleur en de ontlasting licht gekleurd. Blijven de stenen in de afvoerbuis steken, dan proberen de spiertjes in de wand van de afvoerbuis door krampachtig samentrekken de steen te transporteren. De pijn die hierbij ontstaat wordt gevoeld als een galsteenkoliek. Dit is een hevige pijn rechts in de bovenbuik, soms ook in de rug, die in aanvallen komt en waarbij de hond nauwelijks stil kan blijven liggen.

Galactose:

            vormt samen met glucose lactose.

Galblaas:

zie gal.

Galblaasontsteking:

zie gal.

Galla-hond:

ras als Basenji in Ethiopië, echter met een schofthoogte van 50-60 cm.

Galop:

snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt. 

De galop is asymmetrisch: de benen aan één zijde doen meer werk dan die aan de andere zijde. Bij de galop raken beide voorbenen eerder de grond dan de achterbenen. 

De galop komt in 3 vormen voor:

a) korte galop (bijv. linker galop: RA -LA/RV - LV); 

b) normale galop (bijv. linker galop: RA - LA - RV - LV); 

c) rengalop (LA - RA - zweef - RV - LV - zweef).            

Galstenen:

zie gal.

Galzuren:

zijn een zeer betrouwbare maat voor een gestoorde galafvoer. Galzuren worden gevormd in de lever vanuit cholesterol. Ze worden ingezet bij de uitscheiding van afvalstoffen via de gal naar de darm.

Lage waarden: geen betekenis.

Hoge waarden: a) verminderde galstroom door leveraandoeningen; b) lekkage van galzuren naar het bloed door leveraandoeningen; c) verminderde galafvoer door blokkade van de galwegen.

Zie ook bloedonderzoek.

Gameet:

geslachtscel (zaadcel of eicel) die slechts de helft van het aantal chromosomen bevat.  

Gamma-GT:

gamma-glutamyltransferase; zie GGT en bloedonderzoek.

Gangen van de hond:

heet gangwerk; zie beweging.

Ganging up:

het met elkaar meedoen, zodat er een groepsactiviteit ontstaat, wordt "allelomimetisch" gedrag genoemd, en de Engelse term hiervoor is "ganging up".

Het is een heel normaal fenomeen bij sociaal levende dieren. Bij honden kan dit gedrag al waargenomen worden rond de leeftijd van ongeveer 7 weken.

Het met elkaar meedoen kan van alles inhouden. Gezamenlijk naar een voorwerp rennen, maar ook met een hele groep op een andere hond afstormen en die grijpen. In zo'n situatie zal het slachtoffer altijd het onderspit delven. De opwinding binnen de groep is tijdens zo'n groepsactiviteit nl. heel erg groot en wordt bij de individuele honden door het groepsgebeuren alleen maar aangewakkerd.

Ganglion (meerv. gangliën of ganglia):

knooppunt van zenuwcellen buiten het centraal zenuwstelsel, dat echter wel nauw contact met het centrale zenuwstelsel onderhoudt.            

Gangreen:

koudvuur. Afsterving met daaropvolgende verrotting van lichaamsdelen.            

Gangwerk:

de wijze van voortbewegen. Zie beweging.

Garnituur:

zware wenkbrauwen met snor en baard (bijv. Schnauzers en Schotse Terriër). Zie vacht.

Gastrine:

is een hormoon, dat van belang is voor de productie van maagzuur en indirect voor het openen en sluiten van de pylorus.

Dit hormoon noemen we wel eens een weefselhormoon, omdat een specifiek orgaan in de vorm van een duidelijk omschreven klier ontbreekt.

Gastritis:

ontsteking van de maagwand, het maagslijmvlies (gaster = maag, buik).

Gastritis is geen maagzweer (maagulcus), want dat is als er een gat is ontstaan in de beschermende slijmvlieslaag van de wand van de maag of de twaalfvingerige darm. Het agressieve maagzuur komt dan direct in contact met de zenuwen van de maagwand.            

Gastro-:

            de maag betreffend.

Gastro-enteritis:

gelijktijdige ontsteking van maag, dunne en dikke darm.

Gastropexie, gastropexy:

of maag-verankering is de operatie ter preventie van maagtorsie / maagkanteling. De ingreep is niet zo complex als de behandeling van een maagtorsie en ook niet zo riskant.

Er zijn twee methoden om een gastropexie uit te voeren. De eerste is via een buiksnede, waarbij de maagwand wordt vastgehecht aan de rechterzijde van de buikwand met niet verterende hechtdraad.

De tweede manier is de laparoscopische gastropexie (laparoscopic assisted gastropexy). Dat biedt zeer veel voordelen. De snedes zijn zeer klein, de nazorg is quasi nihil, het herstel is ontzettend snel, er hoeven geen hechtingen verwijderd te worden en de hond mag direct weer alles doen en volop actief zijn.

Gastroscopie:

is een kijkonderzoek van de maag, omdat de hond bijv. veel braakt. Om in de maag te kunnen kijken moet eerst de keel en de slokdarm gepasseerd worden. Omdat in dit traject allerlei bochten zitten, kan dat niet met een star metalen apparaat. Daarom neemt de dierenarts een bundel glasvezelkabels waarop lenzen zijn gemonteerd. Omdat het in de inwendige organen donker is, moet er ook licht zijn. Echter een lampje wordt te heet en ook elektriciteit is binnen in het lichaam niet altijd veilig. Daarom werkt men met zogenaamd "koud licht". De lichtbron (lamp) staat dan buiten de patiënt en via enkele glasvezels wordt zeer fel licht naar de punt van de slang gevoerd.

Via 2 andere kanalen kan dan nog lucht toegevoerd worden om de maag of darm wat op te blazen zodat de dierenarts een beter overzicht heeft. Via een dergelijk "werkkanaal" kunnen ook vloeistoffen of slijm worden afgezogen, of grijpertjes worden ingebracht om een biopt slijmvlies te nemen, dan wel ingeslikte voorwerpen te verwijderen. Aan het apparaat zitten ook nog 1 of 2 draaiknoppen om het uiteinde van de slang te sturen en daarmee de kijkrichting te bepalen, zodat de dierenarts er letterlijk mee om een hoekje kan kijken.

Dat alles moet vanwege de kleine omvang van de hond in een slang van 10 mm worden weggestopt. Geen wonder dat dit stukje techniek dan ook vrij kostbaar is. Omdat glasvezels snel kunnen breken, is het geheel ook nog eens vrij kwetsbaar. Daarom moeten de honden voor zo'n onderzoek altijd even slapen. Wel zo comfortabel voor de patiënt en de dierenarts, want het voorkomt dat zijn dure apparatuur wordt vermalen tussen de kiezen van een tegenstribbelende hond.

Voor een goed onderzoek moet de maag goed leeg zijn. Anders ziet de dierenarts alleen maar brokken of slijm. Van te voren moet de hond dus minimaal 12 uur vasten. Op weg naar de maag wordt de slokdarm bekeken op tumoren, gezwellen of parasieten. Idem de binnenkant van de maag. Vervolgens wordt geprobeerd om tot in de twaalfvingerige darm te komen. Eventueel genomen hapjes uit het slijmvlies (biopten) worden na beëindiging van de procedure opgestuurd naar de patholoog voor verder weefselonderzoek. De hapjes uit het slijmvlies zijn zo weer genezen. Het "happertje" of biopsietangetje wordt van buiten de hond door een assistente bediend, terwijl de dierenarts door de lens of op de monitor kijkt en de biopsietang naar de plaats stuurt waar hij een afwijking vermoedt en een monster wil nemen.

Een kijkonderzoek in de maag duurt ca. 30 minuten.

Zie ook endoscopie.

Gay tail, gaytail:

Engels voor vrolijk gedragen staart. Over het algemeen in negatieve zin bedoeld bij rassen waarbij deze staartdracht foutief is. De neiging bestaat dan om de staart over de rug te krullen.

Het kan te maken hebben met de mate van bekkenhelling.

Gazellenhond:

is de Saluki.

Gebarsten voetzolen:

diepe kloven en barsten in de eeltkussens van de hond. Soms een erfelijke kwestie. Zie ook Hard Pad Disease.

Gebit:

zie tanden.

Geblokt:

            zie vierkant.

Gebonden gaan:

            zie gaan.

Geboorte:

zodra de concentratie progesteron sterk is verminderd, valt ook de rem op de afgifte van het oxytocine weg. Het oxytocine gaat inwerken op de spiervezels van de baarmoederwand en zorgt voor het ontstaan van weeën, waarbij de vrucht langzaam in de richting van de cervix wordt geperst. 

Door druk vanuit het chorion wordt de cervix opengedrukt (ontsluiting) en kan de vrucht verder de bekkenholte in worden gedreven. Zodra de vrucht tegen de wand van de bekkenholte wordt gedrukt, ontstaat een reflexbaan, waarbij tegelijk met een wee ook de buikspieren gaan meewerken (persweeën). O.i.v. alle drukkrachten kan het allantochorion gaan scheuren en kan het eerste vruchtwater (in feite de foetale urine) wegvloeien. In de nauwe bekkenruimte wordt meestal ook het amnion kapot geschuurd, waarna het jonge dier te voorschijn komt. 

Soms worden de dieren geboren, terwijl ze nog geheel door het amnion zijn omgeven. In die gevallen zal de moederhond de vliezen kapot bijten. Mocht dit niet gebeuren, dient de fokker zelf in te grijpen.

Bij honden treden normaal gesproken geen geboorteproblemen op. Kopligging en stuitligging komen beide voor, maar aangezien zowel de kop als het bekken van de pup even breed zijn, maakt dat geen verschil. 

Anders wordt dat bij breedschedelige rassen, zoals de Engelse en Franse Bulldog en de Boston Terriër, waar de kop van de pup zo breed kan zijn, dat passage door het bekkenkanaal wordt belemmerd. Bij deze rassen moet nog wel eens een keizersnede worden toegepast. 

Een operatieve ingreep is ook nodig, wanneer het geboortekanaal van de moederhond te nauw is.

Na de geboorte van de pup zijn de zintuigen nog nauwelijks ontwikkeld en functioneren nog niet.

U moet jonge pups in de eerste week van hun leven in een kamer leggen met een kamertemperatuur hoger dan 24ºC om onderkoeling te voorkomen.

Zie ook kraamkamer, openen van de ogen, openen van de oren, placenta, vroeggeboorte, keizersnede, eclampsie, melkklierontsteking, uterusatonie, nestgrootte, hondenmelk, bijvoeren van pups, moederloze pups, alchemilla, hypoxie en gedrag.

Geboortekaart:

zie dekkaart.

Gebruikshonden:

alle honden behorende tot een ras dat door de F.C.I. als gebruikshondenras is aangemerkt.

Gebruikshondenklas:

een klasse op een tentoonstelling (ook die waar internationale kampioenschapsprijzen behaald kunnen worden), kampioenschapsclubmatch of clubmatch voor gebruikshonden die de leeftijd van 15 maanden hebben bereikt en waarvoor de Raad van Beheer of, indien de eigenaar in het buitenland woonachtig is, door het desbetreffende verwante lichaam een verklaring, waaruit blijkt dat de hond voor de gebruikshondenklasse mag worden ingeschreven, is afgegeven.

Zie ook hieronder.

Gebruikshondenverklaring:

is een verklaring die een eigenaar van een hond nodig heeft om in te kunnen schrijven op exposities (CAC en CACIB tentoonstellingen, Kampioenschapsclubmatches en clubmatches) in de gebruikshondenklas. De gebruikshondenklas is speciaal voor honden met een werkcertificaat.

Deze verklaring wordt voor Nederlandse ingezetenen afgegeven door de Raad van Beheer indien de betreffende hond heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden.

Zonder deze verklaring mag een tentoonstellingsecretariaat de hond niet indelen in de gebruikshondenklas.

De FCI heeft bepaald voor welke rassen een gebruikshondenverklaring mag worden afgegeven en onder welke voorwaarden. Slechts voor deze rassen kan op een tentoonstelling een gebruikshondenklas worden opengesteld. De FCI heeft voor de gebruikshondenverklaring een standaard formulier ontworpen welke door alle, bij de FCI aangesloten landen, moet worden gebruikt.

Een verklaring wordt alleen afgegeven indien de hond heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden.

In het algemeen geldt voor in Nederland behaalde resultaten:

Herdershonden: IPO I, II en/of III;

Jachthonden: moet ORWEJA kaart kunnen overleggen;

Lopende honden: moet ORWEJA kaart kunnen overleggen;

Windhonden: op een CACIL Coursing geëindigd zijn in de eerste helft van de deelnemers.

Voor in het buitenland behaalde resultaten geldt, dat er eerst in het betreffende land door de Raad van Beheer nagevraagd moet worden of de behaalde resultaten in aanmerking komen voor afgifte van een gebruikshondenverklaring.

Als eigenaar van de hond moet u een schriftelijk verzoek sturen om afgifte van een gebruikshondenverklaring naar de Raad van Beheer, met als bijlagen:

• Adresgegevens;

• Kopie stamboom (alle honden);

• Kopie van 1e pagina logboek (alle honden);

• Kopie van behaald IPO certificaat (herdershonden);

• Kopie van ORWEJA kaart (jachthonden en lopende honden);

• Kopie van startlicentie (windhonden).

Gedrag:

de wijze waarop de hond zich gedraagt tegenover soortgenoten, mensen en andere levende wezens. 

De aanleg voor het gedrag is erfelijk bepaald; de omgeving heeft hierop grote invloed.

Alle pups maken een zelfde (gedrags)ontwikkeling door, waarbij ze van pasgeboren pup tot volwassen hond dezelfde fasen doorlopen. Al deze fasen hebben specifieke kenmerken. Hiermee kan rekening gehouden worden wat betreft de leermogelijkheden van de pup, zodat we die optimaal kunnen benutten en ongewenste ontwikkelingen kunnen voorkomen.

De tijdsaanduidingen zijn uiteraard globaal, omdat ze van ras tot ras kunnen verschillen. Meestal ontwikkelen pups van kleine rassen zich sneller dan die van grote rassen. Bij grote rassen kan het soms 18 maanden duren voordat ze helemaal volgroeid zijn, terwijl dat bij kleinere rassen al het geval kan zijn voordat ze de leeftijd van 1 jaar hebben bereikt.

De volgende leeftijdsfasen worden onderscheiden: neonatale fase (of vegetatieve fase), overgangsperiode, socialisatieperiode, angstperiode, puberteit en volwassenheid.

Zie ook lichaamstaal, dominantie, rangorde, pootje optillen, hondentaal en houding.

Gedrag & Gehoorzaamheid:

zie G&G.

Gedragssysteem:

is 1 categorie van gedragselementen die qua functie en veroorzaking bij elkaar horen. Een voorbeeld van een gedragssysteem is zelfverzorgingsgedrag. Hieronder worden de gedragingen gevat, die te maken hebben met lichaamsverzorging, zoals het likken, poetsen en krabben van de vacht en huid, en het uitschudden van de vacht. Zie ook ethologie.

Gedragstest:

wordt uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in het gedrag van de hond. Aan de hand van dit waargenomen gedrag tracht men een uitspraak te doen over het karakter van het dier. Zie bijv. de MAG-test.

Gedragstherapie:

als een eigenaar aangeeft, dat zijn hond een gedragsprobleem heeft, of wij constateren het zelf, wordt er een diagnose gesteld en kan er een therapie worden ingezet. Deze is, behalve van het probleem, afhankelijk van de combinatie eigenaar-hond. Wij werken hiervoor samen met een erkende Alpha-gedragstherapeut.

Pas op voor mensen, die zich gedragstherapeut noemen en hiervoor geen erkende opleiding hebben genoten; dit zien we helaas al te vaak, en hun methodes zijn vaak niet juist.

Er zijn een aantal gedragstherapievormen: counterconditionering, extinctie, habituatie, systematische desensitisatie, flooding en aversieve conditionering.

Zie ook gedrag en bekrachtiging.

Gedrukt:

schichtig, angstig.

Geelzucht:

            zie hepatitis.

Geheugen:

een hond heeft geen korte termijn geheugen. Wij hebben het wel en kunnen ons daarom bijv. herinneren wat we gisteren om 12 uur deden.

Gehoekt:

de hoek die schouderblad en opperarm met elkaar maken en de mate van helling van het bekken in relatie tot hoeking van knie en hak. Vaak hoort men het germanisme gewinkeld.

Gehoor:

het gehoor van de meeste rassen is bijzonder scherp. Alle honden nemen trillingen waar, die de mens ontgaan (bijv. speciale hondenfluitjes) en onderscheiden stap, fietsbel, motor, auto etc. van bekenden van die van anderen.

Gehoorzaamheid:

zie E.G. en G&G.

Gehoorzame Hond:

gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en het, soms negatieve, beeld van de hond heeft Cynophilia sinds 1994 een examenprogramma "Gehoorzame Hond". Dit examen is bedoeld om vast te stellen of de verstandhouding tussen baas en hond zodanig is, dat de hond op een sociaal verantwoorde wijze in onze maatschappij zijn plaats kan innemen. D.w.z. met een minimum aan overlast. 

Per jaar worden ca. 50 examens afgenomen door een keurmeester van Cynophilia. Bij een voldoende score krijgt de deelnemer het officiële “Certificaat Gehoorzame Hond” uitgereikt.

Het programma Gehoorzame Hond bestaat uit twee cursussen: nl. Gehoorzame Hond I en Gehoorzame hond II.

Oefeningen GH-I:

• De hond in de auto, waarbij de hond zich rustig dient te gedragen;

• De hond op een veilige manier uit de auto halen;

• Meelopen zonder hinderlijk gedrag;

• Hand geven aan een ander persoon;

• Spel en aandacht van de hond;

• Uitlaten op een toegestane locatie;

• Het negeren van trimmer en fietser;

• Het wachten op de baas, vastgezet aan een paal;

• Wachten aan de stoeprand;

• Naast de fiets lopen;

• Komen op bevel;

• Een voorwerp uit de bek halen;

• Een snuitbandje aanleggen;

• Op tafel tillen van de hond;

• Oren, keel en poten nakijken;

• De hond op een plaats afliggen en houden;

• Het voeren van de hond;

• Een theoretische toets.

Oefeningen GH-II: de oefeningen gaan een stap verder dan bij de GH-I. Met name de beoordeling is strenger en de oefeningen die moeten worden uitgevoerd, zijn op een iets hoger niveau van gehoorzaamheid.

• Meelopen zonder hinderlijk gedrag;

• Vastleggen en blijven;

• Honden laten liggen - geleider op 3 meter afstand;

• Spel en aandacht;

• Een hand geven aan een medecursist met zijn/haar hond;

• Correct aan-/afdoen van de halsband;

• Komen op bevel, met twee honden tegelijk;

• Het negeren van een trimmer tijdens het komen op bevel;

• Staart van de hond optillen, oren, keel laten bekijken, bek en poten;

• Een snuitbandje omdoen;

• Gebitsverzorging;

• Medicijnen toedienen;

• De hond met een handdoek afdrogen;

• Borstelen;

• De hond verlaten tijdens het afliggen in het restaurant.

De oefeningen zijn lastiger, doch ze hebben nog steeds met de dagelijkse verzorging van de hond te maken. Bij het GH-II-examen is in tegenstelling tot het GH-I examen geen theoretische toets verplicht.

Gelbbäckler:

synoniem voor Berner Sennenhond.

Geleidehonden:

speciaal geselecteerde en opgeleide honden om mensen behulpzaam te zijn.

Geleider:

de persoon, die de hond tijdens bijv. een wedstrijd  begeleidt.

Gen:

de drager van een erfelijke eigenschap bestaande uit een onderdeel van een DNA-molecuul.  

Gene Mapping:

is het onderzoek naar de plaats van de genen. Zie karyotype.

Genetica:

            erfelijkheidsleer.

Genetische aandoening:

is een aandoening, die wordt doorgegeven via de genen van de ouders.

Genitaal:

            betrekking hebbend op de geslachtsdelen.

Genitaliën:

            geslachtsorganen.

Genotype:

het totale pakket van genen van een individu, zonder beïnvloeding door het milieu.

Anders gezegd: verschijningsvorm van de hond, zoals bepaald door erfelijke aanleg, die ook weer door de nakomelingen zal worden geërfd.            

Gentle Leader:

bestaat uit een halsriem en een neusriem, die beide verstelbaar zijn, zodat de GL over het algemeen beter passend te maken is dan de Halti. Doordat de neusriem strakker te zetten is dan bij de Halti, is hij door de hond moeilijker af te krijgen. Door de constructie van de GL kan de hond, zelfs bij een strakke stand van de neusriem, zijn bek goed open doen.

Voor de pasvorm geldt bij de GL dat hoe strakker de halsband is afgesteld, hoe losser de neusriem kan zonder gevaar voor afpoetsen. Het materiaal van dit type halster is wat zachter, wat voor honden met een gevoelige huid beter kan zijn. De GL is er in verschillende maten en kleuren.

Het werkt uitstekend, maar kan bij verkeerd gebruik gezondheidsrisico's geven. U doet er verstandig aan om voor de nodige instructie en begeleiding hulp in te roepen van een ervaren en deskundige instructeur of gedragsbegeleider.

Geophagia, geofagia:

het eten van aarde. Het wordt waargenomen bij verschillende diersoorten, zoals paard en hond, maar ook bij de mens.

Geraamte:

botten en gewrichten vormen het geraamte (skelet) van een hond.

Geriatrisch:

de geriatrie betreffend; geneeskundig specialisme voor de behandeling van oude(re) honden.

Geslachtschromosoom:

            chromosoom dat specifiek is voor de sekse (X of Y).

Geslachtshormoon:

benaming voor hormonen die van belang zijn voor de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken (oestrogenen en testosteron).

Zie ook geslachtsklieren.

Geslachtskenmerken:

duiden het verschil tussen een reu en een teef aan. We onderscheiden primaire en secundaire geslachtskenmerken.

Primaire geslachtskenmerken: de geslachtsorganen zelf, m.a.w. de verschillen tussen een reu en een teef, die vanaf de geboorte aanwezig zijn.

Secundaire geslachtskenmerken: díe kenmerken die een hond een mannelijk of vrouwelijk voorkomen geven, m.a.w. de verschillen tussen een reu en een teef, die tijdens de puberteit tot uiting komen.

Zie ook geslachtshormoon.

Geslachtsklieren:

de mannelijke en vrouwelijke geslachtsklieren produceren het mannelijk geslachtshormoon (testosteron) en de vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogenen en progesteron). Deze hormonen worden vanaf een leeftijd van ongeveer 6 maanden aangemaakt. De hond is dan geslachtsrijp.

De mannelijke geslachtsklieren (testikels) bevinden zich buiten de buikholte in de balzak (scrotum) en de vrouwelijke geslachtsklieren (ovaria of eierstokken) bevinden zich in de buikholte vlak achter de nieren.

Geslachtsrijp:

betekent: zo ver ontwikkeld dat voortplanting plaats kan hebben (zie geslachtsklieren). Bij de hond is dat tussen de 6 en ongeveer 15 maanden. Kleine honden zijn het meestal eerder dan grote.

Zie ook oestrogenen, testosteron, voorhuidontsteking, loopsheid, castratie en OVE.

Gespierd:

het gebruik van deze term duidt meestal op krachtig ontwikkelde spieren.

Gespleten gehemelte:

embryonaal ontstaat het harde gehemelte uit 2 horizontaal tegen elkaar groeiende platen, die een afsluiting moeten vormen tussen de mond- en de neusholte. Deze plaat versmelt bovendien met een van de bovenkant afkomende plaat van het neustussenschot. Heeft gedurende de ontwikkeling van de schedel deze aaneengroeiing van de platen niet plaats, wat eenzijdig of dubbelzijdig kan zijn, dan ontstaat het gespleten gehemelte (palatoschisis). Er bestaat dan een directe verbinding tussen mond- en neusholte. De hiermee geboren pups kunnen moeilijk zuigen en bovendien loopt de melk weer door de neusgaten terug. Deze geboorteafwijking is erfelijk.

Gespleten neus:

soms worden er honden met een gespleten neus gefokt. Dit, omdat er jagers van mening zijn, dat een dergelijke hond een bijzonder goed reukvermogen heeft. Een voorbeeld is de Spaanse voorstaande hond, de Navarro

Maar niet alleen tegenwoordig gebeurt dit, ook in het begin van de fokkerij van de Berner Sennenhond werd er lang over gediscussieerd of niet de gespleten neus als kenmerk van bijzondere waakzaamheid in de standaard moest worden opgenomen.

Dus al in het begin van de rashondenfokkerij werden er genetische defecten, zoals bijv. een gespleten neus, op de koop toe genomen, die zich bij een consequente raszuivere fokkerij als nadelig voor het ras moesten uitwerken.

Gestrekt:

de schoft is minder hoog dan de romp lang is.

Gestroomd:

meer of minder duidelijke streping op een andere (effen) haarkleur (bijv. Boxer, Hollandse Herder, Duitse Dog). Bij verwaterde stroming is de tekening onvoldoende scherp begrensd.

Getijgerd:

zeer onregelmatig gevlekt in de trant van het blue merle. Deze tijgerkleur komt voor bij Teckels.

Zie ook merle-tekening en glasoog.

Geur:

            zie reuk.

Geurvlag:

spoor dat een dier d.m.v. urine of een ander lichaamsvocht maakt ter afbakening van zijn territorium.

Gevlekt:

            kleine vlekken op een witte ondergrond.

Gevoel:

de tastharen op de bovenlip vormen het gevoeligste orgaan van de hond naast lippen, tong en huid.

Gewinkeld:

Germanisme voor gehoekt: de hoek, die de botten van de voor- en achterbenen met elkaar maken.

Gewricht:

            beweegbare verbinding tussen twee of meer beenderen. Zie ook skelet.

Gewrichtskraakbeen:

het kraakbeen, dat de uiteinden van het bot bekleedt ter plaatse van het gewricht. Zie ook skelet.

Gewrichtsmuis:

losliggend stukje vet of (kraak)been in gewrichtsholten, m.n. in het kniegewricht. Gewrichtsmuizen worden ook vaak gevonden bij artritis, OCD of bij het afbreken van de menisci in de kniegewrichten.

Zie ook skelet.

Gewrichtsvochtanalyse:

is het onderzoek van een monster van het doorschijnende vocht (synoviaal vocht) uit een gewricht. Daardoor kan de dierenarts vaststellen of het gaat om een infectie, een ontsteking of een immuunziekte.

Gezelschapshonden:

Het woord gezelschapshond kan betrekking hebben op iedere hond die uitsluitend voor het plezier gehouden wordt, in tegenstelling tot de werkende hond.

Maar het heeft ook nog een andere betekenis. Eén van de 10 rasgroepen is de groep 'Gezelschapshonden': een groep kleine rassen, die nog niet zo lang geleden bekend stonden als schoot- of dameshondjes. Men slaagt er op bewonderenswaardige wijze in klein te fokken zonder in afwijkingen te vervallen. Behalve zijn waarde als kameraadje heeft de kleine hond nog het voordeel een prima alarmbel te zijn. Mogelijk drijft zijn gevoel van onmacht hem er toe altijd op te letten, ook in zijn slaap.

De indeling is als elke indeling hier en daar willekeurig, daar nergens scherpe grenzen bestaan.

Gezichtsvermogen:

dit is bij de hond lang niet zo sterk ontwikkeld als de reuk en het gehoor, maar er bestaan wel verschillen tussen de rasgroepen. Zo zien windhonden waarschijnlijk beter dan gemiddeld. Toch werken alle rassen vooral met de neus en de oren. Twijfelt een hond aan wat hij ziet, dan vergewist hij zich met zijn neus.

De meeste honden blijken over een afstand van circa 25-100 m. behoorlijk te zien, vooral als het object beweegt. Honden geven geregeld blijk van het bezit van een redelijk gezichtsvermogen, bijv. door van achter glas te tonen dat ze andere honden of hen bekende mensen waarnemen, en door hun snelle galop over slecht terrein.

De hond wordt ruikend geboren, en de ogen openen zich pas tussen de 9e en 12e dag. Van zijn zintuigen begeven het gehoor en het gezichtsvermogen het bij de oude hond meestal eerder dan het reukvermogen en de tastzin.

Gezondheidsverklaring:

sommige landen vragen een gezondheidsverklaring, afgegeven binnen een bepaalde (korte) termijn voor vertrek. Uw eigen dierenarts, met al dan niet een autorisatie door de dierenarts van de RVV, kan hiervoor zorgen. Vraag tijdig info bij uw dierenarts als u met uw hond op vakantie gaat! 

Hebt u voor uw hond het nieuwe (vanaf mei '04 verkrijgbare) EU-dierenpaspoort, dan hebt u geen aparte gezondheidsverklaring meer nodig.

Gezwel:

niet ieder gezwel hoeft kanker te zijn. Ook abcessen, breuken, vetbultjes en insectenbeten zien er uit als gezwellen.

Gezwellen kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn; laatstgenoemde hebben de neiging tot zeer snelle groei en hernieuwd optreden na verwijdering, ook op andere plaatsen van het lichaam.

Wacht u te lang met het raadplegen van de dierenarts en "breken" de gezwellen door, dan ontstaan door schuren en krabben secundaire infecties.

Bij het ontdekken van kleine knobbeltjes moet deskundige hulp worden ingeroepen. De dierenarts kan door een histologisch onderzoek vaststellen of de hond met een goedaardig of een kwaadaardig gezwel te doen heeft en daar zijn therapie en prognose op baseren.

Zie ook tumor en kanker.

G&G:

afkorting van Gedrag & Gehoorzaamheid; tak van de hondensport (zowel voor ras- als niet-rashonden), waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere honden en personen en gegeven commando's uit te voeren. 

Het eerste officiële examen werd op 26 september 1953 bij KC De Hofstad in Den Haag afgenomen: 1 Dobermann, 1 Laekense Herdershond, 2 Bouviers en 7 Duitse Herders. Begin jaren tachtig werd het G&G-II programma geïntroduceerd, dat aan het einde van datzelfde decennium werd gecompleteerd met het G&G-III programma.   

Het huidige G&G-programma kent inmiddels 4 niveaus: Beginners G&G (nieuw in '04), G&G-1, G&G-2 en G&G-3. G&G-3 komt overeen met het internationale "Obedience"-programma van de F.C.I.

G&G-examens kunnen alleen maar worden aangevraagd door de door de Raad van Beheer erkende verenigingen en verenigingen, aangesloten bij de Stichting Gedrag, Gehoorzaamheid en Behendigheid bij het secretariaat van K.N.K.Cynophilia. Het examen wordt derhalve afgenomen door een keurmeester van Cynophilia.

Rashonden dienen in het bezit van een rashondenlogboek te zijn, rasloze honden dienen een