Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

D

 

Daeargi:

            de naam die de Welsh Terriër in Wales heeft.

Dameshondjes:

vroegere benaming voor kleine gezelschapshonden. Zie gezelschapshonden en rasgroep 9.

DA:

is de afkorting voor dierenarts.

D.A.P.® (DAP):

is er als verdamper, spray of halsband.

Zie wetenswaardigheden en autorijden

Darjeeling Terriër:

synoniem voor de Tibetaanse Terriër.

Darm:

dunne, blinde en dikke darm: zie spijsverteringsstelsel.

Darmbreuk (hernia perinealis):

sterke spieren rond de anus die verbonden zijn met eveneens sterke spieren, die aan het bekken vastzitten, zorgen samen ervoor dat de ontlasting via de endeldarm en via de anus naar buiten wordt gedrukt. Deze spieren zorgen ervoor, dat de ontlasting maar 1 kant op kan en dat is rechtuit naar de achteruitgang. Als die spieren scheuren, ontstaat er ruimte, links en/of rechts, zodat de endeldarm met inhoud (ontlasting) kan uitstulpen naar links en/of rechts door de breukpoort. Het probleem daarbij is, dat er een dichte zak ontstaat waarin steeds meer ontlasting geperst wordt. De hond kan zijn ontlasting niet meer voldoende gemakkelijk kwijt via zijn anus en moet eindeloos en vruchteloos persen. Een lijdensweg!

Een darmbreuk treedt éénzijdig of beiderzijds op. We zien aan de buitenkant links en/of rechts van de anus een dikke bult. Deze is gevuld met ontlasting, die in de uitpuiling van de endeldarm zit. Vaak zien we ook vet in de breukzak.

De darmbreuk raakt weliswaar nooit ingeklemd, maar de dagelijkse ellende voor de hond bij het ontlasten is een dwingende reden om te opereren. Kortom een dambreuk moet in alle gevallen geopereerd worden. En toch zien we nog vaak, dat geadviseerd wordt de hond maar te laten lopen, omdat de operatie te ingewikkeld en de kans op anusverlamming en incontinentie te groot is. Er wordt dan even voorbij gegaan aan het dagelijkse lijden.

Maar ik heb gelukkig nooit (blijvende) incontinentie gezien. Direct na de operatie kan wondzwelling optreden en ook een infectie is in dat gebied niet uit te sluiten. Er kan dan tijdelijk bij het blaffen eens een keer een keuteltje verloren worden, maar dat gaat snel voorbij.

Vaak wordt wel aangeraden om de hond tijdens de operatie te castreren. Heel vaak is persen t.g.v. een vergrote prostaat de oorzaak van de darmbreuk. Wordt de hond niet gecastreerd kunt u een recidief zien of een nieuwe hernia aan de andere kant.

Darmflora:

in het darmkanaal levende bacteriën.

Darmontsteking:

term die verwijst naar een groep aandoeningen van de darmen, die elk worden gekenmerkt door een verhoging van een specifiek type ontstekingscellen.

Darmpek:

zie colostrum.

Darwinisme:

evolutieleer volgens Charles Darwin (1809 -1882), neergelegd in zijn belangrijkste werk: On the Origin of Species by means of Natural Selection, or The Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (1859) oftewel Het ontstaan van de soorten. 

Dasbrak:

een krachtig gebouwde jachthond met edel, middelmatig groot hoofd met lichte stop, goed uit de romp ontspringende staart die bij kalme gang sabelvormig omhoog, of hangend met een lichte bocht aan de punt wordt gedragen.

Krachtig schaar- of tanggebit. De uitdrukking van het gezicht is trouw, vriendelijk-ernstig en oplettend. Schouderhoogte is 34-42 cm.

Uit deze hoogbenige vorm van de Brak werden in verband met de verdwijning van de grote jachtrevieren kortbenige vormen gefokt, zoals de Dachsbracke des Erzgebirges en de Alpenländer. Een vergelijkbare ontwikkeling is het ontstaan van de Engelse Bassets en de Zweedse Drever.

Zie ook brakken.

Dasbrak (Bonte) uit Westfalen:

laagbenige brak die hoofdzakelijk van de kleine Steenbrak afstamt. In het noorden van Duitsland wordt hij gebruikt voor de brakkenjacht op haas en vos. Zie voor uiterlijk Dasbrak, zij het dat de schouderhoogte 30-35 cm. bedraagt.

Alle kleuren van de Duitse Brakken met meer of minder wit zijn toegestaan. Zwart of chocoladebruin is niet gewenst.

Daskleurig:

 patroon van kleuren, dat ontstaat door een mengeling van zwarte, gele en grijze haren; elke haar afzonderlijk kan ook deze drie kleuren bevatten.

 Daskleurige platen zijn toegestaan bij o.a. Pyrenese Berghonden en Sealyham Terriërs.

D.C.C. (DCC):

zie CC. 

DCM (Dilated Cardiomyopathy; Gedilateerde cardiomyopathie):

of Congestieve Cardiomyopathie is een afwijking van de hartspier, waarbij de kracht van het spierweefsel is afgenomen, waardoor een dilatatie van de linker- of van beide hartkamers is ontstaan. Dit leidt tot een verminderde pompfunctie van het hart, waardoor er uiteindelijk ook een dilatatie van de linkerboezem, klepgebreken, boezemfibrillatie en hartritmestoornissen kunnen ontstaan. Meestal is de linker harthelft aangetast, waardoor er longoedeem kan ontstaan. Is ook de rechterhelft aangetast, dan zien we vochtophopingen in de buikholte en aan de poten optreden.

Het kan soms jaren duren voordat de eerste klachten zich openbaren. De afwijking manifesteert zich bij de meeste rassen op een leeftijd tussen 4 en 10 jaar. De eerste verschijnselen van D.C.M. zijn vaak een verminderd uithoudingsvermogen, vermageren en meestal ook hoesten. Dit hoeft echter niet, soms is een plotselinge dood het eerste en enige symptoom.
DCM is één van de meest voorkomende hartaandoeningen bij honden en wordt vooral gezien bij de grote rassen, zoals de Dobermann, Duitse Dog, Ierse Wolfshond, Deerhound, Newfoundlander, Sint Bernard, Boxer en bij nog enkele andere grote dogachtige rassen. De afwijking komt echter ook voor bij de Dalmatische Hond, Labrador Retriever, Airedale Terriër en de Engelse Cocker Spaniel en de Amerikaanse Cocker Spaniel. De directe oorzaak is meestal onbekend, maar heeft in vrijwel alle gevallen een genetische achtergrond.
Soms speelt een tekort aan taurine in het voedsel een rol, zoals o.a. bleek bij de Amerikaanse Cocker Spaniel. Bij sommige Boxers met DCM lijkt een tekort aan het aminozuur Carnitine (mede)oorzaak van het gebrek, door sommige onderzoekers wordt ook aan het co-enzym Q10 een belangrijke rol toegedicht. Ook bepaalde virale infecties en auto-immuunziekten kunnen DCM tot gevolg hebben. In al deze gevallen spelen, net zoals dat bij de mens bekend is, erfelijke factoren een rol.
DCM manifesteert zich bij de verschillende rassen op een verschillende wijze. Zo wordt bij de Portugese Waterhond een juveniele vorm beschreven. Hierbij sterven de puppies op een gemiddelde leeftijd van 13 weken, na een snel verlopend ziektebeeld.
Is er bij uw hond eenmaal de diagnose DCM gesteld, dan is er weinig hoop op genezing. Soms kunnen voedingssupplementen in combinatie met traditionele geneesmiddelen tot verbetering leiden, zoals in het geval van het taurine-tekort bij de Amerikaanse Cocker Spaniel. Maar in het overgrote deel van de gevallen heeft de ziekte, afhankelijk van het stadium van de ziekte en de ernst ten tijde van de diagnosestelling, een snel en fataal verloop. De meeste honden overlijden binnen enkele weken tot maanden.

Bij sommige rassen is de overlevingskans bij gebruik van de juiste medicijnen wat groter. De prognose voor de langere tijd blijft ook dan echter somber. Honden met DCM kunnen ook zomaar plotseling overlijden, met name wanneer er boezemfibrillaties en hartritmestoornissen ontstaan.

Decompensatio cordis:

toestand, waarbij het hart tekortschiet. 

Deemoed:

stemming van nederige onderworpenheid; zie submissie.

Voor deemoedplasjes: zie wetenswaardigheden.

Deense Dog:

onterechte benaming voor de Duitse Dog. 

Defecatie, defeceren:

naar buiten persen van ontlasting. 

Defect:

gebrek. 

Defencare®:

is een shampoo, die vlooien doodt. Het werkt zeer kort (3 dagen) voor wat betreft herinfecties.

Deficiëntieziekte:

ziekte die ontstaat door een tekort aan voedingsstoffen, m.n. vitaminen

Degeneratie:

onomkeerbare veranderingen in cellen en weefsels, waardoor hun normale functies worden aangetast. Kan gepaard gaan met atrofie of juist hypertrofie.

De weefsels kunnen hun normale functie minder goed of niet meer uitoefenen, bijv. netvliesdegeneratie door atrofie bij PRA. 

Degeneratieve gewrichtsaandoening:

is een aandoening waarbij het gewrichtsweefsel aftakelt of zich niet meer kan herstellen na beschadiging. Het wordt vaak ook artritis of osteoartritis genoemd.

Dehydratatie, Dehydratie:

uitdroging

Dek:

a) zie zadeldek;

b) dek of jas gebruikt voor kortharige dameshondjes en voor Greyhounds bij koud of regenachtig weer en bij Greyhounds ook voor en na de ren of de jachtloop.

Dekgeld:

het bedrag, dat gevraagd wordt wanneer men bij een dekking een reu van een ander gebruikt. 

Dekharen (dekhaar):

lange, stevige haren, die de buitenbekleding van de vacht vormen. 

Dekking:

• paring, het moment dat reu en teef koppelen. Dit laat de teef toe gedurende een bepaald aantal dagen van haar loopsheid.

Bij teven worden enkele tientallen eicellen gerijpt, die gedurende enkele opeenvolgende dagen kunnen vrijkomen. Fokkers maken daarvan wel gebruik door de teef met een tussenpoos van 2 dagen te laten dekken. Dekkingen door verschillende reuen kunnen verschillende nakomelingen opleveren. M.a.w. laat u uw Goldenteef dekken door een Goldenreu en later wordt ze per ongeluk gedekt door de hond van de buren, dan kan het zijn, dat het nestje Goldenpups én kruisingen bevat!

Jonge, onervaren teven kunnen lastig zijn en het is dan ook het beste ze de eerste keer door een ervaren reu te laten dekken.

Het is verstandig de reu vroeg zijn eerste dekking te laten verrichten, zo mogelijk op de leeftijd van een jaar. Daarna geeft u hem een half jaar rust. Dekt een reu voor de eerste maal of na een lange rustperiode, dan zijn 2 dekkingen gewenst met een tussenpoos van 36-48 uur.

Dekt de reu regelmatig, dan is 1 dekking voldoende.

De beste dag voor de dekking is ongeveer 3 dagen na de dag waarop de teef voor het eerst wil 'staan'. De gezwollen vulvalippen hebben hun stugheid verloren en zijn zacht geworden. Gemiddeld valt dit tijdstip op de 13e dag van de loopsheid, maar zowel eerder als later is mogelijk.

Verstandig is het uw teef ook gedurende niet benutte loopsheden te observeren. Het dekken vlot niet altijd even gemakkelijk en soms is hulp geboden. Wees altijd rustig en geduldig. Laat reu en teef nooit te lang achtereen bij elkaar, als het niet direct wil lukken. Een rustige verwijdering doet de animo eerder toe- dan afnemen.

Gaat het helemaal niet, bent u zeker van de juiste dag en wilt u de bevruchting graag doorgang laten vinden, dan kan een kunstmatige inseminatie uitkomst brengen (hoewel ik er geen voorstander van ben).

Zie voor meer info ook oestrus, progesterontest, ovulatietest en dekkaart.

• dekking is ook een term uit de jachthondenwereld: zodanige begroeiing, dat een dummy daar ongezien kan liggen.

Dekkaart (dekregistratie):

alleen de fokker kan pups laten registreren in de Nederlandse Stamboekhouding (NHSB). Daarvoor heeft hij een dek- en geboorteaangiftekaart nodig. Deze 'dek- en geboortekaart' kan bij de Raad van Beheer aangevraagd worden via tel. 0900-7274663, via e-mail info@raadvanbeheer.nl of via de digitale versie, die u direct kunt invullen, uitprinten en opsturen.

Met deze kaart kan de fokker de dekking van de teef en de geboorte van het nest melden bij de Raad van Beheer. De fokker dient de kaart binnen 7 dagen na de geboorte van het nest naar de Raad van Beheer te zenden.

Zodra het nest bij de Raad bekend en geregistreerd is, wordt aan de pups een NHSB-nummer toegekend. De fokker ontvangt daarna een factuur met een acceptgirokaart. Op deze acceptgiro is het te betalen bedrag, aan de hand van het aantal in te schrijven pups, reeds ingevuld. De fokker dient deze kaart dan ook voor de betaling te gebruiken.

Op de achterzijde van de factuur zijn de gegevens van het nest, zoals deze door de fokker zijn opgegeven, weergegeven. Het is zaak dat de fokker deze gegevens nauwkeurig controleert en eventuele fouten zo spoedig mogelijk aan de Raad doorgeeft.

De Raad van Beheer stuurt na ontvangst van de betaling het bericht van de geboorte naar een identificeerder, die woont binnen het rayon waar het nest zich bevindt. Deze identificeerder komt tussen de 5 t/m 7 week bij de fokker langs voor de identificatie van de pups en de nestcontrole. Tijdens deze identificatie krijgen de pups een elektronische transponder, een zogenaamde chip, ingebracht.

Nadat de identificeerder een pup heeft geïdentificeerd, zal hij de gegevens van de pup invullen op een aanvraagformulier voor stambomen.

De identificeerder houdt een doorslag van dit formulier, de fokker ontvangt het origineel met 2 doorslagen.

Dekreu:

mannelijke hond, die voor de fokkerij wordt gebruikt. Andere benaming is fokdier. De Engelse benaming is 'stud dog'.

Zie ook dekking en wetenswaardigheden. 

Dementie:

geestelijke aftakeling. 

Demodex (jeugdschurft, jonge hondenschurft of puppyschurft):

of haarzakmijt wordt veroorzaakt door de mijt Demodex canis, die in de haarzakjes en talgklieren leeft. De haren vallen uit en er ontstaan kale plekjes, meestal het eerst op de kop en rond de ogen (zie ook demodicose).

Jeugdschurft kent 2 vormen, nl. een droge en een natte vorm. Bij de droge vorm zijn er alleen mijten in het spel. Bij de natte jeugdschurft spelen ook bacteriën een rol. De bacteriën, vaak Staphylococcen, zorgen voor een etterige afscheiding. Bij de droge vorm is er weinig tot geen jeuk, bij de natte vorm heeft de hond erge jeuk en voelt zich beroerd.

Iedere hond is besmet met Demodex. Slechts een enkele hond, die bovendien nog jonger is dan 2 jaar, kan de ziekteverschijnselen krijgen. Maar de ziekte treedt meestal op bij jonge honden (6-12 maanden) en het meest bij kortharige rassen.

In een gevorderd stadium kan de huid rood verkleuren (vandaar dat de ziekte ook wel rode schurft wordt genoemd) en soms vol etterige puistjes zitten. De hond verspreidt dan een eigenaardige weeë geur.

Besmettelijkheid is niet aangetoond. Demodex is een hardnekkige aandoening, die in het beginstadium meestal te genezen is. Bij verspreiding over het lichaam wordt de kans op genezing kleiner.

Gevoeligheid voor jeugdschurft is een erfelijke aanleg, waarmee bij het fokken rekening dient te worden gehouden.

Zie ook Advocate®.

Demodicose, demodicosis:

huidinfectie veroorzaakt door Demodex-mijten.

Het meest bekende beeld van demodicose is: kaalheid rond de ogen, op de wangen, rond de mond, op de hals en aan de binnenkant van de voorpoten. Soms zijn er enkele korstjes, schilfers en/of rode plekken te zien, soms zien we etterende pukkels veroorzaakt door bacteriën (Staphylococcen). Maar meestal is het een 'schone' kale plek. In een aantal gevallen zien we willekeurig over het lichaam 1 of enkele van die kale plekjes, bijv. op de tenen.

En wat heel belangrijk is: er is geen sprake van jeuk! Dat is een sterke aanwijzing voor demodicose.

Zie ook Advocate®.

Dens:

tand. Zie tanden

Dentine:

tandbeen. Zie ook tanden.

Depigmentatie:

ontkleuring van bijv. de neusspiegel; het pigment is niet of nauwelijks of in ieder geval in mindere mate aanwezig.

Depot:

ophoping van een stof op een bepaalde plaats in het lichaam.

Derde ooglid of membrana nictitans (MN):

bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donker van kleur en nauwelijks zichtbaar. Het derde ooglid (zgn. knipvlies), dat vanaf de neushoek c.q. binnenooghoek over het oog geschoven kan worden, is vaak zo sterk ontwikkeld, dat de hond nauwelijks gebruik maakt van zijn andere oogleden, omdat het knipvlies het gehele oog kan bedekken.

Het derde ooglid wordt vaak - ten onrechte - aangeduid als bindvlies. Het is wel een uitgroeisel van het bindvlies.

Bij de 'hoog' op de evolutieladder staande mens is hiervan nog slechts een niet-functionerend restant aanwezig in de vorm van een klein roze slijmvliesbultje in de binnenooghoek.

Het zichtbare randje van het derde ooglid is in het algemeen gepigmenteerd. Bij witte honden, of honden waarbij het oog binnen een witte kopvlek valt, zijn soms ook de ooglidranden en/of de rand van het derde ooglid ongepigmenteerd.

Het derde ooglid heeft een zeer belangrijke beschermende functie als de oogbol actief wordt teruggetrokken in de oogkas. Daarnaast bevat het een traanklier, die ongeveer 30% van de totale traanproductie verzorgt.

Het verwijderen van een ongepigmenteerd of een gedeeltelijk afwijkend derde ooglid is dan ook ten sterkste af te keuren, en is zeker niet in het belang van de hond! Alleen in het geval van een kwaadaardig gezwel is het wegnemen van het gehele derde ooglid gerechtvaardigd.

Zie ook eversio van het derde ooglid en hyperplasie.

Dermatitis:

huidontsteking (dermis = huid). Zie ook eczeem en surolan.

Dermatofytose, Dermatophytose:

infectie veroorzaakt door schimmels, zoals een ringworminfectie.

Dermatose:

huidziekte (dermis = huid).

Dermoïd:

eilandje huidweefsel, vaak behaard, dat op een verkeerde plaats is aangelegd, bijv. op de cornea. De afwijking zou recessief erfelijk zijn bij de ruwhaar Dashond (Teckel) en komt ook vaker voor bij de Mastino Napoletano. Naarmate de haren verder uitgroeien, zullen zij de cornea meer gaan irriteren. Het dient operatief verwijderd te worden. Lijders hieraan kunnen beter van de fokkerij worden uitgesloten. 

Dermoïd sinus, DS:

is een aangeboren, erfelijke afwijking bij bijv. de Rhodesian Ridgeback, maar het is ook gezien bij de Boxer, Shih Tzu en Kerry Blue Terriër. Het is een zogenaamd "neuraalbuisdefect". Dermoid = huid, Sinus = holte/opening/kanaal. Honden met deze afwijking moeten voor de fok uitgesloten worden.

Dermoid sinussen zijn vernauwingen lijkend op kanaaltjes. Zij worden veroorzaakt door een defect van de huid. Zij beginnen aan het huidoppervlak en dringen verder door tot in de spieren en soms tot in het ruggenmerg. Zij bevinden zich op de centrale lijn van de nek en het kruis.

Het is een zeer pijnlijke afwijking, omdat er in die opening infecties op kunnen treden. De DS kan zo klein zijn, dat een leek het niet kan zien en alleen een ervaren fokker het kan ontdekken. Vanuit de RRCN (Rhodesian Ridgeback Club Ned.) worden er nestinventarisaties gedaan, waarbij o.a. gecontroleerd wordt op DS.

De hond kan geopereerd worden, waarbij de sinus verwijderd wordt.

Desinfectie:

ontsmetting; het doden van evt. aanwezige ziektekiemen. 

Desoxyribonucleïnezuur:

zie DNA.

Dew claws:

Engels voor Hubertus- of wolfsklauwen. 

Dew lap:

zware keelhuidplooien of wammen bij bijv. Bloedhond en Basset Hound. 

Dexoral®:

dexamethason tabletten ter behandeling van allergische aandoeningen van het respiratieapparaat, allergische dermatitis en met jeuk gepaard gaande dermatosen, en inflammatoire aandoeningen van het locomotie-apparaat zoals arthritiden, tendinitis, tendo-vaginitis, arthrose, myositis en synovitis.

De invloed van dexamethason (een corticosteroïde) op de water- en zouthuishouding is bij de aangegeven doseringen minimaal.

Uitsluitend voor orale toediening bij de hond. Aanbevolen wordt dit preparaat om 8 uur 's morgens aan de hond toe te dienen. Als aanvangsdosering kunnen de hoogst aangegeven doseringen worden toegediend; wanneer de verschijnselen onder controle zijn, dienen de gemiddelde doseringen te worden aangehouden.

De aanbevolen doseringen zijn: Acute indicaties: 0,05 - 0,6 mg/kg lg/dag. Chronische indicaties: gedurende de eerste 3 dagen: 0,3 - 0,6 mg/kg lg/dag, vervolgens gedurende 5 dagen: 0,15 - 0,3 mg/kg lg/dag, gevolgd door: 0,15 - 0,3 mg/kg lg/om de andere dag. Met intervallen van een week wordt de dosering dan nog gehalveerd, tot de minimaal werkzame dosering wordt bereikt.

Bijwerkingen: -Mogelijke abortus in het laatste (derde) deel van de dracht. -Afnemende weerstand tegen alle ziekteverwekkers; verhoogde kans op septicaemie en septische cystitis. -Maskering van infecties. -Immunosuppressieve werking. - Bijniersuppressie bij belasting van het dier zoals stress en bij acuut stoppen van de therapie. - Katabolisme met als gevolg: spieratrofie, myopathie en vertraging van de wondgenezing. - Osteoporose; remming van de lengtegroei van beenderen. - Huidatrofie. - Kans op diabetes mellitus, polyurie, polydipsie, polyphagie; euphorie, ulceraties in het gastro-intestinale systeem, pancreatitis, hyperlipidaemie, toename van de lipolysis, vettige infiltratie van de lever met sterood hepatopathie, remming van het hypothalamus-hypophyse-bijnierschorssysteem, afname van de thyrood synthese, toename van de parathyrood synthese, morbus Cushing.

Dexamethason is één van de geneesmiddelen waarvan is aangetoond dat ze problemen veroorzaakten bij honden met de MDR1 mutatie.

Dextrose:

druivensuiker, glucose

DHA:

oftewel Docasahexaeenzuur is een van de visvetten (omega 3; zie visolie) en heeft vooral een effect op het zenuwstelsel. DHA komt in hoge dosis voor in de hersenen. Het heeft gunstige effecten op de ontwikkeling van de hersenen bij opgroeiende dieren reeds vanaf de ontwikkeling in de baarmoeder. Daarom wordt het aangeraden bij teven die zwanger zijn of melk geven en bij opgroeiende pups tot 1 jaar. Ook blijkt DHA gunstig te zijn bij allerlei degeneratieve processen in het zenuwstelsel en wordt het dus aangeraden bij de ouder wordende hond na de leeftijd van 7 jaar. Recent begint men in te zien dat DHA vele effecten heeft die ook aan EPA zijn toegewezen.

Dhole:

of Indische Windhond, is een wilde hond uit India met een roodachtige grondkleur en een lichte buik, die in roedels jaagt en daarbij een karakteristiek, knorrend geluid voortbrengt. 

DI, D.I.:

is de afkorting voor distractie index, gebruikt bij de PennHip.

Diabetes insipidus:

wordt veroorzaakt door een tekort aan het antidiuretische hormoon ADH (aangemaakt in de hypothalamus) of doordat de nieren niet goed op dit hormoon reageren. In het eerste geval spreken we van centrale diabetes insipidus, in het tweede van een nefrogene diabetes insipidus.

ADH zorgt dat de urine geconcentreerd wordt als de hond vocht moet vasthouden. Er wordt meer ADH aangemaakt wanneer er sprake is van weinig vochtinname en minder als die heel hoog is, zodat de vochthuishouding van het lichaam in beide gevallen in evenwicht blijft.

Symptomen van diabetes insipidus zijn o.a. polydipsie en polyurie. Bij de centrale vorm drinkt de hond soms wel 15 liter water per etmaal (s.g. urine zeer laag); bij de nefrogene vorm is dit een stuk minder, maar toch te veel (s.g. urine laag).

Afhankelijk van de vorm van diabetes insipidus kan ter behandeling ADH worden toegediend in de vorm van neusdruppels.

Zie ook bloed- en urineonderzoek.

Diabetes mellitus:

is suikerziekte. Het is een hormonale aandoening, waarbij de hond zijn bloedsuikerspiegel (glucosegehalte in het bloed) niet kan regelen.

De symptomen zijn: verhoogde eetlust, veel plassen, veel drinken, lusteloosheid, gewichtsverlies en eventueel ook staar (cataract). De symptomen van suikerziekte komen vaak voor bij teven vlak nadat ze loops zijn geworden.

Suikerziekte wordt veroorzaakt door een gebrek aan insuline (aangemaakt door de alvleesklier) of een verhoging van de bloedsuikerspiegel (hyperglycaemie). De oorzaak kan ernstig zijn, want het kan betekenen dat de alvleesklier niet genoeg insuline produceert, ofwel door een afwijking eraan, ofwel door natuurlijke veroudering van dit orgaan.

Bij sommige rassen, zoals de Duitse herder, Labrador, Rottweiler en de Samojeed, schijnt het een erfelijke aandoening te zijn. De ziekte kan echter bij elke hond voorkomen, vooral bij honden ouder dan 8 jaar. Door een verhoogd progesterongehalte in het bloed tijdens schijnzwangerschappen zijn ongesteriliseerde teven drie keer zo vatbaar voor suikerziekte, en te zware honden, teef of reu, lopen ook een verhoogd risico.

Zoals gezegd, suikerziekte wordt veroorzaakt door een insulinetekort. Daarom moet dit tekort dagelijks, op een vast tijdstip, worden aangevuld met een insuline-injectie (Caninsulin). Dit lijkt eng, maar in de praktijk valt het reuze mee. Omdat niet bekend is hoe groot het insulinetekort precies is, moet de juiste dosering worden vastgesteld. Anders gezegd: uw hond (de diabeet) moet worden ingesteld. Aan de hand van het gewicht van uw hond zal de dierenarts bepalen hoeveel insuline moet worden gegeven. In het begin worden bloed en/of urine regelmatig gecontroleerd op glucose. Wanneer de juiste hoeveelheid insuline is vastgesteld, zal uw hond snel herstellen. Hij wordt levendiger en het vele drinken en plassen zal afnemen. Ook hoeft dan het controleren van bloed of urine veel minder vaak te gebeuren. Regelmatige controle blijft echter wel noodzakelijk, want na verloop van tijd kan de behoefte aan insuline veranderen en kan een aanpassing van de dosering nodig zijn. Als uw hond eenmaal goed is ingesteld, kan hij een normaal leven leiden. Het is wel nodig met de suikerpatiënt een redelijk regelmatig leven te lijden. Tijdstippen voor de injectie en het eten moeten dagelijks ongeveer dezelfde zijn en de hoeveelheid beweging per dag moet ook niet al te veel variëren.

De belangrijkste complicatie is een (te) laag bloedsuikergehalte (hypoglycaemie) wat kan gebeuren als u bijv. te veel insuline spuit. De eerste verschijnselen zijn: honger, onrust, slap op de poten en spiertrillingen, later evt. bewustzijnsverlies. U dient uw hond dan onmiddellijk via zijn bek wat (druiven)suiker/stroop/zoet eten toe.

Zie ook bloed- en urineonderzoek.  

Diafragma:

middenrif

Diafyse:

merghoudend middenstuk van een pijpbeen. 

Diagnose:

vaststelling van de aard en de plaats van een ziekte of verwonding door (dier)geneeskundig onderzoek. 

Dianaprijs:

prijs bij veld- en apporteerwedstrijden, betaald uit een fonds nagelaten door Jan Leembruggen, voor de hond die aan de grootste schoonheid de beste eigenschappen voor de jacht paart. Naast een eerste prijs (U) op een veldwedstrijd dient minimaal een ZG op een erkende tentoonstelling behaald te zijn. 

Diarree:

of buikloop of buikgriep is een darmstoornis met dunne ontlasting; de dunne ontlasting zelf. Diarree kan acuut of chronisch optreden.

Zie voor meer info: wetenswaardigheden

Diastole:

verslapping van de hartkamers en de slagaders; i.t.t. systole

Diathese:

aanleg voor bepaalde ziekten als gevolg van veranderingen in bloed en weefsels.

Diënghond:

hond die voorkomt op de hellingen van de Diëng, een gebergte op Midden-Java. Hij wijkt sterk af van de daar in alle dorpen ook aanwezige rasloze kamponghond. Hij vertoont duidelijk eigenschappen van de Chow Chow. Het zijn middelmatig grote honden, ongeveer even lang als hoog, diepe en vrij brede borst, korte, stevige hals, vrij kort hoofd, breed in het schedelgedeelte met een vrij kort aangezichtsgedeelte, kleine, ver uit elkaar staande, opgerichte oren, iets diepliggende ogen met een iets schuin staande oogspleet, stevige rug en lendenen, vrij korte stevige benen, vrijwel ronde voeten met goed gesloten tenen. Middelmatig lange beharing, enkele met een behoorlijke kraag, en weinig onderhaar. De staart wordt over de rug gedragen. Alle kleuren komen voor. Bij de donkere tinten zien we een donkergekleurde tong. Ze hebben een goed karakter, zijn weinig beweeglijk en niet erg waakzaam. 

Dierenartsen:

ontvangen in Nederland hun opleiding aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar de Faculteit der Diergeneeskunde is. De instituten, laboratoria, gebouwen en stallen, waaronder enkele die uniek zijn voor Europa, bevinden zich op de terreinen van De Uithof.

Daar we hier ook vlak aan de Belgische grens zitten, gaan er van hieruit ook veel studenten aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent studeren.

Op beide plaatsen is ook een dierenkliniek gevestigd, waar u na verwijzing door uw eigen dierenarts met uw hond terecht kunt voor specialistische hulp. 

Dierenbescherming:

in 1864 werd de " 's Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren" opgericht. De eerste doelstellingen waren onder meer het afschaffen van de trekhonden, het verbeteren van de leef- en werkomstandigheden van de paarden, het verbieden van het couperen van oren en staart bij honden en paarden,
en betere slachtvoorschriften (o.a. verplichte verdoving).

In 1877 besloot een aantal lokale groepen samen te gaan werken en kwam er een landelijke vereniging. De naam werd veranderd in "Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren".

Al gauw kwam een eerste wet tot stand, waarin iets voor dieren werd geregeld: de Wet van 5 juni 1875 tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid. In die wet stond onder meer dat het opzettelijk mishandelen van hond of kat strafbaar was.
Vijf jaar later volgde de Wet van 25 mei 1880 tot bescherming van diersoorten nuttig voor landbouw en houtteelt. Daarin kregen enkele zoogdieren en vogelsoorten officiële bescherming. In 1886 kwam er een nieuw artikel (254; zie mishandeling) in het Wetboek van Strafrecht, waarmee dierenmishandeling een misdrijf werd. Zo kregen alle dieren een vorm van wettelijke bescherming. Op deze manier had de Dierenbescherming snel resultaten kunnen boeken.
Van veel latere datum zijn de eerste Wet op de dierenbescherming (1961), de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (1992) en de Flora- en faunawet (1998). De Dierenbescherming heeft grote invloed gehad aan de totstandkoming van deze drie belangrijke wetten.

Wetten moeten worden nageleefd. Of dat gebeurt, moet worden gecontroleerd. De politie heeft haar prioriteiten niet gelegd bij handhaving van 'dierenwetgeving'; vroeger niet en nu ook niet. Daarom stelde de Dierenbescherming in 1920 haar eigen inspectiedienst in. In de begintijd werkte de Dierenbescherming met veldwachters. Die mochten de burger bekeuren die de (schaarse) dierenwetgeving overtrad, of spraken hem bestraffend toe.
Veldwachters bestaan nu niet meer. In 1975 werd de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) opgericht. Momenteel werkt de dienst met twaalf beroepsinspecteurs. Zij beschikken alle over opsporingsbevoegdheid en worden ondersteund door circa 200 vrijwillige inspecteurs door het hele land. De LID ziet toe op naleving van de wet, behandelt klachten, signaleert misstanden en voert themacontroles uit. Ze werkt nauw samen met de politie en de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw.

Zie ook Sophia-Vereeniging, kettinghond en St. Franciscus.

Dierenfysiotherapie:

zie dierfysio.

Dierenmishandeling:

zie mishandeling.

Dierenorthopedie:

het gebruik van orthopedische hulpmiddelen bij gezelschapsdieren is in Nederland nagenoeg onbekend, in tegenstelling tot landen als Canada en de Verenigde Staten. Op 4 december 2007 is de eerste orthopediepraktijk voor dieren in Nederland officieel van start gegaan.

Voor dieren zijn er tegenwoordig veel uitgebreide orthopedisch chirurgische mogelijkheden om een aandoening aan de gewrichten, banden of spieren te behandelen. Dieren behandelen met een orthopedisch hulpmiddel bestond voor eind '07 nog niet in Nederland, terwijl een behandeling met een orthopedisch hulpmiddel, dus geen operatie, zeer goed blijkt te werken om een lichaamsdeel van een dier te ondersteunen of zelfs te vervangen.

Vanuit deze noodzaak is bovenstaande orthopediekliniek een nieuwe specialisatie begonnen: dierenorthopedie. De directe aanleiding voor het opzetten hiervan was een Chihuahua met een nekhernia. De eigenaar van de hond wist zich geen raad met de pijnlijke nekhernia. Na de succesvolle behandeling met een aangepaste nekbrace ontstond een toenemende vraag naar orthopedie voor dieren. Wanneer een hond door kanker een deel van zijn poot moet missen en niet met 3 poten uit de voeten kan, komt het regelmatig voor dat de hond euthanasie krijgt. Terwijl de hond met een pootprothese nog een prima leven kan leiden.

In de afgelopen tijd zijn veel dieren met succes behandeld. Of het nu gaat om een hakverhoging voor een paard met een peesontsteking of een brace voor een hond, deze kliniek is bereid om naar alle mogelijkheden te kijken.

Dierenpaspoort:

• sinds 1 januari 2002 kon je geen paspoort meer aanvragen via Stichting Registratie Gezelschapsdieren Nederland (SRGN), daar deze stichting toen opgeheven is. De reeds uitgegeven paspoorten bleven echter wel geldig, ook als reisdocument.

• Vanaf augustus 2002 gaf de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) een nieuw dierenpaspoort uit. Het nieuwe paspoort was te krijgen voor elke hond. De voordelen van dit paspoort op het 'oude inentingsboekje' waren, dat de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) er mee akkoord gegaan was, dat het roze rabiëscertificaat met de daarbij horende gezondheidsverklaring geïntegreerd was in het nieuwe dierenpaspoort. Alleen voor Noorwegen, Zweden en Engeland bleven nog losse rabiëscertificaten en aparte formulieren bestaan, voor alle andere landen kon het nieuwe dierenpaspoort gebruikt worden.

Het paspoort had de functie van een officieel document, ze waren ook allemaal uniek genummerd. In combinatie met een sticker van de bij uw hond geplaatste microchip was er sprake van een onlosmakelijk met het huisdier verbonden geheel.

• Vanaf 3 juli 2004 is er een nieuw EU-dierenpaspoort. Het paspoort vervangt vanaf juli 2004 alle in Nederland reeds bestaande reisdocumenten die gebruikt worden voor het vervoer van dieren naar het buitenland.

Klik hier als u, hondenbezitter, meer info wilt.

Dit EU-paspoort is vereist wanneer de Nederlandse hond binnen de Europese Unie, Noorwegen en Zwitserland reist.

Dit paspoort komt in plaats van het oude, gele entingsboekje en het blauwe Nederlandse Dierenpaspoort van de KNMvD. Het nieuwe document vervangt alle in Europa gebruikte paspoorten en soortgelijke documenten die worden gebruikt voor het vervoer van de honden naar het buitenland.

Voor de meeste Europese landen zijn dus geen losse reisdocumenten meer nodig zoals het roze formulier voor hondsdolheid. Het paspoort, een (micro)chip en een geldige enting tegen hondsdolheid (rabiës) zijn voldoende. Tot 2008 is naast de chip een duidelijk leesbare tatoeage, die ook in het paspoort staat vermeld, als identificatie toegestaan. Vanaf 2008 is de elektronische chip het enige toegestane identificatiemiddel.

Pups krijgen automatisch een nieuw paspoort. Om voor uw volwassen hond een nieuw paspoort te krijgen, kunt u het beste contact opnemen met uw dierenarts.

Het is belangrijk, dat het paspoort correct is ingevuld. Dit geldt namelijk als garantie, dat het dier is onderzocht door een dierenarts. Bij herplaatsing of verkoop van een huisdier moet ook het paspoort worden meegegeven aan de nieuwe eigenaar. Dit voorkomt dat deze voor medische verrassingen komt te staan.

De dierenarts kan de nog geldige vaccinaties en behandelingen uit het oude paspoort overzetten naar het EU-paspoort. Het is handig om het oude paspoort/vaccinatieboekje te bewaren.

Aan te bevelen is nog naast een identificatie en vastlegging daarvan in het paspoort een registratie van uw hond bij een centrale databank. Petlook is de enige gratis, interactieve, beveiligde en meertalige databank. Registratie kost u slechts enkele minuten en werkt wereldwijd. Op de pagina Links staan in het blok "Hond vermist" ook de links naar diverse andere databanken.  

Dierentolk:

is weer zo'n nieuw modewoord: iedereen noemt zich opeens dierentolk of dierencommunicator. Het was zelfs eind 2003 de titel van een TV-programma.

Een dierentolk, zo lees ik overal, legt contact met levende en overleden dieren, vaak middels een foto, m.a.w. telepathisch communiceren.

Ik heb inmiddels zo veel onzin gehoord en gelezen van mensen die zich 'dierentolk' noemen, dat ik erg sceptisch ben.

Dierfysiotherapie, dierenfysiotherapie:

is fysiotherapie voor dieren (honden) met bewegingsproblemen. Sinds 1992 is wettelijk vastgelegd dat dieren behandeld mogen worden met fysiotherapie. 

Men wordt dierenfysiotherapeut door na de opleiding voor humane fysiotherapie nog een gespecialiseerde opleiding te volgen. De dierenfysiotherapeut behandelt uitsluitend na verwijzing door de dierenarts, die de diagnose stelt. Erkende dierfysiotherapeuten zijn lid van de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Dieren.

Bij de eerste afspraak vindt een uitgebreide anamnese plaats. Na de anamnese wordt er uitgebreid fysiotherapeutisch onderzoek gedaan. In dit onderzoek is het belangrijk om informatie te verkrijgen over het bewegingsapparaat van het dier. Na dit onderzoek wordt de behandeling en ondervindingen besproken en wordt een behandelplan opgesteld. Dit behandelplan omvat de mogelijkheden, het behandeldoel en het te verwachtten aantal behandelingen.

Diergeneeskunde:

geneeskunde toegepast op dieren. 

Diermishandeling:

zie mishandeling.

Diffuus:

verspreid, zonder bepaalde grens. 

Difterie:

bacteriële ziekte, die vooral het keelslijmvlies van jonge dieren aantast. 

Digestie:

is de spijsvertering.

Dihybride kruising (derde wet van Mendel):

kruising van 2 homozygoten die in 2 eigenschappen verschillen. 

Dilatatie:

verwijding, uitzetting. 

Dilution:

betekent verdunning. Bijv. bij de D-locus.

De genen van de D-locus zorgen voor een verdunning (dilution) van de verschillende vachtkleuren. Er zijn 2 genen: D en d.

• het gen D zorgt voor een intensieve pigmentering. De meeste honden hebben het gen D.

• het gen d verdunt de vachtkleur. Zwart pigment wordt tot blauw verdund, bruin pigment tot 'zilver-reekleurig' en geel pigment tot 'blauw-reekleurig'. Voorbeelden vindt men o.a. bij de blauwe Duitse Dog, Greyhound, Dobermann, Chow-Chow en Poedel, waarbij het gen heterozygoot voorkomt. Bij de Weimarse Staande Hond komt het gen homozygoot in het ras voor.

De honden die drager zijn van "dd" lijken vatbaar voor een vorm van haarverlies (alopécie). "Color Dilution Alopecia" (CDA) is de gebruikelijke medische term. Het begin van de periode van haarverlies bevindt zich tussen de leeftijd van 6 maanden en 3 jaar. Het getroffen deel van de huid is over het algemeen schilferig en gevoelig voor bacteriële besmettingen. De oorzaak van deze ziekte is niet bekend. Hoewel er een duidelijk verband bestaat tussen verdunde pigmentatie en haarverlies, zijn er toch honden die eraan ontsnappen. Bij de Dobermann bijvoorbeeld zijn 50 tot 80% van de honden met verdunde pigmentatie ook getroffen door haarverlies.

De aanwezigheid van het allel "d" in dubbele dosis is ook verantwoordelijk voor het verdunnen van de iriskleur. Dat geeft aan het oog een "grijs-blauwe" tint die evolueert met de leeftijd, of wazige ogen (smoky eyes). Het oog is niet meer bruinachtig of donker. Het blauwachtige oog is wellicht minder bestand tegen het licht en, ernstiger nog, er zijn ook oogziektes gesignaleerd.

Zie ook graying.

Dimorfisme:

ongelijkheid, het bestaan van twee groepen organismen binnen eenzelfde diersoort (mannetjes en vrouwtjes). 

Dingo:

Canis familiaris dingo. Een van de weinige hogere zoogdieren van Australië. Stamt af van primitieve huishonden die waarschijnlijk ca. 8000 jaar geleden door de eerste bewoners van Australië uit Zuidoost-Azië werden meegenomen.

De dingo verschilt van uiterlijk in de verschillende streken van Australië, o.a. door de invloed van tamme honden die zich bij hun troepen aansluiten. Hij richtte veel schade aan onder de schapen, waarop, aangelokt door hoge premies, beroepsmatige doggers m.b.v. vergif en klemmen de populatie drastisch hebben uitgedund.

De typische Dingo is tegen de 60 cm van schofthoogte, lang van romp, heeft een brede borst en een plomp, breed hoofd met diepe, sterke kaken en korte, driehoekige oren. De bossige staart wordt laag, waterpas of sabelvormig over de rug gedragen, al naar hij stilstaat of zich beweegt. De kleur is rossig geel, op de rug donker tot zwart gewolkt. Hij maakt een huilend geluid. De dingo kan worden getemd en voor de jacht afgericht. 

Di-oestrus:

zie oestrus.

Dip:

inzinking vlak achter de schoft, waar de richting van de doornuitsteeksels verandert (klik ook hier).

Een eventuele inzinking tussen de nek en de schoft noemt men wel eens de schijnbare dip. 

Diphylobotrium latum:

zie Botriocephalus latus. 

Diploïde:

een dubbel aantal chromosomen bezittend; i.t.t. haploïde

Dipylidium caninum:

of Taenia cucumerina (de leden hebben de vorm van komkommerpitten) is de meest voorkomende hondenlintworm. De lengte bedraagt circa 50 cm., maar vaak hebben honden zo'n 20 tot 50 wormen tegelijk bij zich. De tussengastheer is de vlo.

Ziekteverschijnselen ziet men nauwelijks: soms wat darmaandoeningen, waardoor de hond vaak naar zijn buik bijt. De meeste mensen roepen de hulp van de dierenarts in wegens het voorkomen van "maden" in de faeces. Zie voor meer info: wormen. 

DIS, D.I.S.:

is de afkorting van Diffuse Intravasale Stolling. Dit is een aandoening waarin de gehele stolling volledig verstoord kan raken.

Dit is een situatie waarin enerzijds op verschillende plaatsen in het lichaam de stolling juist geactiveerd wordt en anderzijds elders er een tekort aan de diverse stollingsfactoren ontstaat. Het is eigenlijk een uiting van een volledig uit de hand gelopen ziekteproces in het lichaam. Zo'n achterliggend ziekteproces kan bijv. een tumor zijn, maar ook een heel heftig ontstekingsproces of een vergiftiging. Ook een ernstige shock zoals we kunnen zien bij een maagtorsie, oververhitting of uitgebreid