Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

C

 

C.A.C. (CAC):

Certificat d'Aptitude au Championnat. Nationale kampioensprijs, die de Raad van Beheer op kampioenschapstentoonstellingen en kampioensclubmatches beschikbaar stelt aan beste reu en beste teef van elk ras, mits de honden 'U' behaalden. 

De titel kampioen wordt gegeven aan de hond, die vier van deze kampioensprijzen heeft behaald onder minstens twee verschillende keurmeesters op minstens drie verschillende tijdstippen. Men kan met drie tijdstippen volstaan, daar men bij het behalen van de kampioensprijs op de Winner óf op een kampioensclubmatch deze dubbel berekend krijgt. Een reservekampioenschap van een kampioensclubmatch geldt voor één enkele kampioensprijs. Voorts mogen ook vier of meer andere reservekampioensprijzen worden gelijk gesteld aan één kampioensprijs. De titel kampioen wordt toegekend als de hond bij het behalen van zijn laatste kampioensprijs minstens 27 maanden oud is. Dit is ongeacht het aantal prijzen, dat hij voor die leeftijd heeft behaald.

C.A.C.I.A.G. (CACIAG):

          Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Agility.
C.A.C.I.B. (CACIB):

Certificat d'Aptitude au Championnat International de Beauté; certificaat van de F.C.I. (internationale kampioenschapsprijs), dat beschikbaar wordt gesteld op internationale tentoonstellingen, zowel aan de beste reu als aan de beste teef, mits deze 'U' behaalden en ingeschreven waren in de openklasse of kampioensklasse en mits zij 15 maanden of ouder zijn. 

De titel Internationaal (Schoonheids)kampioen wordt verkregen, indien de hond in minstens drie verschillende landen, waaronder het land van vestiging, onder minstens drie verschillende keurmeesters vier certificaten behaalde.
Voor
jacht- en gebruikshonden geldt een andere regeling: minstens twee certificaten in minstens twee landen onder minstens twee verschillende keurmeesters en als derde certificaat bovendien een 'goed' van een nationale veldwedstrijd dan wel het IPO-I
examen afgelegd met goed gevolg.
Tenslotte moet er tussen het behalen van het eerste en het laatste certificaat een termijn van minstens 12 maanden liggen.

C.A.C.I.L. (CACIL):

Certificat d'Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers.            

C.A.C.I.O.B. (CACIOB):

Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Obéissance.

Dit is de internationale FCI Obedience-prijs.

C.A.C.I.T. (CACIT):

Certificat d'Aptitude au Championnat International de Travaille; internationale werkkampioenschapsprijs.

Cadmium (Cd):

komt door industriële lozing in het milieu.

Zie sporenelementen.

Caecum:

blinde darm.

Caille:

wit met gestroomde platen (bijv. Franse Bulldog).

Calcemie:

het calciumgehalte in het bloed; zie hypocalciëmie, hypercalcemie en bloedonderzoek.

Calcificatie:

          verkalking, kalkafzetting.

Calcitone:

hormoon geproduceerd door de schildklier. Dit hormoon verzorgt samen met andere hormonen de calcificatie van het skelet.

Calcium (Ca):

kalk (calcium) is een belangrijke bouwsteen voor het bot, maar daarnaast heeft het belangrijke functies bij de prikkelgeleiding in zenuwen, de prikkelbaarheid van spieren en bloedstolling.

Calcium heeft 3 belangrijke functies:

a) het verschaft het skelet zijn stevigheid;

b) zorgt voor de bloedstolling;

c) is van belang bij spiercontracties.

Als u uw hond een complete voeding geeft, heeft uw hond geen voedingssupplementen nodig. Het geven van extra kalk (bijv. Gistocal of Hokamix) aan jonge opgroeiende honden kan schade veroorzaken aan de gewrichten en kan voor problemen zorgen bij de ontwikkeling van het beendergestel. Overdaad schaadt! U doet hier meer fout dan goed mee!

Gebleken is namelijk dat in standaard hondenvoer al ruim voldoende kalk zit en dat het waarschijnlijk, met name voor de honden van grote rassen (dat is rassen met een eindgewicht van boven de 20 kg), juist beter zou zijn om speciale voeding met een verlaagd kalkgehalte te geven. Een te hoog kalkgehalte tijdens de (vroege) groei kan diverse soorten van skeletontwikkelingsstoornissen veroorzaken en daarmee dus ernstige kreupelheden. Dit geldt voor alle voeding, dus ook de voeding die al in het nest bij de fokker wordt gegeten en vanaf de eerste dag bij u thuis. Juist gedurende de eerste 6 maanden van het leven van uw pup kan er op dit gebied veel mis gaan.

Voor kleine honden (eindgewicht onder de 20 kg) kan teveel kalk een stuk minder kwaad, omdat het teveel aan kalk via de ontlasting verdwijnt, terwijl de grote honden extra hoeveelheden wel opslaan.

Een gouden regel: commerciële voeding = geen extra vitaminen, kalkpreparaten, mineralen.

Wanneer u zelf kookt voor uw hond, moeten er uiteraard wel vitaminen/mineralen toegevoegd worden, maar niet in het wilde weg. U bespreekt dit het best met uw dierenarts om, naargelang de leeftijd en de activiteit van het dier, een correcte mengeling van vitaminen/mineralen samen te stellen.

Zie ook vitamine D, jonge dieren, fosfor (voor de calcium-fosforverhouding), zouten, mineralen, electrolyten en bloedonderzoek.

Callus:

zie opbouw van het been.

Callus pyoderma:

infectie van de dikke huid, die de uitstekende botten bedekt, zoals de ellebogen. Komt voor bij grotere honden.  

Camargue, Herdershond van ~:

zie Languedoc.

Campylobacter:

zie Salmonella.

Candida-infectie:

          schimmelziekte van de huid en de slijmvliezen.

Canicross:

is een nog jonge hondensport: joggen met je aangelijnde hond in de vrije natuur, recreatief of deelnemen aan heuse wedstrijden (met name in België en Frankrijk). Er zijn speciale tuigjes voor de hond, canicross lijnen met schokdempers en/of gordels voor uw middel in de handel.

Canicross is voor sportieve eigenaars. De uitdaging is om zo snel mogelijk samen met een (aangelijnde) hond een parcours af te leggen. De hond draagt een tuig waaraan een flexibele lijn zit, de zgn. jogginglijn.

De oorsprong van Canicross zou liggen in het 'Skijöring', waarbij een langlaufer door een sledehond wordt voortgetrokken.

In Nederland zijn er niet veel Canicrossers, maar onze buurlanden België en Duitsland hebben beide een Canicross vereniging.

Zie ook wetenswaardigheden.

Canidae:

de door Linnaeus (1707-1778) gehanteerde benaming voor de familie van de hondachtigen, waartoe ook de (huis)hond behoort. Het zijn kleine tot middelmatige grote roofdieren, die over het algemeen in troepen de prooi over grote afstand achtervolgen en uitputten. Het zijn dan ook snelvoetige teengangers met een groot uithoudingsvermogen. Ze komen over vrijwel de gehele wereld voor en worden in 2 onderfamilies onderverdeeld:

a) echte honden: o.a. wolf, dingo, jakhals, vos en huishond;

b) boshonden: o.a. adjag, boshond en hyenahond.

Canine Freestyle:

zie Dogdancing.

Canine Herpes Virus (CHV):

oftewel Herpes Canis komt over de hele wereld voor; daarom zijn de meeste honden er wel eens mee in aanraking geweest, waardoor ze immuun zijn. Er ontstaan pas problemen als een teef die nog nooit met CHV in aanraking is geweest, er vlak voor de dekking of tijdens de dracht mee besmet raakt. Het virus veroorzaakt een vruchtbaarheidsdaling bij de teef en leidt tot pupsterfte, vooral in de eerste levensweek.

Bij volwassen honden met luchtwegaandoeningen, een vaginale ontsteking of andere aandoeningen aan het geslachtsapparaat kan gedacht worden aan CHV. Er is geen behandeling tegen het virus mogelijk en er kan niet tegen gevaccineerd worden.

In geval van besmettingen bij pasgeborenen zien we dat de meeste pups bij het begin van de infectie 1 week oud zijn. Bij deze leeftijd leidt dit tot de dood binnen een aantal dagen. De pups hebben het veelal in het begin heel goed gedaan, ze groeien goed en zijn veelal de zwaarste. Dan stoppen ze plotseling met drinken en vertonen lusteloosheid. Verschijnselen van luchtwegproblemen zoals met open bek ademen, benauwdheid, speekselen en waterige neusuitvloeiing kunnen optreden. Ook braken en zachte grijsgele of groene ontlasting kunnen zich voordoen. Typisch is uiteindelijk het doordringend en continu geschreeuw, soms gepaard gaande met fietsbewegingen en sterrenkijken. Bij aanraking is de buik pijnlijk.

Als pups ouder dan 2 à 3 weken zijn en dan geïnfecteerd worden, heeft dit grotendeels geen fatale afloop meer. Luchtwegproblemen, zenuwverschijnselen, blindheid en doofheid kunnen wel optreden.

Op nog latere leeftijd geschiedt de infectie net als bij de volwassen honden meestal zonder dat men er iets van merkt.

In het kort komt het hier op neer: het CHV is wijdverbreid, lastig diagnostisch in kaart te brengen, wordt nauwelijks door de dekreu verspreid, blijft aanwezig bij dragers, is bij de individuele zieke pup moeilijk tot niet te behandelen, is preventief in probleemkennels te beheersen o.a. door enting van de fokteven en hygiënische maatregelen. Uitroeiing van CHV is op dit moment niet mogelijk, beheersing wel.

Canine Rotavirus:

zie C.R.V.

Canini:

          hoek- of haaktanden; zie tanden.

Canis:

wetenschappelijke naam van het geslacht hond, die gevolgd wordt door een soortnaam, bijv. Canis lupus = wolf, canis vulpes = vos. Deze naam kan weer worden gevolgd door de naam van een ondersoort, bijv. Canis lupus familiaris voor de huishond.

Canis (lupus) familiaris:

          Latijnse benaming voor huishond.

Canny Collar:

is een trainingsband ontwikkeld door The Canny Company. Simpel om te doen en eenvoudig te gebruiken. Wel moet u de juiste maar kiezen.

De Canny Collar is een oplossing voor het meest voorkomende gedragsprobleem bij honden, trekken aan de lijn.

Het is een simpel trainingshulpmiddel gemaakt van een conventionele platte band met een veilige traditionele sluiting. Uw riem wordt bevestigd aan de dunnere sliplijn, gemaakt van zacht maar sterk materiaal, die over de neus van de hond gaat. De lijn wordt achter het hoofd aangehaakt.

De Canny Collar is geen hoofdhalster, maar moet worden gezien als traininghalsband. Het heeft enkel een extra bandje dat over de snuit past, zodat de hond zich comfortabeler voelt. Het rukt de kop niet opzij (wat in sommige gevallen ernstige blessures teweeg kunnen brengen aan de nek), maar werkt aan beide kanten van de kop van de hond en oefent daar een lichte druk uit.

Het andere grote verschil met een hoofdhalster is, dat de riem vast wordt gemaakt achter de kop van de hond.

Canter:

een gang die noch symmetrisch, noch asymmetrisch is. De benen bewegen in diagonale paren: linksachter met rechtsvoor en rechtsachter met linksvoor.

Capillair:

          haarvat, fijne vertakking van een bloedvat. Voor meer info: zie bloedvaten.

Capnocytophaga Canimorsus:

is een bacterie. Zie wetenswaardigheden.  

Caput:

          Latijn voor hoofd, kop.

Carcinogeen:

          kankerverwekkend.

Carcinoom:

kwaadaardig (kanker)gezwel, dat ontstaat door celwoekering. 

Zie voor meer info: wetenswaardigheden.            

Cardia:

toegang van de maag, waar vanuit de slokdarm het voedsel de maag binnenkomt.            

Cardiografie:

het registreren van de hartbewegingen.

Zie ook echocardiografie.

Cardiomyopathie:

ziekte van de hartspier. Symptomen: vocht in de longen, waardoor de hond erg snel buiten adem raakt. De hond kan hoestbuien hebben, vooral na het lopen en ook 's avonds. Zijn buik kan opzetten en hij kan afvallen. Deze ziekte kan tot hartvergroting leiden en kan 2 dingen tot gevolg hebben: allereerst de verdikking en abnormale vergroting van de hartspier, en ten tweede het dunner worden van de hartwand. Het gevolg is, dat het hart niet goed meer kan samentrekken, waardoor er min of meer dezelfde symptomen ontstaan als bij niet goed functionerende hartkleppen. 

Heel vaak zijn erfelijke of aangeboren afwijkingen de oorzaak. De ziekte komt vooral bij grotere rassen voor.

Zie voor meer info: ARVC, DCM, HCM en echocardiografie.

Cardiovasculair:

          hart en bloedvaten betreffend.

Cariës:

is rotting of afsterven van bot- of tandweefsel.

De kroon is het zichtbare deel van de tand of kies. De kroon is aan de buitenzijde bedekt met een laagje glazuur of email (of emaille), dat zeer hard is en tegen de inwerking van scherpe stoffen een zekere bescherming geeft. Het email is niet goed bestand tegen de inwerking van zuren. Zuren worden gevormd door in de mondholte levende bacteriën, die suikers omzetten. 

Bij honden worden in de voeding bijna geen suikers gebruikt en door de afwezigheid van amylase in het speeksel kan de hond ook geen suikers vormen uit zetmeel. Door de zuren ontstaat cariës ("gaatjes"). Het is daarom duidelijk, dat de hond (bijna) geen last heeft van cariës. Indien toch, kan de tand gevuld worden of, als de cariës te erg is, getrokken.

De volgende oorzaken spelen een rol bij het ontstaan van cariës bij de hond:

• voedsel dat zich ophoopt tussen de gebitselementen;

bacteriën die koolhydraten afbreken. Hierdoor ontstaat zuurvorming, waardoor het glazuur van de tand kan worden aangetast;

• de vorming van de kauwvlakken. Door het voedsel wat ze eten en de vorm van de kauwvlakken komt cariës bij de hond niet vaak voor. Als het optreedt is dat vaak in de molaren van boven- en onderkaak. Het ontstaat als een klein defect wat zich langzaam uit kan breiden. Het proces kan het aangetaste element zo uithollen, dat uiteindelijk een breuk in het element kan optreden. Als het wortelkanaal in het proces betrokken is, kan dit leiden tot een wortelpuntabces.

Er zijn in Nederland inmiddels een aantal gespecialiseerde tandartsen voor honden (zie links).

Carlin:

Franse naam voor Mopshond.

Carnivoor:

zoogdier, dat van vlees leeft (vleeseter).

De zoogdieren worden naar hun gebit onderverdeeld in carnivoren of vleeseters (waartoe ook de hondachtigen behoren), herbivoren of planteneters, omnivoren of alleseters, en insectivoren of insecteneters (die ook wel tot de carnivoren gerekend worden).            

Caroteen:

oranjerood pigment uit bijv. wortelen, dat de hond in zijn lever kan omzetten tot vitamine A; daarom wordt (β-)caroteen wel het provitamine A genoemd.     

Carpus:

pols. Zie skelet.

Carré, ziekte van ~:

          zie hondenziekte.

Cartilago:

          kraakbeen.

Castraat:

mannelijk dier, waarvan de testikels door operatief ingrijpen hun functie hebben verloren of zijn weggenomen.

Castratie, castreren:

het operatief verwijderen van de geslachtsorganen bij zowel reu (testikels) als teef (zie ovarioectomie en ovariohysterectomie).

De voordelen van het castreren van een reu zijn veel minder talrijk dan van het castreren van een teef. In sommige gevallen kan een castratie van een reu het karakter positief beïnvloeden. Reuen met een zeer dominant karakter en/of een hypersexueel gedrag kunnen na castratie een stuk rustiger worden en daardoor handelbaarder worden. Het voorkomt tevens het weglopen als er loopse teven in de buurt zijn, maar ook het veelvuldig snuffelen, kwijlen en het oplikken van urine van teefjes.

Ook een overmatige uitvloeiing uit de voorhuid kan door een castratie verdwijnen. Maar dit is wel een heel slechte reden om te castreren. Er zijn nl. ook nadelen. Een wat angstige en onzekere reu kan na een castratie zich in het slechtste geval juist ontwikkelen tot een angstbijter.

Een gecastreerde reu heeft net als een gecastreerde teef meer kans op overgewicht.

Er kan natuurlijk een medische reden zijn om de reu te laten opereren: tumoren van de testikels eventueel met kaalheid als complicatie, of prostaatproblemen bij de reu.
Zie ook chemische castratie en neuticles.

En voor de voor- en nadelen bij de teef: zie OVE.            

Cataract (grauwe of grijze staar):

elke abnormale vertroebeling van de lens en/of het lenskapsel. Het is aangeboren (congenitaal) grauwe staar. 

Het is met medicijnen niet te remmen of te genezen. Wel is een operatie mogelijk, waarbij het ondoorzichtige gedeelte van de lens wordt verwijderd. De kans van slagen varieert van 85 tot 95%.

Afhankelijk van de mate waarin de lens is vertroebeld, kan de hond beter of slechter zien. Als de lens geheel ondoorzichtig is geworden, kan de hond nog wel licht en donker onderscheiden, maar verder niet. Meestal zijn beide ogen tegelijkertijd aangetast en in dezelfde mate. Er treedt geen pijn op.

Cataract is een afwijking, die slechts in recessieve vorm voorkomt. Dat betekent dat een hond drager kan zijn van het recessieve gen zonder dat er ziekteverschijnselen zijn. Pas als beide ouderdieren het recessieve gen aan een nakomeling doorgeven, is de betreffende hond lijder en zal de ziekte zich uiten.

Er bestaat ook niet-congenitale Cataract. Het gaat hierbij om jeugdstaar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is wat misleidend. Bij veel rassen treedt het op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.

Catarre (catarrh):

          slijmvliesaandoening.

Catgut:

          hechtdraad van schapendarm, wordt in het lichaam opgelost.

Cauda:

          staart.

Caudaal:

          zich uitstrekkend in de richting van de staart.

Cauda Equina Syndroom (CES):

zenuwgeleidingsprobleem in het achterste deel van het ruggenmerg.

Zie ook lumbo-sacrale instabiliteit en paardenstaart (=cauda equina).

Caudectomie:

is het couperen van de staart.

Causaal:

          oorzakelijk.

CAV:

is Canine Adenovirus, het honden adenovirus, CAV-1. CAV-1 veroorzaakt infectieuze hepatitis (ziekte van Rubarth; zie H.C.C.).

Men heeft de valentie CAV-1 vervangen door CAV-2, omdat deze tweede valentie zeer veilig blijkt. Een aantal neveneffecten werd namelijk aangetroffen bij honden die gevaccineerd werden met het CAV-1, o.a. cornea-oedeem.

Het vaccin bevat het levend verzwakt honden-adenovirus 2 (CAV-2), daar de twee honden-adenovirussen nauw verwante antigenen bevatten. De valentie CAV-2 beschermt tevens tegen infectieuze hepatitis veroorzaakt door CAV-1 en tegen infectieuze laryngotracheïtis veroorzaakt door het CAV-2 (ook verwekker van kennelhoest).

Cavapoo, Cavadoodle, Cavoodle, Cavadoedel, Cavoedel:

is een kruising tussen een Cavalier King Charles Spaniel en een Poedel (meestal de Dwergpoedel).

Daarnaast bestaan er ook andere Poedelkruisingen.

Caverne:

          holte in een orgaan, m.n. in de longen.

Cavum:

          holte, bijv. schedelholte.

C.C. (CC):

Challenge Certificate; deze titel kan gewonnen worden op bepaalde shows georganiseerd door The Kennel Club in Engeland en geeft punten voor de kampioenstitel en tevens als kwalificatie voor de Crufts

RCC is Reserve Challenge Certificate, DCC is  Dog Challenge Certificate, DRCC (of RDCC) is Dog Reserve Challenge Certificate (waarbij 'dog' een Engels woord voor reu is), BCC  is Bitch Challenge Certificate en BRCC (of RBCC) is Bitch Reserve Challenge Certificate (waarbij 'bitch' een Engels woord voor teef is).

CDA:

is Color Dilution Alopecia.

CDL:

Commission des Lévriers; een speciale windhondencommissie die sinds 1990 in opdracht van de FCI de internationale organisatie van het windhondenrengebeuren regelt.

CEA (Collie eye anomaly):

een verzamelnaam van een groep aangeboren ontwikkelingsstoornissen van het netvlies/vaatvlies en de achterwand van het oog bij de Collies, Sheltie en de Australian Shepherd. De afwijkingen komen vaak beiderzijds voor, maar kunnen ook eenzijdig voorkomen. 

Het eenvoudigst is deze aandoening voor te stellen als een blaasje in het netvlies: waar het blaasje zich bevindt, bevinden zich geen zintuigcellen. Het blaasje kan meer of minder groot zijn, zodat het gezichtsvermogen geheel of in wat geringere mate beperkt is. In de meeste gevallen is de hond blind. CEA is erfelijk

CECS:

is de afkorting van Canine Epileptoid Cramping Syndrome. CECS is de verzamelnaam voor een ziekte die een aantal jaren geleden opgemerkt werd bij de Border Terriër Spike en daarom ook wel 'Spike's Disease' genoemd wordt. Het vermoeden bestaat, dat de ziekte al ongeveer 25 jaar bij Border Terriërs voorkomt. Border Terriërs met CECS laten krampaanvallen zien, die in eerste instantie veel weg hebben van een epileptische aanval, maar dat zeker niet zijn. Tot op heden is CECS alleen bij de Border Terriër gezien en een erfelijke achtergrond, op basis van een gen-mutatie, lijkt zeer waarschijnlijk.

In Nederland is de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht deze betrekkelijk jonge ziekte aan het onderzoeken. Als u eigenaar bent van een Border Terriër met één of meer van de onderstaande verschijnselen dan kunt u meedoen aan het onderzoek door te klikken op de volgende link.

Zoals hierboven al vermeld hebben de krampaanvallen bij CECS veel weg van een epileptische aanval, toch is er een duidelijk onderscheid te maken. Wel moet opgemerkt worden dat het symptomenbeeld per hond heel verschillend kan zijn. Hieronder wordt het verloop van de aanvallen, zoals ze tot nu toe het vaakst zijn gemeld, beschreven.

De eerste verschijnselen van zowel CECS als primaire epilepsie worden meestal gezien op een leeftijd van 2 tot 6 jaar. Deze eerste verschijnselen zijn vaak onopvallend en kunnen door de eigenaar van de hond over het hoofd worden gezien. Er wordt vaak een plotselinge onpasselijkheid van de hond waargenomen, soms gecombineerd met rommelen en plotseling hard worden van de buik. Het dier kan een ogenblik als aan de grond genageld staan, maar ook wordt wel beschreven dat honden korte tijd niet op kunnen staan of dat de staart en achterpoten korte tijd verkrampt waren. Na de kortdurende aanval, ook wel 'absence' genoemd, tonen de honden zich niet onder de indruk en zijn volkomen normaal.

Weken tot maanden later kunnen nieuwe aanvallen optreden. Meestal is de 2e aanval duidelijk heftiger qua duur en intensiteit. Vanaf de 2e aanval worden meestal de periodes tussen aanvallen korter. Vlak voor de krampaanval ziet de eigenaar onrust bij de hond: heen en weer lopen, telkens naar de buik omkijken, smakken, de neus likken en intensief de voorpoten likken.

Ook de aanval zelf uit zich bij individuele honden op een verschillende manier. De symptomen kunnen variëren van alleen maar overmatig trillen, overdreven rekken en strekken, wankelende onzekere gang tot complete verkrampingen, waarbij de hond omvalt en meestal vooral de achterste lichaamshelft en de staart verkrampt zijn. Ook kunnen de halsspieren en de voorpoten verkrampt zijn, sommige honden maken fietsbewegingen met hun voorpoten en kunnen achterover tuimelen. Ze laten meestal geen urine lopen, dit in tegenstelling tot epilepsie. Wel kan het zijn dat ze speekselen en met de kop schudden tijdens een aanval.

De duur van de aanvallen varieert van in het begin enige seconden tot 15-20 minuten in het verdere verloop van de aandoening. Het is ook wel voorgekomen dat een hond urenlange aanvallen heeft gehad. De dieren reageren niet/slecht op de medicijnen die bij epilepsie worden ingezet.

Opvallend is, dit in tegenstelling tot epilepsie, dat de honden tijdens een aanval aanspreekbaar zijn en reageren op hun omgeving. Maar ze zijn niet in staat gevolg te geven aan aanwijzingen van hun baas.

Zoals hierboven al vermeld reageren de honden met CECS niet/slecht op de gangbare medicatie bij epilepsie.

Er is een dierenarts in Amerika die zeer positieven resultaten behaalt bij de inzet van een gluten- en granenvrij dieet bij honden met slecht behandelbare epilepsie en allergische problemen en de resultaten zijn zeer veel belovend.

Klik hier voor video's van deze aandoening.

Cel:

alle levende wezens (niet alleen dieren, maar ook mensen en planten) zijn opgebouwd uit kleine bouwstenen, die we cellen noemen. In principe bezit iedere cel dezelfde levenskenmerken als het gehele lichaam, zoals bijv. stofwisseling, groei en voortplanting. In iedere cel kunnen we tal van kleinere onderdelen vinden, maar elk onderdeel afzonderlijk mist deze typische levenskenmerken.

In iedere cel (behalve de rode bloedcellen van zoogdieren) vinden we: de celmembraan, kern en cytoplasma.

Eigenlijk is elke cel opgebouwd als een kleine stad: gemeentehuis is de celkern, stadsmuur is de celwand, de fabriek is het golgi-apparaat en de energiecentrale is het mitochondrium.

Klik hier voor een schematische voorstelling van een dierlijke cel: 1) nucleolus; 2) celkern; 3) ribosoom; 4) vesicle; 5) ruw endoplasmatisch reticulum; 6) Golgi-apparaat; 7) cytoskelet; 8) glad endoplasmatisch reticulum; 9) mitochondriën; 10) vacuole; 11) cytoplasma; 12) lysosoom; 13) centriool.

Celfysiologie:

          houdt zich bezig met de taken en functies van de cel.

Centraal kanaal:

door het gehele centrale zenuwstelsel loopt een kanaal. In de hersenen en in het verlengde merg is dit kanaal verbreed tot hersenkamers. In het hersenkanaal bevindt zich hersenvocht. Tussen het kanaal en de ruimten tussen de hersenvliezen zijn verbindingen aanwezig.

Ook het centrale kanaal doet dienst als buffer bij het opvangen van mechanisch geweld.

Zie ook zenuwstelsel.

Centraal zenuwstelsel:

hersenen en ruggenmerg oftewel grote en kleine hersenen, hersenstam, het verlengde merg en het ruggenmerg

Het centrale zenuwstelsel wordt omgeven door een aantal vliezen ter bescherming: het harde hersenvlies, het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies. De ruimten, die nog tussen de vliezen liggen, worden opgevuld met hersenvocht, dat als stootkussen een extra bescherming geeft. De samenstelling van hersenvocht lijkt wel een beetje op die van lymphe, maar er komen geen plasma-eiwitten in voor.

Zie voor verdere info: zenuwstelsel.

Cerebellum:

          de kleine hersenen.

Cerebrospinale vloeistof:

hersenruggenmergsvloeistof, hersenvocht.

Eigenlijk wordt hersenvocht liquor genoemd, van het Latijn "liquor cerebrospinalis" of met een anglicisme "cerebrospinale vloeistof".

Het is de waterige vloeistof die zich in en om de hersenen en het ruggenmerg bevindt. De hoofdfunctie hiervan is schokdemping en bescherming van hersenen en ruggenmerg. Een nevenfunctie is transport van voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen.

Cerebrum:

          de grote hersenen.

Certificering:

certificering in de kynologie is het maken van een helder onderscheid tussen malafide fokkers / hondenhandelaren én serieuze rasverenigingen en rashondenfokkers die aan een aantal kwaliteitseisen voldoen.
De wijze waarop dit bereikt gaat worden is vastgelegd in de Nota Certificering.

Zie de link op de site van de Raad van Beheer.

Cerumen:

          oorsmeer. Zie hier.

Cervicaal:

          tot de hals behorend.

Cervix:

          hals van een orgaan.

Cervix uteri:

          baarmoederhals.

CES:

          zie Cauda Equina Syndroom.

Cestode:

          lintworm.

Chabot (jabot):

lang haar aan borst en hals (bijv. Collie).

Chaining:

is een vorm van operante conditionering. Bij chaining worden er verschillende oefeningen aan elkaar gekoppeld tot één handeling. In de reeks van bij elkaar horende oefeningen moet begonnen worden met het aanleren van de laatste in de reeks voorkomende oefening d.m.v. shaping. Vervolgens moet het op één na laatste onderdeel worden toegevoegd en wordt de beloning uitgesteld tot na het laatste onderdeel etc. Een voorbeeld hiervan is de oefening 'terug plaats'. 

Charbonné:

gelige haren met zwarte haarpunten (bijv. Briard, Mechelaar en Tervuerense Herder).

CHD, C.H.D.:

is de afkorting voor Canine Hip Dysplasia.

Zie voor info: HD en PennHIP.

Cheefox:

zie Amertoy.

Chemische castratie:

is niet echt castreren, maar hierbij krijgt de hond een hormoneninjectie (Tardak) toegediend, die voor een tijdelijke remmende werking op het seksueel gedrag en de zaadcelproductie zorgt. De werking ervan is maximaal 3 maanden.

De bedoeling ervan is om te kijken wat het effect is, of een castratie van de reu in een bepaalde situatie wel zinvol is; zo ja dan wordt vaak een echte castratie uitgevoerd. Maar je kunt er niet altijd conclusies aan verbinden, omdat de chemische castratie meestal kortdurend is.

Chemotherapeuticum (meerv. chemotherapeutica):

chemisch bereid geneesmiddel met antimicrobiële of celremmende werking.

Chemotherapeutica zijn bij de meeste mensen wel bekend als behandeling bij diverse vormen van kanker.

Chemotherapie:

behandeling van infecties of tumoren d.m.v. chemotherapeutica

Voor meer info: zie wetenswaardigheden.             

Cherry eye:

of kersenoog is een 'afwijking', die we vooral bij dogachtigen zien, maar ook bij bijv. de Cocker Spaniel.

Honden hebben een derde ooglid. Een stukje kraakbeen vormt het skelet van dit ooglid. De basis van dit kraakbeen is omgeven door een traanklier: de derde ooglidklier. Normaal is deze klier niet zichtbaar. Een uitpuilende klier (prolaps) is rood, gezwollen, is zichtbaar aan de vrije rand van het derde ooglid, en geeft wat slijmerige uitvloei.

Het verhelpen van een cherry eye gebeurt op 3 manieren: het geheel (incl. traanbuis) of gedeeltelijk verwijderen van het kliertje (en niet het derde ooglid!) of het met een paar hechtingen vastzetten.

Een Cherry Eye is niet hetzelfde als eversio van het derde ooglid.

Zie ook hyperplasie.

Cheyletiella parasitovorax:

deze mijt komt normaal gesproken voor bij cavia's en konijnen, maar wil ook wel bij de hond voorkomen. Deze mijt zorgt voor haarschilfering (roos), haaruitval en jeuk. Zie ook Cheyletiella Yasguri.             

Cheyletiella Yasguri:

deze mijt komt voornamelijk bij jonge honden voor. Vaak worden ze al in het nest besmet, soms vindt de besmetting op shows plaats.

Deze vachtmijt hoort bij de schurftachtige parasieten en leeft op de huid tussen de haren. Met het blote oog zijn deze vachtmijten niet te zien, maar kijkt u met een loep dan zult u de schilfers "zien bewegen". 

Cheyletiellamijten (roosmijt) hebben een complete levenscyclus van 35 dagen en hebben als larve daarin een immobiel vervellingstadium. Ze zijn dan niet aan huid of haren verankerd. Ze leven op de huid van de gastheer. Ze voeden zich met weefselvocht dat zij met hun monddelen aanprikken.

Ook mensen kunnen besmet raken (van dier op mens zolang als de hond besmet is). De zoönose Cheyletiella veroorzaakt bij mensen een reactie als na een insectensteek. Bij ons kan deze mijt rode jeukende vlekjes op onze huid veroorzaken. Behandel deze zoals u muggenbeten behandelen zou.

De besmettingsweg van Cheyletiellidae: via contact met geïnfecteerde huisdieren, via textiel (bijvoorbeeld tapijt), via vlo en luis.

De symptomen bij de hond: voornamelijk op de rug schilfering (roos), haaruitval en jeuk. De hond krabt zich veelvuldig.

Als de dierenarts denkt, dat uw hond last heeft van de Cheyletiella mijt, dan neemt hij een oppervlakkig huidmonster. D.m.v. plakband, stofzuigermethode of door een druppeltje olie op de huid aan te brengen en vervolgens weer af te krabben wordt de oppervlakte van de huid onder de microscoop bekeken.
Ook al wordt er geen mijt gevonden in het afkrabsel dan kan soms toch de diagnose huidmijt gesteld worden. Dit gebeurt aan de hand van het klinisch beeld: waar is als eerste de jeuk ontstaan, wat zijn nu de jeukplekken, hoe ziet de huid eruit, hebben andere huisdieren of mensen ook last van jeuk?

De behandeling van cheyletiellose: de meeste middelen tegen vlooien, zoals poeders, shampoos en sprays zijn geschikt (enkele weken lang, eens per week). Bij de hond kunnen ook Frontline druppels voor in de nek worden gebruikt, maar sprayen is beter. Behandel alle dieren in het huishouden: was ze met een speciale shampoo en/of gebruik Frontline.

Wanneer de aandoening steeds terugkomt is er hetzij sprake van infectie vanuit andere huisdieren of van besmetting van de omgeving; de eitjes kunnen tot wel 1 jaar in huis aanwezig blijven. Alle ruimten waar het huisdier kan komen moeten dan behandeld worden met een antivlooienspray voor in huis (2 maal met 2 weken ertussen). De spray hoeft geen groeiremmers te bevatten (dat scheelt nogal in prijs), groeiremmers werken namelijk alleen bij vlooien en niet bij vachtmijt.

CHI, Chronische hartinsufficiëntie:

ongeveer 10% van de honden lijdt aan een hartaandoening. Deze aandoeningen resulteren in een progressieve disfunctie van het hart. Van deze hartkwalen zijn ongeveer 95% verworven en slechts 5% aangeboren

Gedilateerde cardiomyopathie (DCM) en klepinsufficiëntie (EC) zijn de meest voorkomende oorzaken (80%) van hartinsufficiëntie.

De belangrijkste symptomen van C.H.I. zijn: longoedeem, kortademigheid, versnelde ademhaling, hoesten, zwakte, verminderd uithoudingsvermogen en nachtelijke onrust.

De behandeling voor hartfalen kan zowel medicamenteus als met voeding.

Chien courant:

zie Brakken.

Chien d'arrêt:

          zie staande hond.

Chip:

elektronische identificatie. Met ingang van 1-1-1998 is dit de wijze van identificatie van (ras)honden. Op die datum is de tatoeage in het oor afgeschaft. Een 13 mm. lange transponder (chip) met een doorsnede van ± 2 mm. wordt met een injectienaald in het onderhuidse bindweefsel links op de schoft ingebracht. Deze transponder is inert en kan afgelezen worden met een reader. Het transpondernummer (chipnummer) is wereldwijd uniek en is bij de Raad van Beheer in een centrale databank opgenomen. 

De tatoeage in het oor bleek op den duur vaak slecht leesbaar; elektronische identificatie is een veilige, weinig belastende en fraudebestendige registratiemethode. 

Ook niet-rashonden kunt u bij uw dierenarts laten chippen, zodat als hij een keer mocht weglopen, de eigenaar vlug terug te vinden is.

Neemt u uw hond wel eens mee op vakantie? De chip kan ook in het buitenland gelezen worden, mits 'ISO-standaard' afleesapparatuur wordt gebruikt. Aangezien de identificatiecode van de chip met de Nederlandse landencode begint (528), is het in het buitenland meteen duidelijk, dat er contact moet worden gezocht met een Databank in Nederland!

Sinds juli 2004 is chippen verplicht als u met uw hond op vakantie gaat (klik hier voor meer info) of uw hond moet nog een duidelijk leesbare tatoeage hebben, die tevens in het dierenpaspoort vermeld staat.

Vanaf 2008 is de elektronische chip het enige toegestane identificatiemiddel.

Aan te bevelen is om de pup, naast de reeds bestaande registratie in het Nederlands Honden Stamboek, ook aan te melden bij een andere databank.

De Raad van Beheer is namelijk niet 24 uur per dag bereikbaar en niet ingesteld om vermiste honden op te sporen. Tevens zijn zij gebonden aan de Wet Bescherming Persoonsgegevens, waardoor ze niet zomaar eigenaargegevens aan derden mogen verstrekken.

Via een gespecialiseerde databank kan namelijk iedereen, 24 uur per dag, de eigenaar van een hond traceren. Ook een pup kan weglopen of kwijtraken.

Het is aan te raden dit aanmelden onmiddellijk te doen, zodra u de hond in huis krijgt. De eigenaar moet wel zelf zorgdragen voor het laten registreren van het chipnummer van zijn hond bij een databank.

Vergeet ook niet bij een verhuizing de nieuwe gegevens aan de databank én aan de Raad van Beheer door te geven.

De Raad van Beheer werkt voor het aanmelden bij een databank samen met de Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (NDG). De chippers van de Raad van Beheer geven aan de fokker NDG-aanmeldformulieren voor de nieuwe pupeigenaren. Daarmee kunnen de eigenaren de hond laten registreren bij de NDG, zodat deze 24 uur per dag opgevraagd kan worden.

Heeft u geen aanmeldformulier ontvangen van uw fokker, dan kunt u contact opnemen met de NDG om een formulier aan te vragen. Voor meer informatie kunt u bellen met de NDG 0900-40.40.456 (€ 0,25 p/m) of digitaal een formulier aanvragen via de website van de NDG.

Maar er zijn nog meer databanken. Bijv. Petlook is een gratis, interactieve, beveiligde en meertalige databank. Registratie kost u slechts enkele minuten en werkt wereldwijd. Op de pagina Links staan in het blok "Hond vermist" ook de links naar diverse andere databanken.

Chirurgie:

          operatieve (dier)geneeskunde.

Chloor (Cl):

onderdeel van keukenzout (NaCl, natriumchloride). Chloor is van groot belang bij de vorming van maagzuur. Daarnaast is het samen met natrium en kalium van belang voor de prikkelgeleiding in zenuwen.

Keukenzout (NaCl, natriumchloride) staat bij de hondeneigenaar in een kwaad daglicht en ten onrechte. Grote hoeveelheden keukenzout zet de hond aan tot het produceren van grote hoeveelheden urine. Uitkristallisatie van verschillende afvalstoffen kan dan niet optreden: blaasgruis en stenen kunnen niet ontstaan.

Het kan absoluut geen kwaad het hondenvoedsel te bereiden als was het voor uzelf: met toevoeging van zout. Dit is speciaal van belang bij aardappels, waarbij grote hoeveelheden kalium door natrium moeten worden gecompenseerd. In droogvoeders ziet men meestal tot ongeveer 1,5 procent keukenzout aangegeven. Dat is omgerekend naar een 'normaal' voer circa 0,42 procent, een laag normale waarde.

Zie ook zouten, mineralen, electrolyten en bloedonderzoek.

Chocolade eten:

zie wetenswaardigheden.

Chocoladekleur:

leverkleur; voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor de donkerbruine kleur.            

Cholecalciferol:

          vitamine D.

Cholecystitis:

          galblaasontsteking. Zie voor meer info: gal.

Choledokistine:

is een hormoon, dat de afgifte van pancreassap beïnvloedt. Dit hormoon noemen we wel eens een weefselhormoon, omdat een specifiek orgaan in de vorm van een duidelijk omschreven klier ontbreekt.

Cholelithiasis:

          galstenen. Zie voor meer info: gal.

Cholera:

zeer besmettelijke, door bacillen veroorzaakte ziekte, gepaard gaand met hevig braken, diarree en zeer groot vochtverlies.             

Cholesterol:

vetachtige, glanzende stof die bijna overal in het lichaam voorkomt. Zie ook bloedonderzoek.            

Chondrodystrofie:

onvoldoende of verlate verbening van kraakbeen, waardoor misvormingen kunnen ontstaan. Zie ook achondroplasten.

Chondrosarcoom:

is de tweede meest voorkomende bottumor bij de hond. Klik hier voor meer info.

Chops:

zware, hangende bovenlippen, die de onderkaak geheel bedekken (bijv. Bulldog en Bloedhond).

Chorion:

of waterblaas: buitenste vruchtvlies van het embryo.

Zie ook amnion, allantoïs en geboorte.            

Chorioptes:

          groep van schurftmijten.

Choroidea:

vaatvlies, het dunne vlies in het oog, dat tussen het netvlies en de harde oogrok zit. Hierin zitten de bloedvaten die bloed leveren aan het oog.

Zie ook netvlies.

Chromosoom:

een vezelige draad in een celkern samengesteld uit het basismateriaal DNA, dat de erfelijke stof vormt; dragers van de erfelijke eigenschappen. 

Chromosomen komen in paren voor: de hond heeft 39 paar, m.a.w. in totaal dus 78 chromosomen (de mens 23 paar).

Zie ook karyotype.          

Chronisch:

langzaam, slepend verloop, lang duren en resistent zijn voor behandeling (i.t.t. acuut).            

Chronische obstructieve longziekte (COPD):

is een aandoening, waarbij de structuren in de longen zijn ontstoken of beschadigd, waardoor ademnood ontstaat.

Ciliair lichaam:

deel van het oog, dat het vaatvlies en de iris met elkaar verbindt; bevat spieren, die de dikte van de lens regelen.

Ciliën:

          wimpers, oogharen; trilharen.

Circumanaalklieren:

liggen buiten de anus. Hun afscheidingsproduct houdt de huid rondom de anus zacht en soepel. Tevens fungeren deze producten als geurstoffen, aan de hand waarvan honden elkaar kunnen herkennen. 

Zie ook anaalklieren.           

CJP:

          Commissie Jachthondenproeven; zie Nimrod-proef.

CL:

zie NCL.

Clean bootspeurwerk:

in Engeland ontwikkeld type veldwerk, omdat er steeds minder jachtmogelijkheden voor Bloedhondenpacks waren. Om de gespecialiseerde mogelijkheden van het ras te bewaren, ontstond deze 'jacht' op mensen i.p.v. dieren. Een 'runner' plaatst in het begin een 'smeller' (voorwerp met zijn geur, dat door de honden herkend kan worden) en zet met schoon schoeisel (of 'boots') een vers spoor van soms meerdere kilometers uit. Een extra moeilijkheidsgraad is bijvoorbeeld een 'kouder' (oftewel minder vers) spoor. De Bloedhonden en steeds vaker ook Otterhounds volgen het spoor en worden onderweg door een keurmeester ('judge') beoordeeld. 

De Nederlandse Bloedhonden Club houdt zich met dit type veldwerk bezig.

Clicker Challenge:

de clicker is een hulpmiddel waarmee u aan uw hond exact en duidelijk kunt aangeven wanneer hij (een stap naar) het gedrag laat zien, dat u van hem wilt zien.

Het wordt in veel cursussen en sporten gebruikt. Daarnaast is er ook een mogelijkheid om u apart te richten op de kunst van het clickeren.

Bij Clicker Challenges wordt geprobeerd om (in teamverband) de honden zo snel mogelijk een aantal uitdagende oefeningen aan te leren m.b.v. de clicker.

Het staat garant voor veel denkwerk en lol.

Clickertraining:

hondentrainingsmethode, waarbij m.b.v. een clicker (een plastic hulsje met een reepje metaal, waarmee een klikgeluid kan worden gemaakt) een hond gewenst gedrag wordt aangeleerd.  

Clitoris:

          zwelorgaan in de vulva bij zoogdieren.

Cloddy:

Engels voor hond, die grof en vet is.

Clomicalm:

zijn tabletten ter behandeling van honden met scheidings- of verlatingsangst. Clomicalm® bevat clomipraminehydrochloride.

Het middel heeft invloed op de werking van bepaalde stoffen in de hersenen, die een rol spelen bij het gedrag. Het wordt aanbevolen als ondersteuning (dus niet als enig middel) bij de behandeling van afwijkingen die verband houden met verlatingsangst welke zich als volgt manifesteren: zaken kapotmaken, onzindelijkheid (ontlasting en urinering) en alleen in combinatie met gedragstherapie.

Clomicalm dient oraal te worden toegediend in een dosering van 1-2 mg/kg tweemaal daags, wat resulteert in een totale dagelijkse dosering van 2-4 mg/kg. Clomicalm kan met of zonder voer worden toegediend. In de klinische proeven was een behandelingsduur van 2-3 maanden met Clomicalm voldoende voor de behandeling van de meeste gevallen van met scheiding verbandhoudende afwijkingen.

Clomicalm kan bij sommige honden sporadisch braken, verandering in de eetlust en lethargie veroorzaken. Braken kan worden verminderd door Clomicalm tezamen met een kleine hoeveelheid voer toe te dienen.

De werkzaamheid en de veiligheid van Clomicalm is niet vastgesteld bij honden jonger dan 6 maanden en met een lichaamsgewicht minder dan 1,25 kg. Het is dus raadzaam het middel niet te gebruiken bij honden jonger dan 6 maanden. Toepassing van het middel wordt tevens afgeraden bij reuen die voor de dekking worden ingezet.

Zie ook selgian en alleen blijven.

Clubmatch:

een door een regionale vereniging of een rasvereniging georganiseerde expositie die ten doel of mede ten doel heeft, de ingeschreven honden naar hun onderlinge waarde te beoordelen, tenzij alleen kan worden deelgenomen met honden die de leeftijd van 24 maanden nog niet hebben bereikt. 

Zie ook klasse, kwalificatie, kampioensclubmatch, CW en hoe show ik mijn hond?

CMO:

          zie craniomandibulaire osteopathie.

Coagulatie:

          stolling van bloed of lichaamsvocht. Zie ook bloedstolling.

Coat:

Engels voor vacht.

Cobalamine:

          vitamine B12.

Cobalt (Co):

sporenelement, dat door de (endel)darmbacteriën gebruikt wordt voor de vorming van vitamine B12.

Cobby:

Engels voor compact en vierkant gebouwd.

Coccidiose:

wordt veroorzaakt door de parasiet Isospora Canis of Isospora Ohioensis. Het is een veel voorkomende ziekte, vooral rond de speenperiode, maar weinig gediagnosticeerd. Isospora infecties vernietigen de darmvlokken. Hierdoor kan de pup zijn eten niet meer goed verteren en het voedsel wat wel verteerd wordt, kan niet meer goed worden opgenomen (maldigestie/malabsorptie syndroom).

De pups eten een paar dagen minder en hebben plakkerige zwarte ontlasting met soms wat slijm en bloed.

De diagnose gebeurt microscopisch en daar zien we verschillende stadia van de parasiet. Ook in darmcoupes van gestorven pups wordt de parasiet aangetroffen.

Coccidiose wordt behandeld met Diclazuril (2,5 mg/kg/dag in een maal te geven). Dit wordt gegeven op dag 28 en 15 dagen later nog eens.
Als het gaat om een pup van 8 weken of ouder, werkt de dierenarts met Sulfadiazine preparaten.
Yoghurt en andere lactobacillen kunnen er gerust bijgegeven worden.

Preventief moet u vooral op de hygiëne letten. Uitstomen van de kennel is een ideale desinfectie. De oöcysten zijn immers heel gevoelig voor warmte.

Cochlea:

het slakkenhuis: kanaal met spiraalvormige windingen in het labyrint van het oor. Zie cochleaire doofheid.

Cochleaire doofheid:

doofheid komt in meerdere vormen voor en kan verschillende oorzaken hebben. Door een ontsteking kan er sprake zijn van een verstopping van de uitwendige gehoorgang of er treedt doofheid op als gevolg van ouderdom (bij honden ouder dan 12 jaar). Daarnaast bestaat er doofheid als gevolg van een erfelijk bepaalde afwijking, de zogenaamde congenitale doofheid of in zijn specifieke vorm ook wel cochleaire doofheid genoemd.

Het oor bestaat uit 3 delen: het uitwendige oor, het middenoor en het inwendige oor.

Het uitwendige oor wordt gevormd door het gedeelte van de oorschelp tot het trommelvlies. De wand van de uitwendige gehoorgang scheidt smeer af om de gehoorgang vochtig en soepel te houden. Het smeer is bruingeel van kleur en zeer pasteus. Geluid wordt opgevangen door de oorschelp en via de gehoorgang vervoerd naar het trommelvlies. Het trommelvlies is de begrenzing van het uitwendige oor en wordt door het geluid in trilling gebracht. De daardoor ontstane geluidstrillingen worden via de 3 gehoorbeentjes in het middenoor naar het inwendige oor getransporteerd. De 3 gehoorbeentjes zijn de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel.

Het middenoor dient verder voor het op peil houden van de luchtdruk in het oor. Luchtdrukverschillen worden opgeheven, doordat het middenoor via de Buis van Eustachius in verbinding staat met de neus- en keelholte. Indien deze doorgang er niet zou zijn, zou het voorkomen, dat de luchtdruk in het middenoor afwijkt van de luchtdruk in het uitwendige oor (buitenlucht). Hierdoor zou het trommelvlies continu te maken hebben met verschillende drukpunten, waardoor dit bol of hol zou gaan staan. Daarmee kan het zijn trilfunctie niet goed uitoefenen en bestaat daarnaast de mogelijkheid, dat dit vlies scheurt of knapt.

Het inwendige oor bestaat uit het slakkenhuis (cochlea). Dit is aan het begin en het eind voorzien van een vlies om de vloeistof die zich in dit gedeelte van het oor bevindt niet te laten weglopen. Het ovale vlies van het slakkenhuis wordt in trilling gebracht door de stijgbeugel uit het middenoor, waarna het membraan in het slakkenhuis de trillingen verspreidt over de aldaar liggende zintuigcellen. De zintuigcellen zetten de trillingen vervolgens om in zenuwimpulsen, die getransporteerd worden naar de hersenen, waarna in de hersenen een gewaarwording ontstaat van een geluidsfrequentie.

Cochleaire doofheid wordt veroorzaakt, doordat de zintuigcellen die de trillingen in het slakkenhuis moeten omzetten in zenuwimpulsen afsterven. De afsterving van deze zintuigcellen is een gevolg van een degeneratie van de bloedvaten die deze zintuigcellen van bloed, en de zich daarin bevindende noodzakelijke stoffen, moeten voorzien. En de degeneratie van de bloedvaten is vermoedelijk een gevolg van het niet aanwezig zijn van pigmentcellen in het middenoor. Tijdens de embryonale ontwikkeling van de hond spelen deze pigmentcellen een cruciale rol in de ontwikkeling van de gehoorfunctie van het oor. Zijn deze pigmentcellen niet aanwezig dan zullen de zintuigcellen, die niet voorzien worden van voldoende bloed, afsterven. Dit begint direct na de geboorte en is op een leeftijd van 5 à 6 weken voltooid. Hierdoor is er geen mogelijkheid meer dat zenuwimpulsen worden gegeven aan de hersenen en vindt dus geen geluidswaarneming meer plaats.

Deze pigmentcellen worden onderdrukt bij honden met een witte kleur, die veroorzaakt wordt door de zogenaamde piebald en merle genen. De merle factor kennen we van rassen als de Schotse Herdershond en de Australian Shepherd. Hiervan is bekend, dat uit een paring van 2 merle honden, pups worden geboren, die allemaal doof zijn.

De aanwezigheid van het piebald gen zien we bij de Dalmatische Hond en de Bull Terriër. Ook binnen deze rassen komt cochleaire doofheid voor. Maar ook bij de Argentijnse Dog, de Border Collie, de Boxer, de Engelse Setter, de Old English Sheepdog en de Shetland Sheepdog.

Cochleaire doofheid kan eenzijdig en beiderzijds voorkomen. Een dove pup is meestal nog wel te herkennen, in tegenstelling tot een eenzijdig dove pup. Fokkers kunnen deze eenzijdig dove honden er meestal nog wel uithalen, maar voor een leek wordt dat moeilijk, omdat een dergelijke hond nog heel goed kan functioneren. 

Sedert een aantal jaren kan d.m.v. de B.A.E.R.-test worden vastgesteld of de hond wel of niet doof is.

Afhankelijk van de populatie en de omvang van de doofheid binnen de verschillende families in een populatie, worden door de verschillende rasverenigingen al dan niet eenzijdige dove honden van de fokkerij uitgesloten. Voor alle rassen geldt dat niet gefokt mag worden met beiderzijds dove honden.

Cockapoo, Cockerpoo, Cock-A-Poo, Spoodle:

is een kruising tussen een Cocker Spaniel (zowel de Amerikaanse als ook de Engelse) en een Poedel (meestal de Dwerg- of Toypoedel). Ze bestaan in Amerika al sinds 1950.

Daarnaast bestaan er ook andere Poedelkruisingen.

Cocktailenting, cocktail-enting:

is een enting, waarbij de hond met één prik tegen meerdere ziektes tegelijk beschermd wordt. Vroeger werd ieder jaar tegen alle ziektes geënt, maar tegenwoordig kennen we de "grote" en de "kleine" cocktail, d.w.z. dat sommige delen van de grote cocktailenting voor 2 jaar bescherming geven en daarom niet ieder jaar herhaald hoeven te worden.

De grote cocktail: para-influenza, ziekte van Weil, parvo, distemper en hepatitis. De kleine cocktail: parvo, para-influenza en ziekte van Weil.

Daarom wordt er slechts om het jaar tegen distemper (hondenziekte of ziekte van Carré) en hepatitis (leverziekte) geënt en wordt ieder jaar tegen parvo, de ziekte van Weil (leptospirose) en para-influenza (Adeno type 2 virus) geënt. Dus de dierenarts ent om het jaar de grote en kleine cocktail.

Daarnaast kan hij de hond nog inenten tegen rabiës en/of kennelhoest (bordetella).

Zie ook vaccineren.

Codering titels en verklarende woordenlijst op een stamboom:

wat betekenen al die afkortingen op een stamboom?

 

Verklarende woordenlijst inzake HD uitslagen: klik hier. Klik hier voor NHSB.

 

AA is Amerikaans kampioen, ARG is Argentijns kampioen, BB is Belgisch kampioen, CC is Canadees kampioen, CH is Champion, CW is Clubwinner met jaartal (titel Kampioensclubmatch), DD is Deens kampioen, EE is Duits kampioen, EK is Europees kampioen met jaartal, FF is Engels kampioen, GG is Fins kampioen, HH is Frans kampioen, II is Hongaars kampioen, JJ is Italiaans kampioen, JW is Jeugdwinner met jaartal, JWW is Jeugdwereldkampioen met jaartal, KK is Joegoslavisch kampioen, LL is Kroatisch kampioen, MM is Luxemburgs kampioen, NN is Monagask kampioen, OO is Noors kampioen, PP is Oostenrijks kampioen, QQ is Pools kampioen, RR is Sloveens kampioen, SS is Slowaaks kampioen, TT is Spaans kampioen, UU is Tjechisch kampioen, W is titel voor de Winner met jaartal, WW is Wereldkampioen met jaartal, XX is VDH-Ch., YY is Zweeds kampioen en ZZ is Zwitsers kampioen.

 

CA is Bauhundfuchskunst-BHFK, CB is Bauhunddachskunst-BHDK, CD is Bauhundfuchsnatur-BHFN, CE is Bauhunddachsnatur-BHDN, CF is Spurlautprüfung-SP, CG is Spurlautprüfung Jugend-SP/J, CI is Schweiszhundkunst-SCHWHK, CJ is Schweiszhundkunst Jugend-SCHWHK/J, CK is Schweiszhundnatur-SCHWHN, CL is Stöbern-ST, CM is Stöbern Jugend-ST/J, CN is Vielseitigkeitsprüfung-VP, CO is Vielseitigkeitsprüfung Jugend-VP/J, CP is Kaninchenschleppe-Herausziehen-KSCHLH, CQ is Kaninchenschleppe-Herausziehen Jugend-KSCHLH/J, CR is Kaninchensprenger-Natur-KSPN, CS is Kaninchensprenger-Natur Jugend-KSPN/J, CT is Schweiszhundkunst/40-SCHWHK/40, CU is Overige Europese Rentitels en CV is UICL Rensieger.

 

BA is Int. Kurzhaarprüfung, BC is Int. Prüfungsordnung I (IPO I), BD is Int. Prüfungsordnung II (IPO II), BE is Int. Prüfungsordnung III (IPO III), BF is Ned. Renkampioen/350 m, BG is Ned. Renkampioen/475 m, BH is Int. Derby Winner/350 m, BI is Int. Derby Winner/475 m, BJ is Europees Rensieger, BK is Gedrag- en Gehoorzaamheidskampioen, BL is Gehoorzaamheids- en schoonheidskampioen, BM is Gedrag- en Gehoorzaamheidskampioen I met jaartal, BN is Gedrag- en Gehoorzaamheidskampioen II met jaartal, BO is Gedrag- en Gehoorzaamheidskampioen III met jaartal, BP is Behendigheidskampioen, BQ is Werkkampioen, BR is Werk- en schoonheidskampioen, BS is Veldwedstrijdkampioen met jaartal, BU is Derby Winner/350 m, BV is Derby Winner/475 m, BW is Wereld Renkampioen FCI en BX is Europees Renkampioen FCI.

Coecum:

          blindedarm.

Coeloom:

          lichaamsholte bij embryo's.

Cognitieve disfunctie:

is een andere term voor ouderdomsdementie.

COI:

is de afkorting voor "coefficient of inbreeding" oftewel "coëfficiënt van inteelt". De mate van inteelt hangt af van de verwantschap van de ouders en wordt uitgedrukt in een inteeltcoëfficiënt. Bij inteelt neemt de heterozygotie af. De kans op optreden van erfelijke afwijkingen of ziekten neemt toe. Ook is de gevoeligheid voor ziekten groter, is de weerstand verminderd en neemt de vruchtbaarheid af. Dit wordt wel samengevat als inteeltdepressie.

De formule, genoemd Wright's Coefficient of Inbreeding, is: FX  =  å [ {½) n1+n2+1 (1 + FA)]. M.b.v. de computer goed te gebruiken.

In deze formule is FX uw honds COI, FA is dat van de gemeenschappelijke voorvader voor beide kanten van de stamboom, n1 en n2 zijn de aantallen generaties aan elke kant tussen uw hond en die voorvader.

Zo kunt u bijv. uitrekenen hoeveel kans een pup heeft op een bepaalde aandoening: als grootvader CEA heeft, kunt u m.b.v. deze formule uitrekenen hoe groot de kans is, dat de pup deze aandoening krijgt.

Ideaal gezien zou de COI minder dan 5% moeten zijn, maar in sommige rassen en lijnen is dit niet mogelijk, dus elk percentage lager dan dat van de probleemouder zal dan als een pluspunt moeten worden beschouwd voor die bepaalde combinatie.

Fokkers moeten er zich bewust van zijn, dat ze met een lage COI een bijdrage kunnen leveren aan het gezond houden van een ras.

Coïtus:

          dekking, paring.

Cold water tail (CWT), coldwatertail:

zie zwemmersstaart.

Colitis:

          ontsteking aan het colon, een deel van de dikke darm oftewel dikke darm ontsteking.

Collageen:

          eiwitstof uit bindweefsel of kraakbeen.

Collaps:

a) flauwte; plotseling optredende stoornis in de bloedcirculatie met duizelingen, spierverslapping en bewustzijnsverlies als verschijnselen; b) ineenstorting.

College van Beroep:

een college van 3 personen, dat een beroep tegen een besluit van de Raad van Beheer behandelt en een uitspraak formuleert, die voor beide partijen als bindend advies geldt.     

Collie Eye Anomaly:

          zie CEA.

Colloïdaal zilver, CZW, C.Z.W.:

of zilverwater is een effectief alternatief voor antibiotica, een natuurlijk antibioticum. Het heeft een positieve invloed op de weerstand en kan zowel in- als uitwendig gebruikt worden.

Gewervelde dieren hebben als meercellige organismen longen als een specifiek orgaan om zuurstof op te nemen. Eéncelligen (virussen, bacteriën, gisten, schimmels en amoebes) uiteraard niet. Colloïdaal Zilver blijkt een stof die voor de zuurstof-stofwisseling van primitieve levensvormen sterk afremmend werkt, maar die voor mens en dier geen nevenwerkingen vertoont. De ééncelligen raken ervan buiten adem en verliezen zonder zuurstof hun levensenergie. Hun chemische longen laten het afweten. U kunt het bekijken als een preventief hulpmiddel om bacteriën, virussen, schimmels én gisten zonder kans op resistentie onderuit te halen.

Colloïdaal zilver werd rond 1900 al toegepast, maar werd overruled door farmaceutische antibiotica. Bepaalde virussen, bacteriën, parasieten en schimmels zijn inmiddels echter immuun, resistent geworden voor de reguliere antibiotica. Ook treden negatieve bijverschijnselen op, zoals allergie voor antibiotica. Hierdoor komt Colloïdaal zilver weer meer in de aandacht.

Rond 1900 toonden wetenschappers al aan dat zilver een veilig, efficiënt antibioticum was. Het natuurlijk antibioticum Colloïdaal Zilver werd door menig geneeskundige toegepast. Het bleek veilig in gebruik en efficiënt te zijn tegen infecterende organismen. Daar Colloïdaal zilver te duur was om te laten patenteren, ontwikkelden de farmaceutische bedrijven zelf een eigen antibioticum. Colloïdaal zilver werd terzijde geschoven en andere nieuwe antibiotica beheersten de markt. In de loop der tijd deden zich echter problemen voor. Dertig jaar na de komst van de reguliere antibiotica zijn vele types ziekteverwekkende organismen inmiddels immuun of resistent geworden voor dit middel. De laatste jaren komt er steeds meer informatie naar voren over de 'superbugs' die niet vernietigd kunnen worden met antibiotica. Veel van deze organismen hebben intussen een weerstand opgebouwd tegen de bestaande, gewone antibiotica.

Zilver wordt door sommigen beschouwd als de meest universele antibiotische stof en het krachtigste antibioticum dat er is. Uit onderzoek komt naar voren dat een gewoon antibioticum een half dozijn verschillende ziekteverwekkers doodt, waar zilver er zo'n 650 vernietigt. Resistente ketens kunnen zich hierbij niet ontwikkelen. Er zijn de laatste jaren verschillende experimenten en onderzoeken gedaan en er zijn vele toepassingen ontdekt of beter gezegd herontdekt. Zilver blijkt zeer geschikt voor gebruik tegen verschillende infecterende organismen en diverse praktische toepassingen zoals bijv. snij-, brand- en schaafwonden. Zilver doodt verschillende virussen, bacteriën, parasieten en schimmels.

In de Ayurvedische geneeskunde wordt zilver reeds lange tijd gebruikt om het lichaam te reinigen en te versterken. Ook in de Chinese geneeskunde is zilver bekend om zijn bescherming tegen infecties en ziektes van het lichaam. Door de jaren heen werd zilver bij mensen geneeskundig gebruikt bij de behandeling van:

brandwonden;

ontstekingen en infecties van ogen;

keel, neus, oren;

anus, urethra en vagina;

zilvernaalden bij acupunctuur;

zilverionen bij cystitis en urinewegontstekingen;

zilverzouten tegen wratten;

remedie voor mentale disbalans, slaapwandelen en anorexia nervosa;

zilvermengsel (zilver sulfiadiazine) in Amerikaanse brandwondencentra;

in vroegere tijden als hulpmiddel voor het brein;

voortplantingsproblemen (vrouwen);

bloedcirculatie;

koorts en chronische abceshaarden;

zilveren platen/pinnen in chirurgie bij bot- en gewrichtsingrepen;

homeopathie bij: hoofdpijn, chronische schorheid, zenuwpijnen gewrichten, verstopping luchtpijp, hersen- en sinusproblemen, verlies van controle en balans.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de genezende eigenschappen van zilver. Het blijkt dat zilverionen, voortgedreven door slechts enkele microampères stroom, een versnelde botgroei bewerkstelligen. In onderzoek en experimenten constateerde men een versnelde botgroei in gevallen waar het bot na lange tijd maar niet wilde genezen. Met de zilverionen behandeling groeiden de botten weer snel aan elkaar. Men gaat er vanuit dat zilver de botgroei bevordert, doordat het lichaam wordt gestimuleerd om nieuw bot aan te maken. Er werden 2 voordelen vastgesteld bij het gebruik van zilverionen voor de genezing van het bot:

• zilver heeft een veilige, efficiënte werking: zonder bijverschijnselen en een snel herstel;

• aangezien zilver bacteriocide is, wordt een deel van het lichaam gezuiverd, zodat de botcellen door het lichaam kunnen worden vervangen zonder de hinderende activiteit van bacteriën.

Experimenten toonden aan dat zilver werkzaam is tegen een grote verscheidenheid aan bacteriën zonder bijwerking of beschadiging van de lichaamscellen. Buiten het doden van ziekteverwekkende organismen, blijkt zilver ook voor een stimulatie van de groei van beschadigde weefsels c.q. een sneller herstel te zorgen.

Colloïde is een oplossing bestaande uit ultra fijne deeltjes, opgelost in een waterachtig medium. Alle levende dingen bestaan in een colloïdale vorm. De meeste medicijnen zijn in een kristallijne staat. Voordat een medicijn z'n volledige therapeutische werking kan hebben, moet het eerst in colloïdale vorm worden omgezet.

Colloïdaal zilver is een natuurlijk antibioticum. Het lijkt de meest bruikbare en krachtige substantie te zijn om verschillende ziektes te bestrijden die veroorzaakt worden door bacteriën, virussen, parasieten en schimmels. Het blijkt zowel een breed spectrum remedie te zijn als preventief te werken bij verkoudheden, griep en diverse infecties. In het bijzonder blijken Staphylococcus en Streptococcus stammen, die dikwijls worden gevonden bij ziektes, gevoelig te zijn voor zilver. Tevens blijkt colloïdaal zilver op een snelle manier ontstekingen te bedwingen en een snellere genezing te bewerkstelligen. Wanneer colloïdaal zilver dagelijks wordt ingenomen, zorgt het voor een beter immuunsysteem, hetgeen resulteert in meer energie, vitaliteit, kracht, ontspanning, snellere genezing en een vermindering van toxines in het lichaam.

Mensen krijgen zilver en andere mineralen in hun lichaam via het voedsel dat ze eten. Zilver komt normaal gesproken rechtstreeks uit organische bodem, die rijk is aan levende organismen. Deze organismen breken bestanddelen in de bodem af en zorgen dat mineralen beschikbaar zijn in vormen die assimileerbaar zijn voor planten. Op deze wijze komt zilver op een natuurlijke manier in ons lichaam via de mineralen die aanwezig zijn in biologische geteelde planten. Als we echter groenten eten die, zoals de meeste planten tegenwoordig, met behulp van kunstmest geteeld worden, zonder levende organismen in de bodem, krijgen we niet deze hoeveelheid vitaminen en mineralen binnen. Hierdoor kunnen tekorten en deficiënties ontstaan. Verder vermindert ons vermogen om zilver te assimileren naarmate we ouder worden. Zilver deficiëntie zou een oorzaak kunnen zijn voor het slecht functioneren van het immuunsysteem. Zilver blijkt werkzaam te zijn bij een breed spectrum van bacteriën zonder bijverschijnselen of beschadiging van de cellen en lijkt de groei (herstel) van beschadigd weefsel te stimuleren.

Colloïdaal zilver kan door mensen worden gegorgeld, als oog- en oordruppels, vaginaal en anaal worden gebruikt. Het kan geïnhaleerd worden (neus en longen), direct toegepast worden bij snij- en schaafwonden en op open wonden. En voor behandeling van wratten, eczeem, als gezichtsspoeling bij acne en andere aangezichtsirritaties. Colloïdaal zilver kan ook worden gebruikt om water te zuiveren en als stoelgangbevorderend middel -in water vermengd- worden ingenomen.

Tevens kan Colloïdaal zilver voor de behandeling van planten met bacteriën en schimmels gebruikt worden (op bladeren of in grondwater).

Verder kan het ook voor de behandeling van dieren gebruikt worden, zowel inwendig als uitwendig voor infecties, parasieten, schurft en verschillende andere aandoeningen. Bij huisdieren kunt u inwendig 10 druppels per liter drinkwater geven (CZW met een sterkte van 15 ppm) en uitwendig 5 druppels op een eetlepel water; dit 3-6x per dag met een wattenstaafje op de huid aanbrengen.

Denk er aan: schudden voor gebruik, donker bewaren, niet met metaal in aanraking brengen en niet in de buurt van stralingsbronnen (magnetron / halogeenlamp) bewaren.

Coloboma:

sluitingsdefect van lichaamsdelen, die normaal tijdens de ontwikkeling voor de geboorte aan elkaar groeien. Bijv. hazenlip, gespleten gehemelte, coloboma van de iris, coloboma in of bij de oogzenuw bij CEA    

Colon:

          middelste gedeelte van de dikke darm; karteldarm.

Colonscopie:

of rectoscopie is een endoscopie van de darmen. Bij dit onderzoek wordt middels een glasvezelsysteem met lenzen in de endeldarm en dikke darm gekeken of er misschien andere afwijkingen zijn dan een 'simpele' dikke darmontsteking. Dat klinkt simpeler dan het lijkt. Allereerst mag er geen ontlasting in de darm meer aanwezig zijn, want dat gaat op de lenzen 'plakken' en dan zie je niets meer. Dat betekent minimaal 2 dagen vasten en dan zitten er vaak toch nog zoveel ontlastingsresten in de darm, die er eerst nog uitgespoeld moeten worden. Onder narcose en met lauwwarm water kan de dikke darm helemaal leeg gespoeld worden.

Bij het onderzoek kan er iets te zien zijn, waarvan met een apparaatje enkele biopten worden genomen. De patholoog gaat dit onder de microscoop bekijken. Daarna kan hij wellicht meer informatie verstrekken over wat er aan de hand is. De dierenarts kan dan zijn therapie daarop aanpassen. De uitslag duurt meestal ca. 1 week.

Zie ook endoscopie.

Color Dilution Alopecia (CDA):

is kleur-verdunning alopecia. Dit is een erfelijke huidziekte die bij "blauw" en andere kleur-verdunde honden wordt gezien. Dit syndroom wordt geassocieerd met een kleur-verdunnings gen. CDA zien we bij de Dobermann, Teckel, Dwergpinscher, Schnauzer, Duitse Dog, Ierse Setter, Italiaans Windhondje, Standaardpoedel, Saluki, Whippet en de Yorkshire Terriër.

Honden die drager zijn van "dd" (zie dilution) lijken vatbaar voor een vorm van haarverlies (alopécie). "Color Dilution Alopecia" (vertaald: kleurdilutie alopecie oftewel kleurverdunning alopecia) is de gebruikelijke medische term. Voorheen werd het ook Blue Balding Syndrome, Blue Dobermann Syndrome, Color Mutant Alopecia of Congenital Alopecia genoemd.

Het haarverlies begint tussen de leeftijd van 6 maanden en 3 jaar. Het getroffen deel van de huid is over het algemeen schilferig en gevoelig voor bacteriële besmettingen. De oorzaak van deze ziekte is niet bekend. Hoewel er een duidelijk verband bestaat tussen verdunde pigmentatie en haarverlies, zijn er toch honden die eraan ontsnappen. Bij de Dobermann bijvoorbeeld zijn 50 tot 80% van de honden met verdunde pigmentatie ook getroffen door haarverlies.

De aanwezigheid van het allel "d" in dubbele dosis is ook verantwoordelijk voor het verdunnen van de iriskleur. Dat geeft aan het oog een "grijs-blauwe" tint die evolueert met de leeftijd, of wazige ogen (smoky eyes). Het oog is niet meer bruinachtig of donker. Het blauwachtige oog is wellicht minder bestand tegen het licht en, ernstiger nog, er zijn ook oogziektes gesignaleerd.

De diagnose van CDA vereist eerst uitschakeling van andere oorzaken van haarverlies. Er zou bijv. een huidafschraapsel genomen kunnen worden om op parasitaire mijten te controleren. CDA lijkt vaak op endocrien (hormoon gerelateerd) haarverlies en de hond moet zorgvuldig worden onderzocht en getest worden op een normale schildklierfunctie. De aanwezigheid van verdund pigment en een kenmerkend verloop van de ziekte helpen ook in het maken van de diagnose. Het microscopische onderzoek van haar- en/of huidbiopten kan worden gebruikt om de diagnose te bevestigen.

Honden met deze aandoening worden niet beter, want er is geen behandeling voor CDA. Maar uw hond kan een normaal leven leiden met periodieke symptomatische behandeling als dat nodig mocht zijn: behandeling van een droge huid of antibiotica voor bacteriële besmettingen.

Met deze honden moet niet gefokt worden.

Colostrum (biest):

de eerste (moeder)melk na de geboorte. Deze melk bevat veel globulines, die het pasgeboren dier gedurende de eerste 24 tot 48 uur van zijn leven onveranderd opneemt vanuit de darm. Langs deze weg krijgt de pup afweer tegen ziekten.

Het colostrum is ook van belang om de darm van het pasgeboren dier te prikkelen zich te ledigen. Tijdens de dracht vormt zich in de darm het zogenaamde darmpek, bestaande uit door de darmwand afgescheiden stoffen, afgestorven darmwandcellen en onverteerbare bestanddelen van het amnionvocht, dat de vrucht van tijd tot tijd doorslikt.

Zie ook hondenmelk en colostrumtherapie.

Colostrum therapie:

wordt door een firma uit Den Bosch op de markt gebracht als natuurlijk product dat ontstekingen bij dieren tegengaat. Colostrum Therapie is gemaakt van biest, melk die binnen 12 uur na het kalveren bij de moederkoe is afgenomen. Het product versterkt de weerstand bij dieren met maagdarmproblemen, (auto)immuunziekten en ontstekingen. Denk hierbij aan chronische diarree, ontstekingen, reuma, ziekte van Crohn, colitis ulcerosa.

Colostrum Therapie bevat naast een hoge concentratie immuunglobulinen allerlei andere stoffen die het immuunsysteem positief beïnvloeden, ontstekingsprocessen remmen en een helende werking hebben op beschadigd weefsel. Daarnaast worden bepaalde pathogene bacteriën (ziekteverwekkers) onschadelijk gemaakt. Het poeder bevat een hoge concentratie eiwit, mineralen en vitamines.

Men beweert, dat een hond die ernstige diarree had en al een lange tijd prednisolon kreeg toegediend, na gebruik van Colostrum Therapie gedurende een aantal dagen de diarree was verholpen.

Colposuspensie:

is chirurgie waarbij de blaashals (is de overgang tussen blaas en urinebuis) meer de buik wordt ingebracht (oprekken).

Zie urinelekkage.

Coma:

volkomen bewusteloosheid zonder enige reflex.

Een hond in coma is buiten bewustzijn en kan niet tot bewustzijn worden gebracht i.t.t. bewusteloosheid.

Combinatie:

de hond en de geleider, die deelnemen aan bijv. een wedstrijd.

Combisport, combi sport:

Kunt u niet kiezen? Gehoorzaamheid voor zo'n knappe, perfect luisterende hond of behendigheid om lekker samen de wind door uw haren te voelen en de spanning te ervaren van een split-second beslissing? Bij Combi Sport worden de twee leukste, snelste en knapste takken van hondensport gecombineerd. U moet als baas enthousiast en sportief zijn, want ook u moet mee rennen om een goede tijd neer te kunnen zetten. U moet een goede band hebben met uw hond, om samen foutloos de snelheidsonderdelen te kunnen doen en om heel precies de gehoorzaamheid te kunnen doen. Kortom, best of both worlds.

Bij de Combi Sport doet u mee op 4 onderdelen:

• de gehoorzaamheid is gebaseerd op het G & G-programma van de FHN. De hond moet netjes volgen, komen op commando en kunnen apporteren;

• Combi Jump is een onderdeel waarbij hond én baas moeten springen over 4 hindernissen. Foutloos en zo snel mogelijk;

• de Combi Speed is een ander onderdeel waarbij snelheid belangrijk is. Neem met uw hond zo snel mogelijk 8 poortjes zigzaggend over het veld;

• en het laatste onderdeel is de stormbaan. Hierbij moet uw hond de toestellen correct nemen, en ook hier gaat het weer om een snelle tijd.

Bij de Combi Sport draait het om "samen" en dus mag uw hond niet te ver bij u vandaan lopen. U neemt de hindernissen samen, als uw hond u op de baan achterlaat en alvast naar de finish gaat, kost dat punten. Andersom mag u uw hond niet in de steek laten, het gaat om samen een sport beoefenen.

Commensaal:

micro-organisme dat met een ander organisme samenleeft zonder dit te schaden. 

Commissie Jachthondenproeven:

zie C.J.P.

Commissie Werkhonden:

coördineert de examens UV, VZH, IPO, SpH en reddingshondenwerk die door de rasverenigingen van de werkhondenrassen, werkhondenverenigingen worden aangevraagd en verzorgd, en houdt het overzicht over de inzet van de keurmeesters.

Jaarlijks organiseert de Commissie Werkhonden zelf 2 evenementen: de Nederlandse Kampioenschappen voor Speurhonden en voor Werkhonden. De Commissie stelt ook jaarlijks het team vast dat Nederland vertegenwoordigt op het FCI-Wereldkampioenschap.

Commissie Windhondenrensport:

geeft toestemming voor het houden van rennen en coursings, houdt toezicht op de handhaving van de reglementen en zorgt voor de opleidingen van officials. De commissie treedt regelmatig in overleg met de windhondenrenverenigingen over het te voeren beleid (Website).

Compleet:

betekent volledig, totaal. We kennen het bij de hond in de volgende situaties:

• bij het gebit: zie tanden.

• in een rasbeschrijving of keurrapport: compleet betekent volledig, d.w.z. twee teelballen zijn in het scrotum aanwezig.

• bij voer: een complete voeding bevat alle benodigde voedingsstoffen in precies de juiste hoeveelheden en verhoudingen. Extra toevoegingen hieraan, zoals vitaminen en mineralen, zijn in het beste geval overbodig, maar kunnen in het slechtste geval leiden tot allerlei ernstige afwijkingen, o.a. aan het skelet en de nieren. Zie ook calcium.

• bij ontwormingsmiddel: is een breedspectrum ontwormingsmiddel en dat betekent een preparaat, dat werkt tegen 'alle' ziekteverwekkende wormen, m.a.w. het pakt heel veel verschillende soorten wormen aan, zoals bijv. Drontal® of Milbemax® (zie hartworm).

Complementaire factoren:

die groep van erffactoren of genen, die in samenwerking met elkaar een bepaalde eigenschap tot stand brengen.

Concaaf:

          hol, holrond (van lenzen); i.t.t. convex.

Conceptie:

          bevruchting, drachtig worden.

Concha (meerv. chonchae):

schelp, bijv. van het oor (oorschelp) of zoals die zich binnen in de neusholte bevindt (neusschelp).

Concrement:

samengroeisel ontstaan door verkalking, bijv. gal-, blaas- en nierstenen.            

Conditie:

de conditie van de hond is o.a. af te lezen aan de vacht, het gewicht, de spierontwikkeling en -spanning en de attentie.

Zie ook fietsen en/of steppen met uw hond of andere hondensporten.

Conditionering:

leren (aan- en afleren), ontstaat door het koppelen van een bepaalde handeling aan een bepaalde prikkel. Er zijn twee vormen van conditioneren: klassiek conditioneren (ook aangeduid als 'niet vrijwillig leren') en operant conditioneren (ook aangeduid als 'vrijwillig leren'). Beide worden ook wel associatieleren genoemd. 

Het meest bekende voorbeeld van klassieke conditionering zijn de honden van Pavlov. Deze Russische geleerde maakte een oorspronkelijk neutrale prikkel (een geluidssignaal) tot voorwaardelijke prikkel (geconditioneerde prikkel) door deze te koppelen aan een onvoorwaardelijke prikkel (ongeconditioneerde prikkel) namelijk voer. Pavlov liet tegelijkertijd met het aanbieden van het voer een geluidssignaal horen. Na een paar keer brachten de honden het horen van de bel i.v.m. het aangeboden krijgen van het voedsel en begonnen hevig te speekselen. De honden hadden de oorspronkelijk neutrale prikkel in verband gebracht met het krijgen van voer. 

Bij operante conditionering wordt de hond met een positieve prikkel (bekrachtiger) of met een negatieve prikkel (straf) beloond of gecorrigeerd voor het uitvoeren van een bepaalde handeling als reactie op de oorspronkelijk neutrale prikkel. Twee vormen van operante conditionering zijn shaping en chaining.

Conditioneringsfouten kunnen leiden tot gedragsproblemen. Bijv. het troosten van de hond na een schrikreactie, waarmee het angstgedrag wordt beloond en dus versterkt. Een ander voorbeeld is het veel voorkomende verkeerde moment van timing voor het straffen en belonen van het gedrag. Inconsequentie (eerst belonen, dan straffen) leidt eveneens tot problemen.        

Conflictgedrag:

ontstaat als twee gedragssystemen in min of meer gelijke mate geactiveerd raken. Er is dan sprake van een intern conflict, waarbij onverenigbare gedragingen om de voorrang strijden. Dit kan gebeuren als de hond een bepaald resultaat tracht te bereiken, maar hierin tegengehouden wordt. Bijv. een dier ziet een prooidier, heeft honger en wil dit prooidier vangen, maar ziet tegelijkertijd een roofdier en wil dus vluchten. Er ontstaat dan een soort conflict tussen naderen en vermijden. 

Er zijn verschillende typen conflictgedragingen: ambivalent gedrag, intentiebeweging, overspronggedrag, redirectiegedrag en autonome reacties. 

Bij spanning wordt het autonome zenuwstelsel betrokken: de hond wordt opgewarmd door de effecten hiervan en moet dus afkoelen, met als gevolg dat hij kan gaan hijgen.   

Congenita(a)l:

          zie aangeboren.

Congestief:

gepaard gaand met stuwing (bijv. congestieve cardiomyopathie).

Congo Terrier:

voor het eerst in Europa verschenen op de Crufts van 1937. Nu zeggen we de Basenji, wat 'Boshond' betekent.

Conjunctiva(e):

          (oog)bindvlies.

Conjunctivitis:

ontsteking van de conjunctiva, bijv. door stof, een virus, een bacterie of een andere prikkeling. De belangrijkste verschijnselen zijn traanvloed, slijm en/of pusvorming, roodheid, zwelling en pijn. 

Zie voor verdere info: bindvliesontsteking.

Consequent opvoeden:

net als kinderen hebben honden een consequente opvoeding nodig. Dat geldt voor alle rassen. Omdat opvoedingsfouten vaak moeilijk zijn te herstellen, is het belangrijk om vanaf de eerste dag consequent te zijn en fouten te voorkomen.

Honden hebben een grote behoefte aan duidelijkheid in hun opvoeding.

Consequent opvoeden betekent absoluut niet "met harde hand". Consequent opvoeden is trouw blijven aan het principe: "ja is ja en nee is nee".

Reageer daarom in vergelijkbare situaties steeds hetzelfde. Bijvoorbeeld: niet op de bank liggen betekent nóóit op de bank liggen, niet met een schoen spelen betekent ook niet spelen met een oude slof. Hij begrijpt niet dat hij met mooi weer wel, en met natte modderpoten niet op de bank mag liggen. Ook ziet hij het verschil niet tussen een oude en een nieuwe schoen.

En natuurlijk zijn ook uw huisgenoten consequent in hun omgang met de hond. Hij mag niet van de één wel op de bank en van de ander niet.

Consistentie:

          dichtheid of vastheid van stoffen.

Constipatie:

verstopping; moeilijke, onregelmatige of geen ontlasting.

Contagieus:

          besmettelijk.

Contra-:

          tegen-, tegenovergesteld.

Contraceptie:

          zie anticonceptie.

Contractie:

          samentrekking van spieren.

Contra-indicatie:

omstandigheid die pleit tegen het nemen van een bepaalde maatregel, het voorschrijven van een geneesmiddel.

Contrastfoto, contraströntgenfoto:

is een röntgenfoto, die wordt gemaakt m.b.v. een stof die röntgenstralen absorbeert, zodat bepaalde structuren op de röntgenfoto duidelijker worden weergegeven.

Contrastvloeistof:

is een stof, die geen röntgenstralen doorlaat.

Contusie:

          kneuzing.

Convex:

convexe neusrug of ramsneus. Ook bolrond van lenzen (i.t.t. concaaf).

Convulsie:

          stuiptrekking, kramp, toeval.

Cooling down:

zie agility.

Copramijt:

oftewel 'Tyroglyphus longior mite' veroorzaakt copraschurft, een jeukende huiduitslag. Zie ook mijt.

Coprofagie:

het eten van ontlasting; wordt vaak bij honden gezien. Zie wetenswaardigheden.            

Coprologie:

          onderzoek van de ontlasting.

Copulatie:

          zie coïtus.

Cor:

          hart.

Cornea:

          hoornvlies.

Corona-virus, coronavirus:

          zie parvo.

Corpus:

          lichaam.

Corpus luteum:

          gele lichaam in de eierstok, dat o.i.v. L.H. progesteron produceert. Zie ook oestrus en met-oestrus.

Cortex:

          schors, buitenste laag van een orgaan, bijv. bijnierschors.

Corticosteroïden (Corticoïden):

hormonen van de bijnierschors

De farmaceutische industrie heeft op bijnierschorshormonen gelijkende stoffen ontwikkeld, bijv. prednison (prednisolon) of dexamethason. Bij honden worden corticosteroïden o.a. toegepast als therapie bij de bestrijding van jeuk en bij overgevoeligheid voor vlooien.

Het meest bekend uit de groep van de bijnierschorshormonen of corticosteroïden is prednison. Andere namen zijn: prednisolon, dexamethason, dexadreson, moderin, betsolan, voreen etc. Ze zijn er in kort- en langwerkende prikvorm en in tabletten. Ze worden vaak omschreven als "ontstekingsremmers", prikken / tabletten tegen de jeuk etc.

Prednison staat bekend als een paardenmiddel met nare bijwerkingen. De meeste diereigenaren en dierenartsen geven het liever niet aan hun dier of patiënt. Maar in een aantal (nood)gevallen kunnen we met een 'veilige' dosering, soms toch nog jarenlang plezier hebben van deze anders zo af te raden medicamenten.

Gouden regel daarbij is:

• laagste effectieve dosis;

• altijd 's morgens;

• om de dag of nog minder vaak!

En als niks meer helpt en uw hond is ca. 10 jaar, dan is een behandeling  met corticosteroïden nog altijd veel beter dan euthanasie.

Wat zijn de voordelen?

• jeukremming. Levensreddend voor hopeloze gevallen;

• zeer sterk ontstekingsremmend en immuunsuppressief bij bepaalde (auto-)immuunziekten onmisbaar;

• de hond voelt zich een stuk beter. Slechts in enkele gevallen is er sprake van onrust of sloomheid.

Wat zijn de nadelen?

• eetlust sterk toegenomen (soms stelen van voedsel). Ook al wordt de hoeveelheid voedsel beperkt, er treedt op den duur toch vetzucht op, die moeilijk is terug te draaien. Met ook als gevolg gewrichtsproblemen door overgewicht.

• dorst. Meer drinken betekent meer urine in de blaas. Voor oudere honden en gecastreerde teven, zeker als die toch al een verminderde controle over hun blaas hadden, bestaat er kans op onzindelijkheid.

• bij langdurig gebruik ontstaat de ziekte van Cushing, die niet of nauwelijks succesvol te behandelen is. De diagnostiek en de behandeling kunnen zeer kostbaar zijn.

• er geneest niets, het effect is tijdelijk (of zo lang de medicijnen worden gegeven).

• lange nawerking. Zeer waarschijnlijk remmen de corticosteroïden het effect van homeopathische geneesmiddelen, ook nog lang nadat gestopt is met de toediening (vermoedelijk soms wel 3 maanden).

• corticosteroïden onderdrukken de weerstand van de hond, waardoor de vatbaarheid voor (virus)infecties groter wordt.

Weeg samen met uw dierenarts de voor- en nadelen zorgvuldig af en blijf intussen naar andere mogelijkheden zoeken.        

Cortisol:

          bijnierschorshormoon. Zie ook bloedonderzoek.

Costa:

          rib.

Counterconditionering:

is een gedragstherapievorm. Hierbij wordt gedrag aangeleerd, dat niet tegelijkertijd met het probleemgedrag kan worden uitgevoerd, of de motivatie van de hond t.o.v. de prikkel wordt gewijzigd. Dit nieuwe gedrag wordt dan beloond.

Zie ook gedragstherapie.

Couperen:

afsnijden (van staart en/of oren); in Nederland bij de wet verboden. 

Het couperen van de oren is verboden voor honden geboren na 30 april 1989. 

Het couperen van de staart is verboden voor honden geboren na 1 september 2001.

Zie ook amputatie staart.

Coursing:

is een vorm van windhondensport, waarbij in open, liefst wat geaccidenteerd en met struiken begroeid veld, een (kunst)haas wordt achtervolgd volgens de min of meer karakteristieke jachtwijze, die vroeger gebruikelijk was bij het jagen op levend klein wild zoals hazen en konijnen. In het buitenland wordt hierbij van lure-coursing gesproken.

Coxa:

          heup.

Coyote:

is een Noord-Amerikaanse wilde hondachtige (Canis latrans), ook prairiewolf genoemd, die zich ondanks zware vervolging nog steeds in het wild heeft kunnen handhaven. Hij heeft het formaat van een kleine herdershond en de levenswijze van een jakhals.

CPK, C.P.K.:

is een spierenzym. Het gehalte creatinekinase (CK) in het serum wordt het creatine phosphokinase (of creatine fosfokinase, CPK) genoemd.

Zie ook creatinine en bloedonderzoek.

CPV, C.P.V.:

is Canine Parvovirus, het honden parvovirus. Er bestaan 2 subtypes, de CPV-1 en CPV-2 variant. Maar als men spreekt over "parvo" gaat het meestal over CPV-2.

In Europa is een nieuwe variant opgedoken van het canine coronavirus die een fatale ziekte veroorzaakt in pups. De faculteit Diergeneeskunde deed een oproep aan dierenartsen om bij pups met een parvo-achtig ziektebeeld mee te doen aan een onderzoek naar het voorkomen van dit nieuwe virus in Nederland.

Coronavirussen zijn RNA virussen die bij mens en dier respiratoire of gastro-intestinale klachten kunnen veroorzaken. Bij de hond beperkt een Canine Coronavirusinfectie zich doorgaans tot milde, zelflimiterende gastro-intestinale klachten. In enkele landen is er echter sinds enkele jaren sprake van rapportage van uitbraken van zgn. Pantrope Canine Coronavirus infecties. Dit zijn ernstige systemisch verlopende infecties bij jonge pups die zich klinisch manifesteren als acute, ernstige vaak bloederige diarree en sterfte, een parvo-achtig ziektebeeld dus. Daarnaast worden soms neurologische verschijnselen (ataxie, toevallen) gezien. Bij meerdere van deze dieren is geen parvovirus infectie aangetoond, maar kon uit organen een Canine Coronavirus worden geïsoleerd.

Daarnaast zijn ook pups gevonden met zowel een systemische coronavirus infectie als een parvovirus infectie. Het lijkt erop dat het relatief onschuldige enterale coronavirus bij de hond is gemuteerd tot een variant die tot systemische infectie kan leiden. Met deze CCoV varianten kon men namelijk ook na experimentele infectie het ziektebeeld reproduceren.

Omdat deze infecties potentieel dodelijk en zeer besmettelijk verlopen, is het van het hoogste belang snel inzicht te krijgen in de mate waarin deze infecties in Europa voorkomen. Hiertoe is er een Pantropic CCoV Surveillance Program opgezet, waaraan ook het departement Infectieziekten & Immunologie van de Faculteit Diergeneeskunde zal deelnemen ('09).

Craniaal:

          zich uitstrekkend in de richting van de schedel.

Craniomandibulaire osteopathie (CMO) of Cranio-Mandibulaire Osteopathie:

wordt waargenomen bij jonge honden van 4 tot 10 maanden van kleine rassen (bijv. de West Highland White Terriër) en ook grote rassen (zoals de Dobermann en de Duitse Dog). 

Andere benamingen zijn "Leeuwenkaak" of "Westie's Disease". 

CMO kenmerkt zich door pijnuiting bij het openen van de bek, weigeren te eten en te spelen, verdikte en pijnlijke kaaktakken. Op de röntgenfoto van de kop valt botnieuwvorming van kaaktakken en schedelbeenderen op. Tijdige behandeling kan de klachten verminderen. Indien kaakgewrichten in het proces betrokken worden, is de prognose slecht. 

Bij de Westie is het waarschijnlijk een recessief verervende aandoening. Bij honden van grote rassen is de aandoening nogal eens te zien in samenhang met HOD.  

Creatinine:

is een metaboliet van een spiereiwit, creatine. Anders gezegd: creatinine is een afbraakproduct van creatine, dat in spierweefsel voorkomt. Het is een maat voor de nierfunctie.

In normale omstandigheden komt dagelijks een constante hoeveelheid creatinine vrij in het plasma. Creatinine wordt volledig gefiltreerd door de glomeruli. Creatinine wordt niet geabsorbeerd, gemetaboliseerd of gesynthetiseerd door de nieren.

M.a.w. normaal is het gehalte aan creatinine in het bloed continu redelijk constant op een bepaald niveau, omdat het constant via de nieren wordt uitgescheiden. De hoeveelheid creatinine in het bloed is een maat voor het uitscheidingsvermogen van de nieren. Helaas wordt er bij een nierprobleem pas een duidelijke stijging van het creatininegehalte in het bloed gezien als al 60% van de nierfunctie verloren is gegaan. Bij sterk gespierde honden en snelle vermagering zien we hoge creatinine waarden; bij magere honden met weinig spieren een laag gehalte aan creatinine.

Lage waarden: a) honden met weinig spieren; b) te korte tijd tussen bloedafname en meting.

Hoge waarden: a) verminderde nierfunctie door acuut of chronisch nierlijden; b) uitscheiding via de nieren minder door uitdroging of shock; c) plasma is rood door kapotte rode bloedcellen; d) getrainde honden met veel spiermassa; e) suikerziekte (en slecht eten!); f) behandeling met een antibioticum uit de groep cephalosporinen.

Zie ook schrompelnier, bloed- en urineonderzoek.

Crème:

          roomkleur in verschillende schakeringen.

Cremeren van honden:

Mens en dier hebben tegenwoordig een hechte band. Het onvermijdelijke overlijden van een dier brengt verdriet en rouw met zich mee. Een dier wordt als 'volwaardig lid' van het gezin of als levenskameraad beschouwd. De aandacht voor het afscheid nemen van een dier is sterk groeiend. Mensen 'schamen' zich niet meer om voor hun verdriet uit te komen en willen hun huisdier op liefdevolle wijze een laatste rustplek geven.

Er bestaan in het gehele land huisdierencrematoria, waar u uw overleden hond tegen betaling kunt laten cremeren, zelfs individueel cremeren is mogelijk. Ook kunt u uw hond begraven.

Vergeet een hond trouwens niet af te melden bij de hondenbelasting. Het klinkt misschien een beetje raar, maar het voorkomt vreemde situaties op een later moment.

Crepitatie, crepitus:

krakend geluid bij het over elkaar bewegen van ruwe oppervlakten bij bijv. bot over kraakbeen of wanneer een gewricht wordt gebogen of gestrekt.

Cretinisme:

een vorm van dwerggroei, die gepaard gaat met ontwikkelingsstoornissen en wordt veroorzaakt door onvoldoende functie van de schildklier vóór de geboorte en in de prille jeugd (jodiumtekort).

Cronenberger:

Bergisch-Cronenberger Bracke. Hertenrode Brak met zeer lang, licht gedraaid behang en lichte hubertoïde gezichtsplooi.

Crook tail:

kurkentrekkervormige staart van de Bulldog.

Cropped ears (Cropping):

Engels voor gecoupeerde oren.

Crossing over:

het verbreken van de koppeling van genen die op dezelfde chromosoom liggen door het breken van de chromosoom.     

Croupe:

zie kruis.

CRT, C.R.T.:

is de afkorting van Capillary Refill Time (Capillair Refill Time) en geeft de tijd aan die nodig is voor de kleine bloedvaatjes in de periferie (capillairen) om zich weer te vullen, nadat ze even dichtgedrukt zijn geweest en is daarmee een maat voor de perifere doorbloeding.

Om te testen of er sprake is van een verstoorde bloedcirculatie kunt u de zogenaamde CRT-test doen om de doorbloeding van het slijmvlies te checken: u duwt met uw vinger op bijv. de binnenkant van de lip of op het tandvlees, waardoor er een wit plekje ontstaat. Deze witte plek dient binnen 1 seconde na het loslaten weer zijn oorspronkelijke kleur te hebben. Duurt dit langer dan 1 seconde, dan is er sprake van een verlengde CRT, wat duidt op een verstoorde doorbloeding. Dit komt voor als de hond in shock is.

Cruft's Dog Show:

meest bekende tentoonstelling in Engeland, aanvankelijk in Londen iedere 2e donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag in februari, thans in maart te Birmingham. Deze werd in 1886 voor het eerste georganiseerd door Charles Cruft. Hij overleed in 1939 en na de Tweede Wereldoorlog kwam de organisatie geheel in handen van de Engelse Kennel Club.

Om voor deelname aan de Crufts in aanmerking te komen (voor rassen erkend in Engeland), kunt u alleen op de Winner (de enige tentoonstelling in Nederland) een kwalificatie verdienen.

CRV, C.R.V.:

is het Canine Rotavirus. Het veroorzaakt verschillende aandoeningen aan het maagdarmstelsel. Hoewel het menselijk rotavirus een van de belangrijkste oorzaken van acute enteritis bij baby's en jonge kinderen is, is het virus bij de hond minder problematisch bij pups en jonge honden. Het wordt verspreid via de ontlasting van besmette honden.

Het meest voorkomend symptoom is acute diarree met daarnaast minder eetlust en lethargie.

Een zieke hond moet warm en droog liggen, schoon water krijgen, voldoende drinken (voorkom uitdroging), goed gevoed worden en voor de rest is het afwachten, want net als bij andere virussen is er geen specifieke behandeling.

Er is op het moment dat ik dit type nog geen vaccin beschikbaar. Er wordt wel onderzoek gedaan, dus in de toekomst zal er meer informatie beschikbaar komen.

Cryochirurgie:

vernietiging van cellen door bevriezing.

Cryptococcose:

          gevaarlijke infectieziekte, die wordt veroorzaakt door gistcellen.

Cryptomerie (Kryptomerie):

bepaalde factoren komen niet tot uiting door de afwezigheid van andere dominante factoren. Bijv. een kruising tussen een Ierse Setter en een Ierse Waterspaniel. De genotypes van beide honden zijn BBee resp. bbEE. Het gen B bij de Ierse Setter staat voor een zwarte haarvacht, maar het zwart kan niet tot uiting komen door de afwezigheid van E: de kleur is nu mooi rood. We noemen de factor B nu cryptomeer (verborgen). Het gen b bij de Ierse Waterspaniel staat voor leverkleur en kan tot uiting komen door de aanwezigheid van gen E. Een kruising van beide rassen brengt de cryptomere factor aan het licht. Het genotype van de bastaard is immers BbEe, waarbij de werking van het gen B voor zwart tot uiting kan komen door de aanwezigheid van gen E.

Cryptorchidie:

betekent letterlijk het verborgen zijn van teelballen. Zie cryptorchisme.

Cryptorchisme:

ontbreken van beide testikels in het scrotum; ze liggen nog in de buikholte of ergens in het lieskanaal. Door de hoge temperaturen kunnen de testes geen zaad produceren en zijn de honden dus steriel: cryptorche (kryptorche) of cryptorchide reuen

Op een tentoonstelling worden alleen reuen toegelaten, die beide testikels hebben.

Niet-ingedaalde testikels hebben geen verhoogde kans op tumoreuze ontaarding (kanker), maar het is de ervaring dat indien dit plaatsvindt, het in een veel later stadium wordt ontdekt dan bij wel ingedaalde, met alle gevolgen vandien.

Argumenten tegen preventieve verwijdering van cryptorche testikels zijn in de trant van: een blinde darm verwijder je ook niet preventief voordat er problemen zijn. Aan ieder de keuze hoe te handelen ingeval van cryptorche testikels.

Zie ook monorchisme en wetenswaardigheden.

Cryptosporidiose:

is een parasiet, die niet mag verward worden met coccidiose. Cryptosporidium parvum is een parasiet, die leeft in de darmen van de pups en die een directe cyclus heeft. De prepatent (periode tussen besmetting en symptomen) periode is kort (2-5 dagen).

Pups besmet met deze parasiet vertonen depressie, niet willen eten, vertraagde groei en intermitterende diarree. Via een onderzoek van de ontlasting kan de dierenarts de parasiet herkennen.

Bij de diagnose moet het hele nest behandeld worden; hoe jonger de pups, des te slechter de prognose. Als behandeling kan de dierenarts Halofuginone geven gedurende drie opeenvolgende dagen. Preventief moet u de kennel voldoende ontsmetten en laten controleren op nog aanwezige parasieten.

CT-scan (Computertomografie):

of Computed Tomography is een driedimensionale röntgen-'foto'. Op een CT-scan blijven botstructuren als op gewone röntgenfoto's heel goed te zien, maar daarnaast zijn de omgevende weke delen ook enigszins zichtbaar. Er is wel dit verschil dat een röntgenfoto een soort portret is waarop je verschijnt in dezelfde houding als je bent gefotografeerd, terwijl een CT-scan eigenlijk een doorsnede is door het lichaam die door de computer is getekend. Dat heeft te maken met de manier waarop een CT-scan wordt gemaakt. De hond moet daarvoor onbeweeglijk liggen (dus wordt hij onder narcose gebracht) op een soort matras, terwijl het lichaamsdeel waar het omgaat, bijvoorbeeld de schedel, in de opening ligt van de eigenlijke scanner, een soort ring waaruit met een dunne röntgenstraal een plakje van de schedel vanuit verschillende richtingen wordt beschenen (gescand). Hierna schuift hij een eindje op waardoor een volgende plak kan worden gescand. 

Er wordt ook vaak contrast ingespoten.

Zie ook MRI-scan en röntgenstraling.

Culotte:

Frans voor broek (bijv. Schipperke). 

Curatief:

          genezend.

Cushing, het syndroom van~ (hyperadrenocorticisme):

hierbij produceert de bijnierschors een te grote hoeveelheid cortisol, een steroïde hormoon

De oorzaak is ofwel een tumor aan de bijnier ofwel een tumor aan de hypofyse

Honden met dit syndroom kunnen de volgende symptomen hebben: polydipsie, polyurie, gezwollen buik (door vergrote lever en vocht vasthouden), alopecia op de flanken, kleurverandering van de vacht, spierverzwakking en algehele verslechtering. Diagnose: door o.a. bloedonderzoek en urineonderzoek.

Wanneer de ziekte door een tumor aan de bijnier (maar 5%) wordt veroorzaakt, zal de aangetaste bijnier operatief worden verwijderd. 

Gaat het om de hypofyse, dan krijgt de hond gedurende 25 dagen Lysodren® voorgeschreven; deze tabletten vernietigen de bijnierschors, m.a.w. eigenlijk wordt er dan de ziekte van Addison van gemaakt. Omdat de bijnierschors vernietigd wordt, moet u dagelijks én levenslang de door het lichaam benodigde hoeveelheid cortisol toedienen. Dat doet u door fluhydrocortison en cortisonacetas tabletten in te geven. Tevens moet dagelijks zout toegediend worden, omdat extra zoutverlies optreedt.

Er is de laatste jaren vrij veel ervaring opgedaan met de medicamenteuze behandeling van de ziekte van Cushing m.b.v. het middel Trilostane®. Het gaat hierbij om de zogenaamde hypofysaire vorm van de ziekte van Cushing, waarbij de hyperactiviteit van het bijnierschorsweefsel wordt veroorzaakt door een tumor in de hypofyse.

Het middel Lysodren, dat tot voor kort altijd gebruikt werd als medicamenteuze behandeling van de ziekte van Cushing, is een chemotherapeuticum. Het vernietigt sneldelende cellen met alle mogelijke bijwerkingen van dien. Bovendien vernietigt het de gehele bijnierschors, met als gevolg dat de productie van zowel glucocorticoïden als mineralocorticoïden volledig stil komt te liggen. Omdat deze stoffen echter wel in bepaalde hoeveelheden nodig zijn om normaal te kunnen functioneren, moeten deze stoffen levenslang toegediend worden in tabletvorm. Er wordt dus eigenlijk van een Cushing patiënt een Addison patiënt gemaakt en dan wordt vervolgens de ziekte van Addison weer behandeld. Nogal ingrijpend en omslachtig dus. Trilostane is een middel dat via een competitieve (= wedijverende) remming van een bepaald enzym de biosynthese van cortisol in de bijnierschors blokkeert. Deze blokkade is reversibel: als er wordt gestopt met het geven van Trilostane dan gaat de productie van cortisol dus weer gewoon verder. Trilostane is dus geen chemotherapeuticum en er wordt dus geen bijnierschorsweefsel vernietigd zoals bij Lysodren het geval is. Het middel op zich geeft dan ook veel minder bijwerkingen. De mogelijke bijwerkingen bij het gebruik van Trilostane ontstaan door een relatieve overdosering, waardoor er een tekort aan cortisol kan ontstaan.

De werking van Trilostane is maar kort: 2-6 uur. Bij éénmalige toediening wordt dus slechts gedurende een korte periode de productie van cortisol onderdrukt. Toch blijkt dit voldoende te zijn om een duidelijke verbetering van de symptomen te bewerkstelligen. De 'truc' is nu om een zodanige dosering van het middel Trilostane te geven, dat er voldoende onderdrukking is van de productie van cortisol om een klinische verbetering te geven, maar dat er geen symptomen optreden t.g.v. een tekort aan cortisol zoals buikpijn, braken, anorexie en sloomheid. De inmiddels opgedane ervaring leert, dat het het verstandigste is om te starten met een lage dosering Trilostane (2-4 mg/kg) gedurende een periode van 3 weken, waarna het effect van de behandeling geëvalueerd wordt aan de hand van een gesprek met de eigenaar, een lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek. Bij dit bloedonderzoek worden er diverse hormoonspiegels gemeten en er wordt een test gedaan om te kijken in hoeverre de bijnierschors nog kan reageren op stimulerende prikkels (ACTH-stimulatie test). Aan de hand van de uitkomsten van deze evaluatie kan dan eventueel de dosering van Trilostane voorzichtig worden bijgesteld. In principe moet Trilostane levenslang gegeven worden.

Trilostane lijkt vooralsnog een fraai nieuw medicament voor de behandeling van de ziekte van Cushing. De ervaringen zijn echter nog vrij beperkt en de behandeling moet goed begeleid worden. Het 'addertje onder het gras' blijkt vooral te schuilen in de juiste dosering en die lijkt voor een groot deel zeer individueel bepaald. Het blijft echter een feit, dat het middel minder onomkeerbare schadelijke effecten heeft in het gehele lichaam dan Lysodren en daarmee vormt het een welkom alternatief voor de behandeling van de ziekte van Cushing.

Bij verdenking op de ziekte van Cushing (hyperadrenocorticisme) kan de dierenarts besluiten om een zogenaamde cortisol/creatinine ratiobepaling te laten doen in de urine. Deze pred-test houdt in dat u op 3 achtereenvolgende dagen op exacte tijdstippen ochtendurine op moet vangen, terwijl u de hond de 2e dag volgens een bepaald schema tabletten van 0,5 mg Dexamethason moet toedienen. Deze 3 buisjes urine worden in de universiteitskliniek afd. endocrinologie te Utrecht onderzocht.

Tegenwoordig wordt als behandeling van hypofyse- en bijnierafhankelijk hyperadrenocorticisme bij honden ook Vetoryl® met als actief bestanddeel trilostane toegediend.

Cushion:

opgevulde wangen, opgevulde dikke lippen bij Bulldog en Mastiff.

Cutaan:

          tot de huid behorend.

CVD (Chronic Valve Disease), C.V.D.:

is een chronische aandoening van de hartkleppen tussen de linkerkamer en boezem van het hart (o.a. mitralisinsufficiëntie). De kleppen degenereren door verdikking en verschrompeling van vooral de randen. Soms zijn ook de vezels die de kleppen bedienen aangetast. Het gevolg is dat de kleppen gaan lekken en dat het hart het bloed moeizamer rond kan pompen. Dit leidt tot afwijkende drukverhoudingen tussen de kamers en boezems van het hart. De linkerboezem zal gaan vergroten, in een later stadium vaak ook de linkerkamer.

In een aantal gevallen doen ook de kleppen in het rechterhart mee. Door de lekkage en de verhoogde druk in de linkerkamer ontstaat o.a. stuwing in de longen waardoor hoesten op kan treden. Hoesten is naast een verminderd uithoudingsvermogen dan ook vaak het eerste signaal dat er iets mis kan zijn met het hart.
Het proces is progressief, de afwijking zal langzaam erger worden. Dat kan een proces van jaren zijn, soms echter gaat het sneller en zien we verschijnselen van ernstig hartfalen, benauwdheid, flauwvallen tot zelfs een acute dood aan toe.

Meestal zien we CVD bij wat oudere honden van de qua formaat kleinere rassen. Bij sommige rassen zien we de afwijking niet alleen vaker, maar ook al op jonge(re) leeftijd, met name bij de Cavalier King Charles Spaniel en de Mini Bull Terriër blijkt het een rasprobleem te zijn. Er is hier sprake van een erfelijke oorzaak. De afwijking komt bij de Cavalier vaker voor bij reuen dan bij teven.
Als deze afwijking bij uw hond wordt vastgesteld is er geen genezing mogelijk. De gevolgen (hoesten en in een later stadium een eventueel hartfalen) kunnen in de meeste gevallen m.b.v. medicijnen wel worden verlicht, de afwijking zelf niet.

CW:

de titel 'Clubwinner met jaartal', afgekort als CW met de laatste 2 cijfers van het jaar (bijv. CW06), werd m.i.v. 1-1-'06 toegekend aan alle honden die beste van het ras zijn geworden op de door de vereniging georganiseerde kampioensclubmatch.

Volgens de oude regel was het zo, dat als een rasvereniging de belangen van meerdere rassen vertegenwoordigde, er op een clubmatch toch maar één hond (ras) clubwinnaar kon zijn. Dit terwijl er meerdere rassen waren ingeschreven met vaak dezelfde aantallen honden.

De nieuwe regelgeving biedt gelijke kansen aan elk ras om de titel Clubwinnaar te behalen.

Cyanocobalamine:

          vitamine B12.

Cyanose / cyanosis:

(paars)blauwe verkleuring van de huid en de slijmvliezen, meestal door zuurstoftekort.

Cyniclomyces guttulatus:

zie brillendoosjesgist.

Cynophilia:

de Koninklijke Nederlandse Kennelclub 'Cynophilia' werd opgericht op 1 april 1890 met de bedoeling zich bezig te houden met het organiseren en steunen van hondententoonstellingen, het bevorderen van de rashondenfokkerij en het samenstellen van een raspuntenboek teneinde de keuring van honden te uniformeren. 

Thans kent Cynophilia 3 taken: 

a) het organiseren van de jaarlijkse Winnertentoonstelling in Amsterdam; 

b) het mede-organiseren en afnemen van G&G-examens door keurmeesters, die door Cynophilia zijn aangesteld; 

c) het aanwijzen van drie leden om deel uit te maken van de Raad van Beheer.

Zie ook Van Bylandt.

Cyste:

          lichaamsholte, die met een min of meer weke massa is gevuld.

Cystectomie:

is het wegnemen van de volledige blaas. Zie blaaskanker.

Cysticercus:

          larve van een lintworm.

Cystitis:

of blaasontsteking; zowel reuen als teven kunnen hier last van hebben, maar bij teven komt het vaker voor dan bij reuen. Meestal veroorzaakt door een bacteriële infectie van de blaas, afkomstig van de genitaliën. Soms zijn blaasstenen de oorzaak. 

Symptomen zijn o.a. vaker dan normaal moeten plassen, maar dan wel kleine beetjes, bloed bij de urine, duidelijke tekenen van pijn bij het plassen of napersen (blijven zitten of staan) nadat geürineerd is. Een sterke ammoniaklucht duidt op blaasontsteking.

Voor het stellen van de juiste diagnose is er naast een nauwkeurig "ooggetuigenverslag" van de eigenaar (vooral over het beeld van het plasgedrag en de kleur van de urine), ook nog een steriel opgevangen urinemonster nodig (via katheter of via een buik/blaaspunctie), een röntgenfoto van het lendengebied van de wervelkolom en een röntgenfoto of echo van de blaas.

Aangezien een bacteriële infectie de belangrijkste oorzaak is voor een blaasontsteking, zal de behandeling bestaan uit antibiotica. Indien er kristallen aanwezig zijn, zal de hond op een speciaal dieet, dat de vorming van de kristallen tegengaat, gezet worden.

De prognose is meestal goed, maar indien er kristallen aanwezig zijn, is de kans groot dat de infectie terugkomt of dat er blaasstenen gevormd worden.

Zie ook urineonderzoek, struviet, urolithiasis en urinezuurkristallen bij Dalmatiërs.          

Cystocentese:

afname van een urinemonster m.b.v. een fijne naald, die in de blaas wordt ingebracht door de buikwand heen.

Cystoscopie:

is een onderzoek van de blaas, waarbij via de plasbuis in de blaas gekeken wordt. Het meest gebeurt dit bij teefjes. Bij reuen is de plasbuis te nauw voor de invoering van kijkapparatuur.

De cystoscopie wordt tegenwoordig meestal voorafgegaan door een blaascontraströntgenonderzoek en echografie van de blaas. Soms is het echter onmogelijk om met zekerheid een onderscheid te maken tussen tumor en ontsteking zonder een cystoscopie en/of een cystoscopisch gericht genomen biopt.

Zie ook endoscopie.

Cytokinen:

chemische stoffen in het lichaam, die in slechts heel kleine hoeveelheden voorkomen en uiteenlopende celactiviteiten regelen, zoals de celgroei stimuleren of vertragen.

Cytologie:

de leer van de cel; ook wel onderzoek van lichaamscellen onder een microscoop.

Cytoloog:

is een 'celkundige', iemand die gespecialiseerd is in het beoordelen van cellen. Hij kan bijv. vaststellen of iets goed- of kwaadaardig is.

Cytoplasma:

vloeistof in dierlijke cellen. In het cytoplasma vinden we naast water (neemt ongeveer 75% van het volume in) bijvoorbeeld eiwitten, aminozuren, suikers, vetten en vetzuren, diverse opgeloste zouten, celenzymen etc. In het cytoplasma speelt zich het metabolisme af.            

Cytostaticum:

stof die remmend werkt op de deling van cellen, bedoeld om tumorcellen af te remmen of te doden.   

Cytostatisch:

          de celdeling remmend.

                                                                                                                                  Naar de 4e pagina met kynologische uitdrukkingen.

Terug naar 'Kynotermen'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

Menu-knop.