Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

C

 

C.A.C. (CAC):

Certificat d'Aptitude au Championnat. Nationale kampioensprijs, die de Raad van Beheer op kampioenschapstentoonstellingen en kampioensclubmatches beschikbaar stelt aan beste reu en beste teef van elk ras, mits de honden 'U' behaalden. 

De titel kampioen wordt gegeven aan de hond, die vier van deze kampioensprijzen heeft behaald onder minstens twee verschillende keurmeesters op minstens drie verschillende tijdstippen. Men kan met drie tijdstippen volstaan, daar men bij het behalen van de kampioensprijs op de Winner óf op een kampioensclubmatch deze dubbel berekend krijgt. Een reservekampioenschap van een kampioensclubmatch geldt voor één enkele kampioensprijs. Voorts mogen ook vier of meer andere reservekampioensprijzen worden gelijk gesteld aan één kampioensprijs. De titel kampioen wordt toegekend als de hond bij het behalen van zijn laatste kampioensprijs minstens 27 maanden oud is. Dit is ongeacht het aantal prijzen, dat hij voor die leeftijd heeft behaald.

C.A.C.I.A.G. (CACIAG):

            Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Agility.
C.A.C.I.B. (CACIB):

Certificat d'Aptitude au Championnat International de Beauté; certificaat van de F.C.I. (internationale kampioenschapsprijs), dat beschikbaar wordt gesteld op internationale tentoonstellingen, zowel aan de beste reu als aan de beste teef, mits deze 'U' behaalden en ingeschreven waren in de openklasse of kampioensklasse en mits zij 15 maanden of ouder zijn. 

De titel Internationaal (Schoonheids)kampioen wordt verkregen, indien de hond in minstens drie verschillende landen, waaronder het land van vestiging, onder minstens drie verschillende keurmeesters vier certificaten behaalde.
Voor
jacht- en gebruikshonden geldt een andere regeling: minstens twee certificaten in minstens twee landen onder minstens twee verschillende keurmeesters en als derde certificaat bovendien een 'goed' van een nationale veldwedstrijd dan wel het IPO-I
examen afgelegd met goed gevolg.
Tenslotte moet er tussen het behalen van het eerste en het laatste certificaat een termijn van minstens 12 maanden liggen.

C.A.C.I.L. (CACIL):

Certificat d'Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers.            

C.A.C.I.O.B. (CACIOB):

Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Obéissance.

Dit is de internationale FCI Obedience-prijs.

C.A.C.I.T. (CACIT):

Certificat d'Aptitude au Championnat International de Travaille; internationale werkkampioenschapsprijs.

Cadmium (Cd):

komt door industriële lozing in het milieu.

Zie sporenelementen.

Caecum:

blinde darm.

Caille:

wit met gestroomde platen (bijv. Franse Bulldog).

Calcemie:

het calciumgehalte in het bloed; zie hypocalciëmie, hypercalcemie en bloedonderzoek.

Calcificatie:

            verkalking, kalkafzetting.

Calcitone:

hormoon geproduceerd door de schildklier. Dit hormoon verzorgt samen met andere hormonen de calcificatie van het skelet.

Calcium (Ca):

kalk (calcium) is een belangrijke bouwsteen voor het bot, maar daarnaast heeft het belangrijke functies bij de prikkelgeleiding in zenuwen, de prikkelbaarheid van spieren en bloedstolling.

Calcium heeft 3 belangrijke functies:

a) het verschaft het skelet zijn stevigheid;

b) zorgt voor de bloedstolling;

c) is van belang bij spiercontracties.

Als u uw hond een complete voeding geeft, heeft uw hond geen voedingssupplementen nodig. Het geven van extra kalk (bijv. Gistocal of Hokamix) aan jonge opgroeiende honden kan schade veroorzaken aan de gewrichten en kan voor problemen zorgen bij de ontwikkeling van het beendergestel. Overdaad schaadt! U doet hier meer fout dan goed mee!

Gebleken is namelijk dat in standaard hondenvoer al ruim voldoende kalk zit en dat het waarschijnlijk, met name voor de honden van grote rassen (dat is rassen met een eindgewicht van boven de 20 kg), juist beter zou zijn om speciale voeding met een verlaagd kalkgehalte te geven. Een te hoog kalkgehalte tijdens de (vroege) groei kan diverse soorten van skeletontwikkelingsstoornissen veroorzaken en daarmee dus ernstige kreupelheden. Dit geldt voor alle voeding, dus ook de voeding die al in het nest bij de fokker wordt gegeten en vanaf de eerste dag bij u thuis. Juist gedurende de eerste 6 maanden van het leven van uw pup kan er op dit gebied veel mis gaan.

Voor kleine honden (eindgewicht onder de 20 kg) kan teveel kalk een stuk minder kwaad, omdat het teveel aan kalk via de ontlasting verdwijnt, terwijl de grote honden extra hoeveelheden wel opslaan.

Een gouden regel: commerciële voeding = geen extra vitaminen, kalkpreparaten, mineralen.

Wanneer u zelf kookt voor uw hond, moeten er uiteraard wel vitaminen/mineralen toegevoegd worden, maar niet in het wilde weg. U bespreekt dit het best met uw dierenarts om, naargelang de leeftijd en de activiteit van het dier, een correcte mengeling van vitaminen/mineralen samen te stellen.

Zie ook vitamine D, jonge dieren, fosfor (voor de calcium-fosforverhouding), zouten, mineralen, electrolyten en bloedonderzoek.

Callus:

zie opbouw van het been.

Callus pyoderma:

infectie van de dikke huid, die de uitstekende botten bedekt, zoals de ellebogen. Komt voor bij grotere honden.  

Camargue, Herdershond van ~:

zie Languedoc.

Campylobacter:

zie Salmonella.

Candida-infectie:

            schimmelziekte van de huid en de slijmvliezen.

Canicross:

is een nog jonge hondensport: joggen met je aangelijnde hond in de vrije natuur, recreatief of deelnemen aan heuse wedstrijden (met name in België en Frankrijk). Er zijn speciale tuigjes voor de hond, canicross lijnen met schokdempers en/of gordels voor uw middel in de handel.

Zie ook wetenswaardigheden.

Canidae:

de door Linnaeus (1707-1778) gehanteerde benaming voor de familie van de hondachtigen, waartoe ook de (huis)hond behoort. Het zijn kleine tot middelmatige grote roofdieren, die over het algemeen in troepen de prooi over grote afstand achtervolgen en uitputten. Het zijn dan ook snelvoetige teengangers met een groot uithoudingsvermogen. Ze komen over vrijwel de gehele wereld voor en worden in 2 onderfamilies onderverdeeld:

a) echte honden: o.a. wolf, dingo, jakhals, vos en huishond;

b) boshonden: o.a. adjag, boshond en hyenahond.

Canine Freestyle:

zie Dogdancing.

Canine Herpes Virus (CHV):

oftewel Herpes Canis komt over de hele wereld voor; daarom zijn de meeste honden er wel eens mee in aanraking geweest, waardoor ze immuun zijn. Er ontstaan pas problemen als een teef die nog nooit met CHV in aanraking is geweest, er vlak voor de dekking of tijdens de dracht mee besmet raakt. Het virus veroorzaakt een vruchtbaarheidsdaling bij de teef en leidt tot pupsterfte, vooral in de eerste levensweek.

Bij volwassen honden met luchtwegaandoeningen, een vaginale ontsteking of andere aandoeningen aan het geslachtsapparaat kan gedacht worden aan CHV. Er is geen behandeling tegen het virus mogelijk en er kan niet tegen gevaccineerd worden.

In geval van besmettingen bij pasgeborenen zien we dat de meeste pups bij het begin van de infectie 1 week oud zijn. Bij deze leeftijd leidt dit tot de dood binnen een aantal dagen. De pups hebben het veelal in het begin heel goed gedaan, ze groeien goed en zijn veelal de zwaarste. Dan stoppen ze plotseling met drinken en vertonen lusteloosheid. Verschijnselen van luchtwegproblemen zoals met open bek ademen, benauwdheid, speekselen en waterige neusuitvloeiing kunnen optreden. Ook braken en zachte grijsgele of groene ontlasting kunnen zich voordoen. Typisch is uiteindelijk het doordringend en continu geschreeuw, soms gepaard gaande met fietsbewegingen en sterrenkijken. Bij aanraking is de buik pijnlijk.

Als pups ouder dan 2 à 3 weken zijn en dan geïnfecteerd worden, heeft dit grotendeels geen fatale afloop meer. Luchtwegproblemen, zenuwverschijnselen, blindheid en doofheid kunnen wel optreden.

Op nog latere leeftijd geschiedt de infectie net als bij de volwassen honden meestal zonder dat men er iets van merkt.

In het kort komt het hier op neer: het CHV is wijdverbreid, lastig diagnostisch in kaart te brengen, wordt nauwelijks door de dekreu verspreid, blijft aanwezig bij dragers, is bij de individuele zieke pup moeilijk tot niet te behandelen, is preventief in probleemkennels te beheersen o.a. door enting van de fokteven en hygiënische maatregelen. Uitroeiing van CHV is op dit moment niet mogelijk, beheersing wel.

Canini:

            hoek- of haaktanden; zie tanden.

Canis:

wetenschappelijke naam van het geslacht hond, die gevolgd wordt door een soortnaam, bijv. Canis lupus = wolf, canis vulpes = vos. Deze naam kan weer worden gevolgd door de naam van een ondersoort, bijv. Canis lupus familiaris voor de huishond.

Canis (lupus) familiaris:

            Latijnse benaming voor huishond.

Canny Collar:

is een trainingsband ontwikkeld door The Canny Company. Simpel om te doen en eenvoudig te gebruiken. Wel moet u de juiste maar kiezen.

De Canny Collar is een oplossing voor het meest voorkomende gedragsprobleem bij honden, trekken aan de lijn.

Het is een simpel trainingshulpmiddel gemaakt van een conventionele platte band met een veilige traditionele sluiting. Uw riem wordt bevestigd aan de dunnere sliplijn, gemaakt van zacht maar sterk materiaal, die over de neus van de hond gaat. De lijn wordt achter het hoofd aangehaakt.

De Canny Collar is geen hoofdhalster, maar moet worden gezien als traininghalsband. Het heeft enkel een extra bandje dat over de snuit past, zodat de hond zich comfortabeler voelt. Het rukt de kop niet opzij (wat in sommige gevallen ernstige blessures teweeg kunnen brengen aan de nek), maar werkt aan beide kanten van de kop van de hond en oefent daar een lichte druk uit.

Het andere grote verschil met een hoofdhalster is, dat de riem vast wordt gemaakt achter de kop van de hond.

Canter:

een gang die noch symmetrisch, noch asymmetrisch is. De benen bewegen in diagonale paren: linksachter met rechtsvoor en rechtsachter met linksvoor.

Capillair:

            haarvat, fijne vertakking van een bloedvat. Voor meer info: zie bloedvaten.

Capnocytophaga Canimorsus:

is een bacterie. Zie wetenswaardigheden.  

Caput:

            Latijn voor hoofd, kop.

Carcinogeen:

            kankerverwekkend.

Carcinoom:

kwaadaardig (kanker)gezwel, dat ontstaat door celwoekering. 

Zie voor meer info: wetenswaardigheden.            

Cardia:

toegang van de maag, waar vanuit de slokdarm het voedsel de maag binnenkomt.            

Cardiografie:

            het registreren van de hartbewegingen.

Cardiomyopathie:

ziekte van de hartspier. Symptomen: vocht in de longen, waardoor de hond erg snel buiten adem raakt. De hond kan hoestbuien hebben, vooral na het lopen en ook 's avonds. Zijn buik kan opzetten en hij kan afvallen. Deze ziekte kan tot hartvergroting leiden en kan 2 dingen tot gevolg hebben: allereerst de verdikking en abnormale vergroting van de hartspier, en ten tweede het dunner worden van de hartwand. Het gevolg is, dat het hart niet goed meer kan samentrekken, waardoor er min of meer dezelfde symptomen ontstaan als bij niet goed functionerende hartkleppen. 

Heel vaak zijn erfelijke of aangeboren afwijkingen de oorzaak. De ziekte komt vooral bij grotere rassen voor.

Zie voor meer info: ARVC, DCM en HCM.

Cardiovasculair:

            hart en bloedvaten betreffend.

Cariës:

is rotting of afsterven van bot- of tandweefsel.

De kroon is het zichtbare deel van de tand of kies. De kroon is aan de buitenzijde bedekt met een laagje glazuur of email, dat zeer hard is en tegen de inwerking van scherpe stoffen een zekere bescherming geeft. Het email is niet goed bestand tegen de inwerking van zuren. Zuren worden gevormd door in de mondholte levende bacteriën, die suikers omzetten. 

Bij honden worden in de voeding bijna geen suikers gebruikt en door de afwezigheid van amylase in het speeksel kan de hond ook geen suikers vormen uit zetmeel. Door de zuren ontstaat cariës ("gaatjes"). Het is daarom duidelijk, dat de hond (bijna) geen last heeft van cariës. Indien toch, kan de tand gevuld worden of, als de cariës te erg is, getrokken.

De volgende oorzaken spelen een rol bij het ontstaan van cariës bij de hond:

• voedsel dat zich ophoopt tussen de gebitselementen;

bacteriën die koolhydraten afbreken. Hierdoor ontstaat zuurvorming, waardoor het glazuur van de tand kan worden aangetast;

• de vorming van de kauwvlakken. Door het voedsel wat ze eten en de vorm van de kauwvlakken komt cariës bij de hond niet vaak voor. Als het optreedt is dat vaak in de molaren van boven- en onderkaak. Het ontstaat als een klein defect wat zich langzaam uit kan breiden. Het proces kan het aangetaste element zo uithollen, dat uiteindelijk een breuk in het element kan optreden. Als het wortelkanaal in het proces betrokken is, kan dit leiden tot een wortelpuntabces.

Er zijn in Nederland inmiddels een aantal gespecialiseerde tandartsen voor honden (zie links).

Carlin:

Franse naam voor Mopshond.

Carnivoor:

zoogdier, dat van vlees leeft (vleeseter).

De zoogdieren worden naar hun gebit onderverdeeld in carnivoren of vleeseters (waartoe ook de hondachtigen behoren), herbivoren of planteneters, omnivoren of alleseters, en insectivoren of insecteneters (die ook wel tot de carnivoren gerekend worden).            

Caroteen:

oranjerood pigment uit bijv. wortelen, dat de hond in zijn lever kan omzetten tot vitamine A; daarom wordt (β-)caroteen wel het provitamine A genoemd.     

Carré, ziekte van ~:

            zie hondenziekte.

Cartilago:

            kraakbeen.

Castraat:

mannelijk dier, waarvan de testikels door operatief ingrijpen hun functie hebben verloren of zijn weggenomen.

Castratie:

het operatief verwijderen van de geslachtsorganen bij zowel reu (testikels) als teef (zie ovarioectomie en ovariohysterectomie).

De voordelen van het castreren van een reu zijn veel minder talrijk dan van het castreren van een teef. In sommige gevallen kan een castratie van een reu het karakter positief beïnvloeden. Reuen met een zeer dominant karakter en/of een hypersexueel gedrag kunnen na castratie een stuk rustiger worden en daardoor handelbaarder worden. Het voorkomt tevens het weglopen als er loopse teven in de buurt zijn, maar ook het veelvuldig snuffelen, kwijlen en het oplikken van urine van teefjes.

Ook een overmatige uitvloeiing uit de voorhuid kan door een castratie verdwijnen. Maar dit is wel een heel slechte reden om te castreren. Er zijn nl. ook nadelen. Een wat angstige en onzekere reu kan na een castratie zich in het slechtste geval juist ontwikkelen tot een angstbijter.

Een gecastreerde reu heeft net als een gecastreerde teef meer kans op overgewicht.

Er kan natuurlijk een medische reden zijn om de reu te laten opereren: tumoren van de testikels eventueel met kaalheid als complicatie, of prostaatproblemen bij de reu.
Zie ook chemische castratie.

En voor de voor- en nadelen bij de teef: zie OVE.            

Castreren:

zie castratie.

Cataract (grauwe of grijze staar):

elke abnormale vertroebeling van de lens en/of het lenskapsel. Het is aangeboren (congenitaal) grauwe staar. 

Het is met medicijnen niet te remmen of te genezen. Wel is een operatie mogelijk, waarbij het ondoorzichtige gedeelte van de lens wordt verwijderd. De kans van slagen varieert van 85 tot 95%.

Afhankelijk van de mate waarin de lens is vertroebeld, kan de hond beter of slechter zien. Als de lens geheel ondoorzichtig is geworden, kan de hond nog wel licht en donker onderscheiden, maar verder niet. Meestal zijn beide ogen tegelijkertijd aangetast en in dezelfde mate. Er treedt geen pijn op.

Cataract is een afwijking, die slechts in recessieve vorm voorkomt. Dat betekent dat een hond drager kan zijn van het recessieve gen zonder dat er ziekteverschijnselen zijn. Pas als beide ouderdieren het recessieve gen aan een nakomeling doorgeven, is de betreffende hond lijder en zal de ziekte zich uiten.

Er bestaat ook niet-congenitale Cataract. Het gaat hierbij om jeugdstaar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is wat misleidend. Bij veel rassen treedt het op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.

Catarre (catarrh):

            slijmvliesaandoening.

Catgut:

            hechtdraad van schapendarm, wordt in het lichaam opgelost.

Cauda:

            staart.

Caudaal:

            zich uitstrekkend in de richting van de staart.

Cauda Equina Syndroom (CES):

zenuwgeleidingsprobleem in het achterste deel van het ruggenmerg.

Zie ook lumbo-sacrale instabiliteit en paardenstaart (=cauda equina).

Causaal:

            oorzakelijk.

CAV:

is Canine Adenovirus, het honden adenovirus, CAV-1. CAV-1 veroorzaakt infectieuze hepatitis (ziekte van Rubarth; zie H.C.C.).

Men heeft de valentie CAV-1 vervangen door CAV-2, omdat deze tweede valentie zeer veilig blijkt. Een aantal neveneffecten werd namelijk aangetroffen bij honden die gevaccineerd werden met het CAV-1, o.a. cornea-oedeem.

Het vaccin bevat het levend verzwakt honden-adenovirus 2 (CAV-2), daar de twee honden-adenovirussen nauw verwante antigenen bevatten. De valentie CAV-2 beschermt tevens tegen infectieuze hepatitis veroorzaakt door CAV-1 en tegen infectieuze laryngotracheïtis veroorzaakt door het CAV-2 (ook verwekker van kennelhoest).

Cavapoo, Cavadoodle, Cavoodle, Cavadoedel, Cavoedel:

is een kruising tussen een Cavalier King Charles Spaniel en een Poedel (meestal de Dwergpoedel).

Daarnaast bestaan er ook andere Poedelkruisingen.

Caverne:

            holte in een orgaan, m.n. in de longen.

Cavum:

            holte, bijv. schedelholte.

C.C. (CC):

Challenge Certificate; deze titel kan gewonnen worden op bepaalde shows georganiseerd door The Kennel Club in Engeland en geeft punten voor de kampioenstitel en tevens als kwalificatie voor de Crufts

RCC is Reserve Challenge Certificate, DCC is  Dog Challenge Certificate, DRCC (of RDCC) is Dog Reserve Challenge Certificate (waarbij 'dog' een Engels woord voor reu is), BCC  is Bitch Challenge Certificate en BRCC (of RBCC) is Bitch Reserve Challenge Certificate (waarbij 'bitch' een Engels woord voor teef is).

CDA:

is Color Dilution Alopecia.

CDL:

Commission des Lévriers; een speciale windhondencommissie die sinds 1990 in opdracht van de FCI de internationale organisatie van het windhondenrengebeuren regelt.

CEA (Collie eye anomaly):

een verzamelnaam van een groep aangeboren ontwikkelingsstoornissen van het netvlies/vaatvlies en de achterwand van het oog bij de Collies, Sheltie en de Australian Shepherd. De afwijkingen komen vaak beiderzijds voor, maar kunnen ook eenzijdig voorkomen. 

Het eenvoudigst is deze aandoening voor te stellen als een blaasje in het netvlies: waar het blaasje zich bevindt, bevinden zich geen zintuigcellen. Het blaasje kan meer of minder groot zijn, zodat het gezichtsvermogen geheel of in wat geringere mate beperkt is. In de meeste gevallen is de hond blind. CEA is erfelijk

CECS:

is de afkorting van Canine Epileptoid Cramping Syndrome. CECS is de verzamelnaam voor een ziekte die een aantal jaren geleden opgemerkt werd bij de Border Terriër Spike en daarom ook wel 'Spike's Disease' genoemd wordt. Het vermoeden bestaat, dat de ziekte al ongeveer 25 jaar bij Border Terriërs voorkomt. Border Terriërs met CECS laten krampaanvallen zien, die in eerste instantie veel weg hebben van een epileptische aanval, maar dat zeker niet zijn. Tot op heden is CECS alleen bij de Border Terriër gezien en een erfelijke achtergrond, op basis van een gen-mutatie, lijkt zeer waarschijnlijk.

In Nederland is de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht deze betrekkelijk jonge ziekte aan het onderzoeken. Als u eigenaar bent van een Border Terriër met één of meer van de onderstaande verschijnselen dan kunt u meedoen aan het onderzoek door te klikken op de volgende link en de enquête in te vullen en op te sturen.

Zoals hierboven al vermeld hebben de krampaanvallen bij CECS veel weg van een epileptische aanval, toch is er een duidelijk onderscheid te maken. Wel moet opgemerkt worden dat het symptomenbeeld per hond heel verschillend kan zijn. Hieronder wordt het verloop van de aanvallen, zoals ze tot nu toe het vaakst zijn gemeld, beschreven.

De eerste verschijnselen van zowel CECS als primaire epilepsie worden meestal gezien op een leeftijd van 2 tot 6 jaar. Deze eerste verschijnselen zijn vaak onopvallend en kunnen door de eigenaar van de hond over het hoofd worden gezien. Er wordt vaak een plotselinge onpasselijkheid van de hond waargenomen, soms gecombineerd met rommelen en plotseling hard worden van de buik. Het dier kan een ogenblik als aan de grond genageld staan, maar ook wordt wel beschreven dat honden korte tijd niet op kunnen staan of dat de staart en achterpoten korte tijd verkrampt waren. Na de kortdurende aanval, ook wel 'absence' genoemd, tonen de honden zich niet onder de indruk en zijn volkomen normaal.

Weken tot maanden later kunnen nieuwe aanvallen optreden. Meestal is de 2e aanval duidelijk heftiger qua duur en intensiteit. Vanaf de 2e aanval worden meestal de periodes tussen aanvallen korter. Vlak voor de krampaanval ziet de eigenaar onrust bij de hond: heen en weer lopen, telkens naar de buik omkijken, smakken, de neus likken en intensief de voorpoten likken.

Ook de aanval zelf uit zich bij individuele honden op een verschillende manier. De symptomen kunnen variëren van alleen maar overmatig trillen, overdreven rekken en strekken, wankelende onzekere gang tot complete verkrampingen, waarbij de hond omvalt en meestal vooral de achterste lichaamshelft en de staart verkrampt zijn. Ook kunnen de halsspieren en de voorpoten verkrampt zijn, sommige honden maken fietsbewegingen met hun voorpoten en kunnen achterover tuimelen. Ze laten meestal geen urine lopen, dit in tegenstelling tot epilepsie. Wel kan het zijn dat ze speekselen en met de kop schudden tijdens een aanval.

De duur van de aanvallen varieert van in het begin enige seconden tot 15-20 minuten in het verdere verloop van de aandoening. Het is ook wel voorgekomen dat een hond urenlange aanvallen heeft gehad. De dieren reageren niet/slecht op de medicijnen die bij epilepsie worden ingezet.

Opvallend is, dit in tegenstelling tot epilepsie, dat de honden tijdens een aanval aanspreekbaar zijn en reageren op hun omgeving. Maar ze zijn niet in staat gevolg te geven aan aanwijzingen van hun baas.

Zoals hierboven al vermeld reageren de honden met CECS niet/slecht op de gangbare medicatie bij epilepsie.

Er is een dierenarts in Amerika die zeer positieven resultaten behaalt bij de inzet van een gluten- en granenvrij dieet bij honden met slecht behandelbare epilepsie en allergische problemen en de resultaten zijn zeer veel belovend.

Celfysiologie:

            houdt zich bezig met de taken en functies van de cel.

Centraal kanaal:

door het gehele centrale zenuwstelsel loopt een kanaal. In de hersenen en in het verlengde merg is dit kanaal verbreed tot hersenkamers. In het hersenkanaal bevindt zich hersenvocht. Tussen het kanaal en de ruimten tussen de hersenvliezen zijn verbindingen aanwezig.

Ook het centrale kanaal doet dienst als buffer bij het opvangen van mechanisch geweld.

Zie ook zenuwstelsel.

Centraal zenuwstelsel:

hersenen en ruggenmerg oftewel grote en kleine hersenen, hersenstam, het verlengde merg en het ruggenmerg

Het centrale zenuwstelsel wordt omgeven door een aantal vliezen ter bescherming: het harde hersenvlies, het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies. De ruimten, die nog tussen de vliezen liggen, worden opgevuld met hersenvocht, dat als stootkussen een extra bescherming geeft. De samenstelling van hersenvocht lijkt wel een beetje op die van lymphe, maar er komen geen plasma-eiwitten in voor.

Zie voor verdere info: zenuwstelsel.

Cerebellum:

            de kleine hersenen.

Cerebrospinale vloeistof:

hersenruggenmergsvloeistof, hersenvocht.

Eigenlijk wordt hersenvocht liquor genoemd, van het Latijn "liquor cerebrospinalis" of met een anglicisme "cerebrospinale vloeistof".

Het is de waterige vloeistof die zich in en om de hersenen en het ruggenmerg bevindt. De hoofdfunctie hiervan is schokdemping en bescherming van hersenen en ruggenmerg. Een nevenfunctie is transport van voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen.

Cerebrum:

            de grote hersenen.

Certificering:

certificering in de kynologie is het maken van een helder onderscheid tussen malafide fokkers / hondenhandelaren én serieuze rasverenigingen en rashondenfokkers die aan een aantal kwaliteitseisen voldoen.
De wijze waarop dit bereikt gaat worden is vastgelegd in de Nota Certificering.

Zie de link op de site van de Raad van Beheer.

Cerumen:

            oorsmeer.

Cervicaal:

            tot de hals behorend.

Cervix:

            hals van een orgaan.

Cervix uteri:

            baarmoederhals.

CES:

            zie Cauda Equina Syndroom.

Cestode:

            lintworm.

Chabot (jabot):

lang haar aan borst en hals (bijv. Collie).

Chaining:

is een vorm van operante conditionering. Bij chaining worden er verschillende oefeningen aan elkaar gekoppeld tot één handeling. In de reeks van bij elkaar horende oefeningen moet begonnen worden met het aanleren van de laatste in de reeks voorkomende oefening d.m.v. shaping. Vervolgens moet het op één na laatste onderdeel worden toegevoegd en wordt de beloning uitgesteld tot na het laatste onderdeel etc. Een voorbeeld hiervan is de oefening 'terug plaats'. 

Charbonné:

gelige haren met zwarte haarpunten (bijv. Briard, Mechelaar en Tervuerense Herder).

CHD, C.H.D.:

is de afkorting voor Canine Hip Dysplasia.

Zie voor info: HD en PennHIP.

Cheefox:

zie Amertoy.

Chemische castratie:

is niet echt castreren, maar hierbij krijgt de hond een hormoneninjectie (Tardak) toegediend, die voor een tijdelijke remmende werking op het seksueel gedrag en de zaadcelproductie zorgt. De werking ervan is maximaal 3 maanden.

De bedoeling ervan is om te kijken wat het effect is, of een castratie van de reu in een bepaalde situatie wel zinvol is; zo ja dan wordt vaak een echte castratie uitgevoerd. Maar je kunt er niet altijd conclusies aan verbinden, omdat de chemische castratie meestal kortdurend is.

Chemotherapeuticum (meerv. chemotherapeutica):

chemisch bereid geneesmiddel met antimicrobiële of celremmende werking.

Chemotherapeutica zijn bij de meeste mensen wel bekend als behandeling bij diverse vormen van kanker.

Chemotherapie:

behandeling van infecties of tumoren d.m.v. chemotherapeutica

Voor meer info: zie wetenswaardigheden.             

Cherry eye:

of kersenoog is een 'afwijking', die we vooral bij dogachtigen zien, maar ook bij bijv. de Cocker Spaniel.

Honden hebben een derde ooglid. Een stukje kraakbeen vormt het skelet van dit ooglid. De basis van dit kraakbeen is omgeven door een traanklier: de derde ooglidklier. Normaal is deze klier niet zichtbaar. Een uitpuilende klier (prolaps) is rood, gezwollen, is zichtbaar aan de vrije rand van het derde ooglid, en geeft wat slijmerige uitvloei.

Het verhelpen van een cherry eye gebeurt op 3 manieren: het geheel (incl. traanbuis) of gedeeltelijk verwijderen van het kliertje (en niet het derde ooglid!) of het met een paar hechtingen vastzetten. 

Meer info (Engels) incl. foto's vindt u op: http://www.eyevet.info/cherry.html

Een Cherry Eye is niet hetzelfde als eversio van het derde ooglid.

Zie ook hyperplasie.

Cheyletiella parasitovorax:

deze mijt komt normaal gesproken voor bij cavia's en konijnen, maar wil ook wel bij de hond voorkomen. Deze mijt zorgt voor haarschilfering (roos), haaruitval en jeuk. Zie ook Cheyletiella Yasguri.             

Cheyletiella Yasguri:

deze mijt komt voornamelijk bij jonge honden voor. Vaak worden ze al in het nest besmet, soms vindt de besmetting op shows plaats.

Deze vachtmijt hoort bij de schurftachtige parasieten en leeft op de huid tussen de haren. Met het blote oog zijn deze vachtmijten niet te zien, maar kijkt u met een loep dan zult u de schilfers "zien bewegen". 

Cheyletiellamijten (roosmijt) hebben een complete levenscyclus van 35 dagen en hebben als larve daarin een immobiel vervellingstadium. Ze zijn dan niet aan huid of haren verankerd. Ze leven op de huid van de gastheer. Ze voeden zich met weefselvocht dat zij met hun monddelen aanprikken.

Ook mensen kunnen besmet raken (van dier op mens zolang als de hond besmet is). De zoönose Cheyletiella veroorzaakt bij mensen een reactie als na een insectensteek. Bij ons kan deze mijt rode jeukende vlekjes op onze huid veroorzaken. Behandel deze zoals u muggenbeten behandelen zou.

De besmettingsweg van Cheyletiellidae: via contact met geïnfecteerde huisdieren, via textiel (bijvoorbeeld tapijt), via vlo en luis.

De symptomen bij de hond: voornamelijk op de rug schilfering (roos), haaruitval en jeuk. De hond krabt zich veelvuldig.

Als de dierenarts denkt, dat uw hond last heeft van de Cheyletiella mijt, dan neemt hij een oppervlakkig huidmonster. D.m.v. plakband, stofzuigermethode of door een druppeltje olie op de huid aan te brengen en vervolgens weer af te krabben wordt de oppervlakte van de huid onder de microscoop bekeken.
Ook al wordt er geen mijt gevonden in het afkrabsel dan kan soms toch de diagnose huidmijt gesteld worden. Dit gebeurt aan de hand van het klinisch beeld: waar is als eerste de jeuk ontstaan, wat zijn nu de jeukplekken, hoe ziet de huid eruit, hebben andere huisdieren of mensen ook last van jeuk?

De behandeling van cheyletiellose: de meeste middelen tegen vlooien, zoals poeders, shampoos en sprays zijn geschikt (enkele weken lang, eens per week). Bij de hond kunnen ook Frontline druppels voor in de nek worden gebruikt, maar sprayen is beter. Behandel alle dieren in het huishouden: was ze met een speciale shampoo en/of gebruik Frontline.

Wanneer de aandoening steeds terugkomt is er hetzij sprake van infectie vanuit andere huisdieren of van besmetting van de omgeving; de eitjes kunnen tot wel 1 jaar in huis aanwezig blijven. Alle ruimten waar het huisdier kan komen moeten dan behandeld worden met een antivlooienspray voor in huis (2 maal met 2 weken ertussen). De spray hoeft geen groeiremmers te bevatten (dat scheelt nogal in prijs), groeiremmers werken namelijk alleen bij vlooien en niet bij vachtmijt.

CHI, Chronische hartinsufficiëntie:

ongeveer 10% van de honden lijdt aan een hartaandoening. Deze aandoeningen resulteren in een progressieve disfunctie van het hart. Van deze hartkwalen zijn ongeveer 95% verworven en slechts 5% aangeboren

Gedilateerde cardiomyopathie (DCM) en klepinsufficiëntie (EC) zijn de meest voorkomende oorzaken (80%) van hartinsufficiëntie.

De belangrijkste symptomen van C.H.I. zijn: longoedeem, kortademigheid, versnelde ademhaling, hoesten, zwakte, verminderd uithoudingsvermogen en nachtelijke onrust.

De behandeling voor hartfalen kan zowel medicamenteus als met voeding.

Chien courant:

zie Brakken.

Chien d'arrêt:

            zie staande hond.

Chip:

elektronische identificatie. Met ingang van 1-1-1998 is dit de wijze van identificatie van (ras)honden. Op die datum is de tatoeage in het oor afgeschaft. Een 13 mm. lange transponder (chip) met een doorsnede van ± 2 mm. wordt met een injectienaald in het onderhuidse bindweefsel links op de schoft ingebracht. Deze transponder is inert en kan afgelezen worden met een reader. Het transpondernummer (chipnummer) is wereldwijd uniek en is bij de Raad van Beheer in een centrale databank opgenomen. 

De tatoeage in het oor bleek op den duur vaak slecht leesbaar; elektronische identificatie is een veilige, weinig belastende en fraudebestendige registratiemethode. 

Ook niet-rashonden kunt u bij uw dierenarts laten chippen, zodat als hij een keer mocht weglopen, de eigenaar vlug terug te vinden is.

Neemt u uw hond wel eens mee op vakantie? De chip kan ook in het buitenland gelezen worden, mits 'ISO-standaard' afleesapparatuur wordt gebruikt. Aangezien de identificatiecode van de chip met de Nederlandse landencode begint (528), is het in het buitenland meteen duidelijk, dat er contact moet worden gezocht met een Databank in Nederland!

Sinds juli 2004 is chippen verplicht als u met uw hond op vakantie gaat (klik hier voor meer info) of uw hond moet nog een duidelijk leesbare tatoeage hebben, die tevens in het dierenpaspoort vermeld staat.

Vanaf 2008 is de elektronische chip het enige toegestane identificatiemiddel.

Aan te bevelen is nog naast een identificatie en vastlegging daarvan in het paspoort een registratie van uw hond bij een centrale databank. Petlook is de enige gratis, interactieve, beveiligde en meertalige databank. Registratie kost u slechts enkele minuten en werkt wereldwijd. Op de pagina Links staan in het blok "Hond vermist" ook de links naar diverse andere databanken. 

Chirurgie:

            operatieve (dier)geneeskunde.

Chloor (Cl):

onderdeel van keukenzout (NaCl, natriumchloride). Chloor is van groot belang bij de vorming van maagzuur. Daarnaast is het samen met natrium en kalium van belang voor de prikkelgeleiding in zenuwen.

Keukenzout (NaCl, natriumchloride) staat bij de hondeneigenaar in een kwaad daglicht en ten onrechte. Grote hoeveelheden keukenzout zet de hond aan tot het produceren van grote hoeveelheden urine. Uitkristallisatie van verschillende afvalstoffen kan dan niet optreden: blaasgruis en stenen kunnen niet ontstaan.

Het kan absoluut geen kwaad het hondenvoedsel te bereiden als was het voor uzelf: met toevoeging van zout. Dit is speciaal van belang bij aardappels, waarbij grote hoeveelheden kalium door natrium moeten worden gecompenseerd. In droogvoeders ziet men meestal tot ongeveer 1,5 procent keukenzout aangegeven. Dat is omgerekend naar een 'normaal' voer circa 0,42 procent, een laag normale waarde.

Zie ook zouten, mineralen, electrolyten en bloedonderzoek.

Chocolade eten:

zie wetenswaardigheden.

Chocoladekleur:

leverkleur; voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor de donkerbruine kleur.            

Cholecalciferol:

            vitamine D.

Cholecystitis:

            galblaasontsteking. Zie voor meer info: gal.

Choledokistine: