Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

W

 

Waakhond:

hond, die huis en erf bewaakt. Heeft alleen waarde, wanneer hij los is, hetzij in huis, hetzij op een erf.

Zie kettinghond.

Wagenziekte:

zie wetenswaardigheden en D.A.P.® Spray.  

Walk-up:

bij een walk-up vormt het team een linie, die door het veld loopt tijdens een nagebootste jacht. De honden worden vanuit de linie op apporten uitgestuurd. De honden moeten los volgen en, als de linie stil staat, goed post gedrag laten zien: rustig zitten, niet piepen en attent op alles wat er gebeurt in de omgeving.

Wall eye:

            zie glasoog.

Wammen:

(keel)huidplooien (bijv. Bloedhond en Basset Hound). Zie ook keelhuid.

Ware kiezen:

            molares; zie tanden.

Warm weer:

zie wetenswaardigheden.

Wassen:

moet vooral niet onnodig gebeuren. Het grote gevaar is kouvatten, zowel tijdens het wassen en onmiddellijk daarna, als nog later, doordat de shampoo het haar ontvet heeft (zie sebum) en dus de vacht in veel mindere mate de huid beschermt. Zo nodig kan het dier plaatselijk worden gewassen. 

Zie voor uitgebreidere info: wetenswaardigheden.

Waterbehoefte:

            van uw hond: zie wetenswaardigheden en polydipsie.

Waterhonden:

honden, die de jager helpen bij het waterwerk, hoofdzakelijk de eendenjacht. Het zijn dus vooral apporteurs, die er niet voor terugdeinzen in het (koude) water te springen. Zie hier.

Waterhoofd:

zie hydrocefalus.

WB-hond:

pup in de babyklasse of puppyklasse, die de kwalificatie 'Weinig belovend' waard is.

Wedrennen:

wedstrijden voor windhonden.

Weduwenkapje:

donkere aftekening op de schedel van een sable hond, bij bijv. de Sheltie.

Wee, weeën:

zie geboorte.

Weefsel:

is een verzameling van cellen, die naar vorm en functie bij elkaar horen met inbegrip van de daarbij behorende celtussenstof. 

De 4 hoofdgroepen van weefsels zijn: het epitheel, het spierweefsel, het zenuwweefsel en het steunweefsel.

Weigeringen (bij Agility):

dienen altijd hersteld te worden. Indien dit achterwege blijft volgt diskwalificatie. Per weigering gelden 5 strafpunten.

Weil, ziekte van ~:

            zie Leptospirosis.

Weke delen:

zijn de weefsels, die zich onder de huid, rondom organen en botten of in de ruimtes daartussen bevinden. Weke delen weefsel kan verschillende functies hebben. Weke delen zijn ondermeer steunweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel.

Welhaar:

Germanisme voor gegolfd haar.

Welp:

is een jong dier; het jong van sommige dieren, m.n. van honden, wolven, leeuwen en beren. Zie ook pup.

Wenkbrauwboog:

de begrenzing van schedel en bovenzijde oogkas. Bij enkele rassen zeer geprononceerd, zoals bij de West Highland White Terriër.

Werkboekje:

boekje voor rasloze honden, waarin de resultaten vermeld worden van G&G-examens en wedstrijden, agility- en flyballwedstrijden. Aanvragen bij Cynophilia.

Werkgroep Veterinaire Kynologie (W.V.K.):

is op 21-2-1984 opgericht uit verontrusting over de steeds groter wordende kloof tussen diergeneeskundigen en kynologen, mede met het oog op de stagnerende aanpak van erfelijke gebreken. Per 31 december 2003 is de WVK opgeheven.

De WVK voorzag in de behoefte om dierenartsen en studenten diergeneeskunde te informeren over de kynologie in de meest brede zin van het woord en evenzo de kynologie te informeren over de diergeneeskundige aspecten van het fokken, houden en trainen van honden. De werkgroep hoopte zo een beter wederzijds begrip te kweken.

Hiertoe waren een aantal activiteiten ontwikkeld: men hield een referatenbestand bij, gaf lezingen, gaf het tijdschrift Apport uit en er was een mogelijkheid om een EHBO-cursus voor honden te volgen.

Werkhond:

benaming voor honden, die bepaald soort werk verrichten. De meeste rassen zijn van oorsprong werkende rassen geweest met uitzondering van kleine gezelschapshonden.

Werpen:

            bevallen. Zie kraamkamer, geboorte en alchemilla.

Werpkist:

zie kraamkamer.

Wervels:

bestaan uit een wervellichaam, waarop een wervelboog voorkomt. Door het wervelgat, dat door de boog wordt omsloten, verloopt het ruggenmerg. Op de boog vinden we een aantal uitsteeksels. 

Een hond heeft: 7 halswervels (zie atlas en draaier), 13 rugwervels (oftewel borstwervels), 7 lendenwervels, 3 kruisbeenwervels en 20-23 staartwervels (d.w.z. dat er ook rassen zijn met iets minder staartwervels, zoals de Engelse en Franse Bulldog, of veel minder staartwervels, zoals de Entlebucher Sennenhond en de Epagneul Breton). Zie ook skelet.

Wespensteek:

zie wetenswaardigheden.

Wetboek van Strafrecht:

voor artikel 254 en 455: zie mishandeling.

Weven:

zie kruisen.

Wheaten:

            tarwekleurig.

Whiskers:

dunne baard van Welsh, Lakeland, Airedale en Foxterriër. Men overdrijft de lengte van de baard om de indruk van een lang, smal hoofd te geven.

Wildkleurig:

het haar op het lichaam is donker aan de basis, lichter in het midden en heeft een zwarte punt. 

Zie ook saufarben

Wildzwijnskleur:

populaire naam voor het agouti, d.w.z. het black-and-tan-patroon, waarbij in het zwart witte haarpunten voorkomen. Wordt veel aangetroffen bij ruwharige Teckels en bij Griffons Nivernais. 

Zie ook saufarben.

Willebrandsziekte (Von Willebrand's Disease; V.W.D.):

stoornis in de bloedstolling, die niet alleen bij de hond, maar ook bij verschillende andere diersoorten en bij de mens voorkomt. Voor VWD zijn twee vormen bekend. Het is een milde vorm van een bloederziekte en de verschijnselen bestaan uit neusbloedingen, bloedingen van het mondslijmvlies en versterkte bloedingen bij de loopsheid. Ook worden wel wisselende kreupelheden en bloed in de urine waargenomen. Het is géén hemofilie.

Bij deze aandoening is er een tekort aan de zogenaamde "von Willebrandfactor" (vWF). Dit is een belangrijke stollingsfactor die ervoor moet zorgen dat de aanhechting van de bloedplaatjes aan het defect in de bloedvatwand goed verloopt en er tevens voor zorgt dat de zogenaamde factor VIII (dit is een andere belangrijke stollingsfactor) goed kan werken.

Het komt voor bij o.a. Schotse en Manchester Terriërs, Welsh Corgi's Pembroke, Dobermanns en Duitse Herders. Voor Kooikerhondjes kan VWD levensbedreigend zijn.

In Nederland is een DNA-test mogelijk voor de Ziekte van Von Willebrand.

Willekeurige spieren:

deze spieren staan geheel onder invloed van de wil. De hond kan de beweging van deze spieren te allen tijde regelen. Willekeurige spieren zijn altijd dwarsgestreept

Voorbeelden zijn o.a. de skeletspieren. Zie voor meer info: spieren.

Will to please:

is de wil om voor de baas te werken. De wil om de baas te behagen is zeer typisch voor de 6 Retriever-rassen, maar er zijn ook andere rassen met een sterke 'will to please'. 

De hond moet er plezier in hebben om te werken voor zijn baas, ook onder moeilijke omstandigheden. 'Will to please' hangt samen met en uit zich in baasgerichtheid, grote werklust, doorzettingsvermogen, alertheid en concentratievermogen.

Winderigheid:

uitstoting van gas uit de anus van de hond, ook wel 'een wind laten' genoemd. We kennen allemaal het symptoom: een bepaalde en vaak nare geur rond de hond, meestal in combinatie met een herkenbaar geluid. 

Winderigheid kan diverse oorzaken hebben. Als u uw hond voedsel van onvoldoende kwaliteit geeft, kan hij dat misschien niet goed verteren voordat het in de dikke darm komt, en dan kan het gaan gisten; er kunnen chemische reacties in het spijsverteringssysteem plaatsvinden die gas veroorzaken, of de gassen kunnen ontstaan doordat de hond zijn eten naar binnen schrokt en daarbij grote hoeveelheden lucht binnenkrijgt. 

Winderigheid kan ook op ernstige spijsverteringsproblemen duiden, dus als het niet overgaat, moet u dit aan uw dierenarts melden. 

Wanneer uw hond van een bepaald soort voedsel winderig wordt, moet u op ander voer overgaan.

Zie ook wetenswaardigheden.

Windhonden:

            groep van honden, die op het gezicht jagen. Zie hier.

Windhondenrennen:

wedstrijden met of zonder hindernissen voor windhonden op een baan, waarbij een hazenvel wordt voortgetrokken. Aan het einde van de baan vliegt het hazenvel de lucht in en wordt daar door een helper opgevangen en de honden beëindigen de achtervolging.

Zie ook: Commissie Windhondenrensport.

Winner / Winster:

zijn 2 titels, gevolgd door het jaar waarin de titel werd behaald, die worden toegekend aan iedere reu resp. teef, die op een Winnertentoonstelling als beste reu resp. beste teef van het ras of de variëteitgroep is aangewezen, mits de hond de kwalificatie "uitmuntend" (zie: U-hond) heeft behaald.

Zie ook Jeugdwinner.

Winner, Winnertentoonstelling:

is een jaarlijkse tentoonstelling voor honden van alle rassen, waar Winnertitels behaald kunnen worden. Organisatie: Koninklijke Nederlandse Kennelclub Cynophilia. Plaats: Amsterdam.

De Winner is de enige tentoonstelling in Nederland, waar u een kwalificatie kunt verdienen voor deelname aan de Crufts (voor rassen erkend in Engeland).

Voor de laatste informatie klikt u hier.

Wintersport met de hond:

            zie wetenswaardigheden.

Wip:

toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt. Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Wipneus:

            enigszins hol verlopende neusrug (Pointer).

Wire:

            Engels voor draadhaar.

Wisselen van de tanden:

zie tanden wisselen.

Wisselneus:

toestand, waarbij de neus plotseling van kleur veranderd is. Vaak onder invloed van hormonen (loopsheid, dracht). Is niet hetzelfde als vlinderneus.

Witte bloedcellen, witte bloedlichaampjes:

zie leukocyten.

Wobbler, wobbler-syndroom:

            zie instabiliteit van de wervelkolom.

Wolfskiesje:

de eerste Premolaar (P1); breekt door tussen de 4e en 5e maand. Zie tanden.            

Wolfsklauw:

zie Hubertusklauw.  

Wolfsteken:

is een kliergebied op de bovenkant van de staart, donker van kleur, bestaat uit 2 onderdelen (de vioolklier en de wolfsvlek) en komt bij zowel hond- als katachtigen voor.

Bij de meeste hondenrassen is het wolfsteken niet meer te herkennen.

Wolvenvoet:

lange, ovaalvormige hondenvoet. Lijkt overigens op de smallere hazenvoet.

Wonden:

zie wetenswaardigheden 3 en wetenswaardigheden 6.

Woodse lamp, lamp van Wood:

een ultraviolet lamp met een nikkel- of kobaltfilter, een lamp die UV-licht uitstraalt. Met dit hulpmiddel kun je aanwijzingen verkrijgen over een schimmelaandoening (bijv. ringworm), maar een negatief resultaat wil lang niet altijd zeggen, dat er geen sprake is van een schimmelziekte. Ook m.b.v. microscopisch onderzoek van de haren uit de rand van de schimmelplek kun je soms de diagnose stellen. Maar het beste is een schimmelkweek te laten doen. Dat duurt enkele dagen, maar dan weet je ook zeker of de hond schimmel heeft.

Voor het onderzoek moet de hond in een verduisterde ruimte worden geplaatst. Wanneer de schimmel beschenen wordt met het ultraviolette licht van de lamp van Wood, gaat hij in de helft van de gevallen geelgroen fluoresceren. Echter, 65% van Microsporum Canis infecties kleurt niet met de Woodse lamp, dus een negatieve Woodse lamp hierbij zegt niets.

Vals positieve fluorescentie kan optreden, doordat er resten van medicamenten op de huid en/of de vacht zijn achtergebleven, zoals jodium of jodiumhoudende shampoos, zepen, crèmes en zalven.

Workingtest:

tijdens workingtesten worden de honden beoordeeld bij het afleggen van een aantal niet vooraf bekende proeven, welke gesimuleerde jachtsituaties zijn. Aan workingtesten kunnen alleen honden meedoen die een Clubdiploma C, B of A of KNJV-diploma C, B of A behaald hebben, of een veldwerkkwalificatie hebben behaald op een CACT of CACIT veldwedstrijd, op basis waarvan zij in een bepaalde klasse (niveau) worden ingedeeld.

De proeven worden afgelegd met dummies en in de 2 hoogste klassen ook met dood veer- en haarwild.

Worm-aneurisma:

bloedvatverwijding door een wormbesmetting.  

Wormen:

inwendige parasieten (endoparasieten). We kunnen een onderscheid maken in:

a) ronde wormen (Nematoda): spoelworm, mijn- of  haakworm, trichuris (haarworm en zweepworm), hartworm en filaria.

b) platte wormen, die weer onderverdeeld kunnen worden in lintwormen en zuigwormen.

Zie voor meer info: wetenswaardigheden en Advocate®.

Wormkuur:

zie wormen.

Worp:

bevalling. Zie geboorte.

Wortel:

deel van een tand of kies wat zich bevindt in de tandkas. In het algemeen hebben tanden één en kiezen meer wortels. De wortels hebben een soort week been, het zgn. cement. Om het cement zit het tandvlies, dat vergroeid is met het beenvlies van de kaak. Op deze wijze zorgt het tandvlies voor een stevige verankering van de tand in de tandkas.

Wrat, wratten:

zie papillomatose.

Wrinkle:

plooien boven de wenkbrauwen, dus op het hoofd en aan weerszijden van de voorsnuit onder de ogen.

 

X

 

X-benen:

zie jonge dieren.

X-chromosoom:

vrouwelijk chromosoom; hierop zitten de geslachtsgebonden kenmerken.

Zie ook karyotype.

Xyphose:

zie kyfose.

            

Y

 

Y-chromosoom:

mannelijk chromosoom; dit is genetisch leeg, d.w.z. dat er geen erffactoren in het Y-chromosoom gelegen zijn, behalve de genen voor de aanleg van de mannelijke geslachtsorganen.

Zie ook karyotype.

 

Z

 

Zachte bek, zacht in de bek:

            zie bek.

Zadel:

donkere, meestal zwarte vlek tussen schouders en staart, die doorloopt tot aan de flanken.

Zadeldek:

kleurpatroon in de vorm van een zadel (bijv. Airedale en Welsh Terriër).

Zadelrug:

slappe, ingezakte rug.

Zandbak:

zandbakken, in de achtertuin of in het park, zijn een fantastische speelplaats. Maar kleine kinderen steken vaak zand in hun mond. Ook wanneer ze boterhammen eten met ongewassen zandhanden krijgen ze zand binnen. Via dat zand kunnen zij besmet raken met besmettelijke ziektes.

De zandbak is een beruchte plek, omdat die voor honden en katten erg aantrekkelijk is om in te poepen. In de poep kunnen eitjes van de spoelworm Toxocara canis (van de hond) of Toxocara cati (van de kat) zitten, die bij kinderen het ‘larva migrans syndroom’ kunnen veroorzaken. Ook een Toxoplasma gondii infectie kan zo via kattenpoep bij de mens terecht komen.

Preventie: a) kinderen moeten na het spelen in de zandbak goed hun handen wassen (met zeep en veel water); b) niet eten onder het spelen; c) zandbak afdekken wanneer er geen toezicht is zodat er geen dieren in kunnen en d) honden en katten regelmatig ontwormen.

Zie ook wormen.

Zeewier:

is één van de rijkste natuurproducten als het gaat om het brede scala aan mineralen, sporenelementen, vitaminen en aminozuren. Al eeuwenlang oogst men overal ter wereld zeewier (zee-groente) om als voedsel te gebruiken. In zeewier worden tijdens de groei anorganische mineralen uit het zeewater omgezet in organische mineraalzouten en aminozuren. Zeewier wordt niet voor niets gebruikt als natuurlijke meststof in de land- en tuinbouw. 

Zeewier bevat 20 verschillende aminozuren. Zeewier bevat ook vele sporenelementen, die belangrijk zijn voor een goede stofwisseling, zoals kobalt, koper, chroom, mangaan, selenium en zink. Daarnaast helpt zeewier bij de omzetting en afvoer van gifstoffen en ondersteunt hiermee het lichamelijk immuunsysteem. Zeewier biedt stoffen die belangrijk zijn voor een goede haarstructuur en lijkt een gunstig effect te hebben op de pigmentatie van de vacht.

Zeewier draagt bij aan een uitstekende basisconditie en heeft direct effect op de vitaliteit, uitstraling en prestaties.

Zenuwachtige hond:

zie angst, hondentaal en autorijden.

Zenuwstelsel:

is een snel werkend reguleringsstelsel, dat tot taak heeft de functies van de verschillende organen in het lichaam te coördineren. We onderscheiden 2 systemen:

a) willekeurig of animaal zenuwstelsel, dat weer onder te verdelen is in het centraal zenuwstelsel (grote en kleine hersenen, hersenstam, het verlengde merg en het ruggenmerg) en het perifeer zenuwstelsel (sensibele en motorische zenuwen); 

b) onwillekeurig of autonoom zenuwstelsel, wat weer onder te verdelen is in het sympathisch stelsel en het parasympathische stelsel.

ZEPP:

is een chirurgische behandelingsmogelijkheid bij een chronische ontsteking van de uitwendige gehoorgang (otitis externa), nadat de medicamenteuze behandelingen mislukt zijn. Hierbij wordt de buitenwand van de verticale gehoorgang naar beneden geklapt. De verticale gehoorgang komt hierbij open te liggen, maar ook de horizontale gehoorgang staat beter in contact met de buitenwereld.

De buitenwand van de verticale gehoorgang bestaat net als de rest van de gehoorgang uit kraakbeen. Door dat stuk naar beneden te klappen en vast te hechten aan de huid, kan er een ruime en stevig uitgang van de horizontale gehoorgang ontstaan, die niet afsluit en waarover geen haar kan groeien.

Wat we met de operatie volgens de methode Zepp bereiken is, dat het overmatige oorsmeer of de ontstekingsvloeistof gemakkelijker kan afvloeien, er een betere ventilatie van de horizontale gehoorgang plaats vindt en we met oorzalven beter in de horizontale gehoorgang kunnen komen.

De Zepp-operatie wordt toegepast als a) een chronische ontsteking van de uitwendige gehoorgang onvoldoende reageert op de behandeling met oorzalven en de horizontale gehoorgang chronisch ontstoken is, tevens de verticale gehoorgang minder of niet ontstoken, terwijl de oorschelp niet ontstoken is, b) er poliepen of tumoren in de verticale gehoorgang zitten of c) er sprake is van Pseudomonas.

Zie ook TECA.

Z.G.-hond:

hond, die kwalificatie 'zeer goed' waard is. Dit dient te worden geïnterpreteerd als rapportcijfer 7.

In het Engels heet dit "Very Good" (VG), in het Frans "Très Bon" (TB) en in het Duits "Sehr Gut" (SG).  

Zicht:

speelt een belangrijke rol bij de communicatie van honden. Honden zijn in het algemeen veel beter dan mensen in het 'lezen' van non-verbale communicatie. De hond is ook veel beter in het waarnemen van bewegende objecten. Van deze eigenschap wordt bij sommige jachthonden door de jager gebruik gemaakt.

Ziektekiem:

ziekteverwekkend micro-organisme (bacterie, virus).

Ziekte van Addison:

            zie Addison.

Ziekte van Aujeszky:

            zie Aujeszky.

Ziekte van Basedow:

            zie Basedow.

Ziekte van Calvé:

            zie Legg-Calvé-Perthes.

Ziekte van Carré:

            zie hondenziekte.

Ziekte van Cushing:

            zie Cushing.

Ziekte van Graves:

            zie Basedow.

Ziekte van Legg-Calvé-Perthes:

            zie Legg-Calvé-Perthes.            

Ziekte van Lyme:

            zie Wetenswaardigheden.

Ziekte van Marie Bamberger:

zie het Pierre Marie Bamberger syndroom.

Ziekte van Von Willebrand:

zie VWD.

Ziekte van Weil:

            zie Leptospirosis.

Zijdehaar, zijdevacht:

zeer lang zacht haar, waarbij onderhaar en bovenhaar bijna niet te onderscheiden zijn. Zie vacht.

Zindelijk:

het niet bevuilen van zichzelf, het eigen nest of de omgeving.

Zindelijkheid, zindelijkheidstraining:

het zindelijk maken van een pup kost tijd en geduld. Het ligt er ook een beetje aan, wat een fokker er al aan gedaan heeft. 

Zodra een pup wakker is geworden, gespeeld, gegeten of gedronken heeft, moet men met de pup naar buiten gaan. Een belangrijk aspect van het zindelijk maken is het aanleren van het plassen en poepen op commando. Zodra de pup aanstalten maakt om te gaan urineren of defeceren, kan men daar een commando aan koppelen. Zodra de pup heeft geplast of gepoept, moet hij hiervoor (met de stem) worden beloond. 

Sommige pups 'vergeten' waarvoor ze buiten zijn gekomen, doordat er buiten veel meer prikkels zijn dan binnen die hun aandacht opeisen. Zodra een pup iets binnen heeft gedaan, moet dit opgeruimd worden zonder hem aandacht te geven of te straffen. Men moet leren aan de houding van de pup te zien, dat hij moet plassen of poepen. Dan is men altijd op tijd om de pup buiten te zetten en alleen op die manier kan voorkomen worden, dat de hond zijn behoefte in huis doet. 

Het straffen achteraf voor bepaald gedrag heeft nooit zin.

Klik hier voor meer info.

Zink (Zn):

sporenelement, dat de groei bevordert en een rol speelt bij de onttrekking van koolzuurgas aan het bloed.

Zintuig:

is een orgaan, dat veranderingen in het uitwendige of inwendige milieu kan waarnemen. De zintuigen bevatten zintuigcellen, die gevoelig zijn voor bepaalde prikkels vanuit de omgeving of vanuit het lichaam zelf. De zintuigcellen vormen deze prikkels om tot zenuwprikkels, die via zenuwbanen de hersenen bereiken, waar zij zodanig veranderd worden, dat de hond zich bewust wordt van de primaire prikkel. We kunnen de zintuigen onderverdelen in:

a) lagere zintuigen (tast, pijn, temperatuur en evenwicht); 

b) hogere zintuigen (oor en oog); 

c) de reuk en smaak worden meestal tot een overgangsgroep gerekend.

Van zijn zintuigen begeven het gehoor en het gezichtsvermogen het bij de oude hond meestal eerder dan het reukvermogen en de tastzin.

Zogen:

            melkproductie om het nest te voeden.

Zonnesteek:

shocktoestand, die wordt veroorzaakt door een acute warmtestuwing in het lichaam. 

Verschijnselen zijn: omvallen en rillen, afwezige blik, epilepsieachtige krampen, sterk versnelde polsslag, lichaamstemperatuur van 43º C en hoger. 

Kan optreden bij al te zware inspanningen bij warm weer en als de hond te lang in een gesloten auto in de zon heeft gezeten. 

Zie voor verdere info: wetenswaardigheden 6 en 2.

Zoölogie:

wetenschap, die zich bezighoudt met dieren.

Zoönose:

is een infectieziekte van een dier, die op een mens kan overgaan, zoals bijv. zwemmersjeuk, hamburgerziekte, hondsdolheid, Q-fever. Allemaal ziektes die door dieren op mensen overgedragen kunnen worden.

In Nederland komen 34 verschillende zoönosen voor. Dit is slechts een klein deel van de 1407 verschillende zoönosen die wereldwijd bestaan. Hoe vaak een infectie met een zoönose optreedt, is niet bekend. Lang niet iedereen wordt ziek van een infectie, of de verschijnselen zijn zo mild dat men er niet mee naar de dokter gaat. Het ziektebeeld van de meeste zoönosen is moeilijk te onderscheiden van een buikgriepje of een incidentele aanval van diarree.

Zoönosen hebben de vervelende eigenschap dat zij van samenstelling kunnen veranderen en daardoor niet meer door het menselijke afweersysteem herkend worden. Dit kan consequenties hebben, omdat het afweersysteem dan niet goed is voorbereid op een infectie. Om die reden zijn overheidsinstanties zoals de RIVM zeer waakzaam wanneer het om zoönosen gaat.

De RIVM heeft een themasite over zoönosen, die is bedoeld voor iedereen die meer wil weten over deze bijzondere groep infectieziekten, zowel professionals als de geïnteresseerde leek. Welke ziektes kan ik oplopen tijdens het zwemmen? Waarvoor moet ik uitkijken als ik zwanger ben? Wat kan er in het eten zitten? Via deze thema's kunt u zoeken. Maar ook de zoönosen die meldingsplichtig zijn, humaan en veterinair, kunt u vinden op de site. Daarnaast kunt u lezen over bacteriën en kruisbesmetting, preventie van zoönosen, signalering, nieuwe zoönosen en fabeltjes die de ronde doen. Bovendien vindt u vele links naar andere relevante sites.

Zouten:

is één van de 2 hoofdgroepen van mineralen, de andere is 'sporenelementen'. De chemische opbouw is bij beide groepen gelijk: een metaalatoom dat gekoppeld is aan een zogenaamde zuurrest. Van de 'zouten' heeft een hond een vrij grote hoeveelheid nodig, van de 'sporenelementen' is slechts een spoortje, d.w.z. een heel klein beetje nodig. Overmaat is meestal niet zo gunstig voor het lichaam. Er kunnen vergiftigingen ontstaan.

Naast allerlei specifieke functies kunnen we voor zouten en spoorelementen in het algemeen stellen, dat ze als bouwstoffen in de cellen worden benut of als hulpstof dienen voor verschillende enzymsystemen. Bovendien hebben ze een invloed op de vochtverdeling in het lichaam.

Van de zouten of macro-elementen noem ik hier de volgende metalen: natrium (Na), kalium (K), calcium (Ca), magnesium (Mg) en ijzer (Fe). Van de zuurresten noem ik: chloor (Cl), fosfor (P) en zwavel (S).

Zie ook mineralen.

Zoutvergiftiging:

te veel zout in het bloed, waardoor orgaanfuncties uit gaan vallen. In het bloed wordt een te hoog natriumgehalte aangetroffen.

Zie zwemmen.

Zuigen, niet kunnen ~:

zie gespleten gehemelte.

Zuigwormen (Trematoda):

zijn niet geleed en hebben in tegenstelling tot de lintwormen een darmkanaal, dat echter blind eindigt. Ze hechten zich vast d.m.v. één of meer zuignapjes.

Tot de Trematoda behoort de voor herkauwers beruchte leverbot. Verwante soorten bij de hond zijn o.a. Opistorchus felineus en Pseudamphistomum truncatum. Voor beide soorten zijn slakjes de eerste en vissen de tweede tussengastheer.

De zuigwormen maken een trektocht door het leverweefsel en vernietigen alles, wat zij op hun tocht tegenkomen. Bij zware besmettingen kunnen verschillende leverfuncties wegvallen.

Zie ook wormen.

Zuur, zuurgraad:

            zie pH-waarde.

Zwaardstaart:

            lange staart, die praktisch recht naar beneden wordt gedragen.

Zwanenhals:

lange, dun gebogen hals (bijv. Italiaans Windhondje). Zie ook hertenhals.

Zwangerschap:

hoelang is een hond zwanger? Voor het antwoord: zie dracht.

Zwarte ontlasting, zwarte poep, zwarte stoelgang:

zie meconium, melaena en haak- of mijnwormen.

Zwavel (S):

belangrijke bouwsteen in haren, klauwen en hoorns, waar zwavel deel uitmaakt van de eiwitten. De hond neemt het meeste zwavel niet op uit mineralen, maar uit zwavelhoudende aminozuren.

Zie zouten, mineralen en MSM.

Zweefmoment:

het moment, waarop alle 4 de benen van de grond af zijn.

Zweepworm:

komt voor in de dikke darm; veroorzaakt ernstige diarree.

Zie ook wormen.

Zweer:

is een kwetsuur, waarbij het oppervlakteweefsel verloren gaat door beschadiging of ziekte.

Zweet:

heeft in de kynologie 2 betekenissen:

a) het vocht door de zweetklieren geproduceerd (de hond zweet praktisch alleen met tong en voetzolen; zie wetenswaardigheden); 

b) het bloed, dat een geschoten stuk wild verliest; bloedspoor.

Zweethonden:

honden, die het zweetspoor uitwerken zoals brakken en Teckels.

In veel landen bestaat een zweethondenlijst. Op deze lijst staan de namen van mensen, meestal jagers, die in het bezit zijn van een zweethond. Als er ergens een dier is aangereden, maar niet dodelijk gewond is, kan een zweethond naar zo'n gewond dier helpen zoeken. Daarbij is deze lijst met namen handig, want hij/zij moet immers ook iets afweten van het gedrag van wild en kennis hebben van het terrein.

Heeft een ongeval plaatsgevonden dan hebben de hulpverleningsinstanties de mogelijkheid iemand van de lijst op te roepen om zo het gewonde dier te laten zoeken en het dier te verzorgen of eventueel uit zijn lijden te verlossen.

Zie zweetwerk.

Zweetklier:

zie huid.

Zweetspoor