Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

B

 

Baard:

overvloedige beharing aan de voor- en onderzijde van de onderkaak (bijv. Schotse Terriër).

Baarmoeder (uterus):

is Y-vormig en bestaat uit twee lange hoornen (normaal niet dikker dan een potlood). Gedurende de hele dracht groeien de foetussen in de hoornen van de baarmoeder.

Baarmoederontsteking:

komt bij honden betrekkelijk vaak voor. Er zijn 2 vormen: een acute (metritis) en een chronische baarmoederontsteking (pyometra).

Een acute baarmoederontsteking wordt gekenmerkt door lusteloosheid, gebrek aan eetlust, dorst, hoge koorts (soms boven de 41° C). Verder zwelt de vulva op en is er een bruine of roodachtige uitscheiding. Soms moet de teef braken en heeft ze diarree. In dergelijke gevallen moet onmiddellijk de hulp van de dierenarts worden ingeroepen.

Een acute baarmoederontsteking kan ook na het werpen optreden als de hond ondeskundige verloskundige hulp is geboden, waarbij de vagina is ingescheurd en er niet hygiënisch genoeg is gewerkt, of als er delen van de nageboorte in de baarmoeder zijn achtergebleven. 

Een chronische baarmoederontsteking treedt meestal ongeveer 2 maanden na de loopsheid op, ook als er geen dekking heeft plaatsgevonden. Een verlengde of onregelmatige loopsheid is dikwijls de eerste aanwijzing voor een chronische baarmoederontsteking.

Zie voor verdere info: pyometra.

Babesia:

            parasiet, die Babesiosis veroorzaakt.

Babesiosis (piroplasmosis), babesiose:

infectieziekte, die wordt overgebracht door teken, ook wel 'hondenmalaria' genoemd.

Zie voor uitgebreide info: Wetenswaardigheden.

Babyklas:

een klasse op een clubmatch voor honden die de leeftijd van 3 maanden hebben bereikt en de leeftijd van 6 maanden nog niet hebben bereikt.

Tegenwoordig is deze klasse ook optioneel (niet verplicht open te stellen) bij een CACIB-show, CAC-show of een Kampioensclubmatch.

Honden die ingeschreven zijn in de babyklasse dingen niet mee voor beste hond van de clubmatch en kunnen geen CAC of CACIB krijgen.

Babylonisch-Assyrische honden:

mozaïeken en reliëfs uit de Soemerische (3e en 2e millennium v.C), maar ook uit de Assyrische (1e millennium v.C) periode geven te zien, dat er in die tijd verscheidene typen honden in het Tweestromenland voorkwamen. Behalve een dogachtige waakhond van het type van de Karabash werd er ook een lichtere hond met een spitsere snuit afgebeeld, die vermoedelijk dienst deed als herdershond. Nog oudere scherven van kleitabletten (vermoedelijk uit omstreeks 6000 v.C) tonen windhonden, die bij de jacht op gazellen werden ingezet. Uit de tijd van Assoerbanipal (7e eeuw v.C) zijn er afbeeldingen bekend van doggen, maar ook van kortharige jachthonden met een bevederde staart, die werden gebruikt bij de jacht op antilopen.

Bach Bloesem Remedies:

zie Bach Bloesem.

Bacil:

          staafvormige bacterie.

Bacterie:

ziekteverwekker, die zichzelf zeer snel kan vermenigvuldigen.

De hond wordt door veel bacteriën belaagd. Er bestaan vele stammen en het is ondoenlijk om ze hier allemaal te noemen, maar ik geef er enkele: Escherichia coli, Proteus, Pseudomonas, Staphylococcus, Salmonella, Clostridium, Brucella en Streptococcen.

Zie ook antibiotica.

Bacterieel mengbeeld:

conclusie bij een infectie veroorzaakt door meerdere soorten bacteriën.            

Bacteriële overwoekering:

is een aandoening van de darmen, waarbij om verschillende redenen een bepaalde bacteriesoort zich begint te vermenigvuldigen en daardoor andere, goede bacteriën verdringt.

BAER-test, B.A.E.R.-test, baertest:

is de Brainstem Auditory Evoked Response (hersenstam auditief opgewekte reactie)-test: testen van het gehoorzenuwstelsel. Middels dit doofheidsonderzoek kan al op een leeftijd van 6 weken worden vastgesteld of een hond doof is of niet. Om storing op de apparatuur door kauwspieren uit te sluiten krijgt de hond voor het onderzoek een klein roesje. Het onderzoek zelf is pijnloos.

Bij deze test worden 3 elektroden onderhuids aangebracht en wordt een oordopje geplaatst in de uitwendige gehoorgang t.b.v. de geluidsproductie. Op een beeldscherm kan vervolgens worden gezien of bij het produceren van geluid hersenactiviteit wordt waargenomen of niet en daarmee staat vast of de hond aan één kant of aan beide kanten doof is.

De BAER-test wordt door de Raad van Beheer en de FCI erkend. De resultaten van de test worden vastgelegd in een officieel onderzoeksrapport 'Cochleaire doofheid'.

Voor een aantal rassen zoals de Bull Terriër, Dalmatiër en de Australian Shepherd is de BAER-test zelfs verplicht.

Men kan voor deze test maar in 'n paar dierenklinieken terecht: bijv. bij Maarten Kappen in Eersel en Nico Dijkshoorn in Zeist.

Baganda:

middelgrote meutehond, die in Midden-Afrika voor de jacht op groot wild, tot olifanten aan toe, wordt gebruikt. De kortharige vacht is geel, bruin of zwart-wit van kleur.

Bakken:

sterk ontwikkelde, zichtbare wangspieren, die de belijning van het hoofd storen. Bakken kan ook duiden op zwaar ontwikkelde jukbeenbogen.

Baknijd:

grommen bij de voerbak, het verdedigen van de eigen bak met voer. Het wordt ook wel prooinijd of voernijd genoemd.

De hond mag dit nooit doen t.o.v. de baas en zijn gezin (de roedel), het kan wel gebeuren t.o.v. lager geplaatste honden binnen het gezin. 

In de roedel eet de hoogste in de hiërarchie het eerst. Als het goed is, is dat de baas en de andere gezinsleden. Daarna volgen de anderen al naar gelang hun positie in de hiërarchie. M.a.w. na de mensen eet de hoogst geplaatste hond het eerst en de laagst geplaatste hond eet het laatst. 

U bent de hoogste in de hiërarchie. De hond komt op de laagste plaats. U moet dus ongestraft de voerbak van uw hond kunnen weghalen. Staat hij dit niet toe, dan heeft hij een ander idee van zijn plaats in de hiërarchie dan u hem heeft toebedacht en dient hij te worden gecorrigeerd. Baknijd van de hond t.o.v. de menselijke gezinsleden is een zeer ongewenst en kwalijk verschijnsel. Het werkt een ongewenste dominantie van de hond in de hand en zal hem, zeker bij de personen ten opzichte van wie hij baknijd vertoont, uiteindelijk onhandelbaar maken.         

Balanitis:

penisontsteking, eikelontsteking.

Balanoposthitis, balanopostitis:

voorhuidontsteking.

Ball launcher:

of chuckit ball launcher, zwieper, ballengooier, werphengel of werpstok. Dit is een soort plastic stok verkrijgbaar in diverse afmetingen en vrolijke kleuren. Aan het uiteinde zit een houder dat een soort handje vormt waar precies een tennisbal in geklemd kan worden. M.b.v. de Chuckit kan de tennisbal in de houder heel ver worden weggeworpen en na enige oefening ook met enorme precisie. Wanneer de hond de bal heeft teruggebracht en hij deponeert deze op de grond, hoeft de baas zelfs niet meer te bukken, want hij kan de bal in één beweging van de grond plukken en is hij 'ready for take-off'. En zo kunt u uw hond eindeloos heen en weer laten hollen, zonder dat het u noemenswaardige moeite kost.

Dat de meeste honden dol zijn op het najagen van ballen staat buiten kijf. Honden respecteren daarbij echter hun eigen grenzen zelden. Met de Chuckit kan de bal een heel eind verder weg worden geworpen dan wanneer u dit op eigen kracht moet doen. U wordt dus ook amper vermoeid en realiseert zich misschien niet, dat uw hond ondanks hevige vermoeidheid niet opgeeft. Dit is één van de gevaren.

Een ander gevaar vormt de explosieve kracht die vrij komt, doordat de hond keer op keer vol aanzet om maar zo snel mogelijk bij de bal te zijn. De echte fanatiekelingen duiken daarbij vol op de bal of maken spectaculaire slidings. Dit draaien en keren, stoppen en aanzetten meestal zonder enige vorm van warming up en elke keer weer, geeft op lange of kortere termijn blessures. Sommige daarvan zijn van korte duur en voorbijgaande aard, maar vaker geven dergelijke blessures een leven lang problemen. Pees- en spierscheuringen en gewrichtsproblemen verpesten de rest van het leven van menig hond en eigenaar.

Beweging mag nooit ten koste gaan van de gezondheid van de hond !

Waar moet u nu op letten bij het gebruik van dit 'wondermiddel' ? Gebruik het met mate, dus niet elke dag en niet 20 keer achter elkaar. Verder is dit niet aan te raden voor honden die een slechte conditie hebben. Warming up is zeer belangrijk. Laat uw hond niet op een harde ondergrond rennen en liever niet in competitie met andere honden.

Balzak:

zie scrotum.

Bamberger, het syndroom van Pierre Marie~:

de ziekte van Marie Bamberger oftewel hypertrofische osteopathie is een botziekte, waarbij woekeringen van bot optreden, waarbij deze botwoekeringen op het beenvlies zitten, dus aan de buitenkant van het bot, van de ledematen. Dit is een zeldzame aandoening die voornamelijk wordt gezien bij volwassen honden en vaak secundair is aan een tumor in de borstkast of soms aan een tumor in de buikholte. De gemiddelde leeftijd is ongeveer 7 jaar en deze aandoening wordt meer gezien bij grote hondenrassen. Zelden ziet men deze aandoening bij jonge honden (1 à 2 jaar). Meestal is deze dan geassocieerd met embryonale tumoren aan de blaas. Ruim 100 jaar geleden werd deze ziekte bij mensen ontdekt en was toen bekend onder de naam osteoperiostitis; deze was toen secundair aan een longtumor of aan tuberculose.

Het ontstaan van botwoekeringen op het beenvlies is nog niet volledig duidelijk. Mogelijk liggen hormonale factoren of een functiestoornis van de kleine bloedvaten aan de basis van een verminderde doorbloeding van het beenvlies. Hierdoor ontstaat plaatselijk zuurstoftekort van het beenvlies, welke resulteert in nieuwe beenvormingen en botafzettingen. De ziekte ontstaat t.g.v. een ruimte-innemend proces (tumor of abces) in de borst- of buikholte, soms liggen wormen of bacteriën aan de basis van het ontstaan van de uitgebreide ontstekingen welke de aandoening op gang brengen.

De ziekte wordt gekarakteriseerd door beiderzijdse symmetrische botwoekeringen, die beginnen bij de tenen en zich later uitbreiden via het beenvlies van de middelvoetsbeenderen naar de lange beenderen van de voor- en achterpoten (meestal zijn de voorpoten meer aangetast dan de achterpoten). De gewrichten zijn echter niet mee betrokken in het ziektebeeld.

De hond wordt meestal aangeboden met wat milde klachten van mank lopen, een ietwat ingehouden pas en een zichtbare zwelling van de ondervoeten die vaak hard en drukpijnlijk is. Soms is er wat weke delen zwelling aanwezig. Er is een duidelijk onderscheid met zwelling door stuwing: dat is pijnloos en zacht (u kunt er een deukje in drukken). Echter wordt het beeld vaak overheerst door het primair lijden, zoals longtumoren of tumoren in lever, blaas of op andere plekken in het lichaam, welke bijpassende klachten meebrengen.

De diagnose wordt gesteld op basis van het lichamelijk onderzoek, röntgenfoto van de borstkas/buik en de ledematen of op basis van een echografisch onderzoek van de borst/buikholte. Onder echoscopische begeleiding kan het proces worden gebiopteerd en het verzamelde weefsel kan worden onderzocht. Zo kan er worden vastgesteld of het gaat om een kwaadaardige proces of iets anders, dat mogelijk toch nog te behandelen zou zijn.

De behandeling kan bestaan - indien mogelijk - uit het wegnemen van de oorzaak: chirurgische verwijdering van de ziekteverwekkende processen of behandeling van een andere oorzaak, zoals een abces.

De prognose is sterk afhankelijk van het primair lijden. Soms kan een volledig herstel optreden, maar meestal is de prognose ongunstig en is de afwijking helaas een reden om de hond te laten inslapen.

Zie ook kanker bij honden.

Bananenstaart:

een gecoupeerde staart, die met een sterke boog omhoog en naar voren buigt (bijv. diverse terriërs).

Band, bandsprong:

toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt. Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Banjara:

windhondachtige jachthond uit India; iets kleiner dan de Rampurhond.

Barb:

groter en zwartharig slag van de Kelpie. Kort, hard haar. Kraag. Staand, puntig oor. Schofthoogte ongeveer tegen 59 cm, gewicht circa 18 tot ruim 20 kg.

Barbouillard:

smousbaard; meestal door de Franse jagers gebruikt voor de Griffon.

Barf, barfen:

staat voor Biologically Appropriate Raw Food ofwel Bones And Raw Food. Het Barf-principe is een manier van voeden die geïntroduceerd is door een Australische dierenarts welke er verschillende boeken aan gewijd heeft. Wereldwijd voeren mensen hun honden via deze methode en de resultaten zijn goed.

De B.A.R.F.-methode is de meest natuurgetrouwe manier van voeren. Het komt neer op het geven van rauwe botten, rauwe groenten, rauw vlees en andere rauwe ingrediënten zoals eieren, zuivel en gemalen noten.

Bij voorkeur 'zachte' botten oftewel botten die geen gewicht dragen zoals ribben, wervels, nekken, koppen. Deze botten zijn anders van samenstelling dan de botten van de poten en de vleugels van kippen, eenden etc. die het gewicht van het betreffend dier moeten dragen en ze kunnen helemaal opgegeten, verteerd en opgenomen worden. 
Het vlees bij de botten hoeft niet persé afkomstig te zijn van hetzelfde dier. Het is bijv. heel goed mogelijk om kale kalfsribben of uitgebeende kipkarkassen te combineren met schapenvlees, geitenvlees of rundvlees. Geef nooit rauw varkensvlees wegens het gevaar van de ziekte van Aujeszky (dodelijk)!

Wat wel belangrijk is, is dat je ongeveer net zoveel vlees geeft als botten.

Het verschil met NRV is relatief klein en heeft vooral te maken met het al dan niet geven van groente. Voorop staat dat zowel bij Barf als bij NRV uitsluitend rauwe, verse voeding wordt gegeven.

Bij "Links" kunt u verschillende websites over dit onderwerp vinden, maar zie ook KVV.

Basaalmetabolisme:

is de energiewisseling bij volkomen rust, in nuchtere toestand, dus zonder voedsel of drank in de maag en bij een goede, warme lichaamstemperatuur in een warme omgeving, zodat de hond niet rilt

Het basaalmetabolisme is van een aantal factoren afhankelijk, maar wordt vooral bepaald door het verlies van warmte door straling vanaf het lichaamsoppervlak. Naarmate het lichaamsoppervlak groter is, zal het warmteverlies toenemen en dus ook het basaalmetabolisme. Ook het lichaamsgewicht is van belang. 

Brody heeft een berekening gemaakt, die de laatste jaren iets veranderd is in de volgende formule:

Q = 70,5 x W0,75, waarin Q het basaalmetabolisme in kcal per dag betekent en W het lichaamsgewicht van de hond in kilogrammen.

Maar een hond behoeft per dag natuurlijk meer energie dan nodig is voor het basaalmetabolisme (bas. metabolisme). Daarom is er het begrip onderhoudsmetabolisme. 

De behoefte aan energie van een hond is bijv.

a) in de normale situatie 1,5 (-max. 2) x bas. metabolisme 

b) in de zoogperiode (direct na de geboorte) 4 x bas. metabolisme  

c) bij voortdurende arbeidsprestatie 6-8 x bas. metabolisme.

Basedow, Ziekte van ~:

ontstaat bij een te sterke werking van de schildklier: versnelde hartslag, verhoogde lichaamstemperatuur, onrustig, uitpuilende ogen en mager. 

Bij de mens ligt hieraan meestal een ontregeling van de hypofyse aan ten grondslag (tumor van de hypofyse), bij dieren is meestal de schildklier zelf de oorzaak (tumor van de schildklier). 

Ook wel de ziekte van Graves (Graves' Disease) of Morbus Basedow genoemd.

Basisch:

            pH is hoger dan 7: zie pH-waarde.

Basofiel:

basofiele cellen: een vorm van granulocyten. Zie ook bloedonderzoek.

Bas-Rouge:

is de Beauceron; in Midden-Frankrijk bij herder en boer beter bekend als Bas-Rouge ('Roodkous').

Basset:

            laagbenige brak (uit Frankrijk).

Bastaard:

is een hond van onzuiver ras, d.w.z. voortgekomen uit de kruising van 2 rasloze ouderdieren, 2 verschillende rassen of tussen een rashond en een bastaard. 

Vaak leidt een dergelijke kruising tot een toename van de grootte en de vitaliteit, maar als gevolg van de wetten van de genetica worden deze eigenschappen niet zuiver en voorspelbaar doorgegeven aan het nageslacht.

Men dient onderscheid te maken tussen de geheel rasloze hond en de kruisingsbastaard.

Zie ook vuilnisbakkenras en bâtard.

Bâtard:

kruising van twee Franse Brakkenrassen, waaruit een nieuw ras ontstaat. De naam bestaat uit een samenvoeging van de gebruikte rassen. Het bekendste voorbeeld is de Artésien Normand, ontstaan uit een kruising van de hond van Artois en de Normandische Brak.

Bat ear:

          Engels voor vleermuisoor.

Bauhin, Kleppen van ~:

is een klepsysteem; via dit klepsysteem komt het voedsel de dikke darm binnen, juist op de scheidslijn tussen het caecum en het colon. De kleppen moeten het terugstromen van de voedselbrij verhinderen.

B.C.C. (BCC):

zie CC.

B-cel, B-lymfocyt:

lymfocyt, die antilichamen produceert; kan ziektekiemen labelen m.b.v. globulines.

Bij vogels zijn deze cellen afkomstig van een bepaald orgaan, de bursa van Fabricius, vandaar de naam B-cel.            

Beademing:

zie kunstmatige beademing.  

Beagle Pain Syndrome, B.P.S., BPS:

is een niet al te vaak voorkomende aandoening bij de Beagle en wordt gekenmerkt door voornamelijk nekpijn, trillen, staan met gebogen rug, koorts, gebrek aan eetlust, stijve nek, spierkrampen, zich erg ziek voelen en weerstand om te gaan bewegen. Andere symptomen, die ook snel kunnen opkomen, zijn pijn bij het blaffen en moeite om de bek wijd te openen. Soms zien we ook uitvalsverschijnselen aan de voor- en achterpoten. Het wordt al op jonge leeftijd bij puppies van 4-10 maanden oud. Maar ook op oudere leeftijd komt het voor. Het komt evenveel voor bij zowel reuen als teven. Dit syndroom lijkt op de Ziekte van Kawasaki bij mensen.

Indien de aandoening onbehandeld blijft, kan een pijnaanval binnen een paar dagen verdwijnen, maar zal dan later binnen een paar weken tot maanden terugkeren. Hetzelfde type ziektebeeld zien we ook bij de Boxer en de Berner Sennenhond.

De oorzaak van dit voor de hond erg pijnlijke syndroom is een steriele (niet infectieuze) ontsteking en irritatie van de kleine bloedvaten van het ruggenmerg in de hals, borstvlies en het hart. BPS wordt dan ook wel Necrotiserende Vasculitis genoemd (zie 'necrotiserend'  en 'vasculitis'; Necrotizing Vasculitis). Men vermoedt dat een storing in het immuunsysteem van de hond de oorzaak is en dat er mogelijk ook een erfelijke factor een rol speelt.

De diagnose wordt gesteld door het uitsluiten van andere ziekten die hier sterk op lijken, zoals een bacteriële hersenvliesontsteking, ontsteking van de wervels, hernia in de hals en tumor in het ruggenmerg. Hiervoor worden röntgenfoto's gemaakt, een onderzoek van het ruggenmerg d.m.v. een punctie en een uitgebreid bloedonderzoek. Voor een punctie van het ruggenmerg wordt het achterhoofd gedeeltelijk kaalgeschoren, na ontsmetting van de huid wordt de vloeistof dan aangeprikt met een steriele naald. Meestal is sedatie of narcose nodig. In de vloeistof van het ruggenmerg worden bij BPS ontstekingscellen gevonden en een hoog eiwitgehalte. Er worden geen bacteriën gekweekt.

In het bloed zien we bij BPS veel witte bloedcellen, bloedarmoede, laag albumine en toename van bepaalde andere eiwitten (alpha2 macroglobuline).

De beste behandeling bestaat uit het geven van corticosteroïden zoals prednison in een hoge dosering van 1-4 mg/kg/dag bij acute gevallen voor korter gebruik en in een lagere dosering voor langer gebruik (1mg/kg per 48 uur gedurende 2-6 maanden).

Bij erg pijnlijke acute gevallen is het raadzaam de hond in de dierenkliniek te laten opnemen voor meestal 48 uur. Bij onvoldoende reactie op prednison kan soms effect bereikt worden met cyclofosfamide of azathioprine. Dit zijn immuunsuppressieve medicijnen, die de ontstekingsreactie tegengaan. Het geven van antibiotica is bij deze aandoening niet nodig, omdat er geen sprake is van een bacteriële infectie. Toch wordt het in eerste instantie vaak wel voorgeschreven, omdat in het begin vaak niet zeker is of er wel of geen bacterie in het spel is.

Nadelen van de prednisontherapie zijn het vele drinken, vraatzucht (met als gevolg vaak overgewicht) en veel plassen. Er dient door de dierenarts gestreefd te worden naar de meest effectieve dosering met de minste bijwerkingen. Ook uw hond rust geven is erg belangrijk, omdat bewegen erg pijnlijk is. Voor een hond die samenleeft met andere honden of kinderen, is het vaak prettig om in huis een aparte ruimte te creëren om rustig te kunnen uitzieken.

De prognose na behandeling met prednison voor tenminste 4 maanden of tot dat de hond 1,5 jaar oud is, is de kans op terugkeer van de symptomen erg klein, maar niet onmogelijk. Sommige honden kunnen toch weer met pijnaanvallen te maken krijgen; deze worden wel minder erg naarmate de hond ouder wordt. Deze aandoening verdwijnt ook vaak spontaan bij het bereiken van 1,5 à 2-jarige leeftijd. De prognose is dus in het algemeen goed te noemen na een langdurige behandeling. Fokken wordt vanwege een mogelijke erfelijke overdracht ten zeerste afgeraden.

Beagling:

het meelopen achter een Beagle pack dat aan het werk is. Men dient aangepaste kleding en schoeisel te dragen en zich aan algemene regels te houden. Deze vorm van genieten van werkende honden is in Groot-Brittannië, Ierland en de Verenigde Staten bijzonder populair.

In Nederland is Beagling nu ook mogelijk. De Organisatie Wedstrijdwezen Jachthonden heeft hiervoor de wedstrijdreglementen aangepast.

Bear-baiting:

in vroeger tijden liet men honden vechten met beren, apen, dassen etc. Het op de beer bijten, waarbij de beer met een ketting werd vastgelegd, gold als een belangrijk vermaak.

Beefy:

een te vette, zware en vlezige croupe, een te zware ontwikkeling van de achterhand.

Beet:

manier, waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan.            

Beetinhibitie:

het vertragen of verhinderen van bijtreacties.

Begeleidingshond (BH):

zie Verkeerszekere hond.

Begraven van honden:

Mens en dier hebben tegenwoordig een hechte band. Het onvermijdelijke overlijden van een dier brengt verdriet en rouw met zich mee. Een dier wordt als 'volwaardig lid' van het gezin of als levenskameraad beschouwd. De aandacht voor het afscheid nemen van een dier is sterk groeiend. Mensen 'schamen' zich niet meer om voor hun verdriet uit te komen en willen hun huisdier op liefdevolle wijze een laatste rustplek geven.

Het is toegestaan om uw huisdier zelf te begraven in uw eigen tuin, mits het uw eigendom is, m.a.w. in de tuin van een huurhuis mag het niet. Zo geeft u uw dier een vast plekje bij u in de buurt. Let wel: dit geldt alleen voor huisdieren zoals honden, katten en knaagdieren. 

Aan de afmetingen of plek van het graf worden verder geen eisen gesteld, dus het staat u vrij om voor uw hond een mooie plek te kiezen. Wel moet het grafje minstens 1 meter diep liggen. Doe er geen plastic zak om.

Bedenk dat een dood lichaam raar van kleur en stijf wordt. Dit noemen we rigor mortis oftewel lijkstijfheid of lijkverstijving (rigor), die ontstaat na het intreden van de dood (mortis). Lijkstijfheid komt door stijfheid van de spieren, die enige uren na de dood begint op te treden en na enkele dagen weer verdwijnt.

Er bestaan ook aparte dierenbegraafplaatsen waar uw hond zijn laatste rustplaats kan krijgen. Ook kunt u uw hond laten cremeren in een dierencrematorium. 

Vergeet een hond trouwens niet af te melden bij de hondenbelasting. Het klinkt misschien een beetje raar, maar het voorkomt vreemde situaties op een later moment.

Behang:

oren plus beharing van de oren; vooral gebruikt bij jachthonden.

Beharing:

          synoniem voor vacht.

Behendigheid:

tak van hondensport, waarbij een parcours met hindernissen moet worden afgelegd. De Engelse benaming luidt Agility, nu ook algemeen gebruikt in Nederland. Zie ook jumping en vast parcours

Alle klassen zijn onderverdeeld in a) Large-klasse voor honden vanaf 43 cm., b) Medium-klasse voor honden vanaf 35 cm. tot 43 cm. en c) Small-klasse voor honden minder dan 35 cm. schofthoogte

Zie voor uitgebreidere info: Agility.            

Bek aflikken:

doen honden, wanneer zij meer dan normale speekselproductie krijgen. Dit kan gebeuren als er voer in zicht is, maar ook wanneer dit niet het geval is. Dan is het vaak een indicatie voor stress en een intern conflict.  

Bek (harde bek):

of hard in de mond is een slechte eigenschap en gaat vaak samen met onrust op schot.

De hond heeft de neiging de dummy te beschadigen door hard te bijten.

Bek (zachte bek):

zacht aanpakken van levend of dood wild zonder dit te beschadigen.           

Bekercel:

            bekervormige, slijmvormende cel in de bijschildklier.

Bekkenkanteling:

zie TPO

Bekrachtiging:

beloning, zowel een positieve als een negatieve vorm. 

Een positieve bekrachtiging is het geven van een aangename prikkel, bijv. een brokje, een aai of een speeltje. 

Een negatieve bekrachtiging is het achterwege laten van een verwachte onaangename prikkel of het wegnemen van een aanwezige onaangename prikkel, bijv. het niet geven van een verwachte straf of het stoppen met naderen, zodra de hond dreiggedrag vertoont.

Zie ook gedrag en gedragstherapie.  

Beladen schouders:

te zwaar bespierde schouders, waarbij de belijning vaak is gestoord.

Belijning:

het silhouet van de hond.

Belton:

Engels voor wit met vlekjes (mouchepatroon) over het gehele lichaam, speciaal voor de Engelse Setter. 

Wit met zwarte vlekjes: 'blue belton', wit met oranje vlekjes: 'orange belton', wit met (citroen)gele vlekjes: 'lemon belton', wit met (donker)bruine vlekjes: 'liver belton'.

Blue belton and tan: wit met zwart en bruine vlekjes (bruin op dezelfde plaatsen als bij de Gordon). Liver belton and tan: wit met leverkleur en bruine vlekjes.

Benauwdheid:

zie dyspnoe.

Bench:

Engels voor bank, waarop de hond tijdens de tentoonstelling ligt; (tentoonstellings)hok, kamerkennel, draadkooi, hondenbox, hondenkooi.

Zie ook bench training.

Benching:

Engels voor huisvesting op een tentoonstelling.

Benigne:

            goedaardig, ongevaarlijk; i.t.t. maligne.

Berghonden:

rassen, die voor bewaking en bescherming van kuddes in bergachtige gebieden worden ingezet.            

Berghond van de Oekraïne:

type Berghond met langbehaarde snuit. Lijkt veel op de Komondor.

Berichthond:

honden die getraind worden om berichten over te brengen, vooral in oorlogstijd.

Beroerte:

zie herseninfarct.

Beschutter:

hond, die in ons land werd gebruikt bij de jacht met brakken of windhonden en die, als het wild was gegrepen, belette, dat de jagende honden het verscheurden en het gaaf aan de jager bracht.

Bestralen, bestraling:

zie wetenswaardigheden.

Bèta-caroteen, bètacaroteen, β-caroteen:

zie caroteen en vitamine A.

Bevedering:

de lange haren aan de oren, achterzijde van de benen en de staart, vaak vooral van de achterbenen gezegd (bijv. Setters).

Zie vacht, broek en franje.

Bever:

speciale wildkleur bij de Dwergkees.

Bevruchting:

het samensmelten van ei- en zaadcel, waaruit de kiemcel (zygote) ontstaat. Zie dekking.

Beweging:

1) het lopen van de hond, zowel in stap, draf als galop (de 3 basisgangen). Deze 3 gangen hebben alle weer verschillende tussenvormen en stijlen, die met bouw en oorspronkelijke functie te maken hebben: zie telgang, amble en canter.

Het gangwerk van de hond is de basis van zijn prestaties. De wijze van voortbewegen hangt nauw samen met de bouw van de hond.

2) beweging (afstappen) is voor de hond even noodzakelijk als voedsel. Dit lopen doet hij het liefst buiten in de frisse lucht.

Zie ook skelet en spieren, maar ook hondensport.

Bewusteloosheid:

is een aandoening, waarbij de hond buiten bewustzijn is. Hij kan tijdelijk worden bijgebracht (i.t.t. coma), waarna hij vaak weer bewusteloos wordt.

B-hond:

pup in de babyklasse of puppyklasse, die de kwalificatie 'Belovend' waard is.

In het Engels heet dit "Promising" (P) en in het Duits "Versprechend" (Vsp).

Bi-:

            bestaand uit twee delen; tweevoudig.

Bibarhunt:

jacht op bevers door honden die in de holen kruipen. Meestal gebruikte men hiervoor kortbenige Brakken.

Bicarbonaat (HCO3-):

zie electrolyten, plasma, wetenswaardigheden en bloedonderzoek.

Biest:

          zie colostrum.

B.I.G. (BIG):

Best in group; Engels voor beste hond van de betreffende rasgroep. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Bijensteek:

zie wetenswaardigheden.

Bijlage G-0, G-1 en G-2:

honden waarvan alle voorouders in tenminste 3 generaties zijn opgenomen in het NHSB of een daarmee gelijk te stellen buitenlands stamboek worden in het hoofdstamboek opgenomen. Deze voorouders moeten in principe alle behoren tot dezelfde variëteit wanneer binnen een ras van meer variëteiten sprake is.

In een aantal gevallen bestaat de mogelijkheid honden op te nemen in de bijlage van het hoofdstamboek.
De bijlage kent 3 onderdelen aangeduid met de letter G (van generatie) en een cijfer: G-0, G-1 en G-2.
a) In Bijlage G-0 kunnen worden ingeschreven:
- honden die niet zijn ingeschreven in de Nederlandse of een andere door de FCI erkende buitenlandse stamboekhouding, maar die desondanks - naar het oordeel van de Raad of van de rasvereniging - waardevol zijn; de Raad overlegt over opname altijd met de rasvereniging;
- honden die wat kleur, vacht, grootte of oordracht betreft tot een andere variëteitsgroep behoren dan de ouders, mits door de fokker tegelijk met het verzoek tot inschrijving een gemotiveerd verzoek wordt ingediend; als dat voor de instandhouding van het ras of een variëteit belangrijk is, kan de Raad na overleg met de rasvereniging afstammelingen van honden die niet behoren tot dezelfde variëteitsgroep ook rechtstreeks in het hoofdstamboek inschrijven; hetzelfde geldt in heel bijzondere gevallen voor afstammelingen van ouderdieren behorend tot 2 verschillende rassen, die slechts in een klein onderdeel verschillen;
- honden wier ouders beide zijn ingeschreven in onderdeel G-2 van het Voorlopig Register (zie hieronder).

b) In Bijlage G-1 kunnen worden ingeschreven:
- honden van wie alleen de ouders zijn geregistreerd (registratie in het Voorlopig Register geldt niet) maar niet (alle) grootouders;
- honden van wie één ouder is ingeschreven in G-0, en de andere in het NHSB of een der bijlagen.
c) In Bijlage G-2 kunnen worden ingeschreven:
- honden van wie alleen de ouders en de grootouders zijn geregistreerd, maar niet (alle) overgrootouders;
- honden van wie één ouder is geregistreerd in Bijlage G-1 en de ander in G-1, G-2 of het NHSB.

Voor Nederlandse rassen die in opbouw zijn, maar nog niet door de FCI zijn erkend, kan de Raad van Beheer een Voorlopig Register openen. Hetzelfde kan gelden voor buitenlandse rassen die nog niet door de FCI zijn erkend.

Aan opname in het Voorlopig Register kan een keuring vooraf gaan, waarbij getoetst wordt of de in te schrijven hond voldoet aan het rasbeeld.
Aan honden ingeschreven in het Voorlopig Register of in bijlage G-0 wordt geen titel van kampioen gegeven, zij kunnen dus geen CAC winnen.

Bijnier:

is een orgaan, een endocriene klier, dat aan de nieren bevestigd is (voorzijde) en adrenaline produceert. De hond heeft 2 bijnieren. Ze kunnen worden opgedeeld in een schors en een merg-gedeelte.

Bijniermerg:

            binnenste deel van de bijnier; produceert adrenaline.

Bijnierschors:

buitenste deel van de bijnier. De bijnierschors levert een aantal verschillende hormonen, die allemaal wel iets gemeenschappelijks hebben: hun chemische structuur. Deze kenmerkende structuur kennen we onder de naam steroïden. De hormonen van de bijnierschors noemen we in het algemeen corticosteroïden of kortweg corticoïden.

We onderscheiden een drietal groepen van bijnierschorshormonen: 

1) de mineralocorticoïden. Deze hormonen regelen de minerale evenwichten in het lichaam, zoals het aldosteron, dat werkzaam is in de nieren. Indirect regelen deze hormonen dus ook enigszins de waterhuishouding.

2) de glucocorticoïden. Deze hormonen werken glucose besparend en zorgen voor de verbranding van vetten en aminozuren.

3) de geslachtshormonen. In de bijnierschors wordt (onafhankelijk van het geslacht) een kleine hoeveelheid van elk der geslachtshormonen aangemaakt, zowel de vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogeen en progesteron) als de mannelijke geslachtshormonen (testosteron en androsteron).

Een secundair kenmerk van vooral de mineralocorticoïden is de remming van te sterke afweerreacties van het lichaam. Zij verhinderen bijv. het ontstaan van te hoge lichaamstemperaturen bij koorts. Daarnaast onderdrukken zij algemene ontstekingsreacties, waaronder ook pijn en jeuk mogen worden gevat. Bij honden worden corticosteroïden toegepast als therapie bij de bestrijding van jeuk en bij overgevoeligheid voor vlooien.          

Bijschildklier:

is een hormoonklier en zorgt voor de handhaving van het calciumgehalte in het bloed en reguleert tevens de fosfaatstofwisseling. Ze liggen gedeeltelijk achter en boven de schildklieren. Ze zijn dus van belang voor de botstofwisseling.

Zodra de bijschildklieren 'meten', dat de calciumspiegel in het bloed daalt, beginnen zij het bijschildklierhormoon (parathormoon) te produceren. Dit hormoon zorgt voor de mobilisatie van calcium uit de lichaamsvoorraden naar het bloed, het ontrekt calcium (en fosfaat) aan het skelet. De bijschildklieren merken dankzij hun constante metingen in de bloedbaan, dat het calciumgehalte weer toeneemt en staken dan de productie van het bijschildklierhormoon.

Bijvoeren van pups:

wilt u de jongen bijvoeren tijdens de zoogtijd of in geval van nood als de moedermelk tekortschiet, dan kunt u kunstmelk als volgt maken: gedroogde ondermelkpoeder verdunnen met water en wel op iedere liter lauwwarm water 300 gr. melkpoeder en per liter vloeistof 150 gr. ongezouten roomboter of 10 lepels room toevoegen. Het toevoegen van 3 geklopte eieren geeft nog betere resultaten. Suiker kan weggelaten worden, omdat de gedroogde ondermelk zeer rijk is aan melksuiker. Na een week kunt u geleidelijk aan dit mengsel de verschillende minerale zouten en vitaminen toevoegen.

Een andere bereiding is: aan 500 gr. verse koemelk 400 gr. kippeneieren, 100 gr. room, 16 gr. melksuiker, 2 gr. zout en 2 gr. melkzure kalk toevoegen.

Een 3e mogelijkheid is: 600 gr. koemelk, 10 eieren (= ongeveer 600 gr.) en 20 gr. zeer fijn beendermeel.

Eenvoudiger is het een van de goede handelspreparaten kunstmelk te gebruiken.

Pups van 3 weken verdragen al heel goed fijngemalen rundvlees, wanneer ze van de moeder onvoldoende krijgen. Na het spenen krijgen de puppy's al gemalen spiervlees met kalk/mineralenmengsel en brood en pap. Puppybrok zonder vleesbijmengsels kan ook gegeven worden. In de tandwisselperiode (3-6 maanden) moet u vooral hard droog voer en een bot om op te knagen geven. Botten die splinteren mag u niet geven (zie wetenswaardigheden).

Gedurende de hele ontwikkeling blijft het noodzakelijk een kalkpreparaat met vitaminen te verstrekken om een normale, krachtige groei van het geraamte mogelijk te maken. Dit soort preparaten mag nooit toegevoegd worden aan complete puppy- of juniorenvoer!

Wanneer de moederhond voldoende melk heeft, begint u met bijvoeding als de pups 4 weken oud zijn. De eerste bijvoeding bestaat uit een knikkertje gemalen of geschraapt rundvlees per dag. Wordt dit goed verdragen, dan kan de hoeveelheid opgevoerd worden. Na ongeveer een week kan het vlees vermengd worden met brood en een mespuntje van een vitaminen/mineralenpreparaat. Melk en pap (Brinta, Bambix) komen ook in aanmerking. Bij grote nesten begint u een week eerder met bijvoeren. Zo neemt u geleidelijk aan de voeding geheel van de moederhond over.

Zijn de pups 8 weken oud, dan voert u 5 x per dag. Het aantal maaltijden dient geleidelijk te verminderen (zie wetenswaardigheden).

Wordt een hond te dik, dan de hoeveelheid verminderen. Maar al te dikwijls wordt dan het brood weggelaten en voert men uitsluitend vlees en groenten, aangevuld met een kalk/mineralenmengsel.

Bilateraal:

          tweezijdig, aan twee kanten.

Bilirubine:

is een roodbruine galkleurstof. Het is een maat voor de afbraak van rode bloedcellen en leverproblemen. Bilirubine is vooral een afbraakproduct van bloedcellen, die uiteindelijk via de lever en de darm als gal wordt uitgescheiden. Vaak zien we al een verhoogd bilirubinegehalte aan de buitenkant door geelzucht. Bilirubine zegt niets over de aard van een leverprobleem.

Lage waarden: geen betekenis.

Hoge waarden: a) verhoogde afbraak van rode bloedcellen; b) leverproblemen.

Zie ook bloedonderzoek en urineonderzoek.

Bindvlies:

slijmvlies aan de binnenkant van de oogleden en over de oogbol. Zie ook bindvliesontsteking.

Bindvliesontsteking (conjunctivitis):

is een ontsteking van het membraan op de binnenkant van het ooglid en op de oogbal, of het derde ooglid. Dit is de belangrijkste oorzaak van rode ogen, en kan zich zowel aan één als aan twee ogen voordoen. De klacht kan acuut zijn of chronisch. Zelfs relatief milde gevallen van bindvliesontsteking kunnen ertoe leiden, dat de hond zijn oog beschadigt door bij irritatie te krabben.

De symptomen zijn: rode ogen, vaak knipperen, dikke afscheiding uit een of beide ooghoeken, tranen, halfgesloten ogen, voortdurend rond de ogen krabben of de snuit tegen harde voorwerpen of over de grond wrijven.

De oorzaken kunnen zijn: allergieën, infecties (bacterieel, viraal of schimmel), lichamelijk letsel (bijv. door doornen, graszaden of andere niet-lichaamseigen voorwerpen in het oog), onvoldoende traanproductie of ingegroeide wimpers.

Pekinezen en Cavalier King Charles Spaniels, die grote, uitpuilende ogen hebben, zijn erg vatbaar voor letsel aan het oog.

Als u denkt dat er iets in het oog zit, probeer dat er dan niet uit te halen m.b.v. uw vinger of een wattenstaafje, want dan kunt u het oog nog erger beschadigen. Giet heel voorzichtig ongeveer een liter 'warm' water over het oog of de ogen. Neem een watje, drenk dit in warm water, veeg rond het oog, maar niet er ín, en haal zo de eventuele rommel weg. En ga naar de dierenarts, die afhankelijk van de oorzaak antibiotica in de vorm van oogzalf of -druppels voorschrijft en/of ontstekingsremmende middelen, die u plaatselijk (in het oog) of oraal moet toedienen.

Zie ook wetenswaardigheden.

Bindweefsel:

weefsel dat andere weefsels en organen verbindt en steunt.

Zie ook huid.

Bio-:

          het leven betreffend, levens-.

Biologie:

          wetenschap van de levende materie.

Biologische waarde (BW):

is een maat voor het gehalte en de onderlinge verhouding van de essentiële aminozuren. Is de BW van een eiwit bijvoorbeeld nul, dan zal in dat eiwit minstens 1 essentieel aminozuur ontbreken. Voor de hond is dit eiwit dan waardeloos als bouwstof, omdat hij wegens het ontbreken van juist dat ene aminozuur geen eigen lichaamseiwitten kan opbouwen. Hij kan het wel nog benutten voor de energiewinning.

De biologische waarde van een eiwit of eiwitmengsel moet minstens 60 bedragen. Veel eiwitten hebben een hogere BW, bijv. kippenei (96), rundvlees (76), varkensvlees (78), vis (ruim 80), verhitte sojabonen (75) en aardappelen (71). Sommige producten hebben een lagere BW, bijv. erwten (48) en bonen (38), maar indien men deze grondstoffen met granen mengt (complementeert), verkrijgt het erwten-bonen-graanmengsel een BW, die ruim de minimumnorm overschrijdt.

Biopsie:

verwijdering van een stukje weefsel uit een levend organisme voor onderzoek.            

Biopt:

          weefsel, dat voor medisch onderzoek bij een biopsie verwijderd wordt.

Biotine:

          vitamine H.

Biotoop:

          natuurlijke leefomgeving van een dier.

B.I.S. (BIS):

Best in show; Engels voor beste hond van de tentoonstelling (show). De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Biseksueel:

          dier met zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken.

Bitch:

          Engels voor teef (als tegenovergestelde van dog).

Bitter Apple:

is een onmisbaar gereedschap om uw hond te trainen. Bitter Apple Spray is in 1960 uitgevonden door een apotheker. Om bijten, kauwen en ander ongewenst gedrag te ontmoedigen, sproeit u simpelweg Bitter Apple Spray op voorwerpen. Het is een niet giftig, veilig, effectief en onschadelijk middel voor honden en laat geen vlekken achter.

Het heeft een bittere smaak om huisdieren af te leren om aan voorwerpen (bijv. meubelen) te likken of bijten, maar het kan ook gebruikt worden om likken en bijten aan de vacht, wonden of verbanden te vermijden. De krachtige smaakstoffen geven uw hond een duidelijk signaal.

Dit product kan ook direct op uw hond worden gesproeid om het kauwen op haar en bepaalde plekken te ontmoedigen en af te leren.

Zie ook hotspot.

Blaas:

zie urineblaas.

Blaasgruis:

zie struviet.

Blaaskanker:

in de blaas wordt urine opgevangen die via de urineleiders uit de nieren komt. De urine verlaat het lichaam via de urinebuis (urethra). Nieren, urineleiders, blaas en urinebuis vormen samen de urinewegen.
Blaaskanker en kanker van de urineleider zijn ziektes waarbij zich kwaadaardige cellen vormen in de blaas of in de urinebuis. Er zijn verschillende types tumoren, die genoemd worden naar de cellen waarin ze ontstaan. De meest voorkomende kanker gaat uit van het slijmvlies van de blaas. Omdat slijmvliezen overal in de urinewegen aanwezig zijn, kunnen er op verschillende plaatsen in de urinewegen tumoren voorkomen.

Een tumor die beperkt blijft tot het slijmvlies van de blaaswand, is een oppervlakkige blaaskanker. De tumor kan echter doorgroeien in de diepere lagen en in de spierlaag van de blaaswand. We spreken dan van een invasieve blaaskanker. Het risico is ook groter dat deze tumoren doorgroeien in de lymfeklieren en via het bloed in andere organen.

In een vroeg stadium veroorzaakt kanker van de blaas of van de urethra nauwelijks klachten.
De volgende klachten of symptomen kunnen wijzen op kanker van de urinewegen: bloed in de urine, pijn bij het plassen of vaker moeten plassen dan gewoonlijk. Deze symptomen zijn echter niet altijd specifiek voor kanker van de urinewegen, dus moet er verder onderzoek gedaan worden om te kijken wat het probleem is.
Om kanker op te sporen, kunnen de volgende onderzoeken gebeuren:

• met een urineonderzoek kunnen afwijkende cellen gevonden worden. Daarna is verder onderzoek nodig om te zien waar de tumor zich precies bevindt;

• een echografie van de nieren en van een gevulde blaas kan al richtinggevend zijn en is pijnloos;

• het meest geschikte onderzoek is de cystoscopie, waarbij de blaasholte en de urethra van binnen bekeken wordt;

• als de diagnose van kanker gesteld is, wilt u natuurlijk weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Dat helpt immers mee een eventuele behandeling te bepalen. Daarom kunnen nog een aantal foto's genomen worden: een IVP of IVU (intraveneus pyelogram of intraveneus urogram). Dat zijn röntgenonderzoeken van de urinewegen waarmee de blaas, het nierbekken en de urinewegen duidelijk zichtbaar worden. Dat gebeurt na een intraveneuze inspuiting met een contraststof. Er wordt ook een longfoto genomen om zeker van te zijn, dat er geen uitzaaiingen zijn.

De meest toegepaste behandelingen van kanker van de urinewegen zijn op dit moment een operatie (chirurgie) en behandeling met medicijnen (chemotherapie). Soms wordt er een combinatie van behandelingen voorgesteld:

• Als de ziekte beperkt is gebleven tot de blaas en/of de urethra en niet is uitgezaaid, zal de dierenarts wellicht een curatieve behandeling voorstellen;

• Bij een uitgezaaide kanker zal een palliatieve behandeling voorgesteld worden.

Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk.

1) Chirurgie.

Er zijn verschillende soorten operaties bij blaastumoren en tumoren van de urethra.

a) Bij blaastumoren wordt de volledige blaas of een gedeelte van de blaas weggenomen.

• Als er een volledige blaas wordt weggenomen (cystectomie) moet er een nieuwe blaas gemaakt worden. Er zijn hier verschillende technieken voor, zoals bijv. de techniek waarbij een "continent" urostoma wordt gemaakt. Hierbij wordt een soort buisje gemaakt van een stuk uit de dunne darm. Het ene uiteinde van de darm wordt afgesloten en hierin worden de urineleiders, die van de nieren komen, ingeplant. Dit deel vormt het reservoir. Van het andere deel van de darm maakt de dierenarts een urinestoma, een kunstmatige uitgang, waarlangs de urine het lichaam kan verlaten. Dat reservoir moet de eigenaar 3 keer per dag leegmaken met een sonde, een buisje dat u gemakkelijk in het reservoir inbrengt. Dit heet een "continent" urostoma, omdat de eigenaar er controle over heeft wanneer hij het reservoir leegmaakt;

• Als de dierenarts de blaashals kan sparen, dan maakt hij een vervangblaas, eveneens met een stukje dunne darm, en hecht deze vast op de blaashals. De hond kan gewoon plassen via de urineleider.

b) Tumoren van de urethra.

Bij tumoren van de urethra wordt de volledige urethra weggenomen en wordt er met een stukje dunne darm een continent urostoma aangelegd. Hierbij maakt de dierenarts gebruik van een stukje dunne darm, die op een speciale manier ingesneden wordt, zodat hij een buisje creëert die in de blaaswand ingetunneld kan worden. Doordat hij een tunnel vormt, wordt, als de blaas zich vult, de tunnel dicht geduwd en verliest de hond geen urine. De eigenaar moet 3 keer per dag de hond sonderen.

2) Chemotherapie.

De naam chemotherapie verwijst naar de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen.
De medicijnen worden rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en ook kankercellen in uitzaaiingen op afstand kunnen bereiken. Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een 'cocktail') van celremmende geneesmiddelen (cytostatica) voorgeschreven.
Deze intraveneuze chemotherapie wordt vooral gebruikt bij een uitgezaaide blaaskanker. Het kan uitzaaiingen soms verkleinen, of symptomen van een gevorderde kanker verlichten. Daardoor kan de overleving verlengd worden en de levenskwaliteit verbeteren.
Bepaalde vormen van chemotherapie worden rechtstreeks in de blaas ingebracht, langs een buisje door de urinebuis. De blaas wordt hierbij 'gespoeld' met cytostatica. De behandeling wordt enkel gebruikt bij oppervlakkige blaaskankers in een vroeg stadium. Het kan helpen om de tumor minder kans te geven om weer aan te groeien of terug te komen.

Wat is de prognose? De kans op genezing en herstel hangt bij kanker af van veel dingen: van het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd van de patiënt, de grootte van de tumor, of er al dan niet uitzaaiingen zijn, van de behandeling etc.
Algemeen geldt dat hoe kleiner de tumor en hoe vroeger ontdekt, hoe beter de kansen. Houd er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren.

Voor meer info: zie wetenswaardigheden.

Blaasontsteking:

          zie cystitis.

Blaasstenen:

symptomen lijken op blaasontsteking. Bij reuen is er soms afsluiting (obstructie) van de urineleider, een acute toestand die snel verholpen moet worden. Via urineonderzoek is te constateren welke soort blaasstenen aanwezig zijn. Soms is ook röntgenonderzoek nodig. De behandeling is medicamenteus, soms operatief. Ook speciaal dieet kan sommige stenen doen oplossen, dan wel het terugkeren van de kwaal voorkomen.

Zie ook urolithiasis, struviet, cystitis en urinezuurkristallen bij Dalmatiërs.

Blaasworm:

          larve van een lintworm. Zie echinococcus.

Black-and-tan:

Engels voor zwart met bruine aftekening (bijv. Brakken, Dobermann, Beauceron).

Black Skin Disease:

zie Alopecia X.

Blaffen:

het verheffen van de stem oftewel het luid geven (zie: hals geven). Intonatie en kracht verschillen per hond en per ras.

Zie ook hondentaal en wetenswaardigheden.

Blässli:

Appenzeller Sennenhond.

Blastula:

          bolvormig delingsstadium van een bevruchte eicel.

Blauwalg:

komt in de zomermaanden regelmatig voor, zodra het enkele dagen warm is geweest en het water in een zwemplas laag staat. Meestal ontstaat het eerste vermoeden van blauwalg als zwemmers gaan klagen over diarree, misselijkheid en huiduitslag. Zodra is vastgesteld dat het om blauwalg gaat, wordt zo'n waterplas gesloten totdat de giftige laag weer is verdwenen. Dat gebeurt meestal na afkoeling en enkele regenbuien.

In de herfst is blauwalg zeer uitzonderlijk, maar het komt voor. Nadat in oktober 2005 ruim twintig dode eenden in en bij de recreatieplas Rhederlaag bij het Gelderse Lathum werden gevonden, heeft Rijkswaterstaat het water laten onderzoeken en daaruit bleek, dat er blauwalg was aangetroffen. Het aantreffen van blauwalg in oktober is wel erg laat in het seizoen, maar het kwam door aanhoudend zomerse temperaturen in combinatie met langdurige droogte. Er zijn toen waarschuwingsborden geplaatst voor honden- en kattenbezitters om hun huisdieren bij het water weg te houden.

Zie voor meer info: zwemmen.

Blauwe tong:

heeft de Chow Chow, een meer dan 2000 jaar oud Chinees ras. Hij verschilt dus nogal wat uiterlijk betreft van andere rassen: zijn blauwzwarte tong, donker verhemelte en donkere lippen. Hoe hij daaraan komt, zal wel nooit opgelost worden.

Bij de Shar-Pei heeft blauwachtig zwart ook de voorkeur; zwart/blauw met roze vlekken is toegestaan, maar een egaal roze tong is hoogst ongewenst.

Als u een blauwe of paarse tong bij 'n ander ras of bij uw eigen hond ziet, moet u zo snel mogelijk naar uw dierenarts; dit een cyanotische tong en dit duidt op zuurstofgebrek.

Blefaritis, Blepharitis:

ontsteking van het ooglid.

Blenheim:

 is een kleurslag van de (Cavalier) King Charles Spaniel: op een zuiver witte ondergrond goed verdeelde kastanjerode platen. Een brede witte bles met een spot op het midden van de schedel ter grootte van een Engelse sixpence munt.

De Blenheim Spaniel is dan ook een (soort) King Charles Spaniel.

Bles:

witte vlek op het voorhoofd.

Blind:

a) een Engelse term uit de jachtsport. Bij een zogeheten 'blind' wordt de hond op een apport uitgestuurd, die hij niet heeft zien vallen. De hond moet op aanwijzingen van de voorjager (dirigeren) het apport vinden en tijdens het zoeken in het valgebied blijven.

b) niet in staat te zien.

Er zijn meerdere oorzaken voor acute blindheid, waarbij we weinig aan het oog zelf zien:

• ontsteking van de optische zenuw;

• ontsteking in de hersenen;

tumoren die op de optische zenuw drukken;

• tumoren in de hersenen;

hoge bloeddruk;

SARD.

Enkele algemene tips in het omgaan met een blinde hond, of hij nu blind geboren is of dat hij het wordt op oudere leeftijd:

• Verplaats in het begin uw meubilair niet en daarna ook alleen als het strikt noodzakelijk is.

• Als u een vijver of een zwembad in de tuin hebt, is het belangrijk om hier een hek omheen te maken of om te voorkomen dat uw hond hier in de buurt kan komen. Een blind dier kan in het water vallen, de kant niet vinden en verdrinken.

• Laat de hond aan de lijn uit, u bent zijn ogen en moet hem dus door het verkeer en langs obstakels leiden. Anticipeer en stuur (leid) uw hond duidelijk. Door veel te praten is het voor uw hond makkelijker u te volgen. Het is handig om uw hond bepaalde commando's te leren, waardoor het wandelen nog aangenamer wordt.

• Voer uw hond altijd op dezelfde plaats en laat ook de waterbak altijd op dezelfde plaats staan. Dit voorkomt desoriëntatie.

• Plaats stoelen na gebruik terug onder de tafel; dit voorkomt nare botsingen.

• Als uw hond gedesoriënteerd raakt, breng hem dan terug naar zijn voerbak of ligplaats. Dit worden zijn oriëntatiepunten.

• Plaats hekjes voor de trap om te voorkomen, dat uw hond de trap opgaat of er vanaf valt.

• Als uw hond door uw woonsituatie toch gebruik van de trap moet maken, doe dat dan alleen onder begeleiding en besef dat dit een van de moeilijkste dingen is om hem (weer) aan te leren. Maar met veel geduld zult u een heel eind komen.

De andere zintuigen van een pup, die blind geboren wordt, worden na verloop van tijd scherper.

Voor boeken over omgaan met een blinde hond, specifieke hulpmiddelen en allerlei links over dit onderwerp: zie eyevet (Engelstalig).

Blinde darm (caecum):

het eerste deel van de dikke darm, een blind eindigende uitstulping. De blinde darm is bij honden niet sterk ontwikkeld. Behalve caecum wordt het ook coecum genoemd.

Blindengeleidehond:

honden, die worden opgeleid om blinden behulpzaam te zijn in huis, in het verkeer, zodat ze veilig kunnen oversteken en behoed worden voor hindernissen, en in hun hele sociale leven. De blinde geeft zelf de commando's, zoals bijv. "zoek deur".

Zie ook SOHO.

Blitzen:

Duits voor het zichtbaar zijn van de tanden bij gesloten mond (bijv. Engelse Bulldog).

Bloat:

Engels voor maagdraaiing of maagtorsie.

Bloed:

a) afkorting voor bloedlijn, d.w.z. afstamming; meestal gebruikt om een vorm van adel aan te geven.

b) bestaat uit 45% bloedcellen (= rode bloedcellen, witte bloedcellen en de bloedplaatjes) en 55% plasma (= bloedvloeistof, waarin allerlei stoffen zijn opgelost). De hoeveelheid bloed in het lichaam bedraagt gemiddeld circa 1/13 tot 1/14 deel van het totale lichaamsgewicht, m.a.w. een hond met een gewicht van 30 kg. heeft ruim 2 liter bloed bij zich.

Bloedarmoede:

een algehele vermindering van het aantal rode bloedlichaampjes, waardoor een tekort aan ijzer ontstaat. Dit heeft tot gevolg, dat de lichaamscellen van de hond niet genoeg zuurstof voor de ademhaling krijgen.

Symptomen zijn o.a. versnelde ademhaling, verhoogde hartslag, vermoeidheid, verzwakking en bleke slijmvliezen (bijv. in het tandvlees te zien).

Oorzaken kunnen o.a. zijn: infecties, medicijnen die de rode bloedcellen voortijdig afbreken, tekort aan vitaminen en ijzer en onvoldoende erythropoëtine door de nieren gemaakt etc.

Bloedarmoede (anemie) kan vele oorzaken hebben, daarom zal een dierenarts een bloedonderzoek doen, waaruit de oorzaak te herleiden is. Eventueel een bloedtransfusie.

Bloedbank (Eerste Veterinaire Bloedbank Nederland, E.V.B.N.):

is een initiatief van veterinair internist drs. Rob Gerritsen uit Ommen en dierenarts drs. Cris van der Meiden uit Nijverdal. Beiden kregen in hun praktijken met enige regelmaat te maken met patiënten, waarvoor een bloedtransfusie nodig en vaak levensreddend was. Dat waren bijv. honden met een ziekte waardoor ze hun eigen bloed afbraken, honden met een stollingsstoornis, verkeersslachtoffers of dieren die tijdens een operatie veel bloed verloren. 

De diergeneeskundige praktijk was, dat in een dergelijk geval bloed werd afgenomen van een eigen hond dat vervolgens, al dan niet na het uitvoeren van een kruisagglutinatie, werd toegediend aan de patiënt. Een oplossing die niet alleen hoogdrempelig was, maar ook de nodige gevaren voor de patiënt met zich meebracht, zeker wanneer een tweede transfusie nodig bleek. Plasmatherapie voor dieren met hypoproteïnemie of een stollingsstoornis (bijv. hemofilie en Willebrandsziekte) was helemaal niet mogelijk, omdat plasma eenvoudig niet verkrijgbaar was. 

Reden voor Gerritsen en van der Meiden om na te gaan denken over de mogelijkheid om bloed en bloedproducten van getypeerde en op afwijkingen gescreende honden op voorraad te gaan houden. Gaandeweg ontstond het idee om deze producten beschikbaar te gaan stellen aan collega's in het land. Het idee voor een veterinaire bloedbank werd geboren. 

De EVBN is inmiddels in staat om bloed en bloedproducten te leveren. Vanaf 1 juni 2003 kunnen dierenartsen beschikken over volbloed, packed cells en bloedplasma (Fresh frozen plasma (FFP) en Frozen Plasma (FP)). 

De EVBN wil graag in contact komen met eigenaren van honden, die bloeddonor kunnen worden. De voorkeur gaat hierbij uit naar grote en middelgrote, rustige honden. Honden die minstens 25 kg. wegen, tussen de 1 en 10 jaar oud zijn en jaarlijks gevaccineerd en ontwormd worden. Voordat uw hond donor kan worden, wordt een uitgebreid lichamelijk- en bloedonderzoek gedaan om vast te stellen dat uw hond gezond is. Verder zal de bloedgroep van uw hond bepaald worden. Is uw hond geschikt bevonden als bloeddonor dan zullen zij u vier tot zes maal per jaar oproepen voor een donatie.

Voor de donatie wordt de hond in zijligging gelegd en wordt een klein plekje aan de hals geschoren. Vervolgens wordt de naald ingebracht in het grote bloedvat aan de hals van de hond waarna het bloed in de zak kan stromen. Na 5 tot 7 minuten is 450 ml. bloed afgenomen en wordt de afname beëindigd. Na afloop krijgt de hond altijd een beloning.

Na afname worden de bloedcellen en het bloedplasma van elkaar gescheiden. De bloedcellen kunnen gebruikt worden voor dieren met bloedarmoede. Het bloedplasma wordt gebruikt voor allerlei ziekten waaronder stollingsproblemen (zie trombocyt), alvleesklierontsteking en leveraandoeningen. De bloedproducten worden gekoeld of ingevroren bewaard en kunnen, als daar behoefte aan is, vervoerd worden naar dierenartsen in Nederland en België. In 2006 heeft de EVBN m.b.v. het gedoneerde bloed ongeveer 600 honden en katten kunnen helpen. Een flink deel daarvan zou zonder het bloed van de donoren niet meer geleefd hebben!

U kunt uw hond (en dat geldt ook voor de kat) als donor aanmelden via de site. Om efficiencyredenen vinden de bloedafnames momenteel uitsluitend in Ommen en Nijverdal plaats. In de toekomst is het de bedoeling om met een mobiel priklab door het land te gaan rijden. 

Het is toch een prachtig idee, dat door de bloedbank voor dieren honden en katten gered kunnen worden, die vroeger opgegeven waren?!

Bloeddonor:

kan uw hond het leven van een ander dier redden? Geregeld hebben dierenartsen "bloed" nodig om hun patiënt te behandelen en/of te redden. Hiervoor zijn er dus bloeddonoren nodig, net zoals in de menselijke geneeskunde. In de diergeneeskunde bestaat er inmiddels een bloedbank, zodat dierenartsen niet meer aangewezen zijn op bloed van bereidwillige dieren met bereidwillige baasjes (zoals het vroeger wel in de praktijk ging).
Als u wenst kan uw hond ook een bloeddonor worden. De voorkeur gaat hierbij uit naar grote en middelgrote, rustige honden. Te denken valt aan Doggen, Newfoundlanders, Labradors, Golden Retrievers, Ierse Wolfshonden, Herdershonden, Bouviers, Rottweilers en dergelijke, maar ook kruisingen zijn van harte welkom om bloeddonor te worden.

Om precies te zijn is de bloedbank op zoek naar honden die minstens 25 kg wegen, met een leeftijd tussen 1 en 10 jaar oud en die jaarlijks gevaccineerd en ontwormd worden.

Zie voor verdere info: EVBN.

Bloeddruk:

In tegenstelling tot bij mensen is bloeddrukmeting bij dieren nog geen standaard onderzoek bij een dierenartsbezoek. Problemen met de bloeddruk komen echter ook bij honden voor. Een aantal ziekten van de hond, die vooral op oudere leeftijd kunnen ontstaan, kunnen leiden tot een verhoging van de bloeddruk met alle negatieve gevolgen van dien. Zo kan een verhoogde bloeddruk leiden tot complicaties van de ziekte, maar het is ook mogelijk dat de verhoogde bloeddruk het primaire ziekteproces versnelt of verergert. Naast een te hoge bloeddruk kan een verlaging van de bloeddruk natuurlijk ook problemen veroorzaken. Kortom, reden genoeg om bij een aantal patiënten regelmatig wat aandacht te besteden aan een controle van de bloeddruk.

Omdat afwijkingen aan de bloeddruk bij mensen een veel besproken en wel bekend onderwerp is, zullen de meesten de medische termen voor een te hoge bloeddruk en een te lage bloeddruk wel kennen. Voor de volledigheid noem ik ze toch even: 'hypertensie' is de officiële term voor een te hoge bloeddruk, 'hypotensie' voor een te lage bloeddruk en 'normotensie' voor een normale bloeddruk.

Bij mensen wordt altijd gesproken over een boven- een onderdruk. Deze termen worden in de medische wereld ook wel aangeduid met respectievelijk 'systolische bloeddruk' en 'diastolische bloeddruk'. De systolische bloeddruk (of bovendruk) is de bloeddruk op het moment, dat het hart samentrekt en dus het bloed het lichaam in pompt. De diastolische bloeddruk (of onderdruk) is de bloeddruk op het moment, dat het hart ontspant en zich weer vult met bloed dat terugkeert uit het lichaam.

Meestal wordt bij de dierenarts alleen de systolische bloeddruk gemeten en dat gebeurt m.b.v. de Dopplermethode. De beweging van de bloedstroom wordt hoorbaar gemaakt door het uitzenden en terugkaatsen van ultrasone geluidsgolven. De geluidsgolven worden uitgezonden en weer opgevangen door een zogenaamde transducer. De frequentie van de teruggekaatste geluidsgolven verandert op het moment dat het bloed de transducer passeert (denk maar aan het effect van een ambulance die u voorbijrijdt met een loeiende sirene: u hoort dan de toon van de sirene duidelijk veranderen in het voorbijgaan). Deze verandering in frequentie wordt omgezet in een hoorbaar signaal.

Door nu de bloedstroom tijdelijk tegen te gaan (opblazen van de band om de poot of 'cuff') verdwijnt het signaal (er is immers geen beweging), vervolgens laat de dierenarts de cuff geleidelijk aan leeglopen. Bij een bepaalde druk in de cuff, begint het bloed weer te stromen en hoort hij dus (t.g.v. het Dopplereffect) een signaal. De druk die op dat moment wordt afgelezen, is de systolische bloeddruk (of bovendruk).

Bij mensen geschiedt de bloeddrukmeting aan de arm, bij honden wordt de bloeddrukmeting vergelijkbaar uitgevoerd aan de voorpoot. Een alternatief kan de staart zijn, maar de metingen aan de voorpoot zijn betrouwbaarder (dichter bij het hart).

Het is van belang dat de hond rustig wordt benaderd en dat de eigenaar hem of haar zoveel mogelijk op het gemak stelt. Stress heeft, net als bij mensen, invloed op de hoogte van de bloeddruk. Omdat schrikreacties (bijv. op geluiden uit de omgeving) een snelle verandering in de bloeddruk kunnen veroorzaken, wordt altijd het gemiddelde van een aantal metingen genomen.
Het is aan te bevelen de hond eerst even aan de omgeving te laten wennen, alvorens de bloeddrukmeting uit te voeren (dus niet gaan meten bij een hond die zich net vreselijk druk heeft zitten maken in de auto onderweg naar de kliniek, of bij een hond die net ruzie heeft gemaakt met een andere hond in de wachtkamer).
Er wordt meestal 3-5 x een meting gedaan, waarna een gemiddelde van deze 3-5 metingen wordt berekend.

Voor de hond is de normale systolische bloeddruk ongeveer 135 mm Hg. Er zijn wel rasverschillen. Zo blijkt de systolische bloeddruk bij de Labrador Retriever en Golden Retriever van nature wat lager te liggen dan dit gemiddelde (rond de 120 mm Hg) en de systolische bloeddruk van windhonden wat hoger te liggen dan dit gemiddelde (rond de 145 mm Hg).

We spreken bij de hond van een milde hypertensie bij waarden tussen de 150-160 mm Hg. Tussen 160-180 mm Hg is sprake van een matige hypertensie. Ernstige hypertensie is gedefinieerd bij waarden boven de 180 mm Hg. Meestal ontstaan er ook pas problemen bij waarden van 175 mm Hg of hoger.

Zoals geschreven in de inleiding zijn er verschillende ziekten die tot een afwijkende bloeddruk kunnen leiden. Als de dierenarts weet, dat een hond zo'n ziekte heeft, dan zal hij dus de bloeddruk controleren. Een afwijkende bloeddruk of een verandering in de bloeddruk t.o.v. de normale bloeddruk van het dier, kan hem echter ook op het spoor brengen van zo'n ziekte.

De meeste ziekten die gepaard gaan met een verhoging van de bloeddruk, zijn de zogenaamde ouderdomskwalen. Het zijn dus ziekten die gemiddeld genomen vaker worden gezien bij de oudere hond. U moet hierbij denken aan nierfalen, hartfalen, de ziekte van Cushing en soms suikerziekte.

Bij de zogenaamde senioren (grote hond boven de 8 jaar en kleine hond boven de 10 jaar) kan het dus zeer zinvol zijn om 1-2 x per jaar de bloeddruk te laten meten. Bij honden die symptomen vertonen die zouden kunnen passen bij één van bovengenoemde aandoeningen, is het meten van de bloeddruk sowieso nuttig, ongeacht de leeftijd.

Ziekten die gepaard gaan met een te lage bloeddruk zijn bijv. de ziekte van Addison, ernstige uitdroging, shock (t.g.v. van ernstig bloedverlies, trauma etc.), hartfalen of een hypothyreoïdie. Maar ook veel narcosemiddelen en sommige medicijnen kunnen een te lage bloeddruk veroorzaken.

Bij welke patiënten is het nu zinvol om de bloeddruk te meten?

• Honden waarbij één van bovengenoemde aandoeningen is geconstateerd;

Honden met klachten van veel plassen / veel drinken;

Honden met plotseling visusverlies;

Honden met verkleuringen in de iris van het oog;

Honden die vermageren ondanks goede eetlust;

Honden met een verminderd uithoudingsvermogen;

Honden met onbegrepen zwakte/slapte;

Honden met uitdrogingsverschijnselen;

• Honden met een afwijkende perifere doorbloeding;

Honden voor of tijdens een algehele narcose;

Honden met (ernstig) bloedverlies;

Honden na ernstig trauma (val van grote hoogte, aanrijding, ernstig bijttrauma);

Honden die (langdurig) infuus krijgen;

Honden die medicijnen krijgen die de bloeddruk kunnen beïnvloeden: ACE-remmers, furosemide (plastabletten), betablokkers, calcium antagonisten, corticosteroïden.

Zie ook hartslag en polsslag.

Bloederziekte:

zie hemofilie en Willebrandsziekte.

Bloed in de ontlasting:

zie o.a. diarree, haarworm en kanker.

Bloedingen:

zie wetenswaardigheden.

Bloedlijn:

afstamming; meestal gebruikt om een vorm van adel aan te geven.

Bloedluis:

zie luizen.

Bloedonderzoek:

          zie bloedanalyse.

Bloedoor (othaematoom):

of oorhematoom, is een bloeding onder de huid van de oorschelp (zonder wond), die zich uit als een bobbel of verdikking, m.a.w. een bloeduitstorting in de oorschelp.

De oorzaak ligt in het schudden met de kop t.g.v. een oorontsteking of een voorwerp (bijv. grasaar) in de gehoorgang. Slechts zeer kleine bloeduitstortingen gaan weer vanzelf over; meestal zal de dierenarts operatief het bloed (na min. een week) moeten verwijderen, waarna de oorschelp dwars door het kraakbeen wordt gehecht. 

Zie ook wetenswaardigheden.

Bloedplaatje:

klein, kleurloos, ovaal bloedcelletje zonder kern; thrombocyt. Zie ook bloedonderzoek.            

Bloed plassen:

als een reu van zo'n 5 à 6 jaar bloed plast, kan dat duiden op nierproblemen, blaasontsteking of een prostaatprobleem.

Maar als een reu van 1 jaar dit doet, kan het duiden op een auto-immuunziekte. Heel vaak is er niets aan te doen, is er een genetische aanleg (Bouviers), zijn er mogelijk milieufactoren of zijn er mogelijk virale infecties bij het moederdier.

Bloedsomloop:

het hart, de bloedvaten en de lymfevaten vormen samen de bloedsomloop (het circulatiestelsel).

Zoogdieren, waaronder de hond, hebben een dubbele bloedsomloop: een kleine circulatie naar de longen, zuiver en alleen voor de gaswisseling (kleine bloedsomloop) en een grote circulatie door het gehele lichaam voor de uitwisseling van voedselstoffen, zuurstof en afvalstoffen naar alle lichaamscellen (grote bloedsomloop).

Om te testen of er sprake is van een verstoorde doorbloeding kunt u de zogenaamde C.R.T.-test doen.

Bloedstolling:

of coagulatie is het proces waardoor bloed, dat aan de lucht of aan andere oppervlakken dan de binnenkant van het vaatstelsel wordt blootgesteld, klontert en hard wordt. Het is één van de processen die bloedverlies bij verwondingen beperken.

Een bloeding is eigenlijk niets anders dan een beschadiging van een bloedvat. Het lichaam herstelt het beschadigde bloedvat d.m.v. een uitgekiende keten van op elkaar afgestemde reacties. Dit bloedstollingproces heet stollingscascade of hemostase. De hemostase wordt onderverdeeld in twee fases: de eerste fase of primaire hemostase en de tweede fase of secundaire hemostase.

Voor een geslaagde hemostase moeten vooral drie componenten samenwerken, te weten de wanden van de bloedvaten, de bloedplaatjes en de eiwitten in het bloed.

Hemostase is een verzamelnaam voor al de mechanismen die ervoor moeten zorgen dat spontane bloedingen worden vermeden en dat bloedingen, veroorzaakt door een breuk in de continuïteit van de vaatwand, stoppen. Hemostase is een fysiologisch samenspel van de vaatwand, de bloedplaatjes, de coagulatie (de coagulatiefactoren die men terugvindt in het plasma) en de fibrinolyse.

Soms is er een probleem met de bloedstolling. Een bloeding houdt niet op of ontstaat zo maar spontaan. Het probleem kan veroorzaakt worden door een giftige stof of een storing van de leverfunctie of de aanmaak van bloedplaatjes in het beenmerg. In een aantal gevallen is er sprake van een erfelijk stollingsprobleem. Het is fijn om dat te weten, vooral voor een operatieve ingreep.

Verschijnselen van storingen in de eerste fase:

kleine bloedingen: speldenknopgrote rode puntjes. Deze zien we meestal in de huid en slijmvliezen;

bloedverlies in de urine;

bloedneus.

Verschijnselen van storingen in de tweede fase:

• grotere bloeduitstortingen. Deze zien we meestal in de huid als grote blauwpaarse plekken;

• soms zijn deze bloeduitstortingen minder zichtbaar, maar meer voelbaar als zwellingen in de spieren en gewrichten;

• wat weer kan leiden tot kreupelheid;

• soms zie je ze helemaal niet, het bloed zit dan in een lichaamsholte, de borst of de buik, waardoor de hond benauwd kan zijn en een dikke buik kan hebben.

Storingen in de primaire hemostase ontstaan meestal door een verminderde functie van de bloedplaatjes of een tekort aan bloedplaatjes. Die verminderde functie van de bloedplaatjes kan in een uitzonderlijk geval berusten op een aangeboren defect van de bloedplaatjes, maar een veel vaker voorkomende en veel bekendere oorzaak is de verminderde functie t.g.v. het gebruik van NSAID's.

Een tekort aan bloedplaatjes kan een gevolg zijn van een verminderde aanmaak ervan, een verhoogde afbraak ervan of een ophoping ervan in de milt.

Een verminderde aanmaak van bloedplaatjes zien we bijv. bij problemen met het beenmerg. Dit kan bijv. een tumor zijn die de normale functie van het beenmerg verstoort, maar het kan ook een gevolg zijn van bepaalde medicijnen of een overvloed aan oestrogenen (dit zijn niet alleen vrouwelijke geslachtshormonen die geproduceerd worden in de eierstokken, maar ook wel eens worden toegediend bij bijv. een ongewenste dekking).

Een verhoogde afbraak van bloedplaatjes zien we in het kader van immuunstoornissen. In het stukje over AIHA kunt u lezen over een immuungemedieerde afbraak van de rode bloedcellen; eenzelfde fenomeen kennen we ook voor de bloedplaatjes. En soms worden zowel de rode bloedcellen als de bloedplaatjes tegelijk afgebroken door het lichaam zelf. Er zijn ook medicijnen, die de afbraak van bloedplaatjes kunnen stimuleren.

Een ophoping van bloedplaatjes in de milt zien we bij een ernstige vergroting van de milt. Omdat de meeste bloedplaatjes zich dan dus in het miltweefsel bevinden, zijn er minder in de perifere bloedbaan op dat moment.

Een andere oorzaak voor een storing in de primaire hemostase is een erfelijke ziekte: "de ziekte van Von Willebrand".

Storingen in de secundaire hemostase ontstaan door een tekort aan één of meerdere stollingsfactoren. Dit wordt meestal veroorzaakt door de opname van muizen- of rattengif of een ernstige leveraandoening.

Maar er zijn ook erfelijke stollingsstoornissen. De belangrijkste erfelijke stollingsstoornissen bij de hond zijn Hemofilie A en B.

Een andere situatie waarin de gehele stolling volledig verstoord kan raken is een aandoening die DIS (Diffuse Intravasale Stolling) wordt genoemd.

Zie ook antistollingsmiddel, calcium, fibrine, fibrinogeen, prothrombine, vitamine K, heparine en trombocyt.

Bloedtransfusie:

kan levensreddend zijn en geeft de dierenarts meer tijd om de oorzaak te achterhalen en deze te behandelen. De eerste bloedtransfusie maakt bij honden niet uit. Maar bij honden heb je ook te maken met bloedgroepen, maar het zit anders in elkaar dan bij mensen.

Een groot verschil tussen mensen en honden is, dat een eerste bloedtransfusie bij een hond eigenlijk zonder al te veel gevaar gedaan kan worden, ongeacht het type bloedgroep. Bij mensen ligt dat anders, daar kan een eerste bloedtransfusie al problemen geven. Als je een hond een bloedtransfusie geeft en je zorgt er niet voor dat de bloedgroepen overeenkomen, gaat de hond als reactie antistoffen aanmaken, waardoor een tweede bloedtransfusie wel problemen kan geven. Dat is een belangrijk verschil met mensen. Veel mensen weten hun eigen bloedgroep, de meeste eigenaren weten de bloedgroep van hun hond niet.

Er bestaat een bloedbank. Men zoekt naar honden die de bloedgroep, die verantwoordelijk is voor de ernstige transfusiereacties, niet hebben. We spreken dan over DEA 1.1 negatieve dieren. We kunnen deze honden geen echte universele donoren noemen, maar het zijn wel honden die veilig bloed kunnen geven, zelfs aan dieren die al eens een transfusie gehad hebben.

Bloeduitstorting:

bloeding onder de huid, dus zonder wond, die als zondanig vanzelf tot stilstand komt. Het meest zien we dit in de oorschelp optreden als bobbel of verdikking: zie bloedoor.

Bloedvaten:

in het lichaam van de gewervelde dieren, waaronder onze hond, stroomt het bloed door een gesloten stelsel van bloedvaten. We onderscheiden daarbij slagaders (arteriae), aders (venae) en haarvaten of capillairen.

Enkele verschillen tussen slagaders en aders zijn:

slagaders a) vervoeren bloed vanaf het hart; b) hebben een dikke, stevig gespierde wand; c) het bloed wordt erin geperst vanuit het hart; d) hebben grote stroomsnelheden en hoge bloeddruk, waardoor ze kloppen; e) liggen diep onder de huid (uitgezonderd bij de pols, slaap, hals en lies); f) verwondingen zijn zeer gevaarlijk (het spuit eruit) en g) hebben alleen in het begin kleppen (geen terugstroming).

aders a) vervoeren het bloed naar het hart toe; b) hebben een dunne, slappe, ongespierde wand; c) het bloed wordt voortbewogen o.i.v. lichaamsbewegingen; d) hebben lage stroomsnelheden en lage bloeddruk, waardoor ze niet kloppen; e) liggen vaak oppervlakkig, vlak onder de huid; f) verwondingen zijn meestal minder gevaarlijk en g) hebben over de gehele lengte kleppen.

De slagaders vervoeren het bloed vanaf het hart. Zij vertakken zich steeds verder (arteriolen) in steeds kleiner wordende vaten teneinde elk orgaan en lichaamsdeel van bloed te kunnen voorzien. De fijnste vertakkingen zijn de haarvaten of capillairen.

De haarvaten hebben een zeer dunne wand, waardoor gemakkelijk voedsel en zuurstof uit het bloed naar de cellen kunnen worden gebracht en afvalstoffen kunnen worden opgenomen.

Nadat deze uitwisseling van stofwisselingsproducten heeft plaatsgevonden, verenigen de haarvaten zich weer tot steeds grotere afvoerende bloedvaten, de aders (venulen en venen), die het bloed weer terugvoeren naar het hart.

Blue-and-tan:

Engels voor blauw met bruine aftekening (bijv. Bedlington Terriër, Dobermann).

Blue belton:

            zie belton.

Blue merle:  

oorspronkelijk blue marbled = blauw gemarmerd. Engels voor grijsblauw met zwarte vlekjes (bijv. Collie, Sheltie, Dunker en Welsh Corgi Cardigan). Deze vachtkleur staat tussen geheel wit en het black-and-tanpatroon in. Witte aftekeningen komen veel voor, evenals een of twee glas- of porseleinogen.

Zie ook red merle, sable-merle, merle-tekening en getijgerd.

B.O.B. (BOB):

          Best of breed, beste van het ras. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Bodemafstand:

afstand van de grond tot het laagste punt van het borstbeen.

Bodenständige Hütehunde:

is de naam die in Duitsland gegeven wordt aan een groep van herdershonden die aan hun doel - het hoeden van schapen - beantwoorden. Hierbij geldt dat het werk van de hond zijn aard en bouw bepaalt en er wordt uitgegaan van de hond die in vele geslachten deze arbeid heeft verricht. Men onderscheidt de volgende 3 slagen: Schafpudel (doet aan onze Schapendoes denken), Hütespitz (wordt wel gezien als het oude slag van de Duitse Herdershond) en Pommerscher Hütehund (ziet eruit als een lichte Kuvasz).

Boeggewricht (schoudergewricht):

of boeg is het gewricht tussen het schouderblad en de opperarm. Het is in principe een kogelgewricht, maar door de aanwezigheid van stevige banden werkt het gewricht bij de hond meer als een scharniergewricht. Zie ook skelet, spieren 1, spieren 2, spieren 3 en spieren 4.

Boerenfox, boerenfoks:

is een kleine, hoogbenige terriër die qua verschijning veel lijkt op de gladharige Foxterriër en Jack Russell Terriër, iets dat niet vreemd is, want onder het niet-erkende ras Boerenfox wordt een hond verstaan, die vermoedelijk afkomstig is uit een kruising tussen de Foxterriër en de hoogbenige Jack Russell Terriër (= Parson Russell Terriër).

De term Boerenfox wordt in de volksmond echter gebruikt voor allerhande kruisingen tussen kleine terriërsoorten. Een kruising tussen een Jack Russell en een Boerenfox zal in de regel resulteren in een Boerenfox, terwijl in essentie een Boerenfox afkomstig is uit Boerenfox-ouders. Zelfs uit de oorspronkelijke kruising Foxterriër x Jack Russell komt geen boerenfox voort, maar een bastaard.

In de regel wordt de term Boerenfox, al dan niet abusievelijk, gebruikt voor:

een hond waarvan beide ouders Boerenfoxen zijn (het niet-erkende ras Boerenfox);

een hond waarvan één ouder een Boerenfox is en de andere ouder tot een ander (hoogbenige) terriërsoort behoort, zoals bijv. de Foxterriër of de Russell Terriër waar de Boerenfox oorspronkelijk uit voortkomt;

een hond, waarvan de ouders beide tot een ander terriërsoort behoren, bijv. een Russell Terriër gekruist met een Foxterriër.

De boerenfox is niet officieel erkend als hondenras, maar toch onderscheiden ze zich duidelijk van andere rassen en kruisingen. De vacht van de boerenfox is vaak wit met zwarte en/of bruine vlekken. Het zijn over het algemeen gladharige honden met een stevige bouw. Boerenfoxen hebben een schofthoogte van rond de 40 cm. De honden staan bekend om hun felle karakter, zelfstandigheid, doorzettingsvermogen en waaksheid. Naast het feit dat ze vaak erg intelligent zijn, hebben ze ook een dominant karakter, waardoor een consequente opvoeding vereist is. Ze zijn trouw aan de baas, maar hierdoor soms wat eenkennig.

Van oorsprong zijn boerenfoxen boerderijhonden. Het zijn dan ook perfecte ratten-, muizen- en mollenvangers. Vanwege hun grote uithoudingsvermogen, behendigheid, speelsheid en leergierigheid zijn boerenfoxen ook uitstekend geschikt voor de hondensport (agility, flyball of frisbee).

B.O.G. (BOG):

Best of group; Engels voor beste hond van de betreffende rasgroep. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Bond van Gebruikshondensportverenigingen:

op plaatselijk niveau zijn in de loop der jaren kleine clubjes van mensen ontstaan, die de verdedigingshondensport wensten te beoefenen buiten de rasverenigingen om. Een aantal van deze clubjes hebben zich verenigd in de Bond van Gebruikshondensportverenigingen en deze Bond heeft erkenning aangevraagd bij de Raad van Beheer. De Raad erkent de Bond thans als een bijzondere vereniging.

Bone:

Engels voor goed beenwerk en skelet. Bij ons vooral gebruikt als uitdrukking voor voldoende beensubstantie.

Bont:

witte grondkleur met grote zwarte of getijgerde vlekken.

Boomer, boomerhond:

wordt gezegd tegen een kleine kruising, kruisingen van bijv. Maltezer, Shih Tzu, Lhasa Apso, Yorkshire Terriër etc. Het is dus geen ras, maar wel een bastaard of ook genoemd een 'vuilnisbakkenras'. Er was ook een TV-hond Boomer, een superslim langharig bastaardje.

In advertenties ziet men wel eens 'raszuivere boomers' te koop aangeboden staan, maar trap daar niet in, het klopt dus niet, men wil u alleen voor veel geld een hondje verkopen.

Booster, boostervaccinatie:

herhalingsprik. Een boostervaccin is alleen bedoeld om de afweer op te peppen, niet om de afweer op te bouwen. Daarom is het aantal eenheden werkzame stof bij een booster veel lager dan bij de primaire vaccins.

Bordetella bronchiseptica:

bacteriële infectie, één van de veroorzakers van kennelhoest; zie wetenswaardigheden 2.            

Borreliosis:

een door teken overgebrachte ziekte bij de mens; zie wetenswaardigheden.  

Borstademhaling:

is de ademhaling, waarbij de ribben zich verplaatsen. 

Bij de inademing (inspiratie) zien we het volgende: de ribben scharnieren aan de wervels naar voren. In rust staan de ribben wat schuin op de wervelkolom, maar bij beweging wordt de stand bijna dwars op de wervelkolom. Het borstbeen wordt iets naar voren bewogen. Zo wordt een volumevergroting verkregen naar de zijkanten, naar onderen en naar voren. 

Bij uitademing (expiratie) zien we het omgekeerde: de ribben scharnieren weer terug in hun ruststand. Gedeeltelijk wordt deze beweging veroorzaakt door de tussenribspieren, gedeeltelijk speelt de zwaartekracht mee.

Zie ook buikademing.

Borstdiepte:

          loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.

Borstelen:

a) vachtverzorging 

b) gedragselement bij honden: de haren op de rug staan overeind. Dit kan variëren van alleen op de schoft tot op de gehele rug. Honden doen dit als zij agressief gemotiveerd of angstig zijn. Het borstelen vanuit een angstmotivatie is vaak moeilijk te zien. Alleen als de borstelende hond ook vluchtgedrag vertoont, is het duidelijk dat angst het motief van het borstelen is. Zie stresssignalen.  

Borstholte:

is een volkomen afgesloten geheel. Voor deze afsluiting zijn vooral de verschillende vliezen van belang: longvlies, pleura en mediastinum. Deze behoren tot de sereuze vliezen. Ze vallen op door 4 kenmerken: glad, glanzend, vochtig en doorschijnend. 

Borstvlek:

witte vlek op de borst (bijv. Berner Sennenhond); hij kan verschillende grootten en vormen hebben.            

B.O.S. (BOS):

Best of opposite sex; Engels voor beste hond van de andere sexe van de BOB of BOV winnaar. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Boshond:

een gedrongen wilde hond (Speothos venaticus) van de Zuid-Amerikaanse oerwouden en boomsteppen, die meer op een marterachtige dan een hond lijkt. Zwaar hoofd met kleine, staande oren, een korte, geknikte staart en een korte, harde vacht. Ongeveer 30 cm hoog. Meestal gestroomd, rood of black and tan. Jaagt in familieroedels op allerlei gedierte en is zeer roofzuchtig. Hij kan uitstekend zwemmen.

Bossy:

Engelse term voor een al te zware schouderpartij.  

Bot, botten, beenderen:

zie skelet.

Bot (kluif):

1) het kluiven op een bot geeft de hond afleiding en plezier, en is tegelijkertijd een natuurlijke manier om tanden en kiezen te onderhouden. Hieraan zijn echter ook risico's verbonden, zoals inwendige verwondingen bij scherpe botten en verstopping bij het verorberen van veel afgeknaagd bot.

Geef nooit botjes van kip, wild of varken, maar wel een groot hard bot, dus een aan beide zijden glad afgezaagd dijbeen van rund of paard, rauw, met merg, en eventueel wat vlees eraan. Bovendien kunt u in de dierenwinkel veel verschillende kluifobjecten kopen.

Zie ook allerlei knaag- en kauwbotten.

Bot begraven:

zie wetenswaardigheden.

Botbreuken:

zie wetenswaardigheden.

Botriocephalus latus / Diphylobotrium latum:

is een (lint)worm. De eieren van Botriocephalus latus moeten in het water geraken en opgegeten worden door schaaldiertjes. Vervolgens moeten zoetwatervissen de schaaldiertjes weer opeten. Er zijn voor deze worm dus 2 tussengastheren noodzakelijk. Dit zien we ook bij Diphylobotrium latum, waarbij zeevissen een rol spelen.

Beide wormen komen niet in ons land voor, maar wel in de landen rondom de Oostzee en in Indonesië. Ook mensen kunnen besmet raken met de volwassen wormen. Het grootste nadeel voor de gastheren is het feit, dat de wormen een ontzettende honger hebben naar vitamine B, zodat er voor de gastheren weinig of niets meer overblijft.

Botscan:

een weergavetechniek, waarbij een bot en de omliggende weefsels worden weergegeven m.b.v. radioactieve isotopen.

Bottumor:

kijk voor bottumoren op wetenswaardigheden.

Botulisme:

vergiftiging door het eten van met bacteriën besmette vleesproducten.

Botulisme wordt veroorzaakt door toxines (gifstoffen) van de bacterie Clostridium botulinum: verlammingen tot de (verstikkings)dood erop volgt. De bacterie kent zeven verschillende types. De types A, B en E (zelden F) veroorzaken ziekte bij de mens. Type C veroorzaakt ziekte bij eenden, maar is onschadelijk voor de mens. Echter in kadavers van dode eenden kunnen de typen B en E zich wel vermeerderen. Type E veroorzaakt niet alleen ziekte bij mensen, maar ook bij vissen.

De bacterie produceert het toxine alleen maar, wanneer in zijn omgeving geen zuurstof voorkomt. Dat is onder meer het geval bij voedsel in blik of in wekflessen. Fabrikanten van blikvoeders onderkennen dit risico en doen er alles aan om uitgroei van eventuele Clostridiumbacteriën te voorkomen.

Botulisme komt bij temperaturen van meer dan 20° C ook veel voor bij watervogels. Als de hond een dode eend opeet, kan hij zelf doodgaan t.g.v. het aanwezige toxine in het eendenkadaver.

Zie ook zwemmen.            

Bouw:

het exterieur van de hond.

B.O.V. (BOV):

Best of Variety; Engels voor beste hond van een bepaalde variëteit. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Bovenbelijning:

lijn, die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.            

Bovenvacht:

          harde, langere haren, die boven de ondervacht uitsteken.

Bovenvoorbijter (overbijter):

bij gesloten mond staan de boventanden (ver) voor de ondertanden.

Boxerknie:

zie gescheurde kruisband.

B.P. (BP):

Best Puppy; Engels voor beste pup. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

B.P.B. (BPB):

Best Puppy Bitch; Engels voor beste pup van het vrouwelijk geslacht (teef). De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

B.P.D. (BPD):

Best Puppy Dog; Engels voor beste pup van het mannelijk geslacht (reu). De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

B.P.I.S. (BPIS):

Best Puppy in Show; Engels voor beste pup van de tentoonstelling (show). De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Brabantse Bullebijter:

uitgestorven doggenras, dat als stamvader van de Boxer wordt beschouwd.

Bracco:

            zie staande hond.

Brachicephaal (brachicefaal), brachycefaal:

breed- of kortschedelig (bijv. Pekinees en Doggen); i.t.t. dolichocefaal.

Zie ook metacefaal.

Brachygnathie:

geringe omvang van de bovenkaak; het vooruitsteken van de onderkaak; ondervoorbijten.

Bracke:

          zie Brakken.

Bradycardie:

          abnormaal langzame hartslag, i.t.t. tachycardie.

Bradypnoe:

is een verlaagde ademfrequentie. Bradypnoe komt voor na een narcose en tijdens de slaap.

Braken:

geen ziekte op zichzelf, maar wel een symptoom van een andere aandoening. Braken (spugen, overgeven) is een spierreflex, die tot gevolg heeft dat de inhoud van de maag en/of dunne darm van de hond naar buiten komt.

Het kan zijn, dat uw hond het braaksel weer opeet. Als hij dit doet, omdat hij te vlug gegeten heeft en daarom braken moest, dan kan het geen kwaad. Maar laat het in andere situaties niet toe, want dit zou gevaarlijk kunnen zijn.

Zie voor meer info: wetenswaardigheden, projectielbraken en overgeven van gal.  

Brakken:

lopende honden, die luid hals gevend (= luid blaffend) het wildspoor moeten vervolgen (Duits: Bracke of Laufhund; Engels: Hound; Frans: Chien courant; Italiaans: Segugio; Nederlands: Lopende Hond; Zweeds: Stövare; Fins: Ajokoiramme; 'Joegoslavisch': Gonič).

Brand:

roestrode aftekening bij donkergekleurde honden aan kop, borst, voeten en onder de staart (het black-and-tan patroon zoals bij de Dashond, Dobermann en Rottweiler).

Brandwonden:

zie wetenswaardigheden.  

Braque:

Frans woord voor kortharige staande hond. Zie staande hond.

Braque Charles X:

was meestal de naam voor de Braque de l'Ariège. Charles X was de broer van de in 1789 onthoofde Koning Lodewijk XVI. Overigens werden meerdere rassen en variëteiten van Franse Staande Honden met Braque Charles X aangeduid, zowel in Zuid- als in Noord-Frankrijk.

De Braque Charles X had een lichtbruin schimmelpatroon (muskaatschimmel).

B.R.C.C. (BRCC):

zie CC.

Brede spieren (geveerde spieren):

hier zijn de spiervezels aan een tussenpees in de spier bevestigd om van daaruit uit te waaieren. Dit type vormt vooral de dieper gelegen spieren. Zie voor meer info: spieren.

Breed-spectrum ontwormingsmiddel (breedspectrum):

is een preparaat, dat werkt tegen 'alle' ziekteverwekkende wormen, m.a.w. het pakt heel veel verschillende soorten wormen aan, zoals bijv. Drontal®, Milbemax® (zie hartworm) of Profender®.

Breedtesprong:

toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt. Deze hindernis bestaat uit 2 tot 5 achter elkaar opgestelde elementen, waarvan het laagste vooraan staat. De 4 hoeken zijn afgebakend met paaltjes, die niet vast mogen zitten aan de elementen. Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Breien:

            zie kruisen.

Brein, Stichting ~:

stichting BREIN staat voor Stichting Bureau REgistratie Identificatiecodes Nederland. Met identificatiecodes wordt hier bedoeld elektronische codes of chips, welke voldoen aan de internationale ISO-norm 11784. 

Brein is opgericht met het doel om van alle identificatiecodes (transpondercodes) van dieren, zowel gezelschaps- als ook landbouwhuisdieren, te controleren of ze uniek zijn. BREIN voert de controle op het uniek zijn van de identificatiecodes uit door alle aangeleverde gegevens in een computer met elkaar te vergelijken. Dankzij dit systeem is het ook mogelijk om na te gaan bij welke registrerende databank een dier staat ingeschreven.

Indien uw hond door bijv. politie, asiel of dierenambulance wordt gevonden, kan deze organisatie zich via internet in verbinding stellen met de BREIN-databank. Middels een afleesapparaat kunnen ze de code van de chip lezen. Na het intikken van de identificatiecode wordt op het computerscherm zichtbaar bij welke databank de code geregistreerd staat. Sommige databanken zijn openbaar en d.m.v. een directe link kan een verbinding worden gemaakt met die betreffende databank. Hierin kan men de naam en/of het adres en/of het telefoonnummer van de eigenaar zien, waardoor de hond direct kan worden teruggebracht bij de eigenaar. Andere databanken hanteren meer privacy en zullen na de melding, dat een hond gevonden is, de eigenaar in kennis stellen. Contact met de BREIN-databank is niet alleen d.m.v. het internet mogelijk, maar er komt ook een telefoonservice.

De BREIN-databank, operationeel sinds 1-1-2001, is via internet voor iedereen vrij toegankelijk, 24 uur per dag en 7 dagen per week. Kijk maar eens of uw hond door de databank waar hij staat geregistreerd is aangemeld bij BREIN. U kunt uw hond niet rechtstreeks aanmelden bij BREIN, dit moet de registrerende organisatie voor u doen. Let er dus wel op, dat u uw hond bij een organisatie registreert die bij BREIN is aangesloten.

Het nut van BREIN is tweeërlei. In de eerste plaats kan een zoekgeraakt dier sneller met zijn baas herenigd worden. I.p.v. verschillende databanken af te bellen, kan men nu volstaan met het raadplegen van de BREIN-databank, waarna men meteen bij de juiste databank terechtkomt. Ten tweede controleert BREIN de uniciteit van de transpondernummers, die in Nederland worden uitgegeven. Dit betekent dat er in principe geen 2 dieren met dezelfde identificatiecode kunnen rondlopen.

BREIN is aangesloten bij het European Pet Network (EPN). Het EPN koppelt databanken via internet aan elkaar. Het EPN beheert deze functie voor geheel Europa. Dat betekent voor u, als uw hond in Spanje zoekraakt en gevonden wordt, hij ook weer bij u kan worden terugbezorgd. EPN is dus een Europees opsporingssysteem, waarmee gevonden dieren weer met hun eigenaar herenigd kunnen worden.

Breitensport:

is een in Duitsland bedachte sport en bestaat uit de volgende onderdelen: gehoorzaamheid, hordeloop, slalomloop, hindernisbaan en evt. duurloop.

Breuk:

a) het uitpuilen van een orgaan uit bijv. buik, lies of navel;

b) in bijv. een been bestaat uit 2 of meer delen die uit elkaar gaan, loskomen of worden samengedrukt.

Bréviligne:

            zie kwadratische bouw.

Brillendoosjesgist:

de naam is leuk, de aandoening minder. Het eten van konijnenkeutels kan een lekkernij zijn voor een hond. Het hebben van diarree periode-gewijs, is een van de symptomen van brillendoosjesgist. Mocht uw hond een van de verschijnselen vertonen, aarzel niet om uw dierenarts te vragen voor een onderzoek naar het brillendoosjesgist. De behandeling betreft een 3-daagse kuur met Nystatine en het euvel is verholpen. Nystatine is een drankje, dat wordt toegediend al naar gelang het gewicht.

Naast wormeieren, oocysten, cysten, larven etc. zien we de laatste tijd nogal eens een hoge gistuitscheiding bij honden met diarree.

Dit stukje gaat over Cyniclomyces guttulatus (brillendoosjesgist) en diarree bij honden.

In ongeveer 15% van de bij het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum (VMDC) aangeboden fecesmonsters van honden met chronische of recidiverende diarree worden grote aantallen gistcellen met een typische morfologie aangetroffen; de zogenaamde brillendoosjesgist (Cyniclomyces guttulatus, vroeger ook wel 'Saccharomycopsis guttulata' genoemd).

Dit gebeurt bij het standaard parasitologisch onderzoek waarbij centrifuge-flotatie met zinksulfaat wordt toegepast. In de veterinaire handboeken en literatuur is hierover vrijwel niets te vinden, behalve dat het een normaal in de maag van konijnen, cavia's en chinchilla's voorkomende gist is en bij het coprologisch onderzoek van deze dieren kan worden aangetroffen. Er is over de klinische betekenis bij de hond niets te vinden.

Niettemin ben ik van mening dat een dergelijke bevinding wel relevant is. Deze mening is gebaseerd op de ervaring dat in dergelijke fecesmonsters vrijwel nooit andere parasitaire of bacteriologische afwijkingen worden gevonden, dat de anamnese meestal aangeeft dat de diarree therapieresistent is (en dus langdurig) en dat een gerichte behandeling in veel gevallen klinisch resultaat geeft.

Een verklaring voor het ontstaan van de massale aanwezigheid van de gist in het darmkanaal van deze patiënten zou kunnen zijn, dat de gist zich tijdens verminderde kolonisatieresistentie in de darm kan vestigen. De gist is zeer zuurresistent en bereikt de darm zeer waarschijnlijk na opname van konijnenkeutels. De darmflora kan permanent of tijdelijk een verminderde kolonisatieresistentie hebben als gevolg van een andere darmaandoening of bijv. na opname van ongewoon voedsel. Heeft de brillendoosjesgist zich eenmaal in de darm gevestigd, dan zou zijn massale aanwezigheid tot verterings- en/of peristaltische stoornissen kunnen leiden, met diarree als klinisch symptoom.

Hoe wordt de diagnose gesteld? De gisten worden eenvoudig waargenomen bij parasitologisch onderzoek d.m.v. de directe centrifuge-flotatiemethode met zinksulfaat. Ze zijn door hun opvallende morfologie gemakkelijk te herkennen.

Zonder toepassing van flotatie kan de gist gemakkelijk aan waarneming ontsnappen. Deze brillendoosjesgist vormt dus nog een reden om bij endoparasitologisch onderzoek flotatie toe te passen.

Zinksulfaat is milieubelastend, maar kan na filtratie hergebruikt worden. De tegenwoordig gebruikte milieuvriendelijke suikeroplossing geeft in dit geval geen goed resultaat.

Behandeling van de infectie is eenvoudig: gedurende 3 dagen nystatine per os (20.000 IU/kg, 1dd). Nystatine is als orale suspensie (humaan middel, kind of volwassen dosis) verkrijgbaar bij o.a. de apotheek. Er is weinig risico van overdosering, omdat nystatine niet wordt geresorbeerd.

Brindle:

Engels voor gestroomd van kleur. Bij een gestroomde vacht zien we een vacht die licht pigment toont, geel of fawn, maar waarin donkerder gepigmenteerde strepen zichtbaar zijn. Feitelijk is brindle: eumelanine strepen op een phaeomelanine ondergrond en elke uitingsvorm, van licht crème tot donkerrood, is mogelijk.

Brindle kan onzichtbaar aanwezig zijn wanneer de ondergrond niet dusdanig is dat de eumelanine strepen zichtbaar kunnen zijn. Het betekent tevens dat brindle zich bij een hond met tan-aftekening kan uiten in alleen tankleurige delen.

Bringsel:

is een (leren) voorwerp, dat aan de halsband van de hond bevestigd is. Het Bringselwerk is ontstaan n.a.v. de ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar het  wordt nog steeds gebruikt bij het werken met reddingshonden, dus bij het zoeken naar vermiste personen. 

Als de hond iemand gevonden heeft, pakt hij het bringsel in zijn bek en brengt (apporteert) het naar de geleider. Deze ziet nu dat de hond iemand gevonden heeft, pakt het bringsel van de hond af en geeft het commando: "Laat zien". De hond brengt nu de geleider terug bij het slachtoffer. 

Een Noors bringsel is een wat andere uitvoering van een bringsel; het voordeel hiervan is, dat de hond het wat minder makkelijk uit zijn mond laat vallen.

Brisket:

Engelse term voor voorborst, die ligt vóór de schoudergordel.

Broek:

zelfde als bevedering, maar nu speciaal van de achterbenen. M.a.w. de langere, dikkere beharing aan de achterkant van de dijen.

Broken coat:

Oud-Engelse term voor harde ruwe vacht van bijv. de uitgestorven Old English Brokenhaired Black and Tan Terriër.

Bronchitis:

            ontsteking van het slijmvlies van de bronchiën (luchtwegen).

Bronchoscopie:

zie tracheoscopie.

Bronchus (meerv. Bronchiën):

          luchtpijpvertakkingen.

Bronchusspoelsel:

bronchiaalspoelingen worden uitgevoerd bij honden die chronisch hoesten of benauwd zijn. Vaak wordt dit onderzoek tegelijkertijd uitgevoerd met een zogenaamde bronchoscopie.

Er wordt een kleine hoeveelheid steriele zoutoplossing diep in de luchtpijp gebracht, waarna de vloeistof weer wordt opgezogen. Een deel van de vloeistof wordt bewaard voor een kweek.

De rest van het monster wordt in een centrifuge geplaatst, waardoor de in de vloeistof aanwezige cellen op de bodem van het buisje belanden. De resterende vloeistof wordt afgeschonken en de cellen op de bodem worden op een glaasje uitgestreken en daarna gekleurd en bekeken. Speciaal wordt gelet op de aanwezigheid van bacteriën (chronische bacteriële bronchitis), cellen die een rol spelen bij allergische reacties of tumorcellen.

Zie ook tracheoscopie.

BRS, B.R.S.:

is het Basis Reglement Stambomen. Vanaf 1 juli 2008 zijn de nieuwe regels van het Basis Reglement Stambomen (BRS) van kracht. Dit betekent dat alle dekaangiften vanaf 1 juli 2008 moeten voldoen aan de nieuwe welzijnsparagrafen van het Kynologisch Reglement.

Als de regels van het BRS van kracht zijn, worden deze regels gecontroleerd na het insturen van de geboorteaangifte van het nest.

Indien het nest wel voldoet aan de regels van het BRS, zal de aanvraagprocedure gewoon verder gaan en zal de fokker geen bericht over het BRS ontvangen.

Als het nest niet voldoet aan de regels van het BRS, zal de aanvraagprocedure ook gewoon doorgaan en zullen er uiteindelijk stambomen voor het nest afgegeven worden. Omdat de regels van het KR overtreden zijn, zal dit voorgelegd worden aan het Tuchtcollege van de Kynologie. Hierover zal de fokker via de Raad van Beheer een bericht ontvangen. Vervolgens zal het Tuchtcollege de kwestie beoordelen en een uitspraak doen over de sancties.

Om te kijken of de (voorgenomen) dekking aan de regels van het BRS voldoet, is er een Raad van Beheer BRS Rekenmodule beschikbaar.

Brucellose:

is een ziekte (zoönose) die miskramen kan veroorzaken bij verschillende dieren en zwangere vrouwen. Andere namen zijn: abortus Bang of Malta koorts.

In Nederland is brucellose onder zowel de bevolking als het vee uitgeroeid, maar het komt nog wel voor in Middellandse Zeegebieden.

Helaas gebeurt het nog steeds, dat vanuit het buitenland brucellose naar Nederland wordt gebracht.

Brucellose wordt veroorzaakt door een bacterie genaamd Brucella. Verschillende soorten komen voor, behorend bij verschillende diersoorten: Brucella melitensis (bij schapen en geiten), Brucella suis (varken), Brucella abortus (rund) en Brucella canis van de hond. Ook bij in het wild levende dieren en zelfs zeezoogdieren komt brucellose voor. Van de Brucella-soorten van de landbouwhuisdieren is Brucella melitensis de meest, en Brucella abortus de minst ziekmakende voor de mens.

De mens kan de bacterie binnen krijgen via de voeding, door inademen of via de huid als er wondjes zijn. Dit kan door het consumeren van ongepasteuriseerde melk(producten) die van geïnfecteerde runderen, schapen of geiten afkomstig zijn, door contact met besmette dieren (runderen, schapen, geiten, varkens) of door contact met geaborteerde foetussen, placenta's en vruchtwater van dieren. 
Overdracht tussen mensen is niet mogelijk, de mens is dus zelf geen bron van besmetting.

Een acuut begin van de ziekte is mogelijk, meestal echter is het begin sluipend, gekenmerkt door geringe koorts met een typisch golvend temperatuurverloop (afwisselend hogere en lagere temperaturen). Verder behoren (hevige) hoofdpijn, diarree, koude rillingen, algehele zwakte, slapeloosheid en zweten tot de mogelijke symptomen. In de meer chronische gevallen van brucellose vallen verminderde eetlust en vermagering op. 
Mogelijke complicaties zijn ontsteking van de hartwand (endocarditis), nierontsteking (nefritis), ontsteking van hersenvliezen en -weefsel (meningo-encefalitis), ontsteking van de teelbal (orchitis) of botonsteking (osteomyelitis). Met uitzondering van botontsteking treden deze complicaties zelden op.
Zwangere vrouwen lopen een verhoogd risico op een miskraam als zij een infectie met Brucella oplopen.

De infectie bij drachtige dieren leidt tot een ontsteking van de vruchtvliezen. Hierdoor krijgt de vrucht onvoldoende voeding, sterft af en wordt afgedreven. Deze abortus vindt plaats in het laatste derde deel van de dracht. Als het kalf blijft leven kan het zeer zwak ter wereld komen. Ook besmetting van de geslachtsorganen (dit kan ook optreden bij stieren) komt voor. De ziekte wordt bij koeien ook wel aangeduid als 'abortus Bang' of 'besmettelijk verwerpen'. 
Bij geïnfecteerde dieren bevatten de geaborteerde vruchten, het bijbehorende vruchtwater en de nageboorte enorme hoeveelheden van de bacterie. Koppelgenoten kunnen zich door opname van besmet materiaal via de bek vervolgens vrij gemakkelijk infecteren.
Kleine herkauwers geïnfecteerd met Brucella melitensis kunnen verwerpen in de derde of vierde maand van de dracht. Naast deze abortus worden verschijnselen als kreupelheid en uierontsteking waargenomen.
Varkens vertonen t.g.v. een infectie met Brucella suis abortus, de geboorte van weinig levensvatbare biggen en/of een toename van problemen met de vruchtbaarheid. Als complicaties zijn gewrichtsontstekingen en botontsteking (osteomyelitis) mogelijk.

Nederland is sinds 1 augustus 1999 officieel vrij van brucellose (Brucella abortus en Brucella melitensis). Brucella suis komt in Nederland niet voor. De vrij-status is tot stand gekomen middels intensieve bestrijding (verplicht gesteld door de Gezondheidsdienst voor Dieren) en de pasteurisatie van melk. Via bewakings-onderzoek (bloedonderzoek bij niet melkgevende runderen, voornamelijk vleesvee, en tankmelk-onderzoek bij melkgevend vee) blijft er een continu toezicht op deze vrij-status mogelijk. Indien een koe op een bedrijf verwerpt, is de veehouder verplicht om een bloedmonster van dit dier naar de Gezondheidsdienst voor Dieren te sturen om deze te laten onderzoeken op Brucella abortus.

In Nederland worden sporadisch gevallen van menselijke besmettingen met Brucella gemeld, in het algemeen is dit na bezoek aan het (verre) buitenland. In het bijzonder voor Brucella melitensis geldt, dat deze bacterie nog veelvuldig voorkomt in de gebieden rond de Middellandse Zee. Mensen die uit deze landen afkomstig zijn (bijvoorbeeld toeristen) kunnen de ziekte dus wel meebrengen. De reservoirs voor de bacterie in die landen zijn schapen, geiten, koeien, varkens en honden. Brucellose kan ook in Nederland worden ingevoerd via besmette dieren.

De belangrijkste preventiemaatregel bestaat uit het vermijden van ongepasteuriseerde (melk)producten. Verder moet contact met vlees, uitwerpselen, geaborteerde vruchten, vruchtvliezen en/of vruchtwater van besmette dieren worden voorkomen. In het algemeen wordt aangeraden om bij de verlossing van een dood kalf of lam een lange plastic handschoen te dragen. Na contact moeten de handen en armen goed worden gewassen en gedesinfecteerd.
Mensen die tot de risicogroepen behoren (slachthuismedewerkers, veehouders, schaapherders, veeverloskundigen en dierenartsen) moeten hygiënisch te werk gaan. Zwangere vrouwen moeten extra voorzichtig zijn omdat infectie tot spontane abortus kan leiden.

Bruine tanden:

wanneer de verkleuring in het tandbeen zit, duidt dit op een beschadiging tijdens het wisselen. Een infectieziekte kan de oorzaak zijn. Ook sommige geneesmiddelen kunnen tandverkleuring veroorzaken. Op latere leeftijd is het meestal een gevolg van tandsteenvorming.

Zie ook abrasie.

Bruno:

is de Jura Laufhund, een van de Schweizer Laufhunde.

Brush:

bevedering als bij Collie en Sheltie.

Bucca:

          wang.

Buccalis:

          de wang betreffend.

Buffelhuid:

zie wetenswaardigheden.

Buik:

holte achter de borstkas gelegen, waarin maag, lever, darmen, alvleesklier en inwendige geslachtsorganen liggen. Bij de onderbelijning speelt de buiklijn een belangrijke rol.

Buikademhaling:

is de ademhaling, waarbij het middenrif zich verplaatst. 

Bij de inademing (inspiratie) zien we het volgende: het middenrif, dat in rust wat bol gebogen staat in de richting van de borstholte, klapt naar achteren, zodat het dan wat hol gebogen staat t.o.v. de borstholte. Deze beweging is alleen dan mogelijk, indien de ingewanden in de buikholte kunnen worden samengedrukt of kunnen worden weggedrukt. Dat laatste is alleen mogelijk, wanneer tegelijk met de middenrifbeweging de buikspieren zich ontspannen, zodat de buik wat kan uitzetten. 

Bij uitademing (expiratie) zien we het omgekeerde: het middenrif klapt weer terug in zijn ruststand, terwijl de buikspieren de buikorganen weer terugduwen.

Zie ook borstademing.

Buikwaterzucht:

ophoping van vocht in de buikholte. Zie ook exsudaat.

Bull-dog-terriers, Bull-and-Terriers:

al in de oudste tijden liet men dieren, vooral honden, met elkaar vechten. Omstreeks 1800 zag men in Engeland gevechten tussen kruisingsproducten tussen Bulldog en Mastiff met allerlei Terriërs. In 1829 behoorde bij die naam een type: vecht geluidloos, pakt recht aan zonder vooraf een blaf of grom, sterk, toch snel, volhardend taai, onverschillig tegen elke pijn en met verstand vechtend. De afstammelingen werden doorgefokt en in het geheim getraind door Engelse mijnwerkers.

Bullebijten (bullbaiting):

middeleeuws vermaak, waarbij de bullebijter (voorloper van o.m. Bulldog en Boxer) werd opgehitst om de bul (= stier) te bijten. 

In Engeland werd het nog tot 1835 gezien en toen werd het bij wet verboden.

Bulletje:

veel gebruikte naam voor Franse Bulldog.

Bult:

zie bult na enting, vetbult, insectenbeten, bult bij anus, scabiës, bult aan/in een teelbal.

BUN:

is de afkorting van Blood Urea Nitrogen oftewel bloed ureum stikstof.

Zie ook ureum en bloedonderzoek.

Burehond:

synoniem voor Appenzeller Sennenhond.

Burr:

zichtbare binnenkant van het rozenoor van de Engelse Bulldog.

Bursa:

zakvormige ruimte, slijmbeurs. Een bursa is een met vocht gevuld zakje, waarvan de wand bekleed is met een speciaal vlies dat als stootkussentje fungeert tussen botten, spieren en pezen. Hierdoor treedt er minder wrijving op en wordt beschadiging van de lichaamsdelen voorkomen. Slijmbeurzen zitten vooral op plaatsen waar sprake is van wrijving, bijvoorbeeld op een onbeschermd of uitstekend lichaamsdeel, of op plaatsen waar een pees over een bot loopt. Wanneer een slijmbeurs ontstoken raakt, is er sprake van een bursitis.

Bursitis:

slijmbeursontsteking; acute of chronische ontsteking van de bursa, veroorzaakt door trauma, een geforceerde beweging of door een acute of chronische infectie, gekenmerkt door lokale pijn, zwelling en bewegingsbeperking.

Zie ook legger.

Butterfly nose:

Engels voor vlinderneus.

B.V.I.S. (BVIS):

Best Veteran in Show; Engels voor beste veteraan. De FCI hanteert een indeling in 10 rasgroepen (zie Rashonden).

Bylandt, Henri graaf van ~:

oefende niet alleen op de Nederlandse, maar ook op de kynologie van de gehele wereld grote invloed uit. Henri graaf van Bylandt verwierf zich een grondige kennis van praktisch alle rassen van de wereld, ook van plaatselijke die pas jaren later op een tentoonstelling verschenen. Als keurmeester in alle landen waar destijds tentoonstellingen werden gehouden, en als bestuurs- of erelid van verenigingen over de hele wereld, was hij meer dan anderen in staat klaarheid te brengen en orde te scheppen. Maar vooral zijn wereldvermaarde verzameling van raspunten, vaak door hemzelf opgesteld en vervat in zijn boek Les Races des Chiens (in 4 talen: Frans, Engels, Duits en Nederlands; zie ook Literatuur over de hond), hebben de kynologie gegrondvest en een einde gemaakt aan de chaos. Op de 1600 bladzijden verduidelijken ruim 2300 platen, waarop 4100 honden zijn afgebeeld, het type. Aan dit boek was zijn Raspuntenboek van de meest bekende hondenrassen voorafgegaan, in 1894 uitgegeven door Cynophilia, waarvan hij een van de oprichters en de eerste voorzitter was. De statuten van deze vereniging schreven o.a. de uitgave van een dergelijk werk voor. 

Van Bylandt overleed begin 1943.  

                                                                                                                                  Naar de 3e pagina met kynologische uitdrukkingen.

Terug naar 'Kynotermen'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

Menu-knop.