Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

U

 

U.C.S.H., UCSH:

Union Royale Cynologique Saint Hubert (Belgische tegenhanger van de Raad van Beheer).            

U-hond:

a) hond, die de kwalificatie 'uitmuntend' waard is. Dit dient te worden geïnterpreteerd als rapportcijfer 8 tot 9.

In het Engels en Frans heet dit "Excellent" (Exc.) en in het Duits "Vorzüglich" (V);

b) een "U" behaalt men bij een agilitywedstrijd door de gestelde SPT met minder dan 6 seconden te overschrijden of door binnen de SPT niet meer dan één fout c.q. weigering te behalen en minder dan 1 seconde tijdsoverschrijding te hebben.

Uitdraaien:

wanneer de ellebogen niet tegen de borstkas liggen, maar naar buiten wijken. Meestal een gevolg van losse schouders.

Uitdroging:

verlies van het natuurlijke vloeistofniveau in de lichaamsweefsels.

Zie wetenswaardigheden en waterbehoefte.

Uitdrukking:

de indruk, die vooral het hoofd wekt, komt tot stand door de harmonie van schedel en voorsnuit, de mate van stop, stand en kleur van de ogen, stand van de oren en de beharing rondom het hoofd.

Zie ook expressie en scowl.           

Uitlaatplaats:

ruimte waar de honden hun behoefte kunnen doen. Sommige gemeenten hebben hondenuitlaatplaatsen aangelegd: daar mag de hond vrij rennen en zijn behoefte doen.

Uitscheidingsstelsel:

nieren zijn belangrijke organen die het bloed filteren en de daarin opgeloste afvalstoffen en een overschot aan water verwijderen via de urine. Ook de lever en de zweetklieren kunnen opgeloste afvalstoffen (bijv. zout) uit het bloed en het lichaam verwijderen. De nieren zijn 2 boonvormige organen, die bestaan uit een groot aantal microscopisch kleine vaatkluwens waarin de bloedvloeistof wordt gefilterd. Het filtraat wordt vervolgens verzameld in het nierbekken. Vanuit het nierbekken stroomt de urine via de ureters naar de blaas, die op gezette tijden kan worden geleegd. Een overmaat aan bepaalde stoffen in de urine kan in de urinewegen kristallen vormen, die nier- of blaassteentjes kunnen vormen. In de urine komen blijkbaar ook een aantal hondspecifieke geurtjes voor die door de hond worden gebruikt als markering.

Zie voor meer info: nieren.

Uitslag:

zie eczeem.

Uitteelt:

of uitkruisen: zie outcross.

Uit vacht, uit haar:

de hond verhaart, zit slecht in zijn vacht.

Uitvloeiing:

vaginale uitscheiding, bijv. tijdens de loopsheid.

Ulceratie:

verzwering.

Ulcereren:

zweren, etteren.

Ulcereus:

met zweervorming gepaard gaand.

Ulcus corneae:

zweer (=ulcus, meerv. ulcera) aan het hoornvlies.

U-lead tuigje:

is een anti trektuig dat niet snijdt en geen verwondingen aanricht. De lijn wordt op de borst aan het tuig geklikt, waardoor de hond een voor hem vervelende druk op een zenuwbaan op de schouder krijgt. Dit hulpmiddel werkt vriendelijk en doeltreffend. De hond en het tuig lossen samen het trekgedrag op en u hoeft niets meer te doen.

Met dit tuig neemt en houdt u de controle met een kleine moeite of inspanning. Het stuurt de borst van de hond: een efficiënt punt van controle. Het voordeel van een U-Lead is dat het totale controle over de schouders van de hond geeft en zo de hond in de richting plaatst waarin hij zich moet bewegen.

Veel honden reageren binnen enkele meters op het U-Lead tuig en zullen direct minder gaan trekken. Het is verkrijgbaar in verschillende maten.

Ulna:

ellepijp. Zie skelet.

Umbilicalis:

tot de navel (=umbilicus) behorend.

Undercoat:

Engelse term voor ondervacht. Zie ook vacht.

Undershot:

          Engelse term voor ondervoorbijten.

Union Cynologique Saint-Hubert:

Koninklijke Maatschappij St. Hubertus. Belgische landelijke overkoepelende organisatie op het gebied van de kynologie, gezeteld in Brussel. Zie U.C.S.H.

Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren (U.K.G.):

de UKG vertoont veel overeenkomst met een ziekenhuis voor mensen. Zo is er een volledig uitgeruste polikliniek met 15 aparte behandelkamers voor een groot aantal specialismen en zijn er 6 operatie-eenheden. Daarnaast zijn er verpleegafdelingen en laboratoria. Er staat een team voor u en uw dier klaar bestaande uit specialisten, specialisten in opleiding en ondersteunend personeel. 

De patiënten worden door dierenartsen uit Nederland en ook uit de omringende landen doorverwezen voor specialistisch onderzoek en behandeling. Voor honden en katten heeft u altijd een verwijsbrief nodig, behalve als het problemen betreft op het gebied van de verloskunde, ziekten van het vrouwelijk geslachtsapparaat en/of de voortplanting.

Omdat de UKG deel uitmaakt van de Universiteit Utrecht, vindt er - net als in elk ander universiteitsziekenhuis - onderwijs en onderzoek plaats. De dieren worden eerst onderzocht door co-assistenten (dit zijn studenten in het laatste jaar van hun studie Diergeneeskunde). Daarna onderzoekt en/of behandelt de specialist zelf de patiënt. Soms vraagt men u mee te werken aan een wetenschappelijk onderzoek.

Klik hier voor de link naar de website van de UKG.

Unsoundness:

Engelse term voor geringe bruikbaarheid van de hond. Zie ook sound.

Uraat:

zout van urinezuur.

Uraatsteen:

blaassteen, die uit uraten bestaat.

Uremie:

bloedvergiftiging door onvoldoende werking van de nieren; ophoping van afval (ureum) in het bloed t.g.v. nierfalen.

Ureter:

kanaal, waardoor de urine van het nierbekken naar de blaas vloeit; urineleider.

Zie uitscheidingsstelsel.

Urethra:

kanaal, waardoor de urine uit de blaas naar buiten wordt gevoerd, m.a.w. de urinebuis.  

Bij mannelijke dieren wordt de urethra in de prostaat samengevoegd met de zaadleiders. De urethra heeft zijn uitmonding in de penis

Bij vrouwelijke dieren mondt de urethra binnen de vulvalippen uit in de vagina.           

Ureum:

bestanddeel van urine, eindproduct van de eiwitstofwisseling. Ureum is een maat voor de nierfunctie.

Ureum wordt in de lever gevormd uit ammoniak, dat voor het grootste deel afkomstig is uit de afbraak van eiwitten. Het wordt voor het grootste deel uitgescheiden via de nieren. De bepaling van ureum zegt dus iets over de ureumproductie in de lever en over de uitscheidingscapaciteit van de nieren. Om invloed van voedseleiwitten uit te sluiten, is het beter om de patiënt 12 uur te laten vasten vóór bloedafname.

Lage waarden: a) verminderde leverfunctie; b) minder eiwitopname via het voedsel; c) minder afbraak van lichaamseiwit (anabole steroïden); d) verhoogde urineproductie.

Hoge waarden: a) verminderde nierfunctie door acuut of chronisch nierlijden; b) verhoogde afbraak van eiwitten: hoge eiwitopname via de voeding, koorts met verval van weefsel en dus eiwitafbraak, verhoogde stofwisseling bij bijvoorbeeld een te snel werkende schildklier of gebruik van prednison; c) verminderde nierdoorbloeding: uitdroging, bloedverlies, shock, lage bloeddruk door verminderde hartfunctie; d) ziekte van Addison.

Zie ook BUN en bloedonderzoek.

Urine:

de gemiddelde hoeveelheid urine door gezonde honden geloosd bedraagt per 24 uur voor kleine honden 0,04-0,25 liter=40-250 gram, voor grote honden 1-1,5 liter=1000-1500 gram. 

De kleur moet strogeel zijn, helder en doorzichtig, en de urine moet dun vloeibaar zijn. De reuk is bouillonachtig en het soortelijk gewicht gemiddeld 1.035. De reactie t.o.v. lakmoes is zuur. Basische urine (zie PH-waarde) duidt op blaasontsteking

Zie ook nieren, anurie, dysurie, oligurie, polyurie, uremie, urineonderzoek en uitscheidingsstelsel.

Urine-incontinentie:

zie incontinentie.

Urinestoma:

zie blaaskanker.

Urineverlies:

zie incontinentie.

Urinezuurkristallen (ureaten):

komen voor in de urineafvoerwegen bij Dalmatische Honden.

Kristalvorming in de urineafvoerwegen, die kan leiden tot nier- en/of blaasstenen of -gruis komt vrij algemeen bij honden voor, maar de urinezuurkristallen zijn uniek voor de Dalmatische Hond. 

De aandoening ontstaat, doordat een gen dat een bijdrage levert aan de afbraak van het urinezuur defect is. Het betreft een recessief gen, d.w.z. dat alleen dieren die dit defecte gen van de beide ouders hebben gekregen aan deze stoornis lijden. Dat houdt in, dat niet alleen de lijders, maar ook de ouders, broers en zusjes voor de fokkerij uitgesloten moeten worden, om deze stoornis te bestrijden.

Urogenitaal:

betrekking hebbend op de urine- en geslachtsorganen.

Urolithiasis:

stenen (=urolithen) in de urinewegen (meestal in de blaas, maar niet altijd). In ernstige gevallen kan de urinestroom van de reu hierbij totaal geblokkeerd raken, wat tot acute nieruitval kan leiden.

Symptomen zijn o.a. vaker dan normaal moeten plassen, kleine beetjes plassen, bloed in de urine, ernstige pijn bij het plassen, incontinentie of hevig moeten persen bij het plassen. 

In de meeste gevallen is de oorzaak een urineweginfectie. 

Urolithiasis wordt vaak operatief verholpen, waarbij de verstopping wordt verwijderd of een andere opening wordt gemaakt, waarlangs de urine kan worden geloosd.

Zie ook struviet, cystitis en urinezuurkristallen bij Dalmatiërs.

Uterus:

          baarmoeder.

Uterusatonie:

het kan voorkomen dat na de bevalling de baarmoeder (uterus) van het teefje onvoldoende samentrekt. De baarmoeder ligt dan als het ware als een slappe, verwijde zak in de buik en er is grote kans op achterblijven van de nageboorten (zie placenta). In de meeste gevallen zal de bevalling al niet vlot verlopen zijn. De dierenarts kan ervoor zorgen, dat de baarmoeder beter samentrekt door het geven van Oxytocine ("Piton") en Calcium injecties (onderhuids). Homeopathische ondersteuning kan m.b.v. Sabina D6 en Secale cornutum D6. Vervolgens is het van belang om alert te zijn op het ontstaan van een slijmvliesontsteking van de baarmoeder.

Uveïtis:

ontsteking van het oogvlies, de iris, het ciliair lichaam en het vaatvlies in het oog.

Zie iritis.

UV-test:

test om het uithoudingsvermogen van de hond te beoordelen. Het uitgezette traject is 20 km., en u moet dit fietsend binnen twee uur afleggen met de hond aan de rechterzijde lopend. 

Tweemaal in het traject, tijdens een pauze na 8 km. en na 15 km. van respectievelijk 15 en 20 minuten, zal een controleur de voetkussens van uw hond inspecteren op beschadigingen. 

Na afloop wordt, na 15 minuten pauze, de conditie en aanspreekbaarheid van de hond d.m.v. eenvoudige gehoorzaamheidsoefeningen bekeken. 

Als uw hond geslaagd is, wordt de kwalificatie UV-hond door de Raad van Beheer op de stamboom overgenomen.

Zie het examenreglement.  

 

V

 

VA:

is de afkorting voor veearts.

Vaccin:

entstof voor immunisatie tegen bepaalde ziekteverwekkers. Zie ook vaccinatie.

Vaccinatie:

inenting met een vaccin. Vele infectieziektes zijn d.m.v. vaccinaties te voorkomen. Na een serie inentingen wordt een immuniteit opgebouwd, die ervoor zorgt dat uw pup beschermd wordt tegen gevaarlijke, soms zelfs dodelijke infectieziektes. Omdat de immuniteit geleidelijk weer afneemt, is een herhaling van deze inentingen (grote of kleine cocktail) noodzakelijk.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, dat tegen de meeste virussen één enting per drie jaar voldoende bescherming biedt. Uitzondering hierop vormt de ziekte van Weil-enting, welke ieder (voor)jaar moet worden herhaald, en de kennelhoest.

Bij uw pup heeft u een dierenpaspoort of vaccinatieboekje gekregen, waarin staat welke inenting uw hond al heeft gehad en wanneer. Bij uw eerste bezoek aan uw eigen dierenarts kunt u dit laten controleren. Er staat ook vermeld, wanneer uw puppy de vervolginenting moet krijgen. Meestal zal uw pup met 6, 9 en 12 weken ingeënt worden.

De meeste dierenartsen sturen u jaarlijks een herinneringsberichtje per post. Bovendien wordt u er door ons ook aan herinnerd als we u wederom naar het inentingsboekje vragen.

Vaccins zijn doorgaans niet gevaarlijk, maar een risicovrij vaccin bestaat niet. Zonder enige twijfel hebben vaccins vele levens gered en blijven zij een onmisbare hulp in de strijd tegen vele infectieziektes, maar er blijft een kleine kans op bijwerkingen.

Milde reacties als een pijnlijke injectieplaats, geringe koorts en afname van de eetlust zijn normaal. Als er op de injectieplaats een kleine, harde, maar niet pijnlijke zwelling ontstaat, hoeft u ook niets te doen. In de loop van enkele weken zal deze verdwijnen.

Gelukkig komt het maar zelden voor, dat een hond allergisch is voor de entstof. Dit blijkt binnen een paar minuten tot enkele uren na de enting. De hond krijgt dan een zwelling in het kopgebied en heftige jeuk. In uitzonderlijke situaties raakt het dier in een levensbedreigende shock. Dit is herkenbaar aan erge sufheid en zeer bleke, koude slijmvliezen in de bek. Dit dier moet direct worden behandeld.

Honden kunnen een extra risico op bepaalde ziektes lopen, doordat ze bijv. veel zwemmen of met u op vakantie naar het buitenland gaan. Informeer tijdig bij uw dierenarts of speciale inentingen nodig zijn en of een gezondheidsverklaring voor het desbetreffende vakantieland noodzakelijk is. 

Klik hier voor meer info over de entingen kennelhoest en rabiës.

Vacht:

bij de hond komt een grote variatie in vachten voor, die zich uitstrekt van bijna haarloos bij de naakthonden tot een zeer dichte en zware vacht als bij de Chow Chows. Vrijwel elk hondenras heeft zijn eigen, genetisch bepaalde vachtkarakteristieken. Dat neemt niet weg, dat verschillende groepen van verwante rassen overeenkomstige vachtstructuren vertonen. Dit geldt met name voor een aantal rassen uit de groepen van de Spaniels en de Terriërs. Daarnaast blijkt, dat er binnen sommige rassen verschillende vachtvariëteiten voorkomen. Teckels en Hollandse Herders zijn daar typische voorbeelden van.

Ook als binnen een ras geen sprake is van verschillende variëteiten, kan er toch variatie in vachten bestaan. Dat kan een genetisch bepaalde variatie zijn die ertoe kan leiden, dat bijv. het harde haar van de Bouvier zachter of het korte haar van de Saluki langer en wolliger wordt. Ook bij Poedels blijkt dat langdurig doorfokken binnen een variëteit kan leiden tot verandering - vermindering van de kwaliteit - van de vachtstructuur.

De variatie in vachtstructuren wordt echter niet alleen door genetische factoren bepaald. De geslachtscyclus en ook onjuiste voeding of vachtverzorging kunnen tot kwaliteitsverlies van de vachtstructuur leiden.

De verschillende soorten vachten kunnen gekarakteriseerd worden op basis van de samenstelling van de vacht en van de kenmerken van de haren. Deze laatste hebben o.a. betrekking op de haarlengte, de haarsoort en de wijze van inplanting van het haar (zie ook huid).

De verschillen in haarlengte laten zich redelijk beschrijven. Bij de haarsoorten bestaat meestal duidelijk onderscheid tussen de dikkere, veelal ook stuggere dekharen, ook wel grannen genoemd, en de dunnere, wollige onderharen. In de soorten van dekharen en in de wijze waarop deze in de huid zijn ingeplant, bestaat veel variatie. De overgangen van dik, stug stokhaar naar dun, zacht zijdehaar zijn evenwel zeer geleidelijk. Exacte scheidingen tussen een aantal soorten dekhaar en tussen de wijzen van inplanting kunnen daardoor alleen kunstmatig gemaakt worden.

Op basis van de verhouding tussen dekhaar en ondervacht kunnen de vachten onderverdeeld worden in de volgende 5 vachttypen:

A) dubbele vachten:

1) gesloten vachten, waarbij de dekharen wat langer zijn dan de ondervacht. Dit vachttype van de wolf vinden we o.a. bij de Duitse Herder.

2) open vachten, waarbij de dekharen veel langer zijn dan die van de ondervacht. We zien dat o.a. bij Barsois, maar ook bij Sint Bernards.

3) overgroeiende ondervachten, waarbij de wollige ondervacht door het betrekkelijk korte dekhaar heen groeit. Een vachttype, zoals we dat o.a. op de zijden en aan de benen van de Afghaanse Windhond tegenkomen.

B) enkele vachten:

4) de ondervacht is sterk ontwikkeld en bepaalt daardoor het vachttype. Dit vachttype komen we met name tegen bij de Poedels, maar ook bij de Kerry Blue en de Bedlington Terriër.

5) de ondervacht en de dekharen zijn moeilijk of niet van elkaar te onderscheiden. Yorkshire Terriërs zijn daar een voorbeeld van.

De scheiding tussen deze 5 categorieën is niet altijd scherp. In een aantal gevallen is er sprake van een overgang tussen 2 typen.

Voor de haarlengte kunnen de vachten in 4 groepen worden ingedeeld:

a) haarloos: het haar ontbreekt over het gehele lichaam. Soms komt er een klein plukje voor op het hoofd of aan het puntje van de staart. We zien dit bij de Mexicaanse Naakthond en de Chinese Kuifhond. Haarloosheid gaat nogal eens gepaard met een onvolledig gebit.

b) kort haar: de haarlengte in deze groep varieert van 0,5 tot circa 2 cm en is vrij stug. In het algemeen hebben deze honden enkele vachten. We zien dit o.a. bij de Dalmatische Hond en de Whippet. In plaats van kort haar wordt ook van glad haar gesproken.

c) middellang haar: de vachten zijn wat langer (2,5-6 cm) en zijn vaak dubbel van samenstelling. We zien dit o.a. bij de Duitse Herder.

d) lang haar: het haar is langer dan 6 cm en voelt in het algemeen zachter aan. Bij deze haarlengte komen veel varianten voor, zowel m.b.t. de lengte van de haren als het wel of niet hebben van een ondervacht. Typische voorbeelden van deze haarlengte zijn de Barsoi en de Yorkshire Terriër.

Als algemene regel geldt, dat kort haar dominant is over haarloosheid.

Warrige vachten, ook wel warharige vachten genoemd, onderscheiden zich van ruwharige, doordat het dekhaar minder hard aanvoelt en vooral ook langer is. Het is wel, evenals ruw haar, afstaand en vaak is de ondervacht vrijwel even lang als het dekhaar. De lange, matig stugge, afstaande haren maken een 'warrige' indruk. Er is soms sprake van gesloten vachten. De Bobtail en de Briard zijn hier voorbeelden van. De Schapendoes heeft een meer open vacht.

Krulharige vachten onderscheiden zich van gewone ruwharige, doordat de dekharen meer gekruld zijn. Er is meer sprake van een open vacht. Voorbeelden hiervan zijn o.a. de Wetterhoun en de Ierse Waterspaniel.

Kroesharige vachten onderscheiden zich van krulharige, doordat hierbij de krullen gevormd worden door het zachtere onderhaar. De dekharen zijn hierbij niet gekruld en kunnen door het gekroesde wolhaar heen steken. We zien dit bij Poedels en Bedlington en Kerry Blue Terriërs.

Viltvachten: hierbij groeien de dek- en onderharen ongeveer gelijkmatig uit. Ze zijn lang en groeien door elkaar. Bij vilthaar gaan de haren klitten. Dat wordt als normaal beschouwd. Met name bij de Puli worden de haren wel in snoeren gewonden. Als er sprake is van veel onderhaar, kunnen de vachten gaan 'planken'. Vilthaar komt o.a. ook voor bij Komondors en Bergamasco's.

Bij een aantal rassen groeien de haren op speciale plaatsen verder door. De Saluki's hebben op het lichaam een praktisch enkelvoudige vacht met korte dekharen. Aan de oren en de staart groeien deze dekharen door tot zeer lang. Dit wordt bevedering genoemd. Bij o.a. Schnauzers, maar gedeeltelijk ook bij andere rassen als de Griffons, zijn de dekharen aan de snoet en boven de ogen doorgegroeid. Dan wordt het garnituur genoemd bij deze honden.

Nog iets over overerving: a) recht haar lijkt dominant te zijn over gegolfd en gekruld haar, b) het krulhaar van de Poedel is dominant over zacht lang haar, c) ruw haar is incompleet dominant over de zachtere haarsoorten en d) een bevederde staart is dominant over een niet beverderde staart.

Op basis van de 5 hier behandelde vachttypen en de 4 hier genoemde klassen voor haarlengte, maar daarnaast mede op basis van de haarsoort en de inplanting, kan nu een aantal vachtsoorten onderscheiden worden.

Stokharige vachten: hierbij is het dekhaar recht, glad en stug. Als de haren langer worden, kunnen ze aan het einde gegolfd zijn. Stokhaar kan worden onderverdeeld in a) kort stokhaar, waarbij de lengte kan oplopen tot 6 cm en waarbij meer of minder ondervacht kan voorkomen. Een voorbeeld van weinig ondervacht is de Rottweiler, van meer ondervacht de Hollandse Herder Korthaar; b) lang stokhaar, waarbij de haarlengte meer dan 6 cm is. Hierbij komen zowel open vachten (o.a. bij Newfoundlanders) als gesloten vachten voor (o.a. Chow Chows).

Zachtharige vachten onderscheiden zich van stokharige, doordat het dekhaar daarbij minder hard en stug is; het is middellang, waarbij doorgroeiende haren gaan kronkelen. Meestal is hierbij sprake van dubbele vachten. De zachtere haren sluiten als regel goed aan op het lichaam. Deze haarsoort wordt vooral bij Spaniels en daarmee verwante rassen aangetroffen.

Zijdezachte vachten onderscheiden zich van zachtharige hoofdzakelijk doordat het haar nog langer is, tot 20 cm. Doordat dekhaar en onderhaar hierbij nauwelijks te onderscheiden zijn, wordt gesproken van enkele vachten. De Yorkshire Terriër is hiervan een voorbeeld.

Ruwharige vachten. In deze categorie zijn vachtsoorten bijeengebracht, die gekarakteriseerd worden door harde, middellange, afstaande en niet sterk gekrulde haren. Voor deze haarsoort worden ook wel benamingen gebruikt als ruigharig (o.a. voor de Ruwharige Teckel), draadharig (o.a. voor de Draadharige Duitse Staande Hond), stekelharig (o.a. voor de Cairn Terriër) en griffon (voor de rassen uit landen, waar Frans gesproken wordt).

Als onderscheid tussen draadhaar en ruw haar wordt aangegeven, dat draadhaar korter en sterker gekronkeld is en daardoor harder aanvoelt dan ruw haar.

Bij ruwharige vachten is vaak sprake van een gesloten vacht. De grote variatie die er binnen de ruwharige vachten bestaat, wordt gedeeltelijk veroorzaakt door het verschil in haarlengte, gedeeltelijk ook door de inplanting. In tegenstelling tot het betrekkelijk korte haar van de ruwharige Foxterriër, is het haar van de Cairn Terriër en van de Bouvier lang en onregelmatig ingeplant, zodat een warrige haardos ontstaat.

Tot slot nog een tip als u last heeft van marters: zie hondenhaar.

Vachtproblemen:

net als bij alle zoogdieren wordt de vacht van de hond er met de jaren slechter op. Het kan gaan om veranderingen in de textuur en/of het dunner worden van het haar. Veel 'problemen' met de vacht hebben gewoon met het ouder worden te maken en zijn dus onvermijdelijk. Dit komt door de hormoonveranderingen, die bij het ouder worden horen. Hierdoor worden ook de nagels langer, wat tevens wordt veroorzaakt door verminderde lichaamsbeweging. De vacht van de hond wordt vettiger of droger, heeft de neiging te klitten. Natuurlijk kan de oorzaak van een slechte vacht ook een huidziekte of een besmetting met parasieten zijn. 

Zie ook vachtverzorging en huidschilfers.

Vachtverzorging:

voor de verzorging van de vacht is het belangrijk, dat u uw hond zo jong mogelijk went aan het kammen, borstelen en wassen. In de dierenwinkel, de trimsalon of bij uw fokker kunnen ze u prima adviseren over de verschillende soorten borstels en kammen, die bij uw hond passen.

Als uw pup ongeveer vier maanden oud is, gaat hij zijn puppyvacht, die plaats maakt voor de definitieve vacht, verliezen. Gemiddeld ruien (zie verharen) honden tweemaal per jaar, in het voor- en najaar. Indien de hond in een zeer verwarmd huis woont en vooral indien de mand dicht bij de verwarming staat, zal de hond meer last hebben van haaruitval. Tijdens de ruiperiode is het belangrijk, dat u de hond iedere dag even borstelt om irritaties van de loszittende haren te voorkomen. Ook tussendoor kunnen honden nog wel eens wat haren verliezen. Bovendien komt het bij bepaalde rassen vaker voor.

Afhankelijk van het ras kan het zijn, dat de hond getrimd moet worden. Bij de trimsalon kunt u hierover alle adviezen krijgen.

Zie ook vachtproblemen.

Vacuole:

blaasvormige met vocht gevulde holte in een cel.

Zie ook golgi-apparaat en pro-oestrus.

Vaderhond:

synoniem voor reu, die na paring met een teef, de moederhond, voor nakomelingen heeft gezorgd.

Vagina:

vrouwelijk geslachtsorgaan.

Vaginitis:

ontsteking van de vagina (schede). De symptomen: meestal een dikke, romige afscheiding uit de lippen van de vulva. De teef zal haar vulva langdurig likken om deze afscheiding te verwijderen. Ze is vaak aantrekkelijk voor andere honden.

Vaginitis wordt veroorzaakt door een schadelijke bacterie. De aandoening kan door veel verschillende bacteriën ontstaan, en eerst moet met zekerheid worden vastgesteld om welke het gaat middels een bacteriologisch onderzoek alvorens de behandeling te bepalen (bijv. antibiotica). Vaginitis kan de vruchtbaarheid schaden. 

Als u meer dan één teef hebt, is het raadzaam de zieke teef apart te zetten om verspreiding van de infectie te voorkomen. 

Ga binnen 24 uur naar uw dierenarts, anders kan de ziekte acuut worden, en daarmee moeilijker te behandelen.

Juveniele vaginitis komt voor bij jonge teefjes. Zij kunnen al, voordat ze 2 maanden oud zijn, last hebben van vaginale afscheiding. Bij juveniele vaginitis is meestal geen behandeling nodig. Eventueel kunt u wassen met zout water of een mild ontsmettingsmiddel. Na de eerste loopsheid geneest de ziekte meestal spontaan.

Vakantie (op vakantie gaan):

voor de meest recente uitvoerinformatie naar vele landen, kunt u contact opnemen met de ambassade van dat land (zie http://ambassade.startpagina.nl). In veel landen is de rabiësenting verplicht. Verder gelden er per land verschillende regels wat betreft gezondheidsverklaringen van de RVV, invoervergunningen, ontwormen, verplicht dragen van een muilkorf, verbod op invoeren van bepaalde rassen en andere specifieke eisen.
Klik hier voor de actuele invoer eisen per land.

Klik voor info als u met uw hond naar het buitenland gaat, bijv. naar Zuid-Europa (teken, hartworm, leishmania en ehrlichiose) of als u op wintersport gaat.

Dan nog een tip. Houd uw hond tijdens snelweg-picknicks of tijdens plaspauzes altijd aan de lijn, want uw hond kan op vreemd terrein opgewonden zijn en er daardoor gemakkelijk vandoor gaan en dus de weg op schieten. Bovendien liggen er op stopplaatsen langs de weg veel etensresten waar hij misselijk van kan worden. En soms ligt er rattengif. Er zijn zelfs meldingen over het opzettelijk neerleggen van vergiftigd vlees op stopplaatsen in Frankrijk en Italië. Ook in Oostenrijk wordt veel gif langs de wegen gebruikt. Dus pas op!

Zie ook dierenpaspoort en D.A.P.® Spray. Voor tips voor uzelf: klik hier.

Valkenjacht:

is de jacht m.b.v. valken. De geschiedenis van de valk en de valkjacht gaat vele honderden jaren terug. Valken, valkenjacht en koningshuizen zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Hoe oud de valkenjacht precies is, is niet bekend, maar aangenomen wordt dat de eerste jachtpartijen met valken zo'n 2000 jaar voor Christus werden gehouden. Het is mogelijk dat de eerste valkeniers in China woonden, omdat er daarover aanwijzingen zijn gevonden uit het einde van de ijstijd. Wie in het bezit was van een getrainde valk kon zijn gezin van eten voorzien.

Aan het einde van de zevende eeuw na Christus werd de valkerij in Groot-Brittannië geïntroduceerd door de Saxen. Ook in die tijd zorgden de valken voor vlees op tafel en dat zou zo'n vijfhonderd jaar voortduren. Toen deed de valkenjacht als entertainment zijn intrede. De doelstelling was niet meer het vullen van lege magen, maar het vermaken van de rijke aristocraten. Nergens was dit vermaak zo groot als in Frankrijk. In de twaalfde eeuw, kort na de invasie van de Noormannen, werd de valkerij in Groot-Brittannië ingevoerd als 'De sport van de Koningen'.

In 1486 werd het eerste boek over de jacht in het Engels 'The Book of St. Albans' gedrukt. Daarin werd uitvoerig de valkenjacht behandeld.

De valkerij werd minder beoefend nadat het hagelgeweer was uitgevonden. Toch is er nog veel uit de valkerij van toen behouden gebleven.

Zie ook Spaniels.

Vallende ziekte:

zie epilepsie.

Valplaats:

is de plek waar het apport gevallen is en de grond heeft geraakt.

Valse kiezen:

          praemolares; zie tanden.

Valse loopsheid:

zie schijndracht.

Valva:

klep, bijv. hartklep.

Vang:

wang, voorsnuit.

Variatie:

verschil in erfelijke eigenschappen tussen nakomelingen van één ouderpaar.

Varices:

spataderen.

Variëteit:

iedere in de standaard voor een ras erkende, naar kleur, vacht, grootte of oordracht verschillende vorm van het desbetreffende ras. Of anders gezegd: een deel van een ras dat zich in één of enkele erfelijk bepaalde kenmerken onderscheidt van andere tot hetzelfde ras behorende dieren. De kenmerken waarin de dieren zich van andere binnen hetzelfde ras onderscheiden, hebben meestal betrekking op de vachtkleur, de vachtstructuur of de hoogtemaat. 

Bij de variëteiten van de Hollandse Herder is alleen de vachtstructuur verschillend, bij de Belgische Herder de vachtstructuur en de vachtkleur, bij de Teckel de vachtstructuur en de maat, en bij de Poedel de vachtkleur en de hoogtemaat. 

Voor de verschillende variëteiten van een ras geldt dezelfde standaard.

Varkensgebit:

            een sterk bovenvoorbijtend gebit.

Varkensvlees geven:

varkensvlees kan gevaarlijk zijn, want het kan nl. een virus herbergen, het virus van Aujeszky. Dit virus, totaal ongevaarlijk voor de mens, is zeer gevaarlijk en zelfs dodelijk voor de hond (en kat). Als de hond besmet is en uiterlijke symptomen vertoont, verloopt de infectie altijd dodelijk, na maximaal drie dagen.

De symptomen lijken op rabiës, daarom wordt de ziekte van Aujeszky ook pseudorabiës of pseudorazernij genoemd. Het symptomenbeeld omvat speekselen, veel blaffen, karakterveranderingen, zenuwsymptomen etc. Helaas kan er medicamenteus niets gedaan worden, m.a.w. geef uw hond geen rauw varkensvlees (vooral slachtafval, zoals tong, longen etc. is gevaarlijk) te eten. Of u moet hem 100% doorgekookt varkensvlees geven, dan is het virus vernietigd.

Vas:

vat, bloedvat.

Vasculitis:

ontsteking van de bloedvaten waardoor organen, die door deze bloedvaten van bloed worden voorzien, geleidelijk afsterven.

Vas deferens:

zaadleider.

Vasectomie:

operatieve verwijdering van een deel van de zaadleider om een mannelijk dier onvruchtbaar te maken.

Vasoconstrictie:

vaatvernauwing.

Vasodilatatie:

vaatverwijding.

Vasopressine:

            zie A.D.H.

Vasotop®:

vasotoptabletten bevatten als werkzaam bestanddeel ramipril, dat tot de groep ACE-remmers behoort.

Bij hartaandoeningen zal het hart proberen zo lang mogelijk de bloeddruk op peil te houden door een beroep te doen op compensatiemechanismen die ervoor zorgen dat bloedvaten samentrekken en dat het lichaam vocht vasthoudt. Het zieke hart wordt hierdoor extra belast, waardoor een neerwaartse spiraal ontstaat.

Ramipril veroorzaakt een verwijding van de bloedvaten zowel systemisch als op lokaal niveau. Hierdoor wordt de neerwaartse spiraal doorbroken en worden organen (o.a. hart en nier) ontlast.

Vasotop wordt gegeven als behandeling van congestieve hartinsufficiëntie, veroorzaakt door klepinsufficiënties te wijten aan endocardiose of cardiomyopathie. Vasotop kan gecombineerd worden met het diureticum furosemide en/of de hartglycosiden digoxine of methyldigoxine.

Vast Parcours:

een verplicht onderdeel van een agilitywedstrijd met minimaal 6 verschillende hindernissen, minimaal 12 en maximaal 20 hindernissen, waarbij de hindernissen in de voorgeschreven volgorde moeten worden genomen. Er geldt een SPT en een MPT.

Vautrait:

naam van de Franse meute, als die het wilde zwijn bejaagt.

VB-hond:

pup in de babyklasse of puppyklasse, die de kwalificatie 'Veelbelovend' waard is.

In het Engels heet dit "Very Promising" (VP) en in het Duits "Vielversprechend" (VV).

V.D.H., VDH:

Verband für das Deutsche Hundewesen (Duitse tegenhanger van de Raad van Beheer). Wordt ook voor de stamboom gebruikt.      

Vector:

drager van besmetting, overbrenger.

Vegetatief:

is de groei betreffend of die bevorderend.

Veldwedstrijd:

of veldwerkwedstrijd is een wedstrijd om de gebruikswaarde van een jachthond in het veld vast te stellen. Het is een wedstrijd waarin jachthonden, jagend voor of na het schot (onderscheid bij de staande honden), op levend of geschoten wild, worden beoordeeld naar de mate waarin zij op raseigen wijze i.s.m. hun voorjager werken.

Het uiteindelijke doel van veldwedstrijden is een bijdrage te leveren aan het verantwoord fokken van de goede honden, zodat zowel de specifieke raseigenschappen als de weidelijkheid in de praktijkjacht worden bevorderd.

Zie ook Diana-prijs en het Algemeen Veldwedstrijd Reglement (AVR).            

Vena, vene (meerv. venae of venen):

ader.Venula is een adertje, venulen zijn kleine aders. Voor meer info: bloedvaten.

Venerische ziekte:

geslachtsziekte.

Veneus:

betrekking hebbend op de aderen.

Ventraal:

tot de buik (=venter) of de buikzijde behorend.

Ventrikel:

kamer van het hart of de hersenen.

Veretsing van het oog:

stoffen als accuzuur, (af)wasmiddelen en ongebluste kalk kunnen zeer ernstige veretsingen van de cornea veroorzaken. Vooral zeepachtige stoffen zijn gevaarlijk.

Het oog wordt blauwgrijs en de patiënt vertoont heftige pijn. De eerste seconden/minuten zijn verreweg het belangrijkst. Onmiddellijk na het ongeval moeten de ogen ruim worden uitgewassen met liefst een overmaat aan lauw leidingwater, maar in nood kan men ook bijv. slootwater gebruiken. Daarna moet de hond zo snel mogelijk bij de dierenarts worden aangeboden. Tijdens dit vervoer moet worden voorkomen, dat de hond het oog verder beschadigt.

Zie ook wetenswaardigheden.

Vergiftiging:

zie wetenswaardigheden.

Verharen (ruien, haarverlies, haaruitval, verlies van de vacht):

onder normale omstandigheden verliest de hond twee keer per jaar zijn oude vacht en krijgt een nieuwe: in het voorjaar en in het najaar. Het verlies van de wintervacht, de voorjaarsrui, is meestal het hevigst en vooral bij honden met een ondervacht kan dan enorm veel haar loskomen. U kunt dit proces bespoedigen door veel te borstelen. Ook juiste voeding en goede beweging zijn van invloed op een vlotte haarwisseling. Evenals de hond te laten zwemmen of hem tijdens de ruiperiode te wassen met lekker warm water: dit versnelt het uitvallen van de loszittende haren. Dagelijks wat Velcote® door het voer verkort ook de ruiperiode (snel ingroeien van nieuwe vacht). 

Bij teven zien we, dat zij vaak tijdens de loopsheid een mooier en voller glanzende vacht hebben, terwijl ze 2 tot 3 maanden na het werpen van een nest volledig uit vacht zijn. 

Zeer zeker heeft ook de temperatuur invloed en bijv. een onverwacht warme nazomer kan de regelmaat in de war sturen. 

Bij een aantal rassen komt het voor, dat zij moeilijk de oude onderharen kwijtraken; hier helpen we mee door te trimmen

Uiteraard zijn er ook ziekelijke afwijkingen, waardoor de vachtconditie verstoord wordt en het dier voortdurend verhaart.

Zie ook vachtverzorging.

Verkeerszekere hond (V.Z.H.):

examen om te beoordelen of de hond in verkeersdrukke situaties een zekere indruk maakt en zich sociaal en gehoorzaam op straat kan gedragen.

De opleiding Verkeerszekere Hond/Begeleidingshond (BH) wordt afgenomen door keurmeesters opgeleid door de Commissie Werkhonden van de Raad van Beheer en volgens het examenreglement van deze Commisie.

Het halen van het diploma VZH is de bekroning van een opleiding gehoorzaamheid voor alle rassen.

Voor de FCI-werkhondenrassen is het VZH-diploma de toelatingseis om aan de gespecialiseerde werkhondentrainingen als IPO en Speurhond te kunnen beginnen.

Het VZH-examen is tweedelig. 

Het eerste gedeelte bestaat uit een aantal oefeningen op een oefenterrein: volgen aan de lijn, los volgen, schotvasttest, vrij zit en voorroepen met mogelijke variaties. Is een minimum aantal punten (25; max. 50) behaald, dan kan aan het tweede (praktische) gedeelte van het examen deelgenomen worden.

Het praktijkgedeelte omvat een aantal oefeningen uitgevoerd op de openbare weg in matig drukke situaties. Hierbij worden gehoorzaamheid en gedrag  getest in gebruikelijke situaties in het verkeer en in moeilijkere en in onaangename situaties. Verder wordt gekeken naar de reactie van de hond t.o.v. andere honden en op het voor korte tijd alleen gelaten worden. M.a.w. bekeken wordt hoe de gehoorzaamheid in het verkeer is, hetzelfde in moeilijker verkeerssituaties en tenslotte wordt de hond aangelijnd alleen gelaten (bijv. voor een winkel).

Na afloop wordt de hond op onbekend terrein alleen vrij gelaten. Op het commando van de eigenaar moet de hond vrij snel komen. 

De kwalificatie wordt niet door de Raad van Beheer overgenomen op de stamboom.

Zie het examenreglement.           

Verkoudheid:

ontsteking van de slijmvliezen van neus en ogen, in die mate dat de hond de indruk maakt verkouden te zijn, is zo vaak een symptoom van een ernstige virusinfectie dat men een dierenarts moet raadplegen.

Een te natte neus ontstaat soms bij een verkoudheid.

Als u uw hond gewassen heeft, laat hem dan pas weer naar buiten gaan als hij helemaal is opgedroogd, anders kan hij een kou oplopen!

Verwar verkoudheid niet met kennelhoest of hondenziekte.

Verlamming:

een ledemaat of een deel van het lichaam niet kunnen bewegen, of verminderd gevoel in een deel of delen van het lichaam. Verlamming is een symptoom van een onderbreking in het zenuwstelsel. De spieren kunnen niet normaal functioneren en inwendige organen kunnen zijn aangetast. Als het om een ledemaat gaat, zal de hond hiermee duidelijk zichtbaar slepen. Wanneer de verlamming inwendige organen aantast, zijn de symptomen niet zo in het oog springend, en is de hond gewoon niet lekker of niet zichzelf. 

Verlamming kan worden veroorzaakt door een verwonding of aandoening aan de hersenen, zenuwen of wervelkolom van de hond; verkeersongevallen zijn een grote boosdoener. 

Infectieziektes en infecties kunnen ook tot verlamming leiden.

Verlatingsangst:

heeft een hond, die eigenlijk niet alleen kan zijn. Hij blaft continue, sloopt de boel of is onzindelijk. In het Engels heet dit Separation Anxiety.

Zie voor uitgebreide info van dit gedragsprobleem: ons theorieboek. Wat kan helpen is de D.A.P.-verdamper of Clomicalm.

Verlengde merg:

bestaat uit grijze en witte stof, net als het ruggenmerg. De verdeling sluit enerzijds aan bij die van het ruggenmerg, anderzijds bij die van de hersenen. Het verlengde merg bevindt zich op de overgang van de schedel naar de wervelkolom.

Naast de verbindende functie tussen het ruggenmerg en de hersenen d.m.v. de opstijgende en afdalende banen, bevat het verlengde merg ook nog centra, van waaruit sommige processen in het lichaam worden gereguleerd. Onder andere worden vanuit het verlengde merg de ademhaling en de hartwerking geregeld.

Zie ook zenuwstelsel.

Verloren zoeken (apport):

het opsporen (uitvoeten) van beschoten vliegend of lopend wild door de jachthond.

De hond moet bij een 'verloren zoek' zelfstandig in een gebied met dichte dekking naar een apport zoeken zonder dat de voorjager hem kan zien en/of kan helpen.

Verminthel®:

is een ontwormingsmiddel, wat qua samenstelling sterk op Milbemax lijkt. Het bevat als werkzame bestanddelen Abamectine en Praziquantel. Het beschermt tegen hartworm, maar is niet geregistreerd als geneesmiddel tegen hartworm. Het middel is, net als Milbemax, niet geschikt voor Collie-achtigen (incl. de Bobtail) en Witte Herders (zie MDR1).

Het is echter niet zo duur als Milbemax en qua prijs vergelijkbaar met de reeds bestaande ontwormingsmiddelen.

Verruca:

wrat, plaatselijke verdikking van de opperhuid.

Verstarren:

behoort tot de dreiggedragingen. Van sommige honden wordt gezegd, dat zij niet dreigen. Dit is veelal niet waar: vaak verstarren en fixeren de honden eerst alvorens zij een bijtpoging doen.

Verstoppingen (obstipatie):

darmverstoppingen zijn meestal het gevolg van het verorberen van veel botten. Vroeger werd wel paraffine gebruikt, maar u kunt uw hond bij darmverstoppingen ontbijtkoek geven of Isogel (een agar-agarproduct).

Verstuiking:

is een verwonding, die wordt veroorzaakt door een ligament te verrekken en waardoor de hond mankt.

Zie wetenswaardigheden.

Vertebra:

wervel. Meervoud: vertebrae. Klik hier voor meer info.

Vertebraat:

gewerveld dier (vertebra=wervel).

Verwaaiing:

is de geur die het apport afgeeft t.g.v. de wind.

Verwijzen:

kan door bij voorwerpen te gaan zitten, liggen of te blijven staan. De hond mag het ook oppakken, maar er niet op bijten.

Zie speuren.

Verzakking, vaginale ~:

zie hyperplasie.

Verzekering:

de eigenaar van een hond is wettelijk aansprakelijk voor de schade, die zijn huisdier veroorzaakt. Bij een goede W.A.-verzekering zal de door een huisdier veroorzaakte schade meestal gedekt zijn.

Andere verzekeringen die men voor de hond kan afsluiten zijn een ziektekostenverzekering en een begrafenis- of crematieverzekering, maar ook tandartskosten-, ongevallen- en reisverzekering voor dieren.

Klik hier voor meer info.

Vesica:

(urine)blaas; vesicula=blaasje.

Vestibulair:

betrekking hebbend op het evenwichtsorgaan in het middenoor, zoals in 'vestibulair syndroom'.

Vestibulair syndroom:

is één van de oorzaken van een scheve stand van het hoofd. Een scheve stand van de kop is een neurologische afwijking, die bij de hond nog al eens voorkomt. De afwijking wordt eigenlijk bijna altijd veroorzaakt door schade aan het evenwichtsorgaan (vestibulaire systeem). Omdat bij mensen vooral hersenbloedingen zich uiten in een halfzijdige verlamming, wordt vaak onterecht geconcludeerd dat het bij de hond ook om een dergelijke aandoening gaat. Helaas wordt deze verkeerde en te sombere diagnose vaak bij de hond gesteld, soms met alle gevolgen van dien.

Gelukkig komen ernstige aandoeningen die bij de hond een scheve kop veroorzaken, slechts zelden voor. Bij die ernstige aandoeningen kan worden gedacht aan:

• een storing in het evenwichtsorgaan. Kenmerkend hierbij zijn ritmische spontane oogbewegingen als gevolg van een aandoening van de vestibulaire zenuw, die het binnenoor met de hersenen verbindt;

• in de hersenen gelegen oorzaken. Deze gaan gepaard met uiteenlopende langzaam tot stand komende afwijkingen. De snelle oogbewegingen ontbreken hierbij;

tumoren, hersentrauma en hersenbloedingen, allemaal gelukkig zeldzaam bij de hond;

infecties van het midden- of binnenoor, soms als complicatie van een uitwendige oorontsteking. Deze infecties komen iets vaker voor.

De meest voorkomende oorzaak van de scheve kopstand vooral bij oudere honden is echter het 'Geriatrisch vestibulair syndroom'. De oorzaak hiervan is nog onbekend. Omdat hierbij meestal ook geen structurele afwijkingen worden waargenomen, wordt ook wel gesproken van een idiopathische vestibulaire aandoening.

Symptomen van het Geriatrisch vestibulair syndroom:

• een plotseling scheve kopstand;

• evenwichtsstoornissen;

• een onzekere gang bij het lopen en omvallen;

• ongecontroleerde snelle bewegingen van de oogbol (Nystagmus). De pupil van het oog beweegt van links naar rechts of draait rondjes;

• misselijkheid, braken en verminderde eetlust;

• een leeftijd van 12½ jaar of ouder.

Diagnose: indien uw hond dergelijke kenmerken vertoont, zal uw dierenarts een uitgebreid algemeen lichamelijk onderzoek doen. Om de andere hiervoor genoemde oorzaken van een scheve kopstand zo veel mogelijk te kunnen uitsluiten, wordt daarbij ondermeer gekeken naar eventuele neurologische symptomen en ziekten van de inwendige gehoorgang. Indien de symptomen wijzen op het geriatrisch vestibulair syndroom, wordt aanvullend onderzoek voor meer zekerheid, zoals röntgenologisch onderzoek, meestal uitgesteld, omdat de verschijnselen van dit syndroom binnen enkele dagen zullen afnemen.

Indien de symptomen niet snel verbeteren, is verder onderzoek geïndiceerd om andere oorzaken van de scheve kopstand geheel uit te kunnen sluiten.
Behandeling is niet meestal niet nodig. Zonder behandeling zullen de symptomen binnen 2-3 dagen verminderen. Eventueel kan wat ondersteunende therapie worden gegeven tegen de misselijkheid.
De meeste dieren leren binnen 1 tot 2 weken de afwijking te compenseren en kunnen verder een normaal leven leiden. Een recidief van het geriatrisch vestibulair syndroom komt niet vaak voor. Wel kan het zijn dat de hond permanent een min of meer scheve kopstand houdt. Ook kan het dier wat last blijven houden van een wat onzekere gang bij het lopen.
Waarschuwing: het beeld lijkt in eerste instantie altijd zeer ernstig, vooral omdat we de ziekten van onze dieren vaak reflecteren naar de aandoeningen bij de mens, waarbij we bij dit soort symptomen vaak als eerste denken aan ernstige aandoeningen als hersensymptomen veroorzaakt door een infarct, een bloeding. Maar dergelijke aandoeningen komen bij dieren zelden voor. En in bepaalde gevallen, zoals bij een tumor, zullen er naast de eerder beschreven verschijnselen vaak andere symptomen opvallen, zoals algemeen ziek zijn, verlamming van de aangezichtsspieren en het Horner syndroom, met het kenmerkende symptoom dat één pupil groter is dan de andere.
Dus vóór er bij een scheve kopstand een te sombere diagnose wordt gesteld moet eerst vaststaan, dat er geen sprake is van de meest waarschijnlijke oorzaak daarvan, het Geriatrisch vestibulair syndroom.

Vestibule:

holte met een uitzonderlijk gespierde wand, vlak binnen de vagina. Deze spieren zorgen, dat de reu en de teef tijdens het paren aan elkaar blijven vastzitten. Zie ook koppeling.

Vetbed:

is een deken, een soort "schapenvacht", gemaakt van zacht uitwasbaar materiaal wat ook in de humane geneeskunde gebruikt wordt. Het is zeer geschikt als hondenmat en kan gebruikt worden in de auto, huis of nestkist. Ook in dierenklinieken worden vetbedden vaak gebruikt.

Zelf neem ik ze mee op vakantie, zodat onze honden dan hun eigen ligplek van thuis hebben, hoewel er thuis ook nog manden staan, maar het voordeel is dat de vetbedden weinig ruimte in de auto innemen en dat kan niet van een hondenmand gezegd worden.

Een vetbed heeft de eigenschap van luchtcirculatie en waterdoorlaatbaarheid: het slaat de warmte op, houdt de kou van onder tegen, is vochtdoorlatend en anti-allergeen. Het kan erg warm gewassen worden. Ze zijn ook te koop met antislip.

Let er wel op, dat er ook "namaak vetbedden" in de handel zijn, die de goede eigenschappen niet of nauwelijks hebben en daardoor een stuk goedkoper zijn.

Vetbult:

is een goedaardige tumor, die voornamelijk uit vet bestaat. Vetbulten komen veel voor. Het zijn er vaak meerdere en u kunt ze op verschillende plaatsen tegenkomen.

We zien deze knobbels voornamelijk bij huisdieren op oudere leeftijd. Meestal bevinden ze zich net onder de huid op de borstkas of buikwand. Soms zitten ze op de poten. In uitzonderlijke gevallen kunnen ze ook op andere plaatsen voorkomen zoals in de borstkas.

Ondanks dat vettumoren regelmatig voorkomen en meestal goedaardig zijn, is het toch verstandig om zulke bultjes in de gaten te houden. Met een klein beetje extra aandacht samen met de dierenarts, kunt u er voor zorgen, dat deze bultjes nooit een ernstig effect op uw hond zullen hebben.

Als de dierenarts een bult bij uw hond onderzoekt, dan let hij op grootte, vorm, verplaatsbaarheid en stevigheid.
Vaak zuigt hij met een dunne naald wat weefsel uit het knobbeltje (biopt)
om te kijken waar deze uit bestaat en soms wordt het zo verkregen weefsel zelfs naar de patholoog of cytoloog gestuurd om het na te laten kijken.

Omdat bijna alle vettumoren goedaardig zijn, besluit hij meestal om de vetbult met rust te laten. Er zijn echter enkele redenen om de bult toch te verwijderen. Als een van de onderstaande criteria bij de vetbult van uw hond past, dan moet de bult toch verwijderd worden:

• als de bult erg snel groeit;

• als de bult, na een hele tijd dezelfde grootte te hebben gehad, opeens weer gaat groeien;

• als de bult opeens duidelijk van vorm of hardheid verandert (bijv. een mooie ronde bult wordt opeens knobbelig);

• als de bult uw hond belemmert in zijn bewegingen (bijv. een grote bult in de oksel van uw hond);

• als de bult op een plaats zit waar het bijna onmogelijk wordt om hem te verwijderen als hij groeit (bijv. een bultje op de voet);

• als u zich ernstig zorgen maakt over de bult, kan dat ook een reden zijn om de bult te verwijderen (bijv. als er toch om een andere reden geopereerd wordt);

• als uw hond er veel aan bijt, likt of schuurt, waardoor de bult kan gaan bloeden of geïrriteerd raakt.

Hopelijk voldoet de bult van uw hond niet aan een van de bovengenoemde punten. Het is erg belangrijk dat u de bult regelmatig controleert. Een vettumor kan op dit moment geen problemen geven, maar eventueel in een later stadium wel. Een goed idee is om elke maand de grootte van de bult op te schrijven, bijv. "de grootte van een knikker". Als u veranderingen ziet, geef dit dan aan de dierenarts door. Als uw hond voor een onderzoek op de praktijk komt, kan de dierenarts de bult controleren. Op die manier houdt u eventuele veranderingen, die het noodzakelijk maken om de bult alsnog te verwijderen, goed in de gaten.

Veteranenklasse:

1) voor alle honden, die op de dag van een (agility)wedstrijd de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt. Inschrijven in deze klasse is vrijwillig. Als men besluit de hond in te schrijven voor deze klasse dan is men verplicht altijd in deze klasse in te schrijven. Als een hond geblesseerd is (geweest) en de leeftijd van zeven jaar nog niet heeft bereikt, mag de hond buiten mededinging in deze klasse worden ingeschreven;

2) een klasse op een clubmatch, kampioenschapsclubmatch of een klasse op een tentoonstelling, waar internationale kampioenschapsprijzen behaald kunnen worden voor honden die de leeftijd van minimaal 8 jaar hebben bereikt.

Een internationale kampioenschapsprijs (CACIB) wordt niet uitgegeven aan honden ingeschreven in de veteranenklasse.

Veterinair:

diergeneeskundig.

Veterinaire keuring:

was een medische keuring door de dierenarts, alvorens men met de hond het tentoonstellingsgebouw binnen mocht. De hond moest volledig geënt zijn; monorchide, cryptorchide en gecastreerde reuen werden niet toegelaten.

Vanaf 27-6-'05 (datum publicatie) mogen loopse teven wel worden toegelaten op exposities (dus uitsluitend tentoonstellingen, kampioenschapclubmatches en clubmatches). De aanpassing in het Kynologisch Reglement hiervoor volgde formeel per 01-01-2006.

Er volgt nog overleg over deelname van loopse teven aan windhondenrennen, coursing, veldwedstrijden en werkhondenproeven e.d. in verband met mogelijke beïnvloeding van de resultaten door de aanwezigheid van loopse teven.

Inmiddels is i.v.m. het intrekken van de Veewet per 1-1-'06 deze verplichte veterinaire keuring bij kynologische exposities en andere evenementen van de Raad van Beheer vervallen.

In de nieuwe uitvoeringsregels is daarover het volgende opgenomen: "Alvorens de honden tot de expositie of de wedstrijd worden toegelaten, dienen de eigenaren schriftelijk te verklaren, dat de honden voldoende gevaccineerd zijn, tegen hondenziekte (distemper, ziekte van Carré), parvovirus diarree, ziekte van Weil (leptospirose), besmettelijke leverziekte (infectieuze hepatitis, HCC) en indien van toepassing (bij honden van buiten Nederland) ook hondsdolheid (rabiës), middels ondertekening van het inschrijfformulier.

Voor exposities (tentoonstellingen op CAC en/of CACIB niveau) gelden daarnaast de volgende extra regels: voor honden die niet in de catalogus zijn ingeschreven, maar toch tot de expositieruimte worden toegelaten, dienen de eigenaren aan de ingang een verklaring te ondertekenen dat zijn/haar hond(en) voldoende is (zijn) gevaccineerd. Bovendien dient er van 8.00-10.00 uur een dierenarts aanwezig te zijn. Deze dierenarts beslist, bij het binnenlaten van de ingeschreven honden, of hij/zij een hond nader wil onderzoeken. Als de dierenarts besmettingsgevaar vreest, dan wordt de betrokken hond onmiddellijk afgezonderd. De organisator draagt er zorg voor, dat de betrokken hond in quarantaine geplaatst kan worden".

Vetmedin®:

is een baanbrekende behandeling voor honden met hartfalen. Per capsule zit er 1,25 mg, 2,5 mg of 5 mg pimobendan in.

Het werkingsmechanisme waarmee de actieve stof pimobendan, een benzimidazol-pyridazinon derivaat, zijn stimulerende effect op het hart uitoefent is tweeledig: toename van de gevoeligheid voor calcium van de cardiale myofilamenten en remming van phosphodiesterase (type III). Vasodilatatie komt tot stand door remming van phosphodiesterase.

Vetmedin capsules zijn aangewezen voor de behandeling van congestieve hartinsufficiëntie t.g.v. hartspierdilatatie of hartklepinsufficiëntie (mitralis- en/of tricuspidalisklep met regurgitatie).

De toe te dienen dosis bedraagt 0,2 mg tot 0,6 mg pimobendan per kg levend gewicht en per dag. De dagdosis is bij voorkeur 0,5 mg per kg levend gewicht. Deze dosis moet in twee toedieningen van 0,25 mg per kg worden gegeven. Een halve dagdosis wordt 's ochtends toegediend en de andere halve dagdosis ongeveer 12 uur later.

Vetmedin wordt oraal toegediend. Elke dosis wordt ongeveer 1 uur vóór de voeding gegeven. Vetmedin kan in combinatie met een diuretische behandeling, zoals furosemide, worden toegediend.

Er is geen informatie beschikbaar over de onschadelijkheid van het product bij drachtige en zogende honden. Vetmedin mag dan ook alleen maar aan drachtige en zogende teven worden gegeven als de verwachte therapeutische voordelen groter zijn dan het potentiële risico.

Vetten:

leveren energie, maar kunnen ook min of meer direct worden gebruikt als reservevoorraad. Net als de koolhydraten kunnen ze door omvorming tot aminozuren worden benut als bouwstof. 

1 Gram vet levert aan beschikbare energie 9 kilocalorieën (37 kilojoules).

Van de vetzuren kunnen we op basis van de verzadiging de volgende indeling maken:

a) verzadigde vetzuren: azijnzuur, boterzuur, propionzuur, palmitinezuur, stearinezuur;

b) onverzadigde vetzuren: 1) niet essentiële vetzuren: oliezuur; 2) wel essentiële vetzuren: linolzuur, linoleenzuur en arachidonzuur.

De essentiële vetzuren (linolzuur, linoleenzuur en arachidonzuur) zijn van belang voor een gezonde huid en beharing. Vroeger stonden deze 3 vetzuren gezamenlijk bekend als het vitamine F. Is er een tekort aan essentiële vetzuren, dan ontstaat er een dorre droge vacht.

De essentiële meervoudig onverzadigde vetzuren moeten iedere dag in het voedsel van dieren voorkomen. 

Als norm voor het voedsel mag gelden, dat ongeveer 25% van de kilocalorieën geleverd dient te worden door vet. Ongeveer 5% hiervan dient te komen uit de essentiële vetzuren.

Zie ook Omega 3 en 6.

Vettest®:

is een computergestuurd bloedanalyseapparaat dat bij het klinisch chemisch onderzoek snel betrouwbare uitslagen geeft. Binnen 5 minuten kan het een aantal bloedwaarden bepalen, m.a.w. het is een apparaat dat wordt gebruikt om bloedonderzoeken te doen. Het wordt in sommige dierenartspraktijken vervangen door de vetscan.

Zie ook Spotchem.

Viaduct:

toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt; in de muur mogen 1 of 2 openingen zijn gemaakt in de vorm van een tunnel. Boven op de muur zijn afwerpbare elementen geplaatst in de vorm van een halve cirkel. Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Viatop ®:

is een reukloze gel, die gebruikt wordt bij dieren met een huidaandoening waarbij irritatie en jeuk een rol speelt. Het kalmerende effect van Viatop® kan men toeschrijven aan de raffinose, een natuurlijk suiker. Bovendien bevat Viatop chloorhexidine, een desinfectans werkzaam tegen bacteriën, schimmels en virussen. De toevoeging van saponine garandeert een gemakkelijke en snelle absorptie van de gel in de huid en verlicht zo de jeuk en de huidirritatie. Viatop is een natuurlijk product en bevat geen corticosteroïden of antibiotica, die nadelige bijwerkingen geven zoals huidverdunning, afweervermindering en slechte wondgenezing. U hoeft dus niet bang te zijn voor schadelijke bijwerkingen. Proeven wijzen uit dat er al een duidelijk jeukremmend effect waarneembaar is binnen 15 minuten.

De huid van uw hond kan om verschillende redenen jeuken: allergie, een insectenbeet, een genezende wond etc. En als het jeukt, dan moet je krabben! Terwijl dat het probleem alleen maar erger maakt.

Een dier dat éénmaal begint te krabben, beschadigt zijn huid waardoor ontsteking en soms een infectie ontstaat. De huid wordt rood, raakt gezwollen en veroorzaakt opnieuw jeuk, waardoor de hond alleen maar heftiger begint te krabben. Zo raakt het dier in een vicieuze cirkel.

Er bestaat een veilige oplossing om honden met jeuk van hun kriebels af te helpen en dat is Viatop®. Dit product neemt de jeuk weg (vergelijk het met bijv. Azaron, dat ik voor mijn gezin gebruik tegen jeuk t.g.v. steken van muggen, bijen, wespen, mieren etc.), waardoor de aandacht van de beschadigde plaats wordt afgeleid. Door te stoppen met krabben, wordt de vicieuze jeukcirkel doorbroken en krijgt de huid kans om te herstellen.

Indien nodig eerst de huid zachtjes reinigen om pus en vuil te verwijderen. Breng Viatop 2 tot 3 maal per dag aan (of vaker indien nodig) om te voorkomen dat uw hond zich krabt of schuurt, totdat de irritatie verdwijnt. Indien het dier de neiging heeft zich te likken, te krabben of te schuren na het aanbrengen van Viatop, breng de gel aan juist vóór de maaltijd of voordat u met hem wandelen gaat. U kunt eveneens uw hond gedurende enkele minuten afleiden, totdat de gel geresorbeerd is.

Viatop kan naast het gebruik bij honden ook veilig ingezet worden bij katten, paarden of andere huisdieren en is verkrijgbaar via uw dierenarts.

Vibrissae:

haren, die gevoelig zijn voor aanrakingen, zoals de 'snorharen' rond de bek en de ogen, en op beide wangen. Knip de vibrissae nooit af, tenzij u daar een goede reden voor heeft.  

Vieräugel:

black-and-tan honden lijken soms vier ogen te hebben: de beide ogen en de beide bruine wenkbrauwvlekken. Oude benaming voor de Berner Sennenhond.

Vierkant:

de schofthoogte is gelijk aan de lengte van de romp.

Vierkant gaan:

          zie gaan.

Vierkant kruis:

          zie kruis.

Vierkant staan:

alle poten recht onder het hondenlijf.

Vieze adem:

          zie slechte adem.

Villi:

vlokken, vlokkige aanhangsels, kleine uitstulpingen, bijv. darmvlokken (nemen voedingsstoffen uit het voedsel op).

Vilthaar:

speciale vacht, waarbij onder- en dekhaar samengroeien en lange, smalle platen vormen (bijv. bij de Bergamasco).

Vinnen:

rijke beharing aan de benen.

Vioolklier:

is een geurklier, die zich een paar centimeter van de staartaanzet bevindt, aan de bovenkant van de staart. Tegenwoordig heeft de klier eigenlijk geen functie meer.

Bij sommige honden is het zichtbaar, doordat de haren ter hoogte van de klier een iets andere kleur of structuur hebben of de plek wat minder haar heeft.

Zie ook wolfsteken.

Viremie:

de aanwezigheid van een virus in het bloed.

Virgo:

maagd.

Viricide:

virusdodend middel.

Virilisatie:

vermannelijking.

Virulent:

ziekteverwekkend, giftig.

Virulentie:

besmettelijkheid.

Virus:

ziekteverwekker, die zichzelf niet kan vermeerderen. Virussen zijn kleine klompjes eiwit, waarbinnen enig DNA of RNA is gelegen. Virussen zijn niet gevoelig voor antibiotica. Ze kunnen alleen maar tegengehouden worden door de verdedigingsmechanismen van de hond te versterken. Dat wordt gedaan d.m.v. vaccinaties.            

Viscera:

de inwendige organen van het lichaam.

Visceraal:

de ingewanden (=viscera) betreffend.

Viskeus:

stroperig, taai van vloeistoffen.

Visolie:

vis is de belangrijkste natuurlijke bron van omega-3: EPA en DHA. Niet alle vissoorten bevatten echter veel omega-3. Hoe vetter de vis, hoe rijker hij is aan deze kostbare vetzuren (haring, makreel, zalm, tonijn paling, sprot en in mindere mate ansjovis, karper, zwaardvis, heilbot, zeewolf, schol, poon, rog, forel, roodbaars). Ook de schelpdieren zijn een goede bron.

In de plantenwereld zijn omega-3 vetzuren vooral aanwezig in enkele plantaardige oliën (lijnzaadolie, hennepolie, koolzaadolie, notenolie, sojaolie en tarwekiemolie), en wel in de vorm van alfalinoleenzuur (ALA).

Niet alleen bij ons, de mens, maar ook bij de hond zijn de vetzuren belangrijk. Bij zelfgemaakte of commerciële voeding (blik of brokken) is er een teveel aan omega-6 en is er te weinig omega-3 aanwezig. De verhouding omega-6/3 zou volgens onderzoek maximaal 4/1 mogen zijn en bij voorkeur nog lager tot 1/1. Om deze gunstige verhouding te krijgen moet omega-3 in voldoende hoeveelheid toegevoegd worden. Het verhogen van omega-3 is dan ook de enige mogelijkheid.

Het blijkt dat de positieve effecten van visolie bij dieren op hetzelfde vlak liggen als bij de mens:

• Ontstekingsremmend: gewrichten, de huid, immuunziekte;

Nierziekten;

Hartspierziekten;

Epilepsie;

Kankerpreventie en langere overlevingsduur;

• Intelligentie: een omega -3 rijke voeding van de teef levert intelligentere pups op vanwege een positief effect op de hersenontwikkeling;

• Zorgt voor een glanzende vacht;

Dementie: remt hersenveroudering.

Om voldoende effect te krijgen moet een 10 kg zware hond 100/150 gram vette vis per dag eten. Vanwege de calorieën is dit geen goed idee. Een veel beter alternatief is het verstrekken van een visolie extract. Een van die producten is bijv. Doils®, een product dat nauwkeurig aansluit bij de wetenschappelijk aangetoonde werking. Het is een superzuivere en geconcentreerde visolie. De olie wordt bereid uit diepzeevis en door speciale extractieprocedures extra gezuiverd. De verontreiniging van de olie, voor wat betreft zware metalen, PCB's, dioxines en andere vergiften, is veel lager dan de toelaatbare waarden. Dit maakt het product zeer veilig voor gebruik. Het heeft een lage caloriewaarde: 10 cal/ml of 1 cal per kg.

Belangrijk om te beseffen is, dat een middel als Doils® geen wondermiddel is. Op korte termijn zult u niet veel merken van de inname van extra omega-3 vetzuren. Toch staat het met zekerheid vast, dat ze van grote invloed zijn op het lichaam van mens en dier.

De werking is groot, maar vindt hoofdzakelijk plaats achter de schermen.

Een belangrijk onderscheid met andere producten schuilt in de dosis. De meeste producten op de markt voor mens en dier zijn laag geconcentreerd. Hierdoor zou u bijv. 12 capsules op een dag moeten geven. Een te lage dosis heeft géén effect! Een minimale dosis is 40 mg omega 3 per kg per dag. Met de Doils® producten krijgen de dieren 60 mg/kg binnen.

Let op, u moet geen omega-6 aan uw hond geven, want deze zitten al meer dan voldoende in hondenvoeding.

Een ander belangrijk punt is de toevoeging van het juiste type vitamine E. Dit beschermt de olie tegen verval (het 'ranzig' worden van vet). Het heeft tevens een gunstig effect op allergie en immuunziekten.

Er bestaan ondertussen ook hondenbrokken waaraan omega-3 vetzuren zijn toegevoegd. Voor honden lichter dan 12 kg zijn sommige voeders prima. Echter voor zwaardere honden is de dosis in de brokken te laag!

Visueel:

op het zien, op het gezichtsvermogen (=visus) betrekking hebbend.

Vitaal:

voor het leven (=vita) kenmerkend.

Vitaliteit:

zie inteeltdepressie.

Vitamine:

meer of minder samengestelde stof, die voor het leven ('vita') onontbeerlijk zijn. In het algemeen fungeren ze als hulpstoffen van enzymen. Het is dus een organische stof zonder voedingswaarde, die noodzakelijk is voor de goede functionering van het lichaam, zonder dat het lichaam deze stof (in voldoende) mate aanmaakt.

Vitamine A:

retinol; oplosbaar in vet. Antioxidant. Bij gebrek aan dit vitamine ontstaan groeistoornissen, grotere vatbaarheid voor ziekten, stoornissen in het centraal zenuwstelsel en in het voorplantingsapparaat. Bovendien zien we een volumetoename van botten. Het duidelijkst zijn de afwijkingen aan de ogen.

De behoefte van de hond is circa 100 I.E. (internationale eenheden) per kilogram lichaamsgewicht per dag. Pups mogen de dubbele hoeveelheid hebben. Hoge vitamine A-gehaltes vindt men in zuivelproducten, lever en levertraan. In planten vindt men voornamelijk caroteen (β-caroteen), dat de hond in zijn lever kan omzetten tot vitamine A.       

Vitamine B-complex:

bevat alle B-vitaminen, van B1 tot en met B12. In het algemeen levert een tekort aan vitamine B-complex storingen op in de bloedvorming, de vachtkwaliteit en het zenuwstelsel.

Rijk aan vitamine B zijn granen (bruin brood en zilvervliesrijst), gedroogd biergist en vlees.

Tekorten treden bij een gezonde hond niet snel op. Zieke honden met een slechte eetlust moeten wat extra vitamine B toegediend krijgen, want er wordt in het lichaam nagenoeg geen voorraad van dit vitamine aangelegd.

Vitamine B1:

thiamine, aneurine; oplosbaar in water. Bij gebrek aan dit vitamine ontstaan storingen in het zenuwstelsel.

Thiamine wordt vernietigd door het antivitamine thiaminase, dat men in rauwe zoetwatervis en rauwe haring aantreft. Koken vernietigt dit antivitamine.       

Vitamine B2:

          riboflavine; oplosbaar in water.

Vitamine B3:

nicotinamide; oplosbaar in water. Bij een gebrek aan het vitamine nicotinezuur (nicotinamide) ontstaat bij de mens pellagra, de ziekte van de 4 D's: dermatitis, diarree, delirium en dood. Bij de hond zien we soortgelijke afwijkingen, waarbij de tong en de andere slijmvliezen in de mond donkerrood tot zwart van kleur worden. We spreken dan ook van black tongue disease.            

Vitamine B4:

choline; oplosbaar in water. Choline en inositol (zie vitamine B7) zijn belangrijk voor de verdeling van vetten in het lichaam. Bij tekorten zorgen zij voor een vervetting van de lever, omdat die het vet niet meer in het lichaam verdeelt, maar zelf opneemt.

Choline is bovendien van groot belang voor de overdracht van zenuwprikkels van de ene zenuwvezel op de andere zenuwvezel. Daartoe wordt in de uiteinden van de zenuwen het choline gebonden aan azijnzuur, waarbij acetylcholine ontstaat.

Vitamine B5:

          pantotheenzuur; oplosbaar in water.

Vitamine B6:

pyridoxine; oplosbaar in water. Deze vitamine is belangrijk bij de vorming van arachidonzuur uit linolzuur. Beide vetzuren zijn essentiële vetzuren (zie vetten). Bij tekorten van deze vetzuren zal eerst de huid droog en dof worden. Later kunnen ook vruchtbaarheidsstoornissen optreden.       

Vitamine B7:

inositol; oplosbaar in water. Zie vitamine B4.

Vitamine B8:

biotine. Vroeger stond biotine bekend als vitamine H, waarbij de H tevens aangaf, waarvoor dit vitamine belangrijk werd geacht, nl. de huid. Dit klopt ook voor veel diersoorten, maar de invloed op de huid en beharing van honden is twijfelachtig.

Het biotine is een belangrijke groeifactor voor gisten, die dan ook ruim voorzien zijn van dit vitamine. In het eiwit van het kippenei komt avidine voor. Dit is een antibiotine, dat door koken wordt vernietigd.

Tegenwoordig wordt biotine gerekend tot het vitamine B-complex.

Vitamine B11:

foliumzuur; oplosbaar in water. Een gebrek aan foliumzuur (folia zijn bladeren; men vindt dit vitamine vooral in bladgroenten) kan ook bloedarmoede veroorzaken. Vooral zwangere vrouwen moeten hiermee rekening houden. Bij honden is het belang van dit vitamine veel minder groot.            

Vitamine B12:

cobalamine; oplosbaar in water. Deze vitamine is belangrijk bij de vorming van de rode bloedkleurstof haemoglobine. Het cobalamine, waarin het sporenelement cobalt is verwerkt, wordt geproduceerd door de bacterieflora in de dikke darm. Het cobalamine kan alleen vanuit de darm worden opgenomen, indien er een bepaalde hulpstof in de darm aanwezig is. We noemen deze stof de intrinsic-factor. Het cobalamine zelf is dan de extrinsic-factor. 

Vitamine C:

ascorbinezuur; oplosbaar in water. De hond zal niet snel een tekort krijgen aan het vitamine C, omdat het vitamine in het lichaam wordt geproduceerd (bij de mens niet!). Vitamine C is belangrijk voor de vorming van bindweefsel en kraakbeen en heeft dus indirect een invloed op de botvorming. Na verwondingen en vooral na beenbreuken wil vitamine C nog wel eens een sneller herstel bevorderen. Ook kan het geen kwaad om aan stijve en stramme dieren en aan honden met HD wat extra vitamine C te geven, maar verwacht geen wonderen.

Vitamine C vindt men in verse groenten, fruit en aardappelen. Bij verhitting, indroging en zouten wordt het praktisch onwerkzaam gemaakt.

Vitamine D:

cholecalciferol; oplosbaar in vet. Dit vitamine zorgt voor de opname van kalk en fosfor uit het maag-darmkanaal en de afzet van deze elementen in het skelet. Bij tekorten zien we al vrij snel een verslapping van de beenderen, waardoor X- of O-benen kunnen ontstaan: er wordt te weinig kalk en fosfor in het skelet afgezet, waardoor de benen bij het toenemende gewicht van het dier gaan doorbuigen (rachitis, Engelse ziekte).

Vitamine D zelf vinden we bijv. in levertraan, maar dieren kunnen het in de huid zelf vormen uit het ergosterol, een zogenaamd provitamine D. Deze stof bereikt zijn grootste concentratie in plantaardige oliën (bijv. granen).

Algemeen wordt thans aangenomen, dat de volwassen hond minstens 7 I.E. per kilogram lichaamsgewicht per dag nodig heeft. Pups hebben tot driemaal zo veel nodig.

Vitamine E:

tocoferol; oplosbaar in vet. Deze vitamine is in het lichaam werkzaam als antioxidant en gaat de vorming van vetzuurradicalen tegen. Indien er toch vetzuurradicalen worden gevormd, kunnen de celmembranen worden aangetast: er ontstaat o.a. spierdystrophie.

Een gedeelte van het vitamine E kan vervangen worden door wat extra selenium en omgekeerd kan selenium gedeeltelijk worden vervangen door wat extra vitamine E. 

Vitamine E komt hoofdzakelijk voor in plantaardige oliën, zoals tarwekiemolie. Normaal gezond geboren pups van een gezonde teef hebben een zo grote voorraad in de lever, dat zij normaal gesproken nimmer een tekort zullen krijgen.

Vitamine F:

          verzameling essentiële vetzuren (zie vetten).

Vitamine H:

biotine. Vroeger stond biotine bekend als vitamine H, waarbij de H tevens aangaf, waarvoor dit vitamine belangrijk werd geacht, nl. de huid. Dit klopt ook voor veel diersoorten, maar de invloed op de huid en beharing van honden is twijfelachtig.

Het biotine is een belangrijke groeifactor voor gisten, die dan ook ruim voorzien zijn van dit vitamine. In het eiwit van het kippenei komt avidine voor. Dit is een antibiotine, dat door koken wordt vernietigd.

Tegenwoordig wordt biotine gerekend tot het vitamine B-complex.            

Vitamine K:

naftochinon; oplosbaar in vet. Bij gebrek zien we een vertraging van de bloedstolling. Bij jonge dieren kunnen er ernstige bloedingen en ook darmbloedingen optreden. Een tekort kan optreden, wanneer de galgang is afgesloten, zodat het vet onvoldoende wordt geëmulgeerd en het daarin opgeloste vitamine K niet vrijkomt. Ook kan er een antivitamine K in het voedsel zitten, zoals dicumarol, dat men aantreft in de zoete honingklaver. Cumarine en cumarinederivaten, zoals die worden verwerkt in diverse ongediertebestrijdingsmiddelen (rattengif), werken ook als antivitamine K.

Zonder vitamine K is de lever niet in staat om voldoende prothrombine aan te maken. Prothrombine speelt een rol bij de bloedstolling.

Vitamine K vindt men o.a. in spinazie, wortelen en vismeel. Verder wordt het vitamine door de bacterieflora in de dikke darm geproduceerd. Bij het jonge dier is deze darmflora nog niet in voldoende mate ontwikkeld, zodat we bij jonge dieren moeten oppassen voor heftige bloedingen.

Als een hond bijv. rattengif heeft gegeten, zijn er gelukkig mogelijkheden om het tekort aan Vitamine K op te vangen. De behandeling bestaat uit het geven van vitamine K1, in de vorm van een injectie en/of tabletten. Meestal is, als er eenmaal bloedingen zijn opgetreden, een zeer intensieve behandeling noodzakelijk (soms zelfs een bloedtransfusie) en kan de hond het beste verzorgd worden op een intensive care. Tijdens de behandeling moet regelmatig de mate van stolling van het bloed worden bepaald en aan de hand daarvan moet de dosering van de vitamine K1 worden bijgesteld tot volledige genezing bereikt is.

Vitreum:

geleiachtige substantie in de ruimte achter de lens van het oog.

Vivipaar:

levende jongen ter wereld brengend; levend barend.

Vivisectie:

chirurgische ingreep op levende dieren voor proeven, die niet direct van belang zijn voor het levende dier, m.a.w. het gebruiken van proefdieren voor allerlei vormen van onderzoek.

Vlag:

pluim aan de staart.

Vlaggen:

herhaaldelijk kort urineren door voornamelijk reuen.

Vleermuisoor:

breed staand oor, van boven afgerond (bijv. Franse Bulldog). De opening is, van voren gezien, geheel zichtbaar.

Vleesneus (vleeskleurige neus):

neus van roze kleur.

Vliegen:

• sommige vliegensoorten kunnen we tot de ectoparasieten rekenen. Een aantal vliegensoorten zetten hun eieren af in de vacht van dieren. Sommige vliegensoorten (bijv. de groene vleesvlieg) zetten hun eieren af in huidwonden van dieren. 

Uit de eieren komen larven (maden) te voorschijn, die het spierweefsel van het dier als voedsel gebruiken, zodat hele gaten in het spierweefsel kunnen worden gevormd. Bij ernstige spierbeschadigingen komt de gastheer vrij snel te overlijden.

• Voor info over vliegen c.q. een vliegreis: zie vakantie.

Vlierbes:

zie pigment.

Vlinderneus:

neus die gedeeltelijk pigment mist, m.a.w. rose vlekjes in de neus.

De Deutsche Bracke dient een verticale vleeskleurige of witte streep op de neus te hebben.

Vlooien:

bloed zuigende, uitwendige parasieten. Zie voor uitgebreide info: wetenswaardigheden en Advocate®.

Vlooienallergie:

allergische reactie op het speeksel van de vlo. Voor meer info: klik hier.

Voeding:

zie ook bijvoeren van pups.

Voedingsallergie:

zie voedselallergie.

Voedingssupplement:

is een preparaat om eventuele tekorten in de voeding aan te vullen.

Voedselallergie:

honden kunnen een allergie voor een of meer bestanddelen van hun voeding ontwikkelen. Daar kunnen ze een jeukerige huid van krijgen.

Elk dier en ook de mens heeft wel eens jeuk, maar als uw hond langdurig zijn vacht aan het krabben is, moet u bij de dierenarts te rade gaan. Oorzaak kan ook zijn: ringworm, mijten, vlooien en alopecia.

Maar hier behandel ik de voedselallergie. Bij een voedselallergie maakt het afweersysteem specifieke antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. De klachten zijn niet seizoengevoelig. Eiwitten die allergische reacties kunnen opwekken, worden ook wel allergenen genoemd. Koemelk, tarwe en zelfs sommige vleessoorten (bijv. het rundereiwit in pens, hart of rundvlees uit blik) kunnen bij honden en andere huisdieren allergische reacties oproepen.

Om te weten of uw hond voedselallergie heeft, kunt u hem allergieloos eten geven: koolvis met witte rijst of struisvogelvlees met rijst. Hier reageert een hond pas gunstig op na een periode van tenminste acht weken, dus u moet even doorzetten. U kunt ook hypoallergeen voer geven.

Geef uw hond altijd hoogwaardige voeding, en ga alleen op iets anders over als dat noodzakelijk is. Schakel geleidelijk op iets anders over: eerst ¾ deel 'oud' voer met ¼ deel nieuw, dan ½ deel oud en ½ deel nieuw, daarna ¼ deel oud en ¾ deel nieuw, tot u uiteindelijk een hele portie 'nieuw' voer kunt geven.

Voedselintolerantie:

is een verminderde weerstand tegen de werking van bepaalde stoffen in voedsel; een niet-allergische overgevoeligheid voor bepaald voedsel. Er is geen immunologische reactie aanwezig. Het gevolg kan zijn, dat er lichamelijke klachten optreden. Overgevoeligheid voor dagelijks voedsel wordt niet altijd meteen herkend als de mogelijke oorzaak van gezondheidsklachten bij de hond. 

Op basis van symptomen is voedselintolerantie niet te onderscheiden van voedselallergie. Voedselallergie geeft echter een reactie op het afweersysteem bij het nuttigen van bepaalde voedselbestanddelen, terwijl bij voedselintolerantie geen reactie van het afweersysteem optreedt. Anders gezegd, bij voedselintolerantie reageert het lichaam, net als bij voedselallergie, ook op bepaalde voedingsmiddelen, maar het afweersysteem speelt hierbij echter geen of een onbelangrijke rol. 

De voedingsmiddelen die hierbij de klachten veroorzaken, worden 'triggers' genoemd. Deze 'triggers' kunnen van nature voorkomen in voedingsmiddelen, maar kunnen ook aan voedingsmiddelen zijn toegevoegd (zoals bijv. conserveermiddelen). 

Voerbaknijd:

zie baknijd.

Voetzoolverwonding:

zie wetenswaardigheden.

Vogelhonden:

          honden die gebruikt worden bij de jacht op veerwild.

Volumineus:

omvangrijk, groot.

Volwassenheid:

de leeftijd van volwassenheid is afhankelijk van het ras. De volwassenheid kenmerkt zich meestal door een stabiel en evenwichtig karakter bij de hond, en een stabiele dominantierelatie met zijn baas.

Zie ook gedrag.

Vomeren:

braken, overgeven.

Voorborst:

het gedeelte van de borst, dat voor de voorbenen uitsteekt. Zie ook skelet.

Voorhand:

de voorbenen met schoudergordel en voorste deel van de borst. Zie ledematen.

Voorhoofdsgroef:

een langgerekte indeuking van het voorhoofdsbeen, die geleidelijk ondieper wordt naar de achterhoofdsknobbel.

Voorhoofdsholte:

sinus frontalis.

Voorhuidontsteking:

bij de reu: zie wetenswaardigheden.

Voorjager:

is diegene die met de hond werkt m.b.t. de jacht(training).

Voorlok:

lang haar op het voorhoofd, dat over de ogen valt (bijv. Kerry Blue Terriër).

Voorlopig register:

voor Nederlandse rassen die in opbouw zijn, maar nog niet door de FCI zijn erkend, kan de Raad van Beheer een Voorlopig Register openen. Hetzelfde kan gelden voor buitenlandse rassen die nog niet door de FCI zijn erkend.

Aan opname in het Voorlopig Register kan een keuring vooraf gaan, waarbij getoetst wordt of de in te schrijven hond voldoet aan het rasbeeld.
Aan honden ingeschreven in het Voorlopig Register of in bijlage G-0 wordt geen titel van kampioen gegeven, zij kunnen dus geen CAC winnen.

Voorsnuit:

ook vang of muzzle genoemd. Tot de voorsnuit rekent men de gehele formatie van het hoofd vóór de ogen. De begrenzing wordt gevormd door neusrug, neusspiegel, voorzijde lippen en de onderkaak. 

Bij rassen met zware hangende lippen vormt de onderzijde van de bovenlip de onderste begrenzing van de voorsnuit.

Voorstaan:

het geconcentreerd en a.h.w. gehypnotiseerd zijn op het drukkende wild. Een goed voorstaande hond trekt meestal één voorpoot op, wijst met zijn lichaam (van staartpunt tot neuspunt) de plaats van het wild aan en fixeert het wild tot de jager het zich drukkende wild laat opvliegen of laat lopen.

Zie rasgroep 7.

Voortplantingsstelsel:

de voortplantingsorganen van de teef bestaan uit de eierstokken, de eileiders en de baarmoeder

Bij de reu bestaan de geslachtsorganen uit de teelballen, die in het scrotum tussen de dijen hangen, de prostaat en de penis.

Vorstehhund:

            zie staande hond.

Vossenlintworm:

is een voor mensen zeer gevaarlijke lintworm! De vossenlintworm is een zoönose en kan van de vos direct op de mens worden overgedragen of van de vos op de hond en daarna van de hond op de mens.

Als u met uw hond naar de Ardennen of Oostenrijk bent geweest: laat uw hond bij terugkomst ontwormen tegen de vossenlintworm (juist omdat het voor mensen een zeer gevaarlijke lintworm is!).

De vossenlintworm is in Nederland met name in Limburg en Groningen een potentieel gevaar. Er zijn nog geen menselijke slachtoffers geregistreerd, hetgeen we hopelijk zo kunnen houden door gepaste maatregelen te nemen.

Eén van deze maatregelen is een programma waarbij vossen via speciaal voer oraal worden behandeld tegen vossenlintworm. Of dit de vossenlintworm in Nederland zal uitroeien, is de vraag, want er is geen garantie dat alle vossen van dit voer eten.

Daarnaast is het raadzaam om op te passen met uw hond in gebieden waar de vos veelvuldig voorkomt, want het likken van vossenurine kan een infectie met de vossenlintworm veroorzaken.

In de ontlasting van een besmette vos komen stukjes lintworm met eitjes voor. Deze kunnen door kleine knaagdieren, maar ook door mensen worden opgenomen. De eitjes zijn visueel niet waarneembaar, maar blijven kleven aan alles waarmee ze in contact komen. Ze overleven bevriezing bij -18°C, maar worden wel vernietigd bij een temperatuur van 60°C.

Deze eitjes kunnen via verschillende wegen de mens infecteren:

• de consumptie van wilde bosvruchten (bramen, frambozen en bosbessen), zelfgeplukte paddenstoelen en valfruit. Niet alleen laag groeiende bosvruchten vormen een mogelijke besmettingsbron. Eitjes die met de vossenontlasting in het milieu worden uitgescheiden, kunnen met regen of wind op hoger groeiende bosvruchten terechtkomen;

• eten met bevuilde handen;

• tuinieren, waarbij gronddeeltjes besmet met eitjes aan de handen blijven kleven.
Ook de consumptie van groenten uit de tuin kan een infectie veroorzaken:

• contact met de vacht en uitwerpselen van geïnfecteerde vossen;

• contact met (jacht)honden en (huis)dieren, die met deze lintworm zijn besmet.

Alveolaire echinococcose is een zeer zeldzame, maar bijzonder ernstige ziekte. In de lever kan de larve van een lintworm uitgroeien tot een cyste. Zonder behandeling wordt stilaan het hele orgaan vernietigd. Ook is uitzaaiing naar andere organen mogelijk met ook daar cystevorming als gevolg.
Na de opname van de lintwormeitjes duurt het vele jaren voor de eerste ziekteverschijnselen zich voordoen (5 à 15 jaar). Die verschijnselen zijn weinig specifiek en kunnen bestaan uit buikpijn, kortademigheid en/of geelzucht.
Voorlopig biedt medicatie of operatief ingrijpen in het beste geval een stabilisering van de toestand. De prognose is zonder behandeling doorgaans zeer slecht, met de dood tot gevolg in 70 à 90% van de gevallen.
Honden en katten kunnen wel drager zijn van de vossenlintworm, maar ondervinden hier nooit hinder van.

Om het risico voor de mens verwaarloosbaar klein te houden, volstaat het enkele eenvoudige hygiënische voorzorgen in acht te nemen:

1) bosvruchten (zoals bramen, frambozen en bosbessen), zelfgeplukte paddenstoelen en valfruit eerst grondig wassen en zo mogelijk koken voor consumptie. Denk eraan, dat niet alleen laag groeiende bosvruchten een mogelijke besmettingsbron vormen, want ook eieren, die met vossenontlasting in het milieu worden uitgescheiden, kunnen met regen of wind ook op hoger groeiende bosvruchten terechtkomen;

2) handen goed wassen na tuinieren en andere grondwerkzaamheden (waarbij gronddeeltjes besmet met eitjes aan de handen blijven kleven);

3) wees voorzichtig met contact met de vacht en faeces van geïnfecteerde vossen. Pak daarom vossen (aangeschoten of gedood) alleen met handschoenen beet. Het vervoer van dergelijke vossen moet plaatsvinden in goed afgesloten plastic zakken;

4) honden die bij vossenjacht worden ingezet, na afloop afdouchen. Jachthonden, zeker in Zuid-Limburg en Groningen, en natuurlijk in de Ardennen of Europees endemische gebieden, elke 3 à 4 weken ontwormen met een antiwormmiddel werkzaam tegen lintwormen (praziquantel).

Zie voor meer info: echinococcus multilocularis.

Vrieswond (Eng. frostbite):

kan bij de hond voorkomen, het meest op het uiteinde van de staart, oren c.q. oorranden, voeten (tenen) en bij reuen de balzak. Het lijkt op brandwonden.

Let op bij honden die een korte vacht hebben, want zij hebben sneller last van de kou, m.a.w. let goed op onderkoelingsverschijnselen of bevriezing.

Bij vrieswonden kunt u lauw tot warm water gebruiken, dat nooit warmer mag zijn dan de lichaamstemperatuur van de hond (38ºC). Wrijf of masseer het getroffen gebied niet, want dan kunt u het beschadigen. Gebruik ook geen föhn of iets dergelijks. En ga naar uw dierenarts.

Vaak hebben honden met een vrieswond ook last van hypothermie en dat kan dan ook behandeld worden.

Vrije radicalen:

atomen die van nature voorkomen en cellen vernietigen.

Vroeggeboorte:

dit is als de te vroeg geboren vrucht weliswaar nog niet voldragen is, maar onder goede omstandigheden wel levensvatbaar. Bij honden kunnen pups na de 53e dag van de dracht in leven worden gehouden.

Vrolijke staartdracht:

is een vrolijk gedragen staart. Over het algemeen in negatieve zin bedoeld bij rassen waarbij deze staartdracht foutief is. De neiging bestaat dan om de staart over de rug te krullen.

Het kan te maken hebben met de mate van bekkenhelling.

Vruchtbaarheid (fertiliteit):

honden blijven tot hoge ouderdom nog vruchtbaar. Fertiliteit is een complexe zaak, die alle aan de voortplanting gerelateerde zaken omvat. Een vermindering van de fertiliteit is een maat voor de vitaliteit van een hond, maar ook van een ras

Het laten werpen op late leeftijd van teven, die nog nooit jongen hebben gehad, is altijd af te raden. 

De derde loopsheid is een goede leeftijd voor de eerste dekking bij kleine honden, de vierde is bij grotere honden beter.

Vuilnisbakkenras, vuilnisbakkenhond:

onbestemd hondenras. Ook wel een "vuilnisbakkie" of (foutief) "vuilnisbakras" genoemd. Het is een verzamelnaam voor honden die niet tot een specifiek ras behoren.

Synoniem voor bastaard.

Vulva:

          uitwendige geslachtsdelen bij een vrouwelijk dier.

Vuurwerk:

            zie wetenswaardigheden.

V.Z.H. (Verkeerszekere hond):

examen om te beoordelen of de hond in verkeersdrukke situaties een zekere indruk maakt. Zie verkeerszekere hond.

                                                                                                                                  Naar de 20e pagina met kynologische uitdrukkingen.

Terug naar 'Kynotermen'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

Menu-knop.