Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

P

 

Paardenstaart (cauda equina):

zenuwbundel, die uit het ruggenmerg komt en deels nog binnen het ruggenmergkanaal verloopt alvorens naar buiten te treden.

Paardenvijgen eten:

zie wetenswaardigheden.

Pack:

Engels voor meute.

Paddenstoel (oude spelling: paddestoel):

zie wetenswaardigheden.

Palatoschizis, palatoschisis:

            zie gespleten gehemelte.

Palatum:

verhemelte ook wel gehemelte genoemd. Het palatum is een belangrijke anatomische structuur die de mond- en neusholte van elkaar scheidt. Het bestaat uit een hard (palatum durum; voorste gedeelte) en een zacht gedeelte (palatum molle; achterste deel).

Sommige rassen, zoals de Engelse en Franse Buldoggen, hebben door hun bouw een bijna voortdurende keelontsteking. Door de continue irritatie van de erg nauwe keel, zwelt het slijmvlies erg op, wat kan leiden tot ernstige benauwdheid.

Bij sommige dieren is het zachte verhemelte (palatum molle) behalve ontstoken, ook echt te lang en hangt voor de stemspleet. In deze gevallen kan met een operatie het verhemelte ingekort worden.

Ook komt bij brachycefale rassen relatief vaker een gespleten gehemelte (palatoschisis) voor. Er wordt verondersteld dat door het extreem fokken op korte schedels (snurken!) de incidentie van palatoschisis toeneemt. Erfelijke oorzakelijke factoren zijn beschreven bij o.a. Shih Tzu , Buldoggen, Pointers en Britse Spaniels (autosomaal recessief). De hiermee geboren pups kunnen moeilijk zuigen en bovendien loopt de melk weer door de neusgaten terug.

Palingstaart:

de vorm van een otterstaart, maar aan de zijkanten sterker behaard met uitstaande haren, waardoor een platte indruk ontstaat (Chihuahua).         

Palliatief:

verzachtend geneesmiddel, dat de verschijnselen van een ziekte in hevigheid doet afnemen, zonder de ziekte zelf te genezen.

Palliatieve behandeling:

therapie die het welzijn van een zieke hond verbetert, maar hem niet geneest.

De term 'palliatieve zorg' is afgeleid van het Latijnse woord pallium, dat 'mantel' betekent. Palliatieve zorg, een mantel van warmte en bescherming. Een mantel die de ongeneeslijk zieke hond door zijn baasjes wordt aangeboden in zijn laatste levensfase.
Idealiter start palliatieve zorg op het moment dat vastgesteld wordt, dat genezing niet meer mogelijk is. Bij palliatieve zorg richt de zorgverlening zich meer op de hond dan op de ziekte, meer op het verlichten van lijden, dan op het verlengen van leven.
Er kan daarom gesteld worden dat palliatieve zorg is gericht op het toevoegen van leven aan de dagen, in plaats van dagen aan het leven.

Zie ook kanker.

Palmerstonsnip:

wit vlekje, vaak in de vorm van een ster, op het hoofd van menige Ierse Setter, dat op adel zou wijzen.

Palpebra:

            ooglid.

Palperen:

afvoelen, bijv. bij een drachtige teef (zie dracht), kijken of ze werkelijk drachtig is.

Pancreas (alvleesklier):

klierachtig orgaan, dat een sap afscheidt dat vetten, koolhydraten en eiwitten afbreekt. 

Produceert tevens het hormoon insuline.

De pancreas (of alvleesklier of buikspeekselklier), die in de bocht ligt van de twaalfvingerige darm, is een samengestelde klier. Enerzijds is er een exocrien deel, dat zijn producten afvoert naar de twaalfvingerige darm. Dit deel maakt het pancreassap, waarin de enzymen trypsinogeen, chymotrypsinogeen, amylase en lipase voorkomen, alsmede natriumcarbonaat ter neutralisering van het voedsel.

Anderzijds is er een endocrien deel. Dit deel bestaat uit diverse cellen, die in kleine groepjes verenigd liggen. We kennen ze als de zogenaamde Eilandjes van Langerhans.

Zie ook choledokistinepancreasatrofie, pancreatitis, pancreasinsufficiëntie en spijsverteringsstelsel.

Pancreasatrofie:

is onvoldoende alvleesklierwerking. Dit lijkt heel veel op suikerziekte. Opvallend daarbij is de productie van ontzettend veel stopverfkleurige ontlasting. Andere symptomen: polydipsie, polyurie, veel eten, enorm vermageren, s.g. urine te laag, TLI-waarde (in het bloed) < 5. Er is geen verhoogd suikergehalte in urine en bloed (zoals bij suikerziekte). 

De oorzaak is een gebrek aan verteringsenzymen, waardoor het voedsel onvoldoende verteerd wordt, en dus in grote hoeveelheid via de 'achterdeur' onbenut geloosd wordt.

De prognose van deze afwijking moet zeer gereserveerd gesteld worden, vooral bij Duitse Herdershonden kan die slecht zijn.

De juiste diagnose wordt niet via de ontlasting, maar via bloedonderzoek gesteld: bij de nuchtere patiënt wordt bepaald wat de TLI-waarde (zie Pancreatitis) in het bloed is.

Pancreasinsufficiëntie:

exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI) is het probleem, dat het zogenoemde exocriene deel van de pancreas om nog onbekende redenen stopt met de productie van verteringsenzymen. Het gevolg is chronische diarree.

Het kan een auto-immuunziekte zijn, waarbij het immuunsysteem de eigen weefsels aantast.

Auto-immuunziekten zijn ook de meest voorkomende oorzaak van diabetes bij honden, omdat ze het de pancreas onmogelijk maken insuline aan te maken. In dat geval spreken we van endocriene pancreasinsufficiëntie. De aandoening treft Duitse Herders, waarbij ze erfelijk is. Littekenweefsel, ontstaan door pancreatitisaanvallen, kan een oorzaak zijn.

Aangetaste honden schrokken, maar vallen af. Ze produceren veel grijze diarree in de vorm van koeienflatsen.

De diagnose kan gesteld worden door een microscopisch onderzoek van onverteerde vetten en bloedonderzoek (serumamylase).

De behandeling bestaat uit het geven van gedroogde pancreasextracten. Als dat niet helpt, kan de dierenarts voorstellen verse koeienpancreas uit een slachthuis te geven, al is dat door de huidige gezondheidsreglementen vaak onmogelijk. Uw hond zou supplementen moeten krijgen van in vet oplosbare vitaminen, vooral van vitamine E. In sommige gevallen worden antibiotica toegediend.

Aangezien er een tekort is aan verteringsenzymen kunnen deze als tabletten of poeder aan de hond worden gegeven. EPI ontstaat meestal door een vermindering of afwezigheid van pancreasweefsel, dus de medicijnen moeten levenslang worden gegeven. Daarnaast is een aangepast dieet noodzakelijk, met in ieder geval weinig vet. Om het maagdarmkanaal niet teveel te belasten is het belangrijk vaak over de dag kleine porties eten te geven. En bij elke portie de vervangende pancreasenzymen. Voor een optimale werking wordt aangeraden de enzymen door het voer te mengen en een half uur te wachten met voeren. EPI is niet te genezen, maar er is mee te leven.

Inmiddels bestaat er voer, dat speciaal gemaakt is voor honden met exocriene pancreas-insufficiëntie, zoals Carnibest Natuurvoer Pancreas, waaraan u  niets hoeft toe te voegen, omdat het (net als alle andere maaltijden van Carnibest) compleet is.

Pancreatitis (alvleesklierontsteking):

is een ontsteking van de alvleesklier (pancreas). Een hele ernstige ontsteking van de pancreas kan dodelijk zijn. 

Symptomen zijn bijv. depressie, sloom, anorexia, koorts, buikpijn, braken en diarree

Oorzaken kunnen zijn: voeding, overgewicht, bepaalde medicijnen, virale infecties, het terugvloeien van voedsel in de dunne darm, trauma etc. Er zijn verschillende oorzaken voor, dus is het niet zomaar te zeggen hoe u het voorkomen kunt. 

Pancreatitis komt over het algemeen voor bij honden van middelbare of oudere leeftijd. Vaak wordt er een speciaal dieet gegeven, zodat er al een aantal van de oorzaken te voorkomen is.

Naast de klassieke bepalingen zoals leucocyten, leverenzymen, glycemie, calcemie, cholesterol en pancreasenzymen, is de TLI-test (serum trypsin-like immunoreactivity test) nu ook een belangrijk hulpmiddel. Dit is een bloedtest voor honden die de serumconcentraties meet van de enzymprecursor trypsinogeen. Een toename hiervan is een sterke indicatie voor pancreatitis. 

TLI bepalingen zijn pancreasspecifieker en zijn daarom een betrouwbaarder hulpmiddel dan de normale enzymbepalingen. 

Pandemie:

            zeer wijdverbreide epidemie.

Pannus:

is een andere benaming voor Chronic Superficial Keratitis (CSK). De medische benaming is: keratitis superficialis vasulosa pannosa pigmentosa chronica. 

Pannus is een progressieve, niet pijnlijke "ontstekingsziekte" van de cornea, conjunctiva en soms het derde ooglid (wat dan "atypische pannus" of "plasmoma" genoemd wordt). 

Het komt veel voor bij Duitse Herdershonden en hun kruisingen, maar ook bij o.a. de Poedel, Collie, Tervuerense Herder, Husky, Greyhound, Australian Shepherd en Teckel. 

Het manifesteert zich meestal op een leeftijd van 3 tot 5 jaar. Pannus is een ziekte, die wel 'beheersbaar', maar meestal niet te genezen is; er zijn ook honden die blind worden.

Panosteïtis:

zie enostosis.

Pantotheenzuur:

            vitamine B5.

Papel:

is een kleine papil, een klein vast knobbeltje op de huid, dat is gevuld met ontstekingscellen.

Papil:

1) kegelvormige verhevenheid, bijv. op de tong of huid.

2) Papil is ook de blinde vlek in het oog, de plaats op de achterwand van het oog waar de oogzenuw naar buiten treedt.

Papillomatose, papillomatosis:

is de naam voor een wildgroei van wratjes op het slijmvlies van de mond bij een jonge hond. De wratachtige gezwelletjes kunnen door de hele mond verspreid zijn: overgang huid naar slijmvlies rond de gehele mond, lippen, tong, verhemelte, strottenklep, keel en bovenste deel van de slokdarm. Er kunnen soms wel 100 'kleine bloemkooltjes' in de mondholte zichtbaar zijn. De wratten kunnen beschadigd worden, gaan bloeden en raken geïnfecteerd. Soms kunnen ze de keel of luchtpijp blokkeren. Heel sporadisch zien we deze gezwelletjes op de oogleden en in de neusgaten.
De aangetaste honden zijn in de meeste gevallen niet algemeen ziek. Wel kunnen ze een verminderde eetlust hebben, speekselen ze of stinken ze uit de bek.

Deze slijmvlieswratten worden veroorzaakt door het papilloma-virus. De incubatietijd duurt 1-8 weken. Deze wratten zijn bijna altijd goedaardig en verdwijnen meestal spontaan tussen 1-5 maanden. Ze zijn sterk gepigmenteerd.

In principe is papillomatose wel besmettelijk voor andere honden, maar niet voor de mens.

Maar honden met een goed immuunsysteem, dus gezonde volwassen honden, zullen niet zo gauw de verschijnselen krijgen, de besmettingskans is zeer klein. Jonge honden met een minder sterk immuunsysteem zullen wel vatbaar zijn voor besmetting. Het is verstandig om al besmette honden te scheiden van honden, die gevoelig zouden kunnen zijn voor besmetting.

Hoewel deze ziekte in de meeste gevallen vanzelf geneest, kan de hond er last van hebben en vindt het baasje het een onsmakelijk gezicht. Daarom kan er behandeld worden met homeopathische middelen.

Paracetamol:

zie wetenswaardigheden.

Parafimosis, paraphimosis:

is als de penis zich tijdens het paren of bij opwinding niet terugtrekt in de - nauwe - voorhuid.

Lang haar aan het uiteinde van de voorhuid kan ervoor zorgen, dat de huid naar binnen rolt wanneer de hond een erectie heeft. Tijdens een erectie zwelt de bulbo-urethrale klier soms zo hard op, dat de penis te dik is om zich terug te trekken in de voorhuid. Honden die dit hebben, likken aan hun penis en lijken niet op hun gemak. Parafimosis treft vooral jonge, oversekste Yorkshire Terriërs en soms honden die zijn gecastreerd.

Smeer de penis in met een in water oplosbare gel of vloeibare paraffine. Hebt u dit niet bij de hand, dan volstaat plantaardige olie. Trek de voorhuid naar achter of trek de penis een beetje naar voren, zodat de haren loskomen. Schuif de penis dan weer in de voorhuid. Als dat niet mogelijk is, houd de penis dan vochtig met een van de eerder genoemde middelen en neem onmiddellijk contact op met uw dierenarts. In bepaalde omstandigheden kan een operatie nodig zijn om de penis te 'verlossen'.

Parainfluenza-virus:

virale infectie, één van de veroorzakers van kennelhoest; zie wetenswaardigheden 2.

Er bestaat een vaccinatie hiertegen (zit in de cocktailenting) en deze dient ieder jaar te worden herhaald.

Paralyse, paralysie:

verlamming, tijdelijk of permanent verlies van de spierfunctie.

Parasiet:

organisme, dat ten koste van een ander organisme leeft. Zie ook endoparasiet en ectoparasiet.            

Para-sympathisch zenuwstelsel:

deel van het onwillekeurige of autonome zenuwstelsel, dat geheel buiten de wil om werkt en is vooral werkzaam tijdens rust: er is een vertraagde hartwerking, verminderde ademhaling, verwijde bloedvaten naar de darm en vernauwde bloedvaten in de spieren en een grotere darmwerking. O.i.v. de para-sympathicus kan het lichaam zich herstellen van vermoeienissen. Opbouwprocessen worden door de para-sympathicus bevorderd. Ook de groei staat dus onder invloed van de para-sympathicus.

Parathormoon:

            bijschildklierhormoon, dat de calciumstofwisseling reguleert. Zie bijschildklier.

Paren:

            zie dekking.

Parenchym:

            het werkzame weefsel, vooral het klierweefsel van een orgaan.

Parenteraal:

buiten het maagdarmkanaal om in het lichaam gebracht, bijv. via een injectie. 

Parese:

is een onvolkome motorische verlamming; een onvolledige vorm van paralyse. Een hond met parese kan zichzelf nog wel rechthouden, maar kan niet rechtkomen vanuit een liggende positie.

Parforceband:

halsband, voorzien van (scherpe) ijzeren, naar binnen gerichte punten; ook wel prikkelband of prikband genoemd.

Het is niet alleen tijdens onze cursussen verboden, maar het is ook verboden op tentoonstellingen of wedstrijden parforcebanden en/of andere dwangmiddelen (zoals bijv. de stroomband) te gebruiken. 

Parforce-jacht, parforcejacht:

jacht met lange honden.

Pariahond:

is de straathond in oosterse landen, van Turkije tot India. Ze leven vaak in groepen en stropen alles af. Hoewel paringen met wolven plaatsvinden, zijn ze niet agressief tegenover de mens. Iedere groep heeft een eigen leider.

Paring:

            zie dekking.

Parodontale aandoening:

ziekte aan tandvlees en/of tanden. Zie ook slechte adem.

Parotitis:

            ontsteking van de oorspeekselklier (bijv. de bof).

Parti-colour, particolour:

Engelse term voor een tweekleurige hond, waarvan de kleuren evenwichtig verdeeld zijn; meestal rood met wit of zwart met wit. 

In het bijzonder een evenwichtige verdeling van wit en een kleur bij de Pekingees. 

Partieel:

            gedeeltelijk.

Partiële aanval:

zie stuipen.

Partus:

            geboorte, worp, baring.

Parvo:

virusziekte bij de hond. Het parvo-virus sloeg pas in 1979 voor het eerst toe. Het veroorzaakt een heftige diarree, die vaak met darmbloedingen gepaard gaat. De meeste honden overlijden door een te groot vochtverlies, eventueel gepaard gaande met enig bloedverlies. Bij zeer jonge honden kan de hartspier worden aangetast, waarna het dier aan een hartstilstand komt te overlijden. 

Naast het parvo-virus komt ook een corona-virus voor, dat ook diarree kan veroorzaken. Deze aandoening lijkt op een rustig verlopende parvo-infectie. Soms treden beide virussen tegelijk op.

Opmerkelijk is dan de snelheid, waarmee de ziekte om zich heen grijpt. Binnen 48 uur na de eerste ziekteverschijnselen zijn de meeste honden reeds dood. Overleven ze de ziekte, dan duurt herstel zeker een maand. 

Er bestaat een vaccinatie tegen Parvo (zit in de cocktailenting) en deze dient ieder jaar te worden herhaald. In de cocktailenting zit geen enting tegen het coronavirus; hiervoor is een aparte enting noodzakelijk.

Zie ook C.P.V.            

Pas:

de afstand tussen de opeenvolgende voetafdrukken van dezelfde voet.

Paspoort:

zie dierenpaspoort.

Patella:

knieschijf. Een benige schijf die in de pees van een grote spier, de Musculus quadriceps femoris (vierhoofdige dijbeenspier in de achterhand), ligt.

Patella luxatie, patellaluxatie:

knieschijf, die van het gewricht is afgeschoven. Het achterbeen kan niet gestrekt worden en kan niet worden belast, de hond zakt er door. Wanneer de knieschijf uit zijn groeve geschoten is, zien we vaak dat het been op een karakteristieke manier omhoog wordt gehouden. Dit is tijdelijk; als de knieschijf weer op zijn plaats komt, is het meestal weer in orde. 

Het is een ontwikkelingsstoornis, die vooral bij kleine rassen (Chihuahua's, Yorkshire Terriërs, Maltezers, Jack Russell Terriërs en Dwergpoedels) voorkomt, maar ook bij grotere als Boxers en Flatcoated Retrievers. Ook zien we, dat het vaker bij teefjes dan bij reuen voorkomt. Het kan zowel eenzijdig als tweezijdig voorkomen. 

Patella luxatie kan ook door trauma (bijv. een auto-ongeluk) ontstaan.

Er zijn verschillende vormen van Patella luxatie:

• luxatie naar mediaal, d.w.z. naar de binnenzijde van de knie; dit is de meest voorkomende vorm van luxatie. We zien dit vaak bij honden van de kleine rassen;

• luxatie naar lateraal, d.w.z. naar de buitenzijde van de knie; dit is meest voorkomende vorm na een trauma. Dit zien we voornamelijk bij de grote rassen, vaak in combinatie met een draaiing van het dijbeen.

Er komen verschillende gradaties voor in de luxatie. We spreken daarbij van graad 1 t/m 4. Een hond met graad 4 heeft een ernstige afwijking, waarbij de knieschijf zich regelmatig verplaatst. De ernstigere vormen van patella luxatie kunnen vervelende bijwerkingen voor de hond hebben. Niet alleen zal hij veelvuldig geen gewicht op het betreffende been kunnen plaatsen, ook kan een beschadiging van het gewricht zelf optreden. Dit gebeurt meestal door woekeringen van het kraakbeen in de gewrichtsspleet.

Een ernstige patella luxatie kan vaak uiterlijk herkend worden, doordat het been niet in een mooie rechte lijn staat. Meestal staan zowel onder- als bovenbeen iets gedraaid; de honden lopen met O-benen. 

Bij een patella luxatie is het belangrijk om een goede spierkracht te ontwikkelen. Deze spierkracht kan de knieschijf op z'n plaats houden.

De diagnose van een patella luxatie is niet moeilijk te maken. Iemand met een beetje ervaring kan de patella gemakkelijk vastnemen en verplaatsen.

Als de knieschijf er slechts af en toe uitschiet, spreken we van een 'intermitterende patella luxatie'. Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar passen met een poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt normaal verder. Dit zien we frequent bij de Jack Russell Terriër.

Als de knieschijf continu uit de sleuf glijdt, dan spreken we van 'continue patella luxatie'. Deze honden hebben problemen met overeind komen en lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort kikkerpas) lopen.

De ergste vorm is wanneer de knieschijf niet meer op zijn plaats teruggelegd kan worden.

Er zijn verschillende behandelingen mogelijk. Bij het onderzoek voor de behandeling moet niet alleen naar de ligging van de patella gekeken worden, maar ook naar de stand van de femur. Verder zijn de kromming van de beenkam op het onderbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van belang.

Honden met een intermitterende patella luxatie, waarbij de knieschijf maar af en toe luxeert, hoeven niet geopereerd te worden. Maar bij honden waarvan de knieschijf constant verplaatst, moet er zeker worden ingegrepen. De enige manier is operatief.

De nazorg, die door de baas gedaan wordt, is van cruciaal belang voor de verdere genezing van de hond zijn knie.

Na de behandelingen zijn de honden vrijwel altijd in staat een normaal en verder gezond leven te leiden. 

Het is wel verstandig om honden met deze erfelijk bepaalde afwijking (dus niet na een trauma), evenals naaste verwanten, uit te sluiten van de fokkerij. Overigens hebben omgevingsfactoren als traplopen en springen geen invloed op het ontstaan van een patella luxatie.

Voor het onderzoek op Patella luxatie, dat door steeds meer rasverenigingen verplicht gesteld wordt, is geen verwijzing door uw dierenarts nodig, m.a.w. u kunt zelf naar een specialist. 

Zie ook hier

Pathogeen:

            ziekteverwekkend, ziekte veroorzakend.

Pathologie:

leer van de oorzaken, de aard en de gevolgen van ziekten; deel van de medische wetenschap, dat de oorzaken en de aard van de ziekten behandelt en de veranderingen in het lichaam die er het gevolg van zijn. 

Patholoog:

beoefenaar van de pathologie.

Patholoog-anatoom:

iemand die secties verricht om de doodsoorzaak op te sporen, m.a.w. een lijkschouwer of obducent.

Pavlov:

zie conditionering.

pCO2:

partiële druk van CO2 in bloed of andere lichaamsvloeistoffen; koolzuurspanning. 

Zie ook bloedonderzoek.

Peak:

jachtknobbel (bijv. bij Bloedhonden en Bassets).

Pectoraal:

            de borst betreffend.

Pedigree:

zowel Franse als Engelse term voor stamboom.

Pees:

is het uiteinde (voortgezette bindweefsel) van een spier. De pezen vergroeien met het beenvlies en het been, zodat een hechte verbinding ontstaat. Pezen kunnen tamelijk lang worden en de spierkracht over grote afstand verplaatsen. Dat biedt de mogelijkheid om op een bepaalde plaats, waar genoeg ruimte is, de spier te plaatsen en de werking van die spier op een andere plaats uit te oefenen.

Pekel gestrooid:

            zie sneeuw en ijs.

Pelvis:

            bekken.

Pemfigus, pemphigus:

is een auto-immuunziekte, waarbij de huid wordt aangetast (grote blaasjes) en in ernstige gevallen ook de slijmvliezen.

Er zijn verschillende vormen van Pemphigus afhankelijk van de uitbreiding van de ziekte over het lichaam en het type laesies, bijv. Pemphigus foliaceus, Pemphigus erythematosus, Pemphigus vulgaris en Pemphigus vegetans. Over de eerste 3 meest voorkomende vormen leest u hier meer.

a) Bij Pemphigus foliaceus zien we in het begin een opvallende depigmentatie van de neus en de lippen. Later zien we op de lippen, neusrug en oren kaalheid, korstjes, blaasjes, schilfers, rode ronde plekken met een randje (lijkt een beetje op schimmel) en erosies. Daarna breidt het zich verder uit. Diepe zweren zien we eigenlijk niet en ook zijn er geen afwijkingen te zien op het (mond)slijmvlies of op de overgangen van huid naar slijmvlies. Vaak doen de voetzolen of tenen ook mee. De voetzolen zijn droog, verdikt en vertonen kloofjes. Meestal maakt de patiënt verder een gezonde indruk.

b) Pemphigus erythematosus is als het ware een lichte vorm van Pemphigus foliaceus. De afwijking beperkt zich meestal tot hoofd, gezicht en voetzolen. Depigmentatie zien we van bijv. neus, lippen en oogleden.

c) Pemphigus vulgaris is een ernstigere vorm. Hierbij treden weliswaar ook kaalheid, korstjes, pukkeltjes, blaasjes, schilfers, rode plekken met een randje en erosies op, maar we zien bovendien diepe zweren, dus diepere lagen worden aangetast. Ook zien we laesies in de mondholte en op de overgangen van huid naar slijmvlies: lippen, neusopeningen, oogleden, vulva, voorhuid en anus. Vaak is de huid in liezen en oksels aangetast. Daarbij zien we dan ook regelmatig gebrek aan eetlust, depressie en koorts, voor een belangrijk deel door de secundaire infecties.

Als therapie wordt de hond behandeld met medicijnen die de afstotingsreactie moeten tegengaan, bijv. prednison (prednisolon) of dexamethason of

zelfs naast de dexamethason ook Immuran® (Azothioprine). Na het gebruik van Immuran moeten wel de handen goed gewassen worden.

Enerzijds wordt er in de literatuur aangegeven, dat er geen duidelijke rasgevoeligheid bestaat, maar anderzijds vinden we de volgende 'gevoelige rassen'.

Bij Pemphigus foliaceus: Teckel, Schipperke, Finse Spits, Akita Inu, Chow Chow, Newfoundlander, Bearded Collie en de Dobermann.

Bij Pemphigus erythematosus: Sheltie, Collie en Duitse Herder. Het meest bij honden op middelbare/oudere leeftijd.

Pemphigus wordt wel eens verward met DLE.

Penicilline:

zie antibiotica.

Penis:

geslachtsdeel van het mannelijk dier. De penis en met name de eikel wordt omgeven door een slijmvliesplooi, de voorhuid of praeputium. De voorhuid is een instulping van de buikhuid. 

De reu heeft een penis van het caverneuze type. Dit type penis bevat een of meer zwellichamen of caverneuze lichamen: holle weefsels, die onder invloed van de sympathicus gevuld kunnen worden met bloed, zodat de penis opzwelt en groter wordt. We spreken in dat verband van een erectie (letterlijk: oprichting). 

De penis is van het caverneuze type, maar er is wel een extra bijzonderheid: de penis van de reu bezit een specifiek (kraak)been, het penisbeentje, dat aan de penis een zekere mate van stevigheid geeft. Aan de onderzijde van het beentje bevindt zich een gootvormige uitsparing, waardoorheen de urethra loopt. 

In de penis van de hond komen 2 caverneuze lichamen voor, die elk een geweldige omvang kunnen bereiken. De bulbus glandis, het caverneuze lichaam van de penis, kan sterk opzwellen en uitwendig zichtbaar zijn als 2 grote uitpuilingen links en rechts van de penis.

Het pars longa glandis is het caverneuze lichaam van de eikel. Dit sponsachtig weefsel zwelt pas, nadat de reu de penis in de vagina van de teef heeft gebracht. Daar ook de kringspieren van de vaginawand zich nog sluiten, kan het gebeuren, dat de reu na de dekking zijn penis niet kan terugtrekken en blijft hangen. Dit hangen of gekoppeld blijven (zie koppeling) kan een kwartier duren, maar ook veel langer. Het hangt er maar net vanaf, wanneer de afvoerende vaten weer in staat zijn het bloed uit de zwellichamen weg te voeren.

Sommigen menen, dat een dekking, waarbij deze langdurige koppeling niet optreedt, niet geslaagd is. Maar dat is niet juist. Anderen proberen de beide honden te laten ontkoppelen door te trachten de reu los te trekken of door een emmer koud water over ze heen te gooien. Dat heeft geen enkele zin. Hooguit kan men de gevoelige voortplantingsorganen van de reu en teef beschadigen of hen een trauma bezorgen, waardoor zij nooit meer tot dekken komen.

PennHIP:

staat voor University of Pennsylvania Hip Improvement Program. PennHip is een screening naar de gevoeligheid voor het ontwikkelen van heupdysplasie bij de individuele hond. Het is een HD-beoordelingsmethode, die op doeltreffende wijze het zich nog alsmaar voortschrijdende HD probleem kan aanpakken. Deze techniek kwam uit Amerika overwaaien, waarbij de heupfoto's op een andere manier worden genomen en ook op een andere manier beoordeeld worden. Het idee achter Pennhip is, dat je niet moet kijken of een hond HD heeft met de daarbij behorende veranderingen aan de heupgewrichten, maar dat je moet kijken of de hond teveel speling (laxity of laxiteit) in de gewrichten heeft, zodat hij later HD kan gaan ontwikkelen. Juist door het strekken van de heupen bij het nemen van de traditionele heupfoto, kan je deze speling niet goed beoordelen.

Onder narcose worden 3 foto's gemaakt van de heupen van de hond: een distractie-, een compressie- en een gewone heupfoto.

Voor de distractiefoto worden de heupen (achterbenen) van de hond m.b.v. een distractor zo ver mogelijk uit elkaar gedrukt. Dat gebeurt met twee rubber rollen, waarbij maar heel weinig kracht wordt gebruikt. Er is geen risico op pijnlijke heupen als gevolg van het nemen van Pennhip foto's.

Op de compressiefoto worden de heupen juist in de kom gedrukt. Ook weer met weinig kracht. Daarna worden de foto's op CD gebrand en ter beoordeling naar de VS gestuurd. Na ongeveer 2 à 3 weken komt de uitslag.

Als laatste wordt er een opname in de standaardpositie I gemaakt, zoals we dat gewend zijn bij de bestaande screeningen.

Uit het verschil tussen de distractie en de compressie opname kan de "laxity" (=speling) berekend worden. Een hond met veel speling heeft een heel grote kans op het ontwikkelen van HD op latere leeftijd. De maat voor deze speling is de distractie-index DI.

Voorbeeld: voor de Golden Retriever is de gemiddelde DI 0,40. Als een Golden Retriever een Pennhip score heeft van 0,35 voor de linkerheup en 0,45 voor de rechterheup, dan betekent dat dat de linkerheup iets beter is dan gemiddeld en de rechterheup iets slechter dan gemiddeld. Dus hoe strakker de heup, des te beter. Ieder ras heeft zijn eigen gemiddelde DI.

Pennhip heeft een aantal grote voordelen:

een veel betrouwbaarder en meetbaarder resultaat, geen optische beoordeling van de heup, maar een wiskundige benadering;

• al mogelijk op een leeftijd vanaf 4 maanden (16 weken). Zelfs zo jong al een betrouwbaarder resultaat dan de traditionele HD-foto. Op jonge leeftijd chirurgisch ingrijpen is al mogelijk en je hebt meer zekerheid, dat een opleiding als werk- of geleidehond niet tevergeefs is;

• het resultaat van Pennhip is een getal, de distractie-index (DI). Van ieder ras is de gemiddelde DI bekend en kan je gemakkelijk berekenen waar jouw hond staat m.b.t. het gemiddelde van dat ras. Je kan dan veel betrouwbaarder selecteren met welke honden je beter wel of juist niet moet fokken.

Nadelen van de Pennhip methode zijn:

sedatie is verplicht;

• er moeten 3 foto's ingestuurd moeten worden met de daarbij horende hogere kosten (paar honderd euro per hond incl. narcose, verzending, beoordeling etc.);

• bij ongeveer 1% van de honden worden er luchtbelletjes in het gewricht gezien. Daar kan de dierenarts niets aan doen, het heeft verder geen klinische betekenis, maar omdat de beoordeling als gevolg van die belletjes ten onrechte een slechter resultaat zou geven, worden de foto's afgekeurd en moet het overnieuw.

Uit onderzoek onder tienduizenden honden is gebleken, dat de PennHIP-methode veel betrouwbaarder is dan de traditionele methode. Bovendien kunnen PennHIP-foto's al gemaakt worden op een leeftijd van 4 maanden. En op zo'n jonge leeftijd heeft een eventuele chirurgische heupcorrectie een veel beter resultaat.

De Raad van Beheer laat voorlopig de PennHip methode in Nederland nog niet toe. De kosten van het nemen van meer foto's, het beperkte aantal dierenartsen met deze bevoegdheid en de discussie over de kwaliteitsverbetering zijn argumenten die genoemd worden.

Statistisch gezien is de Pennhip de meest accurate heupscreening methode van het moment. Voor de fokker laat de enorme database van Pennhip toe om te evalueren hoe zijn hond gerangschikt staat t.o.v. zijn rasgenoten. Voor de gewone eigenaar is het interessant te weten of zijn hond veel kans maakt om HD te ontwikkelen.

Zie ook Links Pennhip.

Peper en zout:

veelvoorkomende kleur bij bijv. de Schnauzer; zwarte en witgepigmenteerde haren die een ijzergrauwe indruk maken.

Pepsine:

            eiwitsplitsend enzym in het maagsap.

Perforatie:

            doorboring, doorbraak.

Perfusie:

het doen doorstromen van een vloeistof, bijv. in bloedvaten bij een infuus.

Perianaal:

rond de anus, zoals in "perianale adenomen".

Peri-arthritis, peri-artritis:

ontsteking, niet in een gewricht, maar peri: er om heen, aan de buitenzijde. Hierbij moet u denken aan een ontsteking van de banden. Zie ook skelet.

Pericard / pericardium:

uit een dubbel vlies bestaand zakje, dat zich rond het hart bevindt; hartzakje.

Pericarditis:

            ontsteking van het hartzakje.

Perifeer:

zich aan de omtrek, aan de buitenzijde bevindend, bijv. het perifere zenuwstelsel i.t.t. het centrale zenuwstelsel.

Perifere zenuwstelsel:

is in wezen geen zelfstandig zenuwstelsel; hiertoe behoren de uitlopers van alle zenuwcellen, die buiten het centraal zenuwstelsel verlopen. De cellichamen zelf liggen in het centraal zenuwstelsel of in de ganglia. Het is te verdelen in sensibele en motorische zenuwen.

Zie voor verdere info: zenuwstelsel.

Perineale hernia:

is een breuk, waarbij het buikvlies en/of ingewanden naar buiten worden gedrukt op de plaats van het perineum. Meestal wordt deze aandoening, die hoofdzakelijk bij intacte reuen voorkomt, operatief verholpen, omdat het gevaar bestaat dat de blaas bekneld komt te zitten. De reu kan daarbij ook gecastreerd worden om herhaling te voorkomen.

Perineum:

is de huid tussen de uitwendige geslachtsdelen en de anus. Bij de reu is dit het gebied tussen het scrotum en de anus en bij de teef het gebied tussen de vulva en de anus. Het perineum bestaat hoofdzakelijk uit spieren en huid.

Periost, periosteum:

beenvlies.

Peristaltiek:

het ritmisch samentrekken van bijv. de darmen, waardoor de darminhoud wordt voortgestuwd.

Peritoneum:

buikvlies, dat de bekleding vormt van de buikwand en de darmen. Bij een ontsteking van dit vlies, een peritonitis, verliest de darm zijn beweeglijkheid, waardoor darmverstoppingen kunnen optreden.

Peritonitis:

            buikvliesontsteking (zie peritoneum).

Permanent:

niet veranderend, niet tijdelijk, blijvend.

Permeabel:

            doordringbaar; i.t.t. impermeabel.

Per os:

            door de mond, oraal; zie os.

Persistens:

het blijven zitten van iets dat normaal weg behoort te gaan, bijv. het blijven zitten van bloedvaatjes, die voor de geboorte voedingsstoffen aanvoeren, maar die na de geboorte niet meer nodig zijn.

Persisterend:

aanhoudend, blijvend, niet overgaand, bijv. van een infectie.

P-generatie:

ouder-generatie (Parentes) oftewel de ouders van een nest pups; bij de wetten van Mendel gaan we er van uit dat deze homozygoot is.            

Pheromoon, Pheromone:

zie feromoon.

Phosfor, Phosphor:

zie fosfor.

PHTVL/PHPV:

persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum; een zeldzaam voorkomende aangeboren oogafwijking. De afwijking is vooral bij de Dobermann van belang. 

Er worden 6 gradaties onderscheiden. Bij deze aangeboren afwijking vertoont de lens pigmentstippeltjes (graad 1) waarvan de hond geen last heeft, of ernstiger afwijkingen (graad 2 t/m 6) waarbij de lens troebel en misvormd is en de hond op jonge leeftijd blind wordt of reeds blind wordt geboren.

Phu Quoc hond:

of de Phu Quoc Dog is een hond uit Vietnam, die net als de Rhodesian Ridgeback en de Thai Ridgeback gekenmerkt wordt door een ridge.

PH-waarde:

potentiaal hydrogenium, zuurgraad gedefinieerd als het negatieve van de logaritme met grondtal 10 van de activiteit van de waterstofionen. 

De pH-schaal loopt van 0 tot 14. Een pH van 7 is neutraal, pH > 7 wordt alkalisch of basisch genoemd, pH < 7 is zuur, m.a.w. pH = 0 is heel erg zuur. 

Zie ook bloedonderzoek en urineonderzoek.           

Pica:

eten van onverteerbare dingen, trek in onnatuurlijke voeding, mogelijk t.g.v. slechte voeding. Zulke honden eten gras, zand, aarde of zelfs stenen en kiezels. Het eten van ontlasting heet coprofagie.

Sommige honden(rassen) zijn erom berucht: het eten van allerlei dingen die eigenlijk niet bedoeld zijn om op te eten. Maar nog afgezien van het ras, is het een ondeugd, die we vaak op jonge leeftijd zien. Pups eten vaak van alles: stenen, zakdoeken, sokken, schoenen, speelgoed etc. Naast speelsheid of aandacht trekken kan de oorzaak van het eten van vreemde zaken ook liggen in specifieke gebreken, zoals stofwisselingsstoornissen, voedingstekort, wormbesmettingen, vezeltekort of ijzertekort. Soms is het een teken van (heftige) maagpijn. Soms is het ook helemaal niet duidelijk waarom een hond gekke dingen eet. Voor sommige specifieke 'voorkeuren' is een behandeling met een homeopathisch middel voorhanden.

Gras eten De meest bekende vorm van 'pica' is gras en ander plantaardig materiaal eten. Honden doen dat als ze misselijk zijn, vooral bij misselijkheid op een lege maag. Het vergemakkelijkt het braken. Sommige honden grazen echt als een koe en braken daarna helemaal niet. Het schijnt dat deze honden eigenlijk een tekort aan vezels hebben in de voeding. We zien dan ook dat als we het voedsel vezelrijker maken door het toevoegen van gekookte bladgroenten of sperziebonen of het voeren van pens, het gras eten minder wordt of zelfs helemaal ophoudt. We kunnen ook het middel Protexin® Pro-fibre toevoegen aan de voeding. Vaak zien we dan tevens dat allerlei chronische maagdarmklachten over gaan (zoals bijv. chronische diarree, pruttelbuik). Bij honden die altijd 's morgens gras eten en braken op een lege maag, kan er ook sprake zijn van een overproductie van maagzuur. Het kan zinvol zijn om deze honden 's avonds heel laat nog wat te eten te geven (bijv. een volkoren boterham) en eventueel kan er tijdelijk een maagzuurproductie remmend middel gegeven worden (Zitac®).

Gras eten zonder braken past in de homeopathie bij het middel Silicea. Het heeft echter alleen zin om dit middel voor te schrijven als de hond wat overige kenmerken betreft ook bij Silicea past.

Kiezelstenen eten U kunt het misschien niet geloven, maar er zijn honden die het maar niet kunnen laten om kiezelstenen te eten. Een vervelende gewoonte, want deze stenen kunnen vastlopen in de darm en daardoor een verstopping veroorzaken. We zien deze gewoonte nogal eens bij Rottweilers of Jack Russell terriërs, maar ook andere rassen kunnen het doen. Soms krijgen de honden per ongeluk een steen naar binnen bij het spelen ermee, maar er zijn ook echt honden die op hun gemak het halve grintpad staan te verorberen. Er is niet bekend of dit een bepaald gebrek aangeeft in de voeding. Wel is bekend, dat het eten van stenen vaak voorkomt bij honden die bij het middel Lycopodium passen.

Kalk of cement eten Het eten van kalkhoudende materialen zoals cement, stucwerk etc. geeft aan, dat er een storing is in de kalkstofwisseling. Het hoeft niet direct op een tekort aan kalk in de voeding te duiden! Het heeft dus geen zin om deze honden zomaar extra kalk te gaan geven in de voeding. Een teveel aan kalk in de voeding kan zelfs verkeerd zijn en tot groeistoornissen van de botten en gewrichten leiden. We moeten het waarschijnlijk eerder zien als een probleem met de opname van kalk uit de voeding. Homeopathisch kunnen we iets doen met de middelen Calcarea carbonicum of Calcarea phosphoricum. Vaak vertonen deze dieren ook andere kenmerken die bij deze middelen passen. Bij Calcarea carbonicum moeten we denken aan de wat mollige, slappe veel te grove pup die een beetje traag en lui overkomt. Zo'n pup die meer botten en vel is, dan spieren. Bij Calcarea phosphoricum moeten we denken aan de pup die te snel de hoogte in groeit: de slungel die slank tot mager is en hoog op de poten staat met slappe gewrichten. Het Calcarea carbonicum type kan overigens op latere leeftijd overgaan in het Calcarea phosphoricum type.

Papier of papieren zakdoekjes eten Er zijn honden die overal en altijd papier opzoeken om op te eten. Soms is de behoefte nog specifieker: papieren zakdoekjes. De behoefte aan papier weerspiegelt voor zover bekend geen specifiek tekort aan een bepaalde (voeding)stof. De behoefte aan het eten van papier past bij het homeopathische middel Calcarea phosphorica of Lac felinum.

Rauwe aardappelen eten De specifieke behoefte om rauwe aardappelen of de schillen ervan te eten, komt voor bij zowel honden als katten. De gewoonte past in het geneesmiddelbeeld van Calcarea carbonica, maar ook in dat van Carcinosinum en Cicuta virosa.

Plastic eten De sterke neiging tot het kauwen aan of eten van plastic komt niet alleen voor bij honden, maar ook bij katten. De verklaring ervoor is niet duidelijk. De gewoonte om plastic te eten (overigens zonder braken) zou kunnen passen in het geneesmiddelbeeld van diverse homeopathische geneesmiddelen zoals Alumina, Aurum, Calcarea carbonicum, Calcarea phosphoricum, Ignatia, Lachesis, Nitricum acidum, Nux vomica of Silicea.

Zand eten is een typisch kenmerk van dieren die passen bij het middel Silicea (zand bestaat eigenlijk voor een groot deel uit Silicium) of bij Tarantula. Een dier dat bij Tarantula past is sowieso (als pup) vaak nogal vernielzuchtig en zal dus ook het bankstel en de vloerbedekking niet versmaden. Dat heeft echter meer met vernielzucht te maken dan met een bepaalde behoefte om iets te eten. We moeten overigens duidelijk onderscheid maken tussen het eten van (wit) zand en het eten van zwarte aarde/grond.

• Het eten van aarde is eigenlijk synoniem aan een behoefte aan ijzer. We zien dit bij honden met een chronische bloedarmoede (bijv. nierpatiënt). Als een hond aarde eet, is het dus tijd voor een bloedonderzoek.

Tot slot: of het eten van vreemde dingen nu echt een gedragsprobleem is, of een specifieke behoefte weerspiegelt, is niet altijd even duidelijk. De homeopathische middelen die hierboven genoemd zijn, zijn geen wondermiddelen. Soms zijn er meerdere maatregelen nodig om de hond van zijn vreemde gewoonten af te helpen. Hierbij kunnen we bijv. denken aan veranderingen in de voeding, het geven van voedingssupplementen, medicijnen en/of een gerichte gedragstherapie. Indien besloten wordt tot een homeopathische behandeling is het altijd beter om te proberen het volledige geneesmiddelbeeld boven water te krijgen, dan om alleen op grond van het vertoonde vreemde eetgedrag te gaan behandelen. Het is immers het streven bij de homeopathie om het best passende middel gevonden kan worden, dat op alle (of in ieder geval zoveel mogelijk) fronten past bij uw hond.

Piebald gen:

is een kleurgen, welke verantwoordelijk is voor het witte haar bij bijvoorbeeld de Bull Terriër en de Dalmatiër, en die doofheid kan veroorzaken; zie cochleaire doofheid.

Zie ook spotting.

Pigment:

kleurstof, die zich in de huid en vooral in de haren bevindt.

Jonge honden in de groei kunnen onvoldoende pigmentering hebben van de neusspiegel, lippen en bijv. oogranden.

Pigmentverlies in de huid (ook bijv. in nagels en voetkussens) kan een tijdelijk verschijnsel zijn, dat vooral in zonloze perioden en bij teven na een worp kan optreden. Vaak is een tekort aan ijzer de oorzaak.

Zeewier is een prima middel om de vachtkleur op te halen, maar het heeft slechts een geringe invloed op de pigmentering van bijv. de neusspiegel. Vlierbes heeft hier wel invloed op.

Pigment epitheel dystrofie (PED):

            zie retina dystrofie.

Pigmentvlek:

is een donkere of zwarte plek op het tandvlees of op de tong (zie tongvlek). Zwarte honden hebben vaker zwart tandvlees dan witte honden, en dit noemen we pigmentvlekken.

Pijnstillers:

zie paracetamol / ibuprofen / aspirine, NSAID en rimadyl.

<