Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse
kynologische & medische termen en uitdrukkingen
Paardenstaart
(cauda equina):
zenuwbundel, die uit het
ruggenmerg komt en deels nog binnen
het ruggenmergkanaal verloopt alvorens naar buiten te treden.
Paardenvijgen
eten:
zie wetenswaardigheden.
Pack:
Engels voor
meute.
Paddenstoel
(oude spelling: paddestoel):
zie wetenswaardigheden.
Palatoschizis, palatoschisis:
zie gespleten gehemelte.
verhemelte ook wel gehemelte genoemd. Het palatum is een belangrijke anatomische structuur die de mond- en neusholte van elkaar scheidt. Het bestaat uit een hard (palatum durum; voorste gedeelte) en een zacht gedeelte (palatum molle; achterste deel).
Sommige rassen, zoals de Engelse en Franse Buldoggen, hebben door hun bouw een bijna voortdurende keelontsteking. Door de continue irritatie van de erg nauwe keel, zwelt het slijmvlies erg op, wat kan leiden tot ernstige benauwdheid.
Bij sommige dieren is het zachte verhemelte (palatum molle) behalve ontstoken, ook echt te lang en hangt voor de stemspleet. In deze gevallen kan met een operatie het verhemelte ingekort worden.
Ook komt bij brachycefale rassen relatief vaker een gespleten gehemelte (palatoschisis) voor. Er wordt verondersteld dat door het extreem fokken op korte schedels (snurken!) de incidentie van palatoschisis toeneemt. Erfelijke oorzakelijke factoren zijn beschreven bij o.a. Shih Tzu , Buldoggen, Pointers en Britse Spaniels (autosomaal recessief). De hiermee geboren pups kunnen moeilijk zuigen en bovendien loopt de melk weer door de neusgaten terug.
Palingstaart:
de vorm van een otterstaart, maar aan de zijkanten sterker behaard met uitstaande haren, waardoor een platte indruk ontstaat (Chihuahua).
Palliatief:
verzachtend geneesmiddel, dat de verschijnselen van een ziekte in hevigheid doet afnemen, zonder de ziekte zelf te genezen.
Zie ook palliatieve behandeling.
Palliatieve behandeling:
therapie die het welzijn van een zieke hond verbetert, maar hem niet geneest. Het kan dus de ziekte remmen en/of klachten doen verminderen.
De term 'palliatieve zorg' is afgeleid van het Latijnse woord pallium, dat
'mantel' betekent. Palliatieve zorg, een mantel van warmte en bescherming. Een
mantel die de ongeneeslijk zieke hond door zijn baasjes wordt aangeboden in zijn
laatste levensfase.
Idealiter start palliatieve zorg op het moment dat vastgesteld wordt, dat
genezing niet meer mogelijk is. Bij palliatieve zorg richt de zorgverlening zich
meer op de hond dan op de ziekte, meer op het verlichten van lijden, dan op het
verlengen van leven.
Er kan daarom gesteld worden dat palliatieve zorg is gericht op het toevoegen
van leven aan de dagen, in plaats van dagen aan het leven.
Zie ook kanker.
Palmerstonsnip:
wit vlekje, vaak in de vorm van een ster, op het hoofd van menige Ierse Setter, dat op adel zou wijzen.
Palpebra:
ooglid.
afvoelen, bijv. bij een drachtige teef (zie dracht), kijken of ze werkelijk drachtig is.
klierachtig orgaan, dat een sap afscheidt dat vetten, koolhydraten en eiwitten afbreekt.
Produceert tevens het hormoon insuline.
De pancreas (of alvleesklier of buikspeekselklier), die in de bocht ligt van de twaalfvingerige darm, is een samengestelde klier. Enerzijds is er een exocrien deel, dat zijn producten afvoert naar de twaalfvingerige darm. Dit deel maakt het pancreassap, waarin de enzymen trypsinogeen, chymotrypsinogeen, amylase en lipase voorkomen, alsmede natriumcarbonaat ter neutralisering van het voedsel.
Anderzijds is er een endocrien deel. Dit deel bestaat uit diverse cellen, die in kleine groepjes verenigd liggen. We kennen ze als de zogenaamde Eilandjes van Langerhans.
Zie ook choledokistine, pancreasatrofie, pancreatitis, pancreasinsufficiëntie, spijsverteringsstelsel en gezwellen van de alvleesklier.
is onvoldoende alvleesklierwerking. Dit lijkt heel veel op suikerziekte. Opvallend daarbij is de productie van ontzettend veel stopverfkleurige ontlasting. Andere symptomen: polydipsie, polyurie, veel eten, enorm vermageren, s.g. urine te laag, TLI-waarde (in het bloed) < 5. Er is geen verhoogd suikergehalte in urine en bloed (zoals bij suikerziekte).
De oorzaak is een gebrek aan verteringsenzymen, waardoor het voedsel onvoldoende verteerd wordt, en dus in grote hoeveelheid via de 'achterdeur' onbenut geloosd wordt.
De prognose van deze afwijking moet zeer gereserveerd gesteld worden, vooral bij Duitse Herdershonden kan die slecht zijn.
De juiste diagnose wordt niet via de ontlasting, maar via bloedonderzoek gesteld: bij de nuchtere patiënt wordt bepaald wat de TLI-waarde (zie Pancreatitis) in het bloed is.
exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI) is het probleem, dat het zogenoemde exocriene deel van de pancreas om nog onbekende redenen stopt met de productie van verteringsenzymen. Het gevolg is chronische diarree.
Het kan een auto-immuunziekte zijn, waarbij het immuunsysteem de eigen weefsels aantast.
Auto-immuunziekten zijn ook de meest voorkomende oorzaak van diabetes bij honden, omdat ze het de pancreas onmogelijk maken insuline aan te maken. In dat geval spreken we van endocriene pancreasinsufficiëntie. De aandoening treft Duitse Herders, waarbij ze erfelijk is. Littekenweefsel, ontstaan door pancreatitisaanvallen, kan een oorzaak zijn.
Aangetaste honden schrokken, maar vallen af. Ze produceren veel grijze diarree in de vorm van koeienflatsen.
De diagnose kan gesteld worden door een microscopisch onderzoek van onverteerde vetten en bloedonderzoek (serumamylase).
De behandeling bestaat uit het geven van gedroogde pancreasextracten. Als dat niet helpt, kan de dierenarts voorstellen verse koeienpancreas uit een slachthuis te geven, al is dat door de huidige gezondheidsreglementen vaak onmogelijk. Uw hond zou supplementen moeten krijgen van in vet oplosbare vitaminen, vooral van vitamine E. In sommige gevallen worden antibiotica toegediend.
Aangezien er een tekort is aan verteringsenzymen kunnen deze als tabletten of poeder aan de hond worden gegeven. EPI ontstaat meestal door een vermindering of afwezigheid van pancreasweefsel, dus de medicijnen moeten levenslang worden gegeven. Daarnaast is een aangepast dieet noodzakelijk, met in ieder geval weinig vet. Om het maagdarmkanaal niet teveel te belasten is het belangrijk vaak over de dag kleine porties eten te geven. En bij elke portie de vervangende pancreasenzymen. Voor een optimale werking wordt aangeraden de enzymen door het voer te mengen en een half uur te wachten met voeren. EPI is niet te genezen, maar er is mee te leven.
Inmiddels bestaat er voer, dat speciaal gemaakt is voor honden met exocriene pancreas-insufficiëntie, zoals Carnibest Natuurvoer Pancreas, waaraan u niets hoeft toe te voegen, omdat het (net als alle andere maaltijden van Carnibest) compleet is.
Pancreatitis
(alvleesklierontsteking):
is een ontsteking van de alvleesklier (pancreas). Een hele ernstige ontsteking van de pancreas kan dodelijk zijn.
Symptomen zijn bijv. depressie, sloom, anorexia, koorts, buikpijn, braken en diarree.
Oorzaken kunnen zijn: voeding, overgewicht, bepaalde medicijnen, virale infecties, het terugvloeien van voedsel in de dunne darm, trauma etc. Er zijn verschillende oorzaken voor, dus is het niet zomaar te zeggen hoe u het voorkomen kunt.
Pancreatitis komt over het algemeen voor bij honden van middelbare of oudere leeftijd. Vaak wordt er een speciaal dieet gegeven, zodat er al een aantal van de oorzaken te voorkomen is.
Naast de klassieke bepalingen zoals leucocyten, leverenzymen, glycemie, calcemie, cholesterol en pancreasenzymen, is de TLI-test (serum trypsin-like immunoreactivity test) nu ook een belangrijk hulpmiddel. Dit is een bloedtest voor honden die de serumconcentraties meet van de enzymprecursor trypsinogeen. Een toename hiervan is een sterke indicatie voor pancreatitis.
TLI bepalingen zijn pancreasspecifieker en zijn daarom een betrouwbaarder hulpmiddel dan de normale enzymbepalingen.
Pandemie:
zeer wijdverbreide epidemie.
is een andere benaming voor Chronic Superficial Keratitis (CSK). De medische benaming is: keratitis superficialis vasulosa pannosa pigmentosa chronica.
Pannus is een progressieve, niet pijnlijke "ontstekingsziekte" van de cornea, conjunctiva en soms het derde ooglid (wat dan "atypische pannus" of "plasmoma" genoemd wordt).
Het komt veel voor bij Duitse Herdershonden en hun kruisingen, maar ook bij o.a. de Poedel, Collie, Tervuerense Herder, Husky, Greyhound, Australian Shepherd en Teckel.
Het manifesteert zich meestal op een leeftijd van 3 tot 5 jaar. Pannus is een ziekte, die wel 'beheersbaar', maar meestal niet te genezen is; er zijn ook honden die blind worden.
Panosteïtis:
zie enostosis.
Pantotheenzuur:
Papel:
is een kleine papil, een klein vast knobbeltje op de huid, dat is gevuld met ontstekingscellen.
1) kegelvormige verhevenheid, bijv. op de tong of huid.
2) Papil is ook de blinde vlek in het oog, de plaats op de achterwand van het oog waar de oogzenuw naar buiten treedt.
Papillomatose,
papillomatosis:
is de naam voor een wildgroei van wratjes op het
slijmvlies van de mond bij een
jonge hond. De wratachtige gezwelletjes kunnen door
de hele mond verspreid zijn: overgang huid naar slijmvlies rond de gehele mond,
lippen, tong, verhemelte, strottenklep, keel en bovenste deel van de
slokdarm.
Er kunnen soms wel 100 'kleine bloemkooltjes' in de mondholte zichtbaar zijn. De
wratten kunnen beschadigd worden, gaan bloeden en raken geïnfecteerd. Soms
kunnen ze de keel of luchtpijp blokkeren. Heel sporadisch zien we deze
gezwelletjes op de oogleden en in de neusgaten.
De aangetaste honden zijn in de meeste gevallen niet algemeen ziek. Wel kunnen
ze een verminderde eetlust hebben,
speekselen ze of stinken ze uit de bek.
Deze slijmvlieswratten worden veroorzaakt door het papilloma-virus. De incubatietijd duurt 1-8 weken. Deze wratten zijn bijna altijd goedaardig en verdwijnen meestal spontaan tussen 1-5 maanden. Ze zijn sterk gepigmenteerd.
In principe is papillomatose wel besmettelijk voor andere honden, maar niet voor de mens.
Maar honden met een goed immuunsysteem, dus gezonde volwassen honden, zullen niet zo gauw de verschijnselen krijgen, de besmettingskans is zeer klein. Jonge honden met een minder sterk immuunsysteem zullen wel vatbaar zijn voor besmetting. Het is verstandig om al besmette honden te scheiden van honden, die gevoelig zouden kunnen zijn voor besmetting.
Hoewel deze ziekte in de meeste gevallen vanzelf geneest, kan de hond er last van hebben en vindt het baasje het een onsmakelijk gezicht. Daarom kan er behandeld worden met homeopathische middelen.
Paracetamol:
zie wetenswaardigheden.
Parafimosis,
paraphimosis:
is als de penis zich tijdens het paren of bij opwinding niet terugtrekt in de - nauwe - voorhuid.
Lang haar aan het uiteinde van de voorhuid kan ervoor zorgen, dat de huid naar binnen rolt wanneer de hond een erectie heeft. Tijdens een erectie zwelt de bulbo-urethrale klier soms zo hard op, dat de penis te dik is om zich terug te trekken in de voorhuid. Honden die dit hebben, likken aan hun penis en lijken niet op hun gemak. Parafimosis treft vooral jonge, oversekste Yorkshire Terriërs en soms honden die zijn gecastreerd.
Smeer de penis in met een in water oplosbare gel of vloeibare paraffine. Hebt u dit niet bij de hand, dan volstaat plantaardige olie. Trek de voorhuid naar achter of trek de penis een beetje naar voren, zodat de haren loskomen. Schuif de penis dan weer in de voorhuid. Als dat niet mogelijk is, houd de penis dan vochtig met een van de eerder genoemde middelen en neem onmiddellijk contact op met uw dierenarts. In bepaalde omstandigheden kan een operatie nodig zijn om de penis te 'verlossen'.
Parainfluenza-virus:
virale infectie, één van de veroorzakers van kennelhoest; zie wetenswaardigheden 2.
Er bestaat een vaccinatie hiertegen (zit in de cocktailenting) en deze dient ieder jaar te worden herhaald.
Paralyse,
paralysie:
verlamming, tijdelijk of permanent verlies van de spierfunctie.
organisme, dat ten koste van een ander organisme leeft. Zie ook endoparasiet en ectoparasiet.
Para-sympathisch
zenuwstelsel:
deel van het onwillekeurige of autonome zenuwstelsel, dat geheel buiten de wil om werkt en is vooral werkzaam tijdens rust: er is een vertraagde hartwerking, verminderde ademhaling, verwijde bloedvaten naar de darm en vernauwde bloedvaten in de spieren en een grotere darmwerking. O.i.v. de para-sympathicus kan het lichaam zich herstellen van vermoeienissen. Opbouwprocessen worden door de para-sympathicus bevorderd. Ook de groei staat dus onder invloed van de para-sympathicus.
bijschildklierhormoon, dat de calciumstofwisseling reguleert. Zie bijschildklier.
zie dekking.
Parenchym:
het werkzame weefsel, vooral het klierweefsel van een orgaan.
Parenteraal:
buiten het maagdarmkanaal om in het lichaam gebracht, bijv. via een injectie.
Parese:
is een onvolkome motorische verlamming; een onvolledige vorm van paralyse. Een hond met parese kan zichzelf nog wel rechthouden, maar kan niet rechtkomen vanuit een liggende positie.
halsband, voorzien van (scherpe) ijzeren, naar binnen gerichte punten; ook wel prikkelband of prikband genoemd.
Het is niet alleen tijdens onze cursussen verboden, maar het is ook verboden op tentoonstellingen of wedstrijden parforcebanden en/of andere dwangmiddelen (zoals bijv. de stroomband) te gebruiken.
Parforce-jacht,
parforcejacht:
jacht met lange honden.
is de straathond in oosterse landen, van Turkije tot India. Ze leven vaak in groepen en stropen alles af. Hoewel paringen met wolven plaatsvinden, zijn ze niet agressief tegenover de mens. Iedere groep heeft een eigen leider.
zie dekking.
ziekte aan tandvlees en/of tanden. Zie ook slechte adem.
Parotitis:
ontsteking van de oorspeekselklier (bijv. de bof).
Parti-colour,
particolour:
Engelse term voor een tweekleurige hond, waarvan de kleuren evenwichtig verdeeld zijn; meestal rood met wit of zwart met wit.
In het bijzonder een evenwichtige verdeling van wit en een kleur bij de Pekingees.
Partieel:
gedeeltelijk.
Partiële aanval:
zie stuipen.
Partus:
virusziekte bij de hond. Het parvo-virus sloeg pas in 1979 voor het eerst toe. Het veroorzaakt een heftige diarree, die vaak met darmbloedingen gepaard gaat. De meeste honden overlijden door een te groot vochtverlies, eventueel gepaard gaande met enig bloedverlies. Bij zeer jonge honden kan de hartspier worden aangetast, waarna het dier aan een hartstilstand komt te overlijden.
Naast het parvo-virus komt ook een corona-virus voor, dat ook diarree kan veroorzaken. Deze aandoening lijkt op een rustig verlopende parvo-infectie. Soms treden beide virussen tegelijk op.
Opmerkelijk is dan de snelheid, waarmee de ziekte om zich heen grijpt. Binnen 48 uur na de eerste ziekteverschijnselen zijn de meeste honden reeds dood. Overleven ze de ziekte, dan duurt herstel zeker een maand.
Er bestaat een vaccinatie tegen Parvo (zit in de cocktailenting) en deze dient ieder jaar te worden herhaald. In de cocktailenting zit geen enting tegen het coronavirus; hiervoor is een aparte enting noodzakelijk.
Zie ook C.P.V.
Pas:
de afstand tussen de opeenvolgende voetafdrukken van dezelfde voet.
Paspoort:
zie dierenpaspoort.
knieschijf. Een benige schijf die in de pees van een grote spier, de Musculus quadriceps femoris (vierhoofdige dijbeenspier in de achterhand), ligt.
Patella
luxatie, patellaluxatie, PL, P.L.:
knieschijf, die van het gewricht is afgeschoven. Het achterbeen kan niet gestrekt worden en kan niet worden belast, de hond zakt er door. Wanneer de knieschijf uit zijn groeve geschoten is, zien we vaak dat het been op een karakteristieke manier omhoog wordt gehouden. Dit is tijdelijk; als de knieschijf weer op zijn plaats komt, is het meestal weer in orde.
Het is een ontwikkelingsstoornis, die vooral bij kleine rassen (Chihuahua's, Yorkshire Terriërs, Maltezers, Jack Russell Terriërs en Dwergpoedels) voorkomt, maar ook bij grotere als Boxers en Flatcoated Retrievers. Ook zien we, dat het vaker bij teefjes dan bij reuen voorkomt. Het kan zowel eenzijdig als tweezijdig voorkomen.
Patella luxatie kan ook door trauma (bijv. een auto-ongeluk) ontstaan.
Er zijn verschillende vormen van Patella luxatie:
• luxatie naar mediaal, d.w.z. naar de binnenzijde van de knie; dit is de meest voorkomende vorm van luxatie. We zien dit vaak bij honden van de kleine rassen;
• luxatie naar lateraal, d.w.z. naar de buitenzijde van de knie; dit is meest voorkomende vorm na een trauma. Dit zien we voornamelijk bij de grote rassen, vaak in combinatie met een draaiing van het dijbeen.
Er komen verschillende gradaties voor in de luxatie. We spreken daarbij van graad 1 t/m 4. Een hond met graad 4 heeft een ernstige afwijking, waarbij de knieschijf zich regelmatig verplaatst. De ernstigere vormen van patella luxatie kunnen vervelende bijwerkingen voor de hond hebben. Niet alleen zal hij veelvuldig geen gewicht op het betreffende been kunnen plaatsen, ook kan een beschadiging van het gewricht zelf optreden. Dit gebeurt meestal door woekeringen van het kraakbeen in de gewrichtsspleet.
Een ernstige patella luxatie kan vaak uiterlijk herkend worden, doordat het been niet in een mooie rechte lijn staat. Meestal staan zowel onder- als bovenbeen iets gedraaid; de honden lopen met O-benen.
Bij een patella luxatie is het belangrijk om een goede spierkracht te ontwikkelen. Deze spierkracht kan de knieschijf op z'n plaats houden.
De diagnose van een patella luxatie is niet moeilijk te maken. Iemand met een beetje ervaring kan de patella gemakkelijk vastnemen en verplaatsen.
Als de knieschijf er slechts af en toe uitschiet, spreken we van een 'intermitterende patella luxatie'. Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar passen met een poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt normaal verder. Dit zien we frequent bij de Jack Russell Terriër.
Als de knieschijf continu uit de sleuf glijdt, dan spreken we van 'continue patella luxatie'. Deze honden hebben problemen met overeind komen en lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort kikkerpas) lopen.
De ergste vorm is wanneer de knieschijf niet meer op zijn plaats teruggelegd kan worden.
Er zijn verschillende behandelingen mogelijk. Bij het onderzoek voor de behandeling moet niet alleen naar de ligging van de patella gekeken worden, maar ook naar de stand van de femur. Verder zijn de kromming van de beenkam op het onderbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van belang.
Honden met een intermitterende patella luxatie, waarbij de knieschijf maar af en toe luxeert, hoeven niet geopereerd te worden. Maar bij honden waarvan de knieschijf constant verplaatst, moet er zeker worden ingegrepen. De enige manier is operatief.
De nazorg, die door de baas gedaan wordt, is van cruciaal belang voor de verdere genezing van de hond zijn knie.
Na de behandelingen zijn de honden vrijwel altijd in staat een normaal en verder gezond leven te leiden.
Het is wel verstandig om honden met deze erfelijk bepaalde afwijking (dus niet na een trauma), evenals naaste verwanten, uit te sluiten van de fokkerij. Overigens hebben omgevingsfactoren als traplopen en springen geen invloed op het ontstaan van een patella luxatie.
Voor het onderzoek op Patella luxatie, dat door steeds meer rasverenigingen verplicht gesteld wordt, is geen verwijzing door uw dierenarts nodig, m.a.w. u kunt zelf naar een specialist.
Zie ook hier.
ziekteverwekkend, ziekte veroorzakend.
leer van de oorzaken, de aard en de gevolgen van ziekten; deel van de medische wetenschap, dat de oorzaken en de aard van de ziekten behandelt en de veranderingen in het lichaam die er het gevolg van zijn.
beoefenaar van de pathologie.
iemand die secties verricht om de doodsoorzaak op te sporen, m.a.w. een lijkschouwer of obducent.
Pavlov:
zie conditionering.
pCO2:
partiële druk van CO2 in bloed of andere lichaamsvloeistoffen; koolzuurspanning.
Zie ook bloedonderzoek.
Peak:
jachtknobbel
(bijv. bij Bloedhonden en Bassets).
Pectoraal:
de borst betreffend.
zowel Franse als Engelse term voor stamboom.
Pees:
is het uiteinde (voortgezette bindweefsel) van een spier. De pezen vergroeien met het beenvlies en het been, zodat een hechte verbinding ontstaat. Pezen kunnen tamelijk lang worden en de spierkracht over grote afstand verplaatsen. Dat biedt de mogelijkheid om op een bepaalde plaats, waar genoeg ruimte is, de spier te plaatsen en de werking van die spier op een andere plaats uit te oefenen.
Pekel gestrooid:
zie sneeuw en ijs.
Pelvis:
bekken.
Pemfigus, pemphigus:
is een auto-immuunziekte, waarbij de huid wordt aangetast (grote blaasjes) en in ernstige gevallen ook de slijmvliezen.
Er zijn verschillende vormen van Pemphigus afhankelijk van de uitbreiding van de ziekte over het lichaam en het type laesies, bijv. Pemphigus foliaceus, Pemphigus erythematosus, Pemphigus vulgaris en Pemphigus vegetans. Over de eerste 3 meest voorkomende vormen leest u hier meer.
a) Bij Pemphigus foliaceus zien we in het begin een opvallende depigmentatie van de neus en de lippen. Later zien we op de lippen, neusrug en oren kaalheid, korstjes, blaasjes, schilfers, rode ronde plekken met een randje (lijkt een beetje op schimmel) en erosies. Daarna breidt het zich verder uit. Diepe zweren zien we eigenlijk niet en ook zijn er geen afwijkingen te zien op het (mond)slijmvlies of op de overgangen van huid naar slijmvlies. Vaak doen de voetzolen of tenen ook mee. De voetzolen zijn droog, verdikt en vertonen kloofjes. Meestal maakt de patiënt verder een gezonde indruk.
b) Pemphigus erythematosus is als het ware een lichte vorm van Pemphigus foliaceus. De afwijking beperkt zich meestal tot hoofd, gezicht en voetzolen. Depigmentatie zien we van bijv. neus, lippen en oogleden.
c) Pemphigus vulgaris is een ernstigere vorm. Hierbij treden weliswaar ook kaalheid, korstjes, pukkeltjes, blaasjes, schilfers, rode plekken met een randje en erosies op, maar we zien bovendien diepe zweren, dus diepere lagen worden aangetast. Ook zien we laesies in de mondholte en op de overgangen van huid naar slijmvlies: lippen, neusopeningen, oogleden, vulva, voorhuid en anus. Vaak is de huid in liezen en oksels aangetast. Daarbij zien we dan ook regelmatig gebrek aan eetlust, depressie en koorts, voor een belangrijk deel door de secundaire infecties.
Als therapie wordt de hond behandeld met medicijnen die de afstotingsreactie moeten tegengaan, bijv. prednison (prednisolon) of dexamethason of
zelfs naast de dexamethason ook Immuran® (Azothioprine). Na het gebruik van Immuran moeten wel de handen goed gewassen worden.
Enerzijds wordt er in de literatuur aangegeven, dat er geen duidelijke rasgevoeligheid bestaat, maar anderzijds vinden we de volgende 'gevoelige rassen'.
Bij Pemphigus foliaceus: Teckel, Schipperke, Finse Spits, Akita Inu, Chow Chow, Newfoundlander, Bearded Collie en de Dobermann.
Bij Pemphigus erythematosus: Sheltie, Collie en Duitse Herder. Het meest bij honden op middelbare/oudere leeftijd.
Pemphigus wordt wel eens verward met DLE.
zie antibiotica.
geslachtsdeel van het mannelijk dier. De penis en met name de eikel wordt omgeven door een slijmvliesplooi, de voorhuid of praeputium. De voorhuid is een instulping van de buikhuid.
De reu heeft een penis van het caverneuze type. Dit type penis bevat een of meer zwellichamen of caverneuze lichamen: holle weefsels, die onder invloed van de sympathicus gevuld kunnen worden met bloed, zodat de penis opzwelt en groter wordt. We spreken in dat verband van een erectie (letterlijk: oprichting).
De penis is van het caverneuze type, maar er is wel een extra bijzonderheid: de penis van de reu bezit een specifiek (kraak)been, het penisbeentje, dat aan de penis een zekere mate van stevigheid geeft. Aan de onderzijde van het beentje bevindt zich een gootvormige uitsparing, waardoorheen de urethra loopt.
In de penis van de hond komen 2 caverneuze lichamen voor, die elk een geweldige omvang kunnen bereiken. De bulbus glandis, het caverneuze lichaam van de penis, kan sterk opzwellen en uitwendig zichtbaar zijn als 2 grote uitpuilingen links en rechts van de penis.
Het pars longa glandis is het caverneuze lichaam van de eikel. Dit sponsachtig weefsel zwelt pas, nadat de reu de penis in de vagina van de teef heeft gebracht. Daar ook de kringspieren van de vaginawand zich nog sluiten, kan het gebeuren, dat de reu na de dekking zijn penis niet kan terugtrekken en blijft hangen. Dit hangen of gekoppeld blijven (zie koppeling) kan een kwartier duren, maar ook veel langer. Het hangt er maar net vanaf, wanneer de afvoerende vaten weer in staat zijn het bloed uit de zwellichamen weg te voeren.
Sommigen menen, dat een dekking, waarbij deze langdurige koppeling niet optreedt, niet geslaagd is. Maar dat is niet juist. Anderen proberen de beide honden te laten ontkoppelen door te trachten de reu los te trekken of door een emmer koud water over ze heen te gooien. Dat heeft geen enkele zin. Hooguit kan men de gevoelige voortplantingsorganen van de reu en teef beschadigen of hen een trauma bezorgen, waardoor zij nooit meer tot dekken komen.
staat voor University of Pennsylvania Hip Improvement Program. PennHip is een screening naar de gevoeligheid voor het ontwikkelen van heupdysplasie bij de individuele hond. Het is een HD-beoordelingsmethode, die op doeltreffende wijze het zich nog alsmaar voortschrijdende HD probleem kan aanpakken. Deze techniek kwam uit Amerika overwaaien, waarbij de heupfoto's op een andere manier worden genomen en ook op een andere manier beoordeeld worden. Het idee achter Pennhip is, dat je niet moet kijken of een hond HD heeft met de daarbij behorende veranderingen aan de heupgewrichten, maar dat je moet kijken of de hond teveel speling (laxity of laxiteit) in de gewrichten heeft, zodat hij later HD kan gaan ontwikkelen. Juist door het strekken van de heupen bij het nemen van de traditionele heupfoto, kan je deze speling niet goed beoordelen.
Onder narcose worden 3 foto's gemaakt van de heupen van de hond: een distractie-, een compressie- en een gewone heupfoto.
Voor de distractiefoto worden de heupen (achterbenen) van de hond m.b.v. een distractor zo ver mogelijk uit elkaar gedrukt. Dat gebeurt met twee rubber rollen, waarbij maar heel weinig kracht wordt gebruikt. Er is geen risico op pijnlijke heupen als gevolg van het nemen van Pennhip foto's.
Op de compressiefoto worden de heupen juist in de kom gedrukt. Ook weer met weinig kracht. Daarna worden de foto's op CD gebrand en ter beoordeling naar de VS gestuurd. Na ongeveer 2 à 3 weken komt de uitslag.
Als laatste wordt er een opname in de standaardpositie I gemaakt, zoals we dat gewend zijn bij de bestaande screeningen.
Uit het verschil tussen de distractie en de compressie opname kan de "laxity" (=speling) berekend worden. Een hond met veel speling heeft een heel grote kans op het ontwikkelen van HD op latere leeftijd. De maat voor deze speling is de distractie-index DI.
Voorbeeld: voor de Golden Retriever is de gemiddelde DI 0,40. Als een Golden Retriever een Pennhip score heeft van 0,35 voor de linkerheup en 0,45 voor de rechterheup, dan betekent dat dat de linkerheup iets beter is dan gemiddeld en de rechterheup iets slechter dan gemiddeld. Dus hoe strakker de heup, des te beter. Ieder ras heeft zijn eigen gemiddelde DI.
Pennhip heeft een aantal grote voordelen:
• een veel betrouwbaarder en meetbaarder resultaat, geen optische beoordeling van de heup, maar een wiskundige benadering;
• al mogelijk op een leeftijd vanaf 4 maanden (16 weken). Zelfs zo jong al een betrouwbaarder resultaat dan de traditionele HD-foto. Op jonge leeftijd chirurgisch ingrijpen is al mogelijk en je hebt meer zekerheid, dat een opleiding als werk- of geleidehond niet tevergeefs is;
• het resultaat van Pennhip is een getal, de distractie-index (DI). Van ieder ras is de gemiddelde DI bekend en kan je gemakkelijk berekenen waar jouw hond staat m.b.t. het gemiddelde van dat ras. Je kan dan veel betrouwbaarder selecteren met welke honden je beter wel of juist niet moet fokken.
Nadelen van de Pennhip methode zijn:
• sedatie is verplicht;
• er moeten 3 foto's ingestuurd moeten worden met de daarbij horende hogere kosten (paar honderd euro per hond incl. narcose, verzending, beoordeling etc.);
• bij ongeveer 1% van de honden worden er luchtbelletjes in het gewricht gezien. Daar kan de dierenarts niets aan doen, het heeft verder geen klinische betekenis, maar omdat de beoordeling als gevolg van die belletjes ten onrechte een slechter resultaat zou geven, worden de foto's afgekeurd en moet het overnieuw.
Uit onderzoek onder tienduizenden honden is gebleken, dat de PennHIP-methode veel betrouwbaarder is dan de traditionele methode. Bovendien kunnen PennHIP-foto's al gemaakt worden op een leeftijd van 4 maanden. En op zo'n jonge leeftijd heeft een eventuele chirurgische heupcorrectie een veel beter resultaat.
De Raad van Beheer laat voorlopig de PennHip methode in Nederland nog niet toe. De kosten van het nemen van meer foto's, het beperkte aantal dierenartsen met deze bevoegdheid en de discussie over de kwaliteitsverbetering zijn argumenten die genoemd worden.
Statistisch gezien is de Pennhip de meest accurate heupscreening methode van het moment. Voor de fokker laat de enorme database van Pennhip toe om te evalueren hoe zijn hond gerangschikt staat t.o.v. zijn rasgenoten. Voor de gewone eigenaar is het interessant te weten of zijn hond veel kans maakt om HD te ontwikkelen.
De Raad van Beheer maakt geen gebruik van de PennHip methode. De Raad van Beheer adviseert om binnen het fokbeleid niet enkel af te gaan op een PennHip uitslag, maar, afhankelijk van het ras op de leeftijd van 12, 18 en/of 24 maanden de heupen (ook) te beoordelen m.b.v. officiële röntgenopnames. Er zijn geen FCI normen t.a.v. PennHip en de Raad registreert de uitslagen hiervan dan ook niet.
Zie ook Links Pennhip.
Peper
en zout:
veelvoorkomende kleur bij bijv. de Schnauzer; zwarte en witgepigmenteerde haren die een ijzergrauwe indruk maken.
Pepering:
zie domino.
eiwitsplitsend enzym in het maagsap.
doorboring, doorbraak.
Perfusie:
het doen doorstromen van een vloeistof, bijv. in bloedvaten bij een infuus.
Perianaal:
rond de anus, zoals in "perianale adenomen".
Peri-arthritis,
peri-artritis:
ontsteking, niet in een gewricht, maar peri: er om heen, aan de buitenzijde. Hierbij moet u denken aan een ontsteking van de banden. Zie ook skelet.
uit een dubbel vlies bestaand zakje, dat zich rond het hart bevindt; hartzakje.
Pericarditis:
ontsteking van het hartzakje.
zich aan de omtrek, aan de buitenzijde bevindend, bijv. het perifere zenuwstelsel i.t.t. het centrale zenuwstelsel.
is in wezen geen zelfstandig zenuwstelsel; hiertoe behoren de uitlopers van alle zenuwcellen, die buiten het centraal zenuwstelsel verlopen. De cellichamen zelf liggen in het centraal zenuwstelsel of in de ganglia. Het is te verdelen in sensibele en motorische zenuwen.
Zie voor verdere info: zenuwstelsel.
Perineale hernia:
is een breuk, waarbij het buikvlies en/of ingewanden naar buiten worden gedrukt op de plaats van het perineum. Meestal wordt deze aandoening, die hoofdzakelijk bij intacte reuen voorkomt, operatief verholpen, omdat het gevaar bestaat dat de blaas bekneld komt te zitten. De reu kan daarbij ook gecastreerd worden om herhaling te voorkomen.
is de huid tussen de uitwendige geslachtsdelen en de anus. Bij de reu is dit het gebied tussen het scrotum en de anus en bij de teef het gebied tussen de vulva en de anus. Het perineum bestaat hoofdzakelijk uit spieren en huid.
Periost, periosteum:
beenvlies.
Periostitis:
beenvliesontsteking (een vorm van botvliesontsteking); een ontsteking van het beenvlies, dat de botten bekleedt.
het ritmisch samentrekken van bijv. de darmen, waardoor de darminhoud wordt voortgestuwd.
buikvlies, dat de bekleding vormt van de buikwand en de darmen. Bij een ontsteking van dit vlies, een peritonitis, verliest de darm zijn beweeglijkheid, waardoor darmverstoppingen kunnen optreden.
buikvliesontsteking (zie peritoneum).
niet veranderend, niet tijdelijk, blijvend.
doordringbaar; i.t.t. impermeabel.
Per os:
Persistens:
het blijven zitten van iets dat normaal weg behoort te gaan, bijv. het blijven zitten van bloedvaatjes, die voor de geboorte voedingsstoffen aanvoeren, maar die na de geboorte niet meer nodig zijn.
aanhoudend, blijvend, niet overgaand, bijv. van een infectie.
ouder-generatie (Parentes) oftewel de ouders van een nest pups; bij de wetten van Mendel gaan we er van uit dat deze homozygoot is.
Pheromoon,
Pheromone:
zie feromoon.
Phosfor,
Phosphor:
zie fosfor.
persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum; een zeldzaam voorkomende aangeboren oogafwijking. De afwijking is vooral bij de Dobermann van belang.
Er worden 6 gradaties onderscheiden. Bij deze aangeboren afwijking vertoont de lens pigmentstippeltjes (graad 1) waarvan de hond geen last heeft, of ernstiger afwijkingen (graad 2 t/m 6) waarbij de lens troebel en misvormd is en de hond op jonge leeftijd blind wordt of reeds blind wordt geboren.
of de Phu Quoc Dog is een hond uit Vietnam, die net als de Rhodesian Ridgeback en de Thai Ridgeback gekenmerkt wordt door een ridge.
potentiaal hydrogenium, zuurgraad gedefinieerd als het negatieve van de logaritme met grondtal 10 van de activiteit van de waterstofionen.
De pH-schaal loopt van 0 tot 14. Een pH van 7 is neutraal, pH > 7 wordt alkalisch of basisch genoemd, pH < 7 is zuur, m.a.w. pH = 0 is heel erg zuur.
Zie ook bloedonderzoek en urineonderzoek.
Pica:
eten van onverteerbare dingen, trek in onnatuurlijke voeding, mogelijk t.g.v. slechte voeding. Zulke honden eten gras, zand, aarde of zelfs stenen en kiezels. Het eten van ontlasting heet coprofagie.
Sommige honden(rassen) zijn erom berucht: het eten van allerlei dingen die eigenlijk niet bedoeld zijn om op te eten. Maar nog afgezien van het ras, is het een ondeugd, die we vaak op jonge leeftijd zien. Pups eten vaak van alles: stenen, zakdoeken, sokken, schoenen, speelgoed etc. Naast speelsheid of aandacht trekken kan de oorzaak van het eten van vreemde zaken ook liggen in specifieke gebreken, zoals stofwisselingsstoornissen, voedingstekort, wormbesmettingen, vezeltekort of ijzertekort. Soms is het een teken van (heftige) maagpijn. Soms is het ook helemaal niet duidelijk waarom een hond gekke dingen eet. Voor sommige specifieke 'voorkeuren' is een behandeling met een homeopathisch middel voorhanden.
• Gras eten De meest bekende vorm van 'pica' is gras en ander plantaardig materiaal eten. Honden doen dat als ze misselijk zijn, vooral bij misselijkheid op een lege maag. Het vergemakkelijkt het braken. Sommige honden grazen echt als een koe en braken daarna helemaal niet. Het schijnt dat deze honden eigenlijk een tekort aan vezels hebben in de voeding. We zien dan ook dat als we het voedsel vezelrijker maken door het toevoegen van gekookte bladgroenten of sperziebonen of het voeren van pens, het gras eten minder wordt of zelfs helemaal ophoudt. We kunnen ook het middel Protexin® Pro-fibre toevoegen aan de voeding. Vaak zien we dan tevens dat allerlei chronische maagdarmklachten over gaan (zoals bijv. chronische diarree, pruttelbuik). Bij honden die altijd 's morgens gras eten en braken op een lege maag, kan er ook sprake zijn van een overproductie van maagzuur. Het kan zinvol zijn om deze honden 's avonds heel laat nog wat te eten te geven (bijv. een volkoren boterham) en eventueel kan er tijdelijk een maagzuurproductie remmend middel gegeven worden (Zitac®).
Gras eten zonder braken past in de homeopathie bij het middel Silicea. Het heeft echter alleen zin om dit middel voor te schrijven als de hond wat overige kenmerken betreft ook bij Silicea past.
• Kiezelstenen eten U kunt het misschien niet geloven, maar er zijn honden die het maar niet kunnen laten om kiezelstenen te eten. Een vervelende gewoonte, want deze stenen kunnen vastlopen in de darm en daardoor een verstopping veroorzaken. We zien deze gewoonte nogal eens bij Rottweilers of Jack Russell terriërs, maar ook andere rassen kunnen het doen. Soms krijgen de honden per ongeluk een steen naar binnen bij het spelen ermee, maar er zijn ook echt honden die op hun gemak het halve grintpad staan te verorberen. Er is niet bekend of dit een bepaald gebrek aangeeft in de voeding. Wel is bekend, dat het eten van stenen vaak voorkomt bij honden die bij het middel Lycopodium passen.
• Kalk of cement eten Het eten van kalkhoudende materialen zoals cement, stucwerk etc. geeft aan, dat er een storing is in de kalkstofwisseling. Het hoeft niet direct op een tekort aan kalk in de voeding te duiden! Het heeft dus geen zin om deze honden zomaar extra kalk te gaan geven in de voeding. Een teveel aan kalk in de voeding kan zelfs verkeerd zijn en tot groeistoornissen van de botten en gewrichten leiden. We moeten het waarschijnlijk eerder zien als een probleem met de opname van kalk uit de voeding. Homeopathisch kunnen we iets doen met de middelen Calcarea carbonicum of Calcarea phosphoricum. Vaak vertonen deze dieren ook andere kenmerken die bij deze middelen passen. Bij Calcarea carbonicum moeten we denken aan de wat mollige, slappe veel te grove pup die een beetje traag en lui overkomt. Zo'n pup die meer botten en vel is, dan spieren. Bij Calcarea phosphoricum moeten we denken aan de pup die te snel de hoogte in groeit: de slungel die slank tot mager is en hoog op de poten staat met slappe gewrichten. Het Calcarea carbonicum type kan overigens op latere leeftijd overgaan in het Calcarea phosphoricum type.
• Papier of papieren zakdoekjes eten Er zijn honden die overal en altijd papier opzoeken om op te eten. Soms is de behoefte nog specifieker: papieren zakdoekjes. De behoefte aan papier weerspiegelt voor zover bekend geen specifiek tekort aan een bepaalde (voeding)stof. De behoefte aan het eten van papier past bij het homeopathische middel Calcarea phosphorica of Lac felinum.
• Rauwe aardappelen eten De specifieke behoefte om rauwe aardappelen of de schillen ervan te eten, komt voor bij zowel honden als katten. De gewoonte past in het geneesmiddelbeeld van Calcarea carbonica, maar ook in dat van Carcinosinum en Cicuta virosa.
• Plastic eten De sterke neiging tot het kauwen aan of eten van plastic komt niet alleen voor bij honden, maar ook bij katten. De verklaring ervoor is niet duidelijk. De gewoonte om plastic te eten (overigens zonder braken) zou kunnen passen in het geneesmiddelbeeld van diverse homeopathische geneesmiddelen zoals Alumina, Aurum, Calcarea carbonicum, Calcarea phosphoricum, Ignatia, Lachesis, Nitricum acidum, Nux vomica of Silicea.
• Zand eten is een typisch kenmerk van dieren die passen bij het middel Silicea (zand bestaat eigenlijk voor een groot deel uit Silicium) of bij Tarantula. Een dier dat bij Tarantula past is sowieso (als pup) vaak nogal vernielzuchtig en zal dus ook het bankstel en de vloerbedekking niet versmaden. Dat heeft echter meer met vernielzucht te maken dan met een bepaalde behoefte om iets te eten. We moeten overigens duidelijk onderscheid maken tussen het eten van (wit) zand en het eten van zwarte aarde/grond.
• Het eten van aarde is eigenlijk synoniem aan een behoefte aan ijzer. We zien dit bij honden met een chronische bloedarmoede (bijv. nierpatiënt). Als een hond aarde eet, is het dus tijd voor een bloedonderzoek.
Tot slot: of het eten van vreemde dingen nu echt een gedragsprobleem is, of een specifieke behoefte weerspiegelt, is niet altijd even duidelijk. De homeopathische middelen die hierboven genoemd zijn, zijn geen wondermiddelen. Soms zijn er meerdere maatregelen nodig om de hond van zijn vreemde gewoonten af te helpen. Hierbij kunnen we bijv. denken aan veranderingen in de voeding, het geven van voedingssupplementen, medicijnen en/of een gerichte gedragstherapie. Indien besloten wordt tot een homeopathische behandeling is het altijd beter om te proberen het volledige geneesmiddelbeeld boven water te krijgen, dan om alleen op grond van het vertoonde vreemde eetgedrag te gaan behandelen. Het is immers het streven bij de homeopathie om het best passende middel gevonden kan worden, dat op alle (of in ieder geval zoveel mogelijk) fronten past bij uw hond.
Piebald
gen:
is een kleurgen, welke verantwoordelijk is voor het witte haar bij bijvoorbeeld de Bull Terriër en de Dalmatiër, en die doofheid kan veroorzaken; zie cochleaire doofheid.
Zie ook spotting.
kleurstof, die zich in de huid en vooral in de haren bevindt.
Jonge honden in de groei kunnen onvoldoende pigmentering hebben van de neusspiegel, lippen en bijv. oogranden.
Pigmentverlies in de huid (ook bijv. in nagels en voetkussens) kan een tijdelijk verschijnsel zijn, dat vooral in zonloze perioden en bij teven na een worp kan optreden. Vaak is een tekort aan ijzer de oorzaak.
Zeewier is een prima middel om de vachtkleur op te halen, maar het heeft slechts een geringe invloed op de pigmentering van bijv. de neusspiegel. Vlierbes heeft hier wel invloed op.
Pigment epitheel dystrofie (PED):
zie retina dystrofie.
Pigmentvlek:
is een donkere of zwarte plek op het tandvlees of op de tong (zie tongvlek). Zwarte honden hebben vaker zwart tandvlees dan witte honden, en dit noemen we pigmentvlekken.
Pijnstillers, pijnmedicatie:
zie paracetamol / ibuprofen / aspirine, NSAID en rimadyl.
Klik voor de teksten van de bijsluiters hier.
Pikhaar:
oude benaming voor Bouvier.
Pillen:
klik hier voor het antwoord op de vraag: "Hoe geef ik mijn hond het beste een pil?". Zie ook pijnstillers.
Klik voor de teksten van de bijsluiters hier.
Pincet:
tangetje om niet-lichaamseigen voorwerpen te verwijderen. Zorg dat de uiteinden stomp zijn, om het risico op verdere verwonding te vermijden.
Pinna
(meerv. pinnae):
is het buitenste deel van het oor (de flap), dat geluiden opvangt en als een trechter naar het trommelvlies geleidt.
Piramidebaan,
piramidesysteem:
Pirodog®:
is een vrij kostbaar vaccin, dat gegeven wordt ter voorkoming van Babesiose aan honden vanaf de leeftijd van 5 maanden. Het kan een infectie niet geheel voorkomen (bescherming ± 75%), maar het verhoogt wel de afweer van de hond. Er zijn 2 injecties nodig met 3 à 4 weken tussentijd. Vanaf enkele dagen na de 2e injectie is de bescherming optimaal.
Vaccinatie wordt aanbevolen wanneer de hond voor langere tijd (min. 1 maand) naar een gebied gaat waar Babesiose voorkomt. Bij een korter verblijf kan men de hond bij aankomst in een besmet gebied door de lokale dierenarts preventief een injectie laten geven met een lage dosis Imizol. Dit is 3 à 4 weken effectief, maar biedt evenmin 100% bescherming.
Overleg met uw dierenarts voordat u met uw hond op vakantie gaat naar gebieden rondom de Middellandse Zee.
Piroplasmosis, piroplasmose:
zie babesiosis.
of officieel de Regeling agressieve dieren genaamd (RAD), werd in 1993 ingevoerd vanwege de vele incidenten met agressieve honden en met name pitbulls, maar in 2008 afgeschaft.
Sinds '93 gold een fokverbod voor pitbulls en strenge regels voor verwante rassen. Met deze regeling wilde de overheid ervoor zorgen, "dat de pitbull op termijn zou uitsterven". Rassen als de Amerikaanse Staffordshire Terriër en de Staffordshire Bull Terriër vielen ook onder die regeling, omdat ze uiterlijk erg op de pitbull leken.
Om gelijkenis met de pitbull te controleren was aan de RAD een uitvoerige checklist toegevoegd, waarin alle kenmerken van pitbullachtigen stonden opgesomd. De algemene omschrijving voor dit type luidde: krachtig, gespierd en gladharig, atletisch maar niet slank en een zwaar front in vergelijking met een lichte achterhand. Verder maken dergelijke honden van de zijkant 'een vierkante indruk' en zijn ze 35 tot 50 centimeter hoog.
Op het bezit van een pitbull stond een geldboete en inbeslagname. Voor verwanten gold dit eveneens, mits een geldige stamboom kon worden getoond.
De pitbull zelf is geen rashond.
In 2008 werd deze regeling afgeschaft: voor meer info zie wetenswaardigheden 14.
Pit-dog:
vechthond.
Placebo:
schijngeneesmiddel zonder werkzame stoffen; een stof die uiterlijk en in smaak geheel overeenkomt met een medicijn, maar geen werkzame bestanddelen bevat. M.a.w. een fopmiddel, foppil, namaakpil, neppil, neptablet, schijnmiddel.
Het placebo-effect is het effect, dat een placebo dezelfde uitwerking heeft als een echt medicijn. Voor mensen vaker gebruikt, maar voor dieren onzinnig, hoewel het wel gebruikt kan worden om bepaalde medicijnen bij honden uit te testen zonder dat de baasjes weten of hun hond het medicijn dan wel de placebo krijgt.
moederkoek, nageboorte, de contactzone van het chorion met de baarmoederwand.
De placenta ligt bij de hond (net als bij katten) om de vruchtvliezen heen, zoals een servetring het servet omgeeft. Middels kleine, vingervormige uitsteeksels is de placenta diep verankerd in de baarmoederwand. De uiteinden van het chorion zijn glad en liggen los in de baarmoeder.
Opvallend bij honden is aan de beide uiteinden van de servetringvormige placenta de aanwezigheid van een ring van pigmentcellen. Het pigment is groen van kleur en kan, wanneer tijdens de geboorte druk wordt uitgeoefend op de pup, de vruchtvliezen en de placenta uitgesmeerd worden over de pup. Het hoeft niemand te verontrusten, wanneer witte pups groengekleurd ter wereld komen (groene pup).
is de bloedvloeistof, waarin allerlei stoffen zijn opgelost (geelachtige vloeistof). Ongeveer 55% van het bloed wordt gevormd door plasma. Ruim 90% van het plasma bestaat uit water. Daarnaast zijn er voedselbestanddelen (aminozuren, glucose, vetzuren, vitamines en zouten), hormonen en opgeloste gassen (een kleine hoeveelheid O2 en een grotere hoeveelheid CO2 in de vorm van carbonaat CO32- of van bicarbonaat HCO3-).
In het bloed circuleren ook specifieke bloedeiwitten: fibrinogeen, prothrombine, globulines en albumine.
Als uit het plasma het fibrinogeen wordt verwijderd, blijft bloedvloeistof over, die serum wordt genoemd. Serum bevat nog altijd de globulines en kan daarom als geneesmiddel worden toegepast bij de bestrijding van ziekten.
Plasmoma:
of Plasmacytic Lymphocytic Conjunctivitis van het derde ooglid. Zie Pannus.
Plassen:
zie zindelijk maken.
Plasverlies:
zie urinelekkage na sterilisatie en incontinentie.
Platen:
grote donkere vlekken op witte ondergrond zoals harlekijn en andere bonte kleurpatronen.
de spiervezels lopen evenwijdig aan elkaar. Deze spieren vinden we aan de borstkas. Zie voor meer info: spieren.
het verschijnsel, waarbij een gen gelijktijdig effect heeft op twee of meer schijnbaar onafhankelijke kenmerken.
Een voorbeeld is leukisme. Het gen dat tot verbleking van de haren leidt, veroorzaakt gelijktijdig ook stoornissen in het gezichtsvermogen en soms ook van het gezichtsvermogen en de vruchtbaarheid.
Bij Alaska Malamutes komt een recessief gen voor, dat in homozygote vorm verkorte en kromgegroeide voorbenen veroorzaakt. Dragers van dat gen hebben gelijktijdig ook afwijkende rode bloedcellen. De afwijking aan de rode bloedcellen is bij de dragers van dit gen, de heterozygoten dus, al duidelijk waarneembaar. Op deze manier kunnen dragers van het gen voor verkorte kromme benen aan de hand van onderzoek van de rode bloedcellen worden opgespoord.
De genoemde voorbeelden kunnen leiden tot de veronderstelling, dat pleiotropie een betrekkelijk zeldzaam voorkomende aangelegenheid is, maar deze veronderstelling is onjuist. Van steeds meer genen wordt nu bekend, dat zij sterk uiteenlopende kenmerken kunnen beïnvloeden.
bestaat uit een longvlies, dat de longen aan de buitenzijde bekleedt en het borstvlies, dat zich tegen de ribwand bevindt. Zie ook borstholte.
Pleuraholte:
is de ruimte tussen de longen en de ribbenkast.
Pleuritis:
ontsteking van de pleura.
Plexus:
vlechtwerk van zenuwen of bloedvaten.
Plica:
plooi.
P.L.L.,
PLL:
is Primaire Lens Luxatie oftewel Primary Lens Luxation; zie Lensluxatie.
Ploegen:
zie reuk.
verwijderen van losse haren uit de vacht. Dit is noodzakelijk i.v.m. de gezondheid van de hond, met name bij langharige honden. Dit dient dan ook regelmatig te gebeuren. Zie ook trimmen.
Pneumonie:
Pneumothorax:
ophoping van lucht in de borstholte buiten de longen, waardoor de long wordt samengedrukt.
is een hardnekkige ontsteking van de tenen en ondervoet, die regelmatig bij de bullterriër voorkomt. Deze ontsteking wordt ook wel bij andere rassen en kruisingen gezien, maar juist bij de bullterriër kan het een lastige, hardnekkige en kostbare afwijking zijn die hier wordt besproken.
Pododermatitis betekent bacteriële ontsteking van één of meer poten. Bij de hond zien we roodheid, zwellingen (blaasjes), kaalheid, jeuk, kreupelheid en soms pus en bloed. De honden hebben er last van en likken er frequent aan. Vaak wordt het van kwaad tot erger en behandeling bij de dierenarts is noodzakelijk.
Er is een uitgebreide lijst van oorzaken (differentiaaldiagnoses) te maken voor dit probleem. Pododermatitis is dan ook geen diagnose, maar een symptoom op basis van één of meerdere aandoeningen.
Mogelijke oorzaken van ontstekingen aan de tenen:
a) Aan één teen:
• vreemde objecten zoals een grasaar of splinter;
• trauma, bijv. aanrijding of in glas getrapt;
• tumor aan de teen.
b) Aan meerdere tenen tegelijk:
• allergie, zowel contactallergie, atopie of voedselallergie;
• schimmelinfectie, bijv. Microsporie of Trichophytie (ringworm);
• gistinfectie, bijv. Malassezia;
• parasitaire infectie, zoals Demodex en herfstmijt;
• auto-immuunziekten, zoals Pemphigus en Lupus;
• zinkdeficiëntie;
• medicijn overgevoeligheidsreacties;
• hepatocutaan syndroom (een leverziekte die een huidafwijking geeft).
Het is duidelijk dat bij een hond met pododermatitis niet alleen de ontsteking behandeld moet worden, maar dat ook gezocht moet worden naar de achterliggende oorzaak.
Bij elke patiënt dient een grondig algemeen onderzoek plaats te vinden. Soms kunnen er vergrote lymfeklieren gevonden worden bij een schurftinfectie of erge huidontsteking. Meestal is er aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Parasieten kunnen gevonden worden door huidafkrabsels en door plakbandafdrukken kunnen er schimmels en gisten worden ontdekt. Soms moet hiervan een kweek worden genomen om ze aan te kunnen tonen. Ook door middel van het nemen van huidbiopten kan de oorzaak boven water komen, vooral als men denkt aan een immuunziekte. Soms kan een bloedonderzoek ook een stap in de goede richting geven, bijv. bij de leverafwijking (hepatocutaan syndroom).
Een aparte diagnostiek is nodig bij het opzoeken van een eventuele allergie als er van veel jeuk sprake is.
* Contactallergie komt niet zo vaak voor en is ook te herkennen aan ontstekingen op de buikhuid of balzak, vaak als een omschreven plak te herkennen. Soms zijn reinigingsmiddelen de oorzaak en dan is het advies over te stappen op groene zeep.
* Voedingsallergie kan ook de oorzaak zijn en kan zich alleen beperken tot de poten. Om voedselallergie uit te sluiten, dient de hond een speciaal dieet te volgen waarbij het belangrijk is om ook geen tussendoortjes te geven. Zes weken lang een dieet koken met een eiwitbron die nooit eerder is verstrekt (bijv. geitenvlees of struisvogelvlees), gekookte rijst en gekookte groente is een betrouwbare methode. Ook bestaan er commerciële diëten voor voedingsallergie (bij de dierenarts verkrijgbaar), maar zelf koken blijft het meest betrouwbaar.
* Mocht de jeuk met een dieet niet verdwijnen, kan er sprake zijn van een atopie of inhalatieallergie. Een huidallergietest en/of een bloedtest kunnen/kan hiervan de oorzaak opsporen. In 70% van de gevallen, als de oorzaak dan bekend is, kan de hond met een desensibilisatiekuur immuun en jeukvrij gemaakt worden.
Zoniet dan kan met medicijnen (cyclosporinen, corticosteroïden, antihistaminica) en essentiële vetzuren een aanvaardbaar leven gehaald worden.
De ontsteking zelf moet behandeld worden met een langdurige antibioticakuur, vaak 6-8 weken lang. Vooral cephalosporinen en quinolonen zijn hierbij goed werkzaam. Pas als de jeuk aanhoudt na beëindiging van de kuur, dient men aan een allergie te denken.
Mocht er sprake zijn van Demodex, dan dient men te wassen met Ectodex, iedere week tot een maand nadat er geen mijten meer gevonden worden.
Ook bij gist en schimmelinfecties moet er gewassen worden met Imaverol en moeten er speciale tabletten gegeven worden.
Bij zinkdeficiëntie dienen zinktabletten gegeven te worden.
Zo is afhankelijk van de oorzaak een gerichte therapie mogelijk. Belangrijk is om er snel bij te zijn en het niet te laten ontaarden in een chronische ontsteking met veel bindweefselvorming.
Wil men een terugkeer van de ontsteking voorkomen, dient een grondig onderzoek naar de mogelijke oorzaak verricht te worden en moet de ontsteking met een langdurige antibioticakuur behandeld worden.
Voor veel dierenartsen en diereigenaren kan deze aandoening frustrerend zijn, niet alleen vanwege de duur en moeilijkheid van het onderzoek en de behandeling, maar ook vanwege de kosten die de behandeling met zich mee brengt.
Poedel:
is een hond behorend tot rasgroep 9.
De uitdrukking 'dat is des poedels kern' betekent 'dat zat erachter, was de kern van de zaak' en is naar Goethe, Faust I, Studierzimmer vs. 1323: 'das also war des Pudels Kern', uitroep van Faust als uit zijn hond, na allerlei bezweringen, Mefistofeles in de gedaante van een rondtrekkend student te voorschijn komt.
Poedelkruisingen, kruising poedel:
zie Labradoodle, Goldendoodle, Aussiedoodle, Schnoodle, Cockapoo, Maltepoo, Shih-poo, Cavapoo en Poo-shi.
Er bestaan meer kruisingen met een poedel, zoals o.a. de Chipoo, Chi-Poo, Wapoo of Poochi (met de Chihuahua), Jack-A-Poo (met de Jack Russell), Pekeapoo, Peke-A-Poo, Peek-a-poo, PeekaPoo, Pekapoo, Pekepoo of Pekadoodle (met de Pekingees), Bich-Poo, Bichpoo of Poochon (met de Bichon Frisé), Lhasapoo (met de Lhasa Apso), Doxipoo, Doxiepoo, Doxie-Doodle (met de Dashond, de Teckel), Eskapoo, Pookimo of Eskipoo (met de Amerikaanse Eskimo), Papoo, Papi-poo of Papipoo (met de Papillon, het Vlinderhondje), Pomapoo, Pooranian of Pom-A-Poo (met de Pomerian, de Dwergkees), Puddle, Pugapoo, Pug-A-Poo of Pugoodle (met de Pug, de Mopshond), Westiepoo of Wee-Poo (met de West Highland Terriër, de Westie), Yorkiepoo, Yorkie-Poo, Yorkipoo, Yo-Yopoo, Yorkiedoodle (met de Yorkshire Terriër), Boxerdoodle (met de Boxer), Saint Berdoodle (met de St. Bernard), Doodleman Pinscher (met de Dobermann), Shepadoodle (met de Duitse Herder), Weimardoodle (met de Weimaraner), Cairnoodle, Poocan, Cairnpoo of Cairn Poo (met de Cairn Terriër), English Boodle (met de Engelse Bulldog), Scoodle (met de Schotse Terriër), Whoodle (met de Soft Coated Wheaten Terriër) en nog verschillende andere combinaties.
Poepen:
oftewel 'zijn behoefte doen'. Zie zindelijk maken.
Poep
eten (coprofagie):
zie wetenswaardigheden.
Pointer:
zie staande hond.
Poliep:
goedaardig, steelvormig gezwel.
voor een opleiding als politiehond komen alle werkhondenrassen en ook alle kruisingen hiervan in aanmerking. Gezien het feit dat het om de bekwaamheden van de hond zelf gaat, is raszuiverheid geen eerste vereiste.
Pols:
of 'voorknie' is een samengesteld gewricht tussen ellepijp en spaakbeen enerzijds en de middenhandsbeentjes anderzijds.
'Pols' wordt ook gezegd voor polsslag.
Zie ook skelet.
Polsslag,
polsfrequentie:
het aantal polsslagen bij gezonde dieren bedraagt per minuut 70 tot 90 (in rust), afhankelijk van de grootte van de hond: hoe kleiner de hond, hoe sneller de pols.
De polsslag houdt verband met het samentrekken van de hartkamers, waardoor het bloed door het lichaam gepompt wordt.
Bij honden wordt de pols niet in de pols genomen. Op een paar plaatsen is de hartslag (pols) waar te nemen: direct tegen de borstwand is tussen de ribben het geklop van het hart voelbaar, terwijl in de liesstreek de grote dijbeenslagader is te voelen (met de vingertoppen naar het been gekeerd schuift u voorzichtig de hand tussen de lies en het bovenbeen naar achteren tot u het kloppen van de slagader aan de binnenzijde van het been kan voelen). Bij magere of bij kortharige honden kunt u het ook in de hals voelen.
Als een dierenarts de pols voelt, let hij op de frequentie, de kracht, de regelmaat en de gelijkheid van links en recht van de pols. Daarna verschuift de dierenarts zijn linkerhand naar de borstkas om de hartslag te controleren. Iedere hartslag moet gevolgd worden door een polsslag. De hartslag is voelbaar net achter de elleboog op de ribwand.
Poly-:
veel of meerdere.
Polyartropathie:
pathologische verandering in verschillende gewrichten.
te veel vingers of tenen; een erfelijke aangeboren afwijking.
Zie ook hubertusklauw.
ernstige dorst. Een hond drinkt teveel, als hij op een dag meer dan 10% (in liters) van zijn lichaamsgewicht (in kg.) drinkt. Bijv. een hond van 30 kg. drinkt teveel als hij in 24 uur meer dan 3 liter water drinkt.
Zie waterbehoefte van de hond en urineonderzoek.
Polyfagie,
polyphagie:
vraatzucht.
letterlijk: veel genen, die van invloed zijn op een eigenschap. Eigenschappen als groei, vruchtbaarheid en gedrag zijn polygene eigenschappen. I.t.t. monogeen.
Polygenetisch:
het verervingspatroon van twee of meer paren genen zonder invloed van het milieu.
Polyhybride kruising:
meerdere eigenschappen verschillend (deze kruising zien we bij onze honden).
Polymerie:
is het verschijnsel, waarbij één eigenschap wordt bepaald door meer dan één paar genen, waarvan elk gen op zich een even grote invloed bezit.
hoge urineproductie, veel plassen. Zie urineonderzoek.
een groep van rassen uit het Noordpoolgebied, die overeenstemmen in bouw, hoofd, vacht, oor- en staartdracht.
is de grote ader van de darm, milt, alvleesklier en galblaas naar de lever.
Zie bloedvaten en bloedsomloop.
Daarnaast bestaan er ook andere Poedelkruisingen.
Pootje geven:
zie melkslag.
Poot
oplichten:
zie wetenswaardigheden.
groep dieren van een bepaald ras of een bepaalde soort.
Porseleinoog:
zie glasoog.
in het poortaderstelsel. Portale organen zijn bijv. darmen, pancreas en milt.
Portale hypertensie is een verhoogde bloeddruk in het poortaderstelsel en evt. gevolg een shock.
P
zie levershunt.
Positieve bekrachtiging:
zie bekrachtiging.
of in normaal Nederlands 'kaalheid na het knippen of scheren' is een probleem dat voornamelijk voorkomt bij sledehonden (Samojeed, Siberische Husky en de Alaska Malamute), de Keeshond en de Chow Chow. Het komt ook wel eens bij andere hondenrassen voor, zoals de Labrador en de Duitse Herder. De klachten verschijnen soms pas maanden na het knippen of scheren. De huid wordt kaal, maar kan ook hyperpigmenteren (donker tot zwart worden). Met name de romp en ledematen vertonen de kaalheid.
De precieze oorzaak van het probleem is niet bekend. Een theorie is, dat na het knippen/scheren van de vacht de (kleine) bloedvaatjes in de huid op die plek samentrekken, omdat de vacht geen isolatie meer biedt. Hierdoor stopt de ontwikkeling en groei van de haren. Dit zou, juist bij de sledehonden, een aanpassingsmechanisme zijn om niet te veel warmte te verliezen in de koude gebieden waar ze (oorspronkelijk) leven.
Belangrijk om te weten is, dat ook andere oorzaken van alopecia zich pas na de behandeling van de vacht kunnen openbaren. Daarom moeten bij kaalheid deze andere ziekten, zoals primaire hypothyreoïdie, Cushing en Alopecia X, maar ook gewoon jeuk en een huidontsteking uitgesloten worden.
De diagnose wordt gesteld d.m.v. een goed lichamelijk onderzoek, histopathologie van de huid (onderzoek van een stukje huid met een microscoop door een specialist) en door de andere oorzaken uit te sluiten met aanvullend onderzoek zoals bijv. een bloedonderzoek.
De behandeling is de volgende. Het stevig wrijven van de kale gebieden kan ervoor zorgen dat het haar weer gaat groeien. Bij honden met Post-clipping alopecia komt het haar meestal terug in een tijdspanne van 6 tot 12 maanden. Het haar dat terugkomt is vaak wat donkerder van kleur.
Er zijn groot aantal oorzaken van alopecia zonder (zichtbare) ontsteking van de huid. Jeuk (pruritis) en oppervlakkige bacteriële folliculitis (pyoderma) zijn de meest voorkomende oorzaken van alopecia. Een goede anamnese en een goed klinisch onderzoek met de juiste aanvullende onderzoeken zijn nodig om de diagnose Post-clipping alopecia te stellen.
na de dood plaatshebbend, bijv. onderzoek; i.t.t. premortaal.
op de geboorte volgend, betrekking hebbend op de periode na de geboorte; i.t.t. prenataal.
na de operatie plaatshebbend.
Potoog:
oog, dat bolrond tussen de oogleden naar voren springt (bijv. Mopshond).
Powder puff:
een op het gehele lichaam behaarde naakthond.
PRA:
of (erfelijke) Progressieve Retina Atrofie of degeneratie.
Groep van erfelijke oogafwijkingen die, óf op jeugdige, óf middelbare, óf op latere leeftijd tot blindheid leiden.
De hond wordt geboren met een normaal netvlies. Pas op wat latere leeftijd (dit kan afhankelijk van het ras variëren van enkele weken tot enkele jaren) treedt er verval van zintuigweefsel op. Het gezichtsvermogen wordt minder. De omvangsafname (atrofie) van de retina (netvlies) is progressief: er komt steeds meer weefsel te vervallen tot de hond geheel blind is.
PRA is een afwijking, die slechts in recessieve vorm voorkomt. Dat betekent dat een hond drager kan zijn van het recessieve gen zonder dat er ziekteverschijnselen zijn. Pas als beide ouderdieren het recessieve gen aan een nakomeling doorgeven, is de betreffende hond lijder en zal de ziekte zich uiten.
Er zijn 2 vormen van PRA, nl. dagblindheid en nachtblindheid. De eerste vorm komt slechts zelden voor en PRA bij onze honden wordt derhalve meestal gezien in de vorm van nachtblindheid. Bij deze erfelijk bepaalde afwijking reageren de pupillen slechter dan normaal, ze blijven wijder open staan en vernauwen minder. Door de degeneratie van het netvlies, waardoor dit steeds dunner wordt en uiteindelijk vrijwel onzichtbaar, kunnen de staafjes en kegeltjes het licht niet meer opnemen. De hond wordt langzaam blind; de pupillen reageren bijna niet meer op lichtinval en blijven open staan.
PRA is voor de hond pijnloos, maar wel onaangenaam. Doordat de hond van nature meer gebruik maakt van zijn reuk en het geluid, en het zicht slechts een aanvulling is op zijn door de andere zintuigen verkregen informatie, kan hij redelijk leven als hij blind is, maar de eigenaar moet er wel rekening mee houden. Gezien het feit dat het hier een erfelijk bepaalde afwijking betreft, die zich reeds op vrij jonge leeftijd manifesteert, is het echter dringend noodzakelijk om maatregelen te nemen.
Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan, waardoor het voor vele rassen mogelijk zal zijn PRA m.b.v. DNA-technieken op te sporen.
Zie ook oogonderzoek voor de verschillende uitslagen bij officiële oogonderzoeken.
PracTic, prac-tic®:
is een 'ectoparasiticum', oftewel een middel dat op de huid of in de vacht van dieren levende parasieten als vlooien en teken doodt.
PracTic wordt gebruikt ter behandeling van vlooien- en tekenbesmettingen bij honden. Het kan tevens worden gebruikt als onderdeel van een behandelstrategie om vlooienallergiedermatitis (Flea Allergy Dermatitis), een allergische reactie van honden op vlooienbeten, onder controle te krijgen. Het middel blijft 4 weken nadat het is aangebracht werkzaam.
PracTic is een kleurloze tot gele, heldere oplossing met als werkzaam bestanddeel pyriprole. Het middel wordt aan honden toegediend m.b.v. een voorgevulde spot-on pipet, d.w.z. een kleine plastic houder die gevuld is met precies de hoeveelheid PracTic die nodig is om één hond te behandelen (PracTic is verkrijgbaar in 4 verschillende grootten voor verschillende maten honden). De inhoud van de pipet wordt uitgeknepen op de huid, nadat de haren van de vacht tussen de schouderbladen van de hond van elkaar zijn gescheiden.
Het werkzame bestanddeel van PracTic, pyriprole, staat in wisselwerking met een receptor die betrokken is bij de overbrenging van neurale impulsen (de GABA-receptor). Dit beïnvloedt het zenuwstelsel van vlooien of teken en leidt tot de dood van deze parasieten.
De meeste bij honden voorkomende bijwerkingen waren lokale reacties op de plaats waar het middel werd aangebracht, verkleuring van de vacht, haaruitval en jeuk, alsmede cosmetische veranderingen zoals een vettig uiterlijk van de vacht of samengeklit haar. Wanneer de hond zich likt op de behandelde plaats, kan hij een korte tijd veel speekselen.
PracTic mag niet worden gebruikt bij honden die jonger zijn dan 8 weken of minder dan 2 kg wegen, daar het middel onvoldoende bij deze dieren is onderzocht. PracTic mag, net zo min als andere middelen van dezelfde farmaceutische groep, niet worden gebruikt bij zieke dieren of bij honden die net van een ziekte zijn hersteld. Het middel is speciaal voor honden ontwikkeld en mag niet bij andere diersoorten worden gebruikt.
PracTic mag niet in contact komen met oppervlaktewater, daar het schade kan toebrengen aan waterorganismen.
valse kiezen; tussen hoektanden en de molaren; zie tanden.
Praeputium:
voorhuid.
genetische aanleg. Predisponeren: ontvankelijk maken.
Prednison:
zie corticosteroïden (ook voor bijwerkingen).
kennelnaam, geplaatst voor de eigennaam van de hond (bijv. Fiveshill Vivid Memory of Gentle); zie ook affix.
Premolaren:
zie praemolares en tanden.
voor de dood plaatshebbend; i.t.t. postmortaal.
aan de geboorte voorafgaand, betrekking hebbend op de periode voor de geboorte; i.t.t. postnataal.
Preparaat:
iets dat toebereid is, klaargemaakt geneesmiddel.
Prepotentie:
het beschikken over een groot aantal (goede) homozygote eigenschappen hetgeen de geschiktheid als fokdier om zijn eigen voorkomen en eigenschappen te reproduceren groot maakt.
Prevalentie:
het verschijnsel, waarbij homozygoten en heterozygoten van elkaar te onderscheiden zijn.
Previcox®:
De meeste hondenbezitters kennen inmiddels middelen als Metacam® en Rimadyl® als pijnstiller bij gewrichtsproblemen. De meeste honden verdragen deze middelen goed, sommigen gaan er op braken of krijgen er diarree door. Soms werken de middelen onvoldoende. Previcox zou een goed alternatief kunnen zijn als de andere middelen bijwerkingen hebben of onvoldoende effect hebben.
het voorkomen van ziekten.
Prikband, prikkelband:
zie parforceband.
Prikoor:
rechtopstaand, puntig oor.
hormoontoediening ter voorkoming van de loopsheid en als u aan geboortebeperking/geboorteregeling wilt doen. Deze loopsheidpreventie kan het ontstaan van baarmoederontsteking en melkkliertumoren ongunstig beïnvloeden. Er kleven dus nadelen aan. Het alternatief is: sterilisatie en castratie.
Zo'n antiloopsheid-injectie (progestagenen) wordt door de dierenarts gegeven. In principe moet de hond eerst een keer loops geweest zijn, voordat met de injecties begonnen kan worden. De eerste injectie dient ongeveer 3 maanden na de eerste loopsheid gegeven te worden en zal om de 5 maanden herhaald moeten worden. Er bestaat ook nog een ander soort prikpil, die om de 6 maanden gegeven moet worden, maar deze wordt minder vaak gebruikt.
Zoals gezegd, er zijn voor- en nadelen aan zo'n prikpil. Ik zet ze voor u op een rijtje:
De voordelen: a) het is een eenvoudige behandeling, b) het is op korte termijn goedkoper dan een sterilisatie, c) als u besluit om uw teefje ooit een nestje te laten krijgen, kunt u de hond weer loops laten worden.
Het is dus vooral een tijdelijke oplossing!
De nadelen (zeker als het meer dan eens gegeven wordt): a) op latere leeftijd meer kans op kanker van de melkklieren, b) de kans op baarmoederontsteking en/of suikerziekte blijft aanwezig, c) men vergeet nogal eens de injectie op tijd te laten geven, waardoor de loopsheid alsnog optreedt.
De fabrikant van de modernste prikpil, Delvosteron, raadt af om deze toe te passen bij honden die nog niet geslachtsrijp zijn.
Primipaar:
voor de eerste keer werpend.
of Primperan is een antimisselijkheidsmedicijn en een merknaam voor metoclopramide. Het is er als tablet en als injectie.
De samenstelling is per tablet metoclopramidehydrochloridemonohydraat overeenkomend met 10 mg metoclopramidehydrochloride, of per ml metoclopramidehydrochloride-monohydraat overeenkomend met 5 mg metoclopramidehydrochloride.
Het is een anti-emeticum voor honden.
Indicatie: braken (projectielbraken) en braakneigingen en ter voorkoming hiervan na operaties of ten gevolge van bepaalde medicamenten, ter bevordering van de peristaltiek bij maagontledigingsstoornissen ten gevolge van vertraagde motiliteit.
Contra-indicaties zijn darmobstructies of -perforaties. Bijwerkingen zijn extrapiramidale verschijnselen, sufheid en diarree.
Prinsenteken:
het door rimpels gevormde vierkante figuurtje op de schedel van de Mopshond.
Probiotica (enkelv. probioticum):
zijn mono- of mengculturen van lichaamseigen micro-organismen ter ondersteuning van de microflora van de gastheer. Het begrip probioticum (probiotisch) is afgeleid van het Griekse 'voor het leven' en de definitie ervan is 'een levende microbiologische toevoeging aan voedsel, die de gezondheid van de gastheer bevordert' door het microbiële evenwicht in de darm te verbeteren. Simpel gezegd: probiotica zijn potjes met levende goede bacteriën.
Als we over bacteriën praten, dan denken we meteen aan infecties die de gezondheid in gevaar brengen. Maar er zijn ook bacteriën, die juist samenwerken met het lichaam om de gezondheid te bevorderen. En dat zijn Probiotica.
Voorbeeld van die goede bacteriën zijn Lactobacillen, die o.a. een belangrijke rol spelen bij de bereiding van yoghurt en kaas.
Humane probiotica als Actimel of Yakult zijn niet geschikt voor uw hond !
De darmflora kan uit balans raken door factoren van buitenaf, zoals bijvoorbeeld het gebruik van antibiotica, andere medicijnen, ziekte of stress. Er ontstaat een tekort aan goede bacteriën, waardoor er weer allerlei andere klachten kunnen ontstaan zoals diarree, schimmelinfecties of gewoon een verminderde weerstand. Door probiotica te geven herstelt u de flora weer.
De werking van Probiotica is verdringen van ziekmakende bacteriën, neutraliseren van giftige stoffen, verbeteren van verteringsprocessen en stimuleren van de weerstand.
Onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat Probiotica veel belangrijker voor de gezondheid van mens en dier zijn dan eerst gedacht werd.
U kunt zich voorstellen, dat de bacteriën die in ons lichaam leven anders zijn dan die van onze honden. Ze kunnen zelfs een tegenovergestelde werking hebben. Dus zoals hierboven ook werd geschreven: humane probiotica zijn niet geschikt voor uw huisdieren.
Maar wanneer geeft u uw hond probiotica? Als uw hond een flinke infectie heeft of antibiotica krijgt, is het goed om probiotica te geven. Antibiotica pakken niet alleen de slechte bacteriën aan, maar ook de goede, waardoor de flora verstoord raakt. Als gevolg zie je vaak diarree of schimmelinfecties. Ook vermindert de weerstand, waardoor ze vatbaarder worden voor nieuwe infecties. Ook helpen de probiotica om de slechte bacteriën te bestrijden. De goede bacteriën ruimen ook de giftige stoffen op, die door de slechte bacteriën worden geproduceerd.
Bij darmklachten kunt u ook probiotica geven. Zeker bij chronische diarree kan het ondersteunend werken. Na operaties helpt het bij het herstellen.
Er bestaan verschillende merken, zoals Protexin®, Fastrack®, Primeval FloraCare etc., maar vraag uw dierenarts ernaar, want het succes van de probiotica wordt bepaald door de juiste kwaliteit, de juiste indicatie en de juiste manier van toedienen.
Naast probiotica bestaan er ook nog prebiotica. Prebiotica is een andere term voor voedingsvezels, die voorkomen in plantaardige producten en die op een natuurlijke wijze de bacteriewerking in de darmen stimuleren. Met de term vezel wordt een complexe substantie (meestal koolhydraten) aangeduid, die niet of moeilijk verteerd kan worden. De vezel wordt door bacteriën 'gefermenteerd' oftewel afgebroken. Dit proces stimuleert de bacterieflora in de darmen. Daarom worden ze prebiotica genoemd.
Processus:
uitsteeksel m.n. van het geraamte; het verloop van een ziekte.
Proctitis:
ontsteking van de endeldarm.
voorbehoedende maatregelen tegen ziekten.
drachtigheidshormoon. Het bevordert de dracht op verschillende manieren. Het bereidt de uteruswand voor op de implantatie van de vrucht, het vermindert de spierspanning van de uterus en het maakt de uterus minder ontvankelijk voor de samentrekkende invloed van het oxytocine, het vermindert de vorming van F.S.H. in de hypofyse, zodat geen nieuwe ovulaties kunnen optreden en het zorgt i.s.m. het prolactine voor de uitgroei van de melkklieren.
Zie ook geel lichaam, met-oestrus en bloedonderzoek.
enige dagen voor de eisprong (zie oestrus) stijgt het progesterongehalte in het bloed. Deze stijging kan gemeten worden in bloedmonsters. Zo kan het juiste tijdstip voor de dekking precies voorspeld worden.
Zie ook ovulatietest.
Proglottide:
segment van een lintworm.
Prognathisme,
prognathie (Prognatisme):
het naar voren schuiven van de onderkaak bij Pekingees, Engelse Bulldog, Boxer en Mopshond.
voorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte en de kans op herstel.
Program®:
als tablet of injectie tegen vlooien. Het doodt de vlooien niet, maar Program voorkomt alleen dat vlooien zich voortplanten, m.a.w. dat er te veel vlooien komen, voor de duur van ongeveer 1 maand. Het middel is ongeschikt om een acute vlooienbesmetting te bestrijden of ter behandeling van vlooienallergie.
Ook bestaat er Program Plus®: 1x per maand oraal in te nemen tablet voor vlooienbestrijding én breed-spectrum ontworming bij honden.
Program Plus wordt gebruikt voor het voorkomen van vlooien (Ct. felis, Ct. canis en pre-adulte stadia), voor de gelijktijdige preventie van hartwormen (eliminatie van de L3 / L4 stadia van Dirofilaria immitis) en/of voor de behandeling van gastro-intestinale nematoden zoals rondwormen (Toxocara canis), haakwormen (Ancylostoma caninum) en zweepwormen (Trichuris vulpis).
voortschrijdend, toenemend, erger wordend.
Projectielbraken,
projectiel braken:
of explosief braken is plotseling zeer heftig braken, zonder dat er sprake is van misselijkheid. Projectiel braken betekent: opstaan en plotseling alles in een golf ver voor zich uit braken.
Dit zien we vaak bij een pylorus spasme.
samen met het drachtigheidshormoon progesteron zorgt het prolactine voor de ontwikkeling van het melkklierweefsel. Is dit weefsel eenmaal in volle omvang aanwezig, dan zorgt het prolactine voor de vorming van melk.
verzakking, uitpuiling van een inwendig orgaan.
snelle vermenigvuldiging van cellen resp. weefsels, woekering.
ProMeris
Duo:
is een ectoparasiticum, d.w.z. een middel dat op de huid of in de vacht van dieren levende parasieten als vlooien en teken doodt.
ProMeris Duo™ is een middel, dat sinds maart '07 verkrijgbaar is en wordt door dierenartsen voorgeschreven ter behandeling en preventie van vlooien- en tekenbesmettingen bij honden, omdat - zo wordt er gezegd - Frontline op zijn retour is.
Het kan tevens worden gebruikt als onderdeel van een behandelstrategie om vlooienallergie-dermatitis (Flea Allergy Dermatitis), een allergische reactie van honden op vlooienbeten, onder controle te krijgen. Het middel blijft ten minste vier weken nadat het is aangebracht werkzaam.
ProMeris Duo is een heldere, geel tot oranje oplossing die metaflumizon (is nog nooit eerder in een middel tegen vlooien gebruikt) en amitraz als werkzame stoffen bevat.
Het middel wordt aan honden toegediend m.b.v. een voorgevulde spot-on pipet, d.w.z. een kleine plastic houder die gevuld is met precies de hoeveelheid ProMeris Duo die nodig is om één hond te behandelen (ProMeris Duo is verkrijgbaar in vijf verschillende grootten al naargelang het gewicht van de hond). De inhoud van de pipet wordt uitgeknepen op de huid, nadat de haren van de vacht tussen de schouderbladen van de hond van elkaar zijn gescheiden.
De werkzame stoffen van ProMeris Duo, metaflumizon en amitraz, beïnvloeden de zenuwfunctie van de vlooien en teken, hetgeen vervolgens tot de dood van deze parasieten leidt. Het middel doodde vlooien binnen 24 uur en teken binnen 48 uur na behandeling. Het bleef ten minste 6 weken werkzaam tegen vlooien (Ctenocephalides canis and C. felis) en 4 weken tegen teken (Ixodes ricinus, Ixodes hexagonus, Rhipicephalus sanguineus, Dermacentor reticulatos and Dermacentor variabilis).
De meeste bij honden voorkomende bijwerkingen waren behalve lethargie en sedatie, langzame en zwakke ademhaling, hyperglycaemie en bradycardie. Deze symptomen verdwijnen echter normaliter zonder behandeling binnen 24 uur. Indien symptomen ernstig of aanhoudend zijn dan kan de alfa-2-adrenoreceptor antagonist atipamezol hydrochloride worden toegediend in een dosis van 0,2 mg/kg lichaamsgewicht middels een intramusculaire injectie, om deze bijwerkingen tegen te gaan.
Er kunnen zich op de plaats waar het geneesmiddel is aangebracht cosmetische veranderingen voordoen (de vacht kan er vettig uit gaan zien en samenklitten).
Wanneer de hond zich likt op de behandelde plaats, kan hij een korte tijd veel speekselen.
ProMeris Duo mag niet worden gebruikt bij puppies die jonger zijn dan 8 weken, daar het middel niet voldoende bij deze dieren is onderzocht. ProMeris Duo mag, net als andere middelen van dezelfde farmaceutische groep, niet worden gebruikt bij zieke dieren of bij honden die net van een ziekte zijn hersteld. Ook niet aan drachtige en lacterende dieren. Het middel is speciaal voor honden ontwikkeld en mag niet bij andere diersoorten worden gebruikt.
ProMeris Duo mag niet in contact komen met oppervlaktewater, daar het schade kan toebrengen aan waterorganismen.
Als voorzorgsmaatregel dient ieder direct contact met de behandelde hond te worden vermeden. Kinderen moet niet worden toegestaan met de behandelde dieren te spelen totdat het gebied waar het middel is aangebracht, droog is. Onlangs behandelde dieren mogen niet in hetzelfde bed als hun eigenaar slapen, vooral niet als het om kinderen gaat.
Amitraz is een monoamine oxidase inhibitor (MOAI); gebruikers van geneesmiddelen die een monoamine oxidase inhibitor bevatten, zoals antidepressiva, moeten uiterst voorzichtig zijn bij gebruik van dit middel.
Bovenstaand verhaal is gemaakt m.b.v. de info voor het middel van de fabrikant Fort Dodge.
Maar er zijn inmiddels honden behandeld, die er niet tegen kunnen: erg sloom, snelle ademhaling, apathisch, onregelmatige hartslag etc., eigenlijk bijwerkingen die de fabrikant ook vermeldt. In de bijsluiter staat, dat als de hond bijwerkingen heeft, er een tegengif nodig is.
Hier een korte uitleg. Een van de gebruikte stoffen is amitraz. Dit is een stof die al heel lang bestaat en sec gebruikt wordt bij de behandeling van demodex. Het is bekend dat chihuahua's niet met amitraz behandeld mogen worden. M.a.w. dit zou in de bijsluiter vermeld moeten worden. De verschijnselen, die hierboven genoemd zijn, zijn neurologische verschijnselen die een enkele maal gezien kunnen worden na toediening van ProMeris Duo en vaak snel spontaan verdwijnen. Als tegengif wordt antisedan gebruikt wat elke dierenarts eigenlijk in huis heeft, omdat voor anesthesie heel veel gebruik gemaakt wordt van domitor. Antisedan heft de werking van domitor op, zodat je een te lange werking van domitor kunt verkorten, met als resultaat dat de hond eerder wakker is.
Ook is bekend dat collie-achtigen gevoeliger zijn voor ivermectine. Het zou zo kunnen zijn, dat deze groep honden misschien ook gevoeliger is voor amitraz.
het naar binnen draaien van de poot; i.t.t. supinatie.
streep van haren over de rug, die i.t.t. de overige rugharen juist verkeerd om zijn geïmplanteerd. Dit hebben 3 rassen: de Pronkrug of Ridgeback (zowel de Rhodesian als de Thai) en de hond van Phu Quoc.
De Engelse benaming is 'ridge'.
is het eerste gedeelte van de loopsheid, m.a.w. een periode uit de ovulatiecyclus.
Het begin van de pro-oestrus is uitwendig waar te nemen door het optreden van een bloederige afscheiding uit de vulva. Deze zogenaamde bronstbloedingen vinden hun oorsprong in het scheuren van de kleine en tere bloedvaatjes van de baarmoederwand en vaginawand. De schaamlippen zijn strak gespannen en voelen warm aan. Aan het eind van de pro-oestrus neemt deze spanning van de vulva weer af.
De teef begint in de pro-oestrus aantrekkelijk te worden voor reuen, maar laat een dekking niet toe.
De pro-oestrus kan in lengte variëren van 3 dagen tot 3 weken, maar is gemiddeld 9 tot 10 dagen lang.
Wat gebeurt er nu in de pro-oestrus?
Constant zijn er enkele primitieve eicellen, die het rijpingsproces inzetten. De meeste van deze eicellen gaan te gronde. Pas wanneer de hypofyse F.S.H. gaat afscheiden, kan de rijping van een aantal eicellen zich voortzetten.
De primitieve eicel gaat zich eerst omgeven door enkele lagen cellen, die afkomstig zijn van het dekepitheel van de eierstok. Het complex dat nu ontstaat, noemen we de follikel. In het centrum ligt de primitieve eicel, die in de rijpingsfase de tetradeling ondergaat tot volgroeide eicel. De cellen die om de eicel heen liggen, noemen we de follikelcellen.
Na enige tijd ontstaan er tussen de follikelcellen holten, de zogenaamde vacuolen, die gevuld zijn met vloeistof. De verschillende vacuolen vloeien tenslotte samen tot 1 grote vacuole, die de eicel, vergezeld van nog maar enkele laagjes cellen, U-vormig omgeeft. Men noemt de zo ontstane lichaampjes Graafse follikels. De Graafse follikels liggen helemaal tegen de wand van het ovarium aan.
Onder invloed van het F.S.H. gaan de follikelcellen het follikelhormoon produceren, dat beter bekend is onder de naam oestrogeen. Het oestrogeen bewerkstelligt 2 effecten:
a) onder invloed van de steeds groter wordende concentratie van oestrogeen neemt de Graafse follikel steeds meer vocht op in de vacuole. Dit leidt tenslotte tot het uiteenbarsten van de vacuole. Dit noemen we de ovulatie. Daarbij wordt de eicel met de omgevende dunne laag van follikelcellen als het ware weggeschoten. De laatste jaren wordt deze theorie van de 'knappende ballon' niet meer geheel en al aangehangen. Er zijn aanwijzingen, dat onder invloed van prostaglandines een zwakke plek wordt aangemaakt in de follikelwand, waardoor de follikel uiteindelijk wel moet scheuren.
b) daarnaast zorgt het oestrogeen ervoor, dat de baarmoederwand zich gaat veranderen. In de rustperiodes van de ovulatiecyclus is de baarmoederwand vrij dun, maar tijdens de pro-oestrus gaat de wand zich verdikken. Er worden meer cellagen gevormd en in deze cellagen bevinden zich ook kleine kliertjes en bloedvaatjes. Niet alleen de baarmoederwand wordt verdikt, maar ook de wand van de vagina en de vulva.
Gemiddeld komen 10 tot 30 eicellen in de pro-oestrus tot rijping. Bij een dekking kunnen ze in principe ook allemaal worden bevrucht, maar ze zullen lang niet allemaal tot een pup leiden. Sommige kiemcellen komen niet eens tot hun eerste deling, andere sterven reeds af voor ze zich in de baarmoederwand kunnen nestelen.
Propalin®:
wordt gebruikt voor de behandeling van urine-incontinentie geassocieerd met insufficiëntie van de sfincter van de urethra bij de teef.
Het is een heldere kleurloze siroop (fenylpropanolamine hydrochloride) voor oraal gebruik.
De aanbevolen dosis Propalin Siroop is 3 mg fenylpropanolamine-hydrochloride/kg lichaamsgewicht per dag verdeeld over 2 of 3 giften gedurende 3 of 4 weken. Dit komt overeen met tweemaal daags 0,75 ml/25 kg lichaamsgewicht of driemaal daags 0,5 ml/25 kg lichaamsgewicht. Bij terugkeer van de klachten kan de behandeling opnieuw worden gestart.
De absorptiegraad is verhoogd indien het product aan nuchtere dieren wordt toegediend. U mag het niet toedienen aan drachtige dieren.
Fenylpropanolamine hydrochloride is toxisch bij inname van overdoses. Bijwerkingen kunnen zijn: duizeligheid, hoofdpijn, misselijkheid, slapeloosheid of rusteloosheid en verhoogde bloeddruk. Hoge overdosis kan fataal zijn, voornamelijk voor kinderen.
problemen met de prostaatklier, een klier die een afscheiding produceert die samen met spermatozoïden en met afscheidingen van andere klieren het zaadvocht vormt.
De prostaatklier zit onder aan de blaas van de reu, waar de urethra begint. De klier zelf zit om de urethra heen. Dit betekent dat problemen met de prostaatklier er nog wel eens toe leiden, dat de hond moeilijk plast en poept.
Symptomen zijn o.a.: constipatie, incontinentie, bloed in de urine, een bloedende penis, pus uit de penis, moeite bij het poepen en/of lintvormige ontlasting. Als een reu tussen de 6 en 10 jaar is, kan de prostaat groter worden (hyperplasie). Het is een pijnloos verschijnsel. Een andere oorzaak voor prostaatproblemen is wanneer er een schadelijke bacterie in de prostaat komt en een infectie veroorzaakt (prostatitis).
Zie voor info over prostaatcarcinoom: wetenswaardigheden.
zijn een groep hormonen, die werken op lokaal niveau in het reguleren van ontsteking, verwijding en vernauwing van bloedvaten, pijn en koorts. Voorts beschermen ze de maagwand tegen de zure maaginhoud.
Men ontdekte prostaglandines voor het eerst in het prostaatvocht van de mannelijke dieren, maar deze hormonen zijn ook elders in het lichaam (bijv. traanvocht) aanwezig. Bij niet-drachtige vrouwelijke dieren vindt productie plaats in de baarmoederwand.
Als grondstof voor prostaglandines wordt het arachidonzuur gebruikt, zodat de essentiële onverzadigde vetzuren ook hun betekenis hebben bij de ovulatiecyclus.
Prostaglandines worden onwerkzaam gemaakt bij de passage van de longen in de kleine bloedsomloop. Om te voorkomen, dat de concentraties prostaglandines te laag worden om nog effecten te bewerkstelligen in de ovaria, is er een opvallend transportsysteem aanwezig: de ader, die het bloed vanaf de baarmoederwand wegvoert, wordt een aantal malen omslingerd door de slagader, die het bloed naar de eierstok voert en juist op deze plaats vindt overdracht plaats van prostaglandines vanuit de ader naar de slagader.
Zie ook pro-oestrus en met-oestrus.
Prostatitis:
zie prostaatproblemen.
Proteïne:
zie eiwit.
Proteïne-caloriedeficiëntie:
zie aminozuren.
Proteïnurie:
eiwit in de urine. Het komt vaak als symptoom bij nierziekten voor, maar het is geen bewijs ervan. Zie urineonderzoek.
eiwit in het bloed, dat bij de bloedstolling omgezet wordt tot thrombine. Op zijn beurt bevordert thrombine de vorming van fibrine uit fibrinogeen.
cytoplasma + (cel)kern.
Protozo (meerv. protozoën),
eencellig dierlijk organisme; eencellig parasiet.
het dichtst bij het middelpunt of de middellijn van het lichaam gelegen; i.t.t. distaal.
Pruritus:
jeuk.
is een bacterie. Een infectie met de Pseudomonas bacterie is vaak resistent tegen alle mogelijke antibiotica en krijgt daardoor de kans chronisch en pijnlijk te verlopen (chronische oorontsteking).
Pseudo-rabiës:
zie ziekte van Aujeszky.
Psoriasis:
huidaandoening met opvallende schilfering.
geestelijk; i.t.t. somatisch.
Psychogeen:
beginnend in de geest.
Psychologie:
leer van de werking van de geest, zielkunde.
Puber:
zie puberteit.
Puberteit,
puberen:
vanaf 6 maanden begint de ontwijktendens uit de angstperiode af te nemen en wordt de hond zekerder. Het begin van de puberteit kenmerkt zich meestal door het loops worden bij teven en markeergedrag bij reuen (en teven). Het is ook een periode, waarin sommige honden zullen proberen dominant te worden over de eigenaar. Dit kan zich uiten door het uitvoeren van dominant gedrag (bijv. bovenstaan) of het niet óf traag uitvoeren van al aangeleerde commando's. Het lijkt erop, dat uw puberende hond ineens 'vergeten' is wat eerder geleerde commando's betekenen. Ik noem het altijd: " Hij heeft bananen in z'n oren".
Puberteit wordt soms verkeerd geschreven als 'pubertijd'.
Zie ook gedrag, volwassenheid en rangorde.
Pubis:
schaamheuvel, schaamstreek.
Puist:
is een klein, met etter gevuld bultje.
Pulex:
vlooiengeslacht, dat leeft bij o.a. de hond. Klik hier voor meer info.
Pulmonaal,
pulmonair:
de longen of longvaten betreffend.
Pulmonaalstenose:
is een vernauwing van de longslagader.
Rassen waarbij pulmonaalstenose vaker wordt gezien zijn de Chihuahua, Beagle, Dwergschnauzer, Engelse Bulldog, Foxterriër en de Samojeed.
Pulpa:
weke massa, moes, merg.
Pulsoximeter:
is een toestel dat
Pulvex®
Spot:
voor de bestrijding van vlooien en teken. Het equivalent Tick-fence heeft exact dezelfde samenstelling (permethrin). Niet gebruiken bij puppies jonger dan 2 weken en ook niet bij katten.
Het actieve bestanddeel permethrin (cis:trans 40:60) is een insectendodend, synthetisch pyretroïde dat bij insecten selectief de overdracht van de zenuwimpuls onderbreekt. Permethrin oefent zijn activiteit uit door in het insect een wijziging te veroorzaken in de permeabiliteit van de zenuwmembraan voor natrium en kalium.
De dosering: voor honden van minder dan 15 kg: 1 ml product (= 1 ampul). Voor honden van meer dan 15 kg: 2 ml product (= 2 ampullen).
Breng het product direct op de huid aan. Open hiertoe de vacht en breng 1 ml product (= 1 ampul) aan op de rug van de hond tussen de schouderbladen.
Voor honden vanaf 15 kg lichaamsgewicht, breng tevens 1 ml product (= 1 ampul) aan op de rug aan de staartbasis van de hond.
De werkingsduur tegen vlooien en teken bedraagt 2 tot 4 weken. Nadat de hond gewassen is, kan een herbehandeling de bescherming voortzetten. Tussen 2 behandelingen dient een interval van minimaal 7 dagen in acht te worden genomen.
Vermijd toediening op de vacht en masseer het product niet in de huid. U moet de hond de eerste 12 uur na toediening niet laten zwemmen.
In verband met sensibilisatie en contactdermatitis dient bij de toepassing
direct huidcontact vermeden te worden. Draag daartoe handschoenen. Beperk
aanraken van uw hond na behandeling tot een minimum.
Waarschuwing: op internet wordt gezegd, dat Pulvex
niet aan collie-achtigen gegeven moet worden, maar
prik met als doel vocht uit het lichaam te verwijderen.
term voor een jonge hond.
opening in het regenboogvlies van het oog, die zich afhankelijk van de lichtsterkte verwijdt of vernauwt.
Puppy
fading syndroom, puppy fading syndrome:
puppy wegkwijn syndroom: puppyziekte, die binnen één of enkele dagen tot de dood van de pup kan leiden. De oorzaak is een besmetting met het canine-herpesvirus, en daarom niet te vergelijken met de wiegendood van mensenbaby's (waarbij men geen oorzaak weet).
is een cursus van O&O. Als je les geeft aan eigenaren van pups en jonge honden heb je specifieke kennis nodig. Juist in de eerste maanden van het hondenleven valt de ontwikkeling sterk te sturen. Als instructeur draag je daarom een extra verantwoordelijkheid bij deze groep.
Het doel van de Puppy-instructiecursus is het bieden van kennis en methoden speciaal gericht op de opvoeding van pup en jonge hond. Voor deelname aan deze cursus moet je in het bezit zijn van de certificaten AV en OH.
een klasse op een clubmatch, kampioenschapsclubmatch of een tentoonstelling, waar internationale kampioenschapsprijzen behaald kunnen worden (niet verplicht open te stellen), voor honden die de leeftijd van 6 maanden hebben bereikt en de leeftijd van 9 maanden nog niet hebben bereikt.
Op een clubmatch dingen honden die ingeschreven zijn in de puppyklas niet mee voor beste hond van de clubmatch. Een CAC en CACIB (internationale kampioenschapsprijs) wordt niet uitgegeven aan honden ingeschreven in de puppyklasse.
Puppyschurft:
zie demodex.
Puppytest:
test gehouden op de leeftijd van ongeveer 7 weken. De reden hiervoor is dat gewoontevorming bij de hond nog niet heeft kunnen plaatsvinden.
De meeste puppytests zijn gebaseerd op de test van Campbell (1975). Deze test bevat 5 onderdelen, die alle in een voor de pup onbekende ruimte uitgevoerd worden: a) sociale attractie; b) volgen; c) onderwerping; d) sociale dominantie; e) lift dominantie.
Purpura:
kleine, puntvormige bloeduitstortingen in huid of slijmvliezen.
Purulent:
etterend, etterig.
Pus:
Pyelonefritis:
nierbekkenontsteking; er zal altijd littekenweefsel in de nieren te zien blijven. Zie ook nieren.
Pyelum:
nierbekken; zie nieren.
Pylon:
felgekleurde kegel, waarmee een parcours bij
agility afgezet wordt of een bepaald punt
gemarkeerd wordt bij
Pylorus (maagportier):
uitgang van de maag naar de twaalfvingerige darm; dit is een kringspier. Zie ook gastrine.
Pylorus spasme,
pylorusspasme:
een spastische samentrekking van de pylorus spier, waarbij de spier het niet lukt te ontspannen en voedsel door te laten naar de dunne darm. Dit resulteert dan in braken van onverteerd voedsel.
Deze kramptoestand kan worden opgeheven met voedingsmaatregelen (licht verteerbaar dieet in kleinere porties), medicatie tegen krampen (bijv. primperan) en meestal ook kalmeringsmiddelen.
Zie ook projectiel braken.
Pyo-:
bacteriële infectie van de huid van de hond, huidaandoening met ettervorming. Een hond heeft normaal gesproken een bepaalde hoeveelheid onschadelijke bacteriën op zijn huid die infecties bestrijden. Zo nu en dan vermenigvuldigen deze bacteriën zich zodanig, dat de hond er last van krijgt. Ze kunnen tal van aandoeningen veroorzaken: acute vochtige dermatitis (eczeem), callus pyoderma, impetigo, tussenteenhuidontsteking en huidplooiontsteking.
Zorg dat uw hond regelmatig gekamd en geborsteld wordt, want zo komt pyoderma aan het licht voor hij ernstige vormen kan aannemen.
Alle soorten pyoderma worden met antibiotica behandeld.
chronische baarmoederontsteking bij de teef met ettervorming, die ongeveer 2 maanden na de loopsheid optreedt, ook als er geen dekking heeft plaatsgevonden. Een verlengde of onregelmatige loopsheid is dikwijls de eerste aanwijzing voor een chronische baarmoederontsteking.
Het duidelijkste en vroegste symptoom van pyometra is grotere dorst, waardoor de hond veel meer gaat drinken en dus ook meer moet plassen. Andere symptomen kunnen zijn: lelijke vacht, geen eetlust (of zelfs anorexia), braken, lusteloosheid en geen zin in wat voor lichaamsbeweging dan ook, slijmafscheiding uit de vulva na de loopsheid en overmatig likken van de vulva; s.g. urine is te laag, in het bloed is een sterk verhoogd aantal witte bloedcellen te zien (ontsteking), en middels echografie zien we een vergrote baarmoeder met vloeibare inhoud.
Door de ontsteking zwelt de baarmoeder op en vult zich met pus, en in sommige gevallen kan de baarmoeder enorme afmetingen aannemen. Als de teef deze ziekte heeft, wordt die bij elke loopsheid erger.
Pyometra wordt veroorzaakt door bacteriën, waarschijnlijk afkomstig van de urinewegen van de teef, en men denkt dat het hogere hormoongehalte tijdens de vruchtbare periode de groei van die bacteriën stimuleert. Gesteriliseerde/gecastreerde teven kunnen geen pyometra krijgen. De behandeling zal een operatie (castratie) zijn, zodra de zieke teef dit aankan. Antibioticakuren hebben weinig effect.
Zie ook baarmoederontsteking, urineonderzoek en endoscopie.
is een infectie met pus in de ruimte tussen de longen en de ribbenkast, de pleuraholte genaamd.
Pyridoxine:
Pyrogeen:
koortsverwekkend, door koorts ontstaan.
Q-koorts (Q-fever of
Coxiella burnetii):
is een zoönose veroorzaakt door Coxiella burnetii, een bacterie die gelijkenissen vertoont met rickettsiae en die zeer besmettelijk is. De 'Q' in Q-koorts verwijst naar het woord 'Query', wat vraag of vraagteken betekent. Tot 1937 was de verwekker van de ziekte, Coxiella burnetii, namelijk onbekend.
In
diverse landen wordt de
evolutie van Q-koorts sinds enkele jaren van
zeer nabij gevolgd omwille van het mogelijke gebruik van Coxiella burnetii in
biologische aanslagen.
Coxiella burnetii wordt overgedragen van dier op mens, maar veroorzaakt enkel
ziekteverschijnselen bij de mens.
In 2007
werden er in totaal 167 gevallen gemeld. Sinds 1
januari 2008 bedraagt het aantal meldingen van
humane Q-koorts patiënten in Nederland 491
(telling 21 juli '08), m.a.w. de ziekte verspreidt zich snel. De meldingen van Q-koorts
patiënten concentreren zich voornamelijk in de regio Nijmegen en Noord-Brabant. De ziekte
verloopt vaak zonder symptomen.
Coxiella burnetii kan bij vrijwel alle diersoorten voorkomen. De twee grootste kringlopen waarbinnen de bacterie circuleert zijn enerzijds wilde knaagdieren en anderzijds huisdieren, zoals rund, schaap en geit. Ook huisdieren als honden, katten en konijnen, maar ook duiven en andere vogels kunnen een besmettingsbron vormen.
Tussen wilde knaagdieren brengen teken de besmetting over van dier naar dier. Tussen de landbouwhuisdieren kan sporadisch ook een teek optreden als overbrenger van de ziekte, maar veel belangrijker is besmetting door het inademen van stofdeeltjes met daarin bacteriën.
Het inademen van besmette stofdeeltjes is ook de voornaamste oorzaak van besmetting bij de mens, waarbij de besmetting afkomstig is van de landbouwhuisdieren.
Meestal vertonen de dieren zelf geen verschijnselen, wel kunnen ze aborteren. De bacterie wordt vervolgens uitgescheiden in het abortusmateriaal (afgestoten vrucht, vruchtvliezen en vruchtwater) en met de lichaamsvochten (traanvocht, urine, slijm, speeksel, melk). De bacteriën kunnen goed buiten het dier overleven, waardoor dierlijke producten langdurig een bron van besmetting kunnen blijven.
Besmetting bij mensen vindt voornamelijk plaats via de luchtwegen door inademen
van besmet stof, dat afkomstig is van stallen, weilanden, ruwe wol, huiden,
kleding etc. Teken kunnen voor overdracht van dier op dier zorgen, en soms voor
overdracht op de mens. Besmetting direct van mens op mens komt niet voor.
Daarnaast is besmetting mogelijk door consumptie van besmette rauwe
melk(producten) of onvoldoende verhit vlees.
Er zijn ook gevallen beschreven, waarbij moeders pasgeboren kinderen
infecteerden via de placenta
en/of de moedermelk.
De
ziekteverschijnselen bij de mens:
meestal vertoont men na
infectie geen symptomen of een voorbijgaand
griepachtig beeld. Omdat een infectie met deze bacterie zich door het hele
lichaam verspreidt, zijn veel verschillende symptomen mogelijk. Gemiddeld
beginnen de verschijnselen (incubatieperiode)
2 tot 3 weken na besmetting; dit kan echter oplopen tot 6 weken. Duidelijke
verschijnselen zijn een heftige hoofdpijn (in het
acute begin) en
een wisselend koortsverloop. Andere mogelijke symptomen zijn: koude rillingen,
spierpijn, zweten, verminderde eetlust, misselijkheid,
braken,
diarree en een
relatief lage hartslag. Ook kan een droge hoest en pijn op de borst voorkomen in
geval van een longontsteking. Redelijk vaak komt er bij Q-koorts een
leverontsteking voor zonder symptomen. Bij een
chronische
infectie kunnen deze symptomen tot 10 jaar na de eerste oorzakelijke infectie
optreden. De chronische vorm komt vaker voor bij patiënten
met reeds bestaande hartklepafwijkingen. Tevens lopen personen met een
verminderde weerstand (als gevolg van bijv. transplantatie, kanker, chronische
nierziekte of zwangerschap) meer risico ziek te worden na besmetting.
Q-koorts is een beroepsrisico voor o.a. boeren, dierenartsen, laboranten en
slachthuispersoneel, hoewel de ziekte ook voorkomt bij mensen die sporadisch
contact met geïnfecteerde (huis)dieren hebben. Dus wees
goed op
de hoogte van het risico op Q-koorts, zodat bij klachten adequaat behandeld kan
worden. Het is vooral de periode rondom lammeren/kalven waarop veel bacteriën in
het milieu terecht kunnen komen, maximale hygiëne is dan van groot belang.
Consumeer geen rauwe melk(producten) en maak vlees goed klaar.
Sinds 2009 is vaccinatie tegen Q-koorts verplicht in Noord-Brabant, een deel van Gelderland en een deel van Noord-Limburg voor houders van meer dan 50 melkgeiten of melkschapen en voor houders van schapen en geiten op bedrijven met een publieksfunctie (kinderboerderijen, zorgboerderijen en dierentuinen). Buiten dit gebied is vaccinatie ook verplicht op bedrijven waar door de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) een besmetting met Q-koorts is vastgesteld. Alle overige houders van schapen en geiten hebben de mogelijkheid vrijwillig hun dieren te laten vaccineren tegen Q-koorts.
Meer informatie over Q-koorts (Q-fever) kunt u vinden op de website www.capraovis.nl.
Quadratisch (gebouwd):
vierkant gebouwd, m.a.w. de schofthoogte is gelijk aan de lichaamslengte.
doorgaans duidt men met quarantaine verplichte afzondering aan, die moet voorkomen dat dieren bij import ziekten inslepen. Voor honden speelt hier met name hondsdolheid (rabiës) een rol. De bepalingen verschillen in de diverse landen. Bij vakantie of de uitvoer van honden kan men inlichtingen over de in het betrokken land geldende voorwaarden inwinnen bij de dierenarts, die hierover jaarlijks up-to-date wordt gehouden door de Veterinaire Dienst.
Quatroeille:
Franse benaming voor de tanvlekjes boven de ogen bij honden,
die een
tanpatroon hebben. In Zwitserland wordt het
Vieräugel genoemd.
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell