Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse
kynologische & medische termen en uitdrukkingen
M
Maag:
een gespierde, ietwat peervormige zak, die vooral aan de linkerzijde van het lichaam ligt, vlak achter het middenrif. Naar verhouding is deze maag redelijk klein, maar bij honden is hij wel zodanig elastisch, dat honden gigantische maaltijden kunnen wegwerken.
Zie spijsverteringsstelsel, gastritis, gastro-enteritis, gastropexie en gastroscopie.
Maagdarmontsteking:
zie wetenswaardigheden.
Maagkanker:
zie wetenswaardigheden.
Maagportier:
zie pylorus.
Maagtorsie (maagdraaiing, maagkanteling):
een draaiing van de maag om de lengteas, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt.
Voor uitgebreide info: zie wetenswaardigheden 8 en gastropexie.
ontstaat als er een gat is ontstaan in de beschermende slijmvlieslaag van de wand van de maag of de twaalfvingerige darm. Het agressieve maagzuur komt dan direct in contact met de zenuwen van de maagwand. Een maagzweer (maagulcus) is niet hetzelfde als gastritis, maar kan wel het gevolg zijn van een acute gastritis.
Maagzweren komen ook bij de hond voor. In tegenstelling tot wat vroeger altijd gedacht werd (nl. dat stress de oorzaak is), is hiervoor een bacterie verantwoordelijk. Sommige honden hebben geen klachten, anderen braken af en toe eens wat of eten gras, en andere honden braken vele malen op een dag soms met bloed erbij, hebben bloedverlies via het maagdarmkanaal (geronnen bloed kleurt de ontlasting donkerbruin/zwart), hebben een slechte algemene conditie, buikpijn of andere pijnverschijnselen zoals bijv. overdreven hijgen. Meestal zijn geneesmiddelen zoals aspirine, giftige stoffen, soms infecties of parasitaire besmettingen de oorzaak.
Men denkt dat 50-75% van de honden maagzweren heeft (aangetoond door gastroscopisch onderzoek bij honderden honden zonder klachten).
Zie ook spijsverteringsstelsel.
Maanoog:
zie glasoog.
te lange oogspleet; zie ectropion.
grote fagocyt, (vr)eetcel, behoort tot de witte bloedcellen. Macrofagen zijn in staat om de zeer kleine ziekteverwekkers (bacteriën en virussen) te omhullen en binnen hun eigen lichaamscel binnen te halen. Door verteringssappen worden de ziektekiemen afgebroken, zodat ze onschadelijk worden.
Macroliden:
groep antibiotica.
Macroscopie:
onderzoek met het blote oog.
Macroscopisch:
zichtbaar met het blote oog of met bepaalde optische hulpmiddelen.
Macula:
huidvlek.
Made:
larvestadium van een vlieg. Een made komt bij warm weer voor in met bloed of ontlasting besmeurde huiddelen. De vliegen leggen hierin hun eitjes, waaruit de maden komen. Deze vreten zich in de huid en veroorzaken heftige jeuk en pijn. Directe hulp van de dierenarts is geboden.
Ten onrechte worden de leden van de lintworm, die rondom de anus kunnen vastkleven, maden genoemd.
is van groot belang bij de prikkelgeleiding in de zenuwen. Het bevindt zich bovendien in de botten.
Zie ook zouten, mineralen en electrolyten.
MAG-test:
Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedragstest. De MAG-test kan door de rasverenigingen als selectiemiddel bij de fokkerij worden gebruikt.
De test is in oktober 1998 aan kynologisch Nederland gepresenteerd. Na een aarzelende start gingen steeds meer verenigingen ertoe over de test te gebruiken, vooral als inventarisatiemiddel, om de stand van zaken rond het gedrag in het betreffende ras in kaart te brengen.
Twee eigenschappen maken een hond ongeschikt als gezelschapshond en ook als fokdier van gezelschapshonden: overmatige angst en overmatige agressie. Daar test de MAG-test dus op. Maar het is voor rasverenigingen mogelijk ook andere gedragsaspecten te laten meten.
De test is vastgelegd in een protocol, dat een zo groot mogelijke gelijkvormigheid garandeert van de test, zowel wat betreft de opstelling, de inhoud, de timing, de observatie en de interpretatie van de observaties. Twee speciaal daarvoor geschoolde gedragskeurmeesters nemen de test af, daarbij bijgestaan door een MAG testleider.
De Raad van Beheer heeft de MAG-test bij het ministerie van LNV gepromoot als alternatief voor de 'agressietest' die het ministerie heeft laten ontwikkelen om agressief geachte honden mee te testen. Voorwaarde van het ministerie om de MAG-test voor dit doel in te zetten was dat werd aangetoond dat de test daarvoor bruikbaar is. Uit onderzoek is gebleken dat dit inderdaad zo is.
De MAG test biedt dus aan de kynologie en de maatschappij een algemeen hulpmiddel, breed inzetbaar, om gedrag te testen, bij alle rassen, bij alle honden. Desgewenst kan aan het met goed gevolg doorlopen van de test een certificaat worden verbonden, maar van wezenlijk belang voor de test zelf is dat niet.
Verder beoogt de MAG-test synergie te bewerkstelligen tussen datgene wat in afzonderlijke rasverenigingen geschiedt op het gebied van onderzoek aan karakter en gedrag.
Tenslotte acht de Raad de MAG-test een praktisch alternatief voor de 'agressietest', op brede schaal inzetbaar voor het door de overheid aangekondigde screenen vooraf van als 'agressief' aangemerkte rassen en honden.
Deze MAG gedragstest bestaat uit 16 onderdelen, waarvan een aantal is overgenomen uit de agressietest, met dat verschil dat de testonderdelen allemaal buiten op een veld worden uitgevoerd (in 2007 begint de Raad een onderzoek of het mogelijk is de test ook binnen af te nemen).
Alle testonderdelen duren 20 seconden. De uitvoeringsduur bedraagt ongeveer 15 minuten. Bij deze gedragstest worden 8 onderdelen met en 8 onderdelen zonder eigenaar uitgevoerd. De hond wordt geconfronteerd met akoestische en visuele prikkels, wordt vriendelijk en bedreigend benaderd en er is een confrontatie met een andere hond van een ander ras en hetzelfde geslacht als de te testen hond.
Behalve naar het bijtgedrag wordt ook naar de eigenschap angst gekeken.
De MAG-test is geschikt voor het testen van honden vanaf 18 maanden. Deze leeftijd is van belang i.v.m. de leeftijd waarop er met honden wordt gefokt.
In 2009 heeft de Raad van Beheer besloten de MAG test te laten doorontwikkelen naar TOP (Toetsing Op Persoonlijkheid) test.
hierbij kunnen de darmen ofwel het voedsel niet verteren ofwel de voedingsstoffen ervan niet absorberen. Het gaat om een syndroom, niet om een ziekte, maar ze is het gevolg van een aandoening van de dunne darm of het spijsverteringsenzym.
Het wordt vaak veroorzaakt door schade aan de darmvlokken in de dunne darm t.g.v. voedselintolerantie of een parasitaire, bacteriële of virale infectie, vooral door het parvovirus. Het syndroom kan ook een gevolg zijn van een darmontsteking of exocriene pancreasinsufficiëntie.
Honden die lijden aan malabsorptie lijken ondervoed, hoewel ze vraatzuchtig eten. Hun ontlasting is omvangrijk, vettig en stinkt. Omdat vetten niet worden verteerd, kunnen de haren rond de anus van de hond vettig zijn.
Het malabsorptiesyndroom wordt door de dierenarts vastgesteld na een onderzoek van de hond en een bloedonderzoek op vitamine B12 en foliumzuur. Een biopsie van de wand van de dunne darm is vaak nodig om de echte oorzaak op te sporen. De specifieke oorzaak moet worden behandeld. Vaak gebeurt dit m.b.v. een dieet.
onbetrouwbaar.
g
Pas als de weerstand van de hond om welke reden dan ook omlaag gaat, kan deze gist de overhand krijgen en voor een ontsteking van de huid of de oren zorgen (dermatitis). We zien dat Malassezia vaak opspeelt bij honden met een slechte vachtconditie of een allergie en er wordt zelfs gedacht aan mogelijke erfelijke of hormonale factoren (bijv. een te traag werkende schildklier of de ziekte van Cushing). Zeker is dat weerstand een grote rol speelt. Honden van alle rassen kunnen huidproblemen van Malassezia pachydermatis krijgen, maar we zien het vaker bij honden met veel huidplooien en de rassen die in de literatuur vaak genoemd worden, zijn de West Highland White Terriërs, Poedels, Bassets, Cocker Spaniels en Teckels. Reuen en teven zijn even vaak aangedaan.
Malassezia pachydermatis zorgt voor jeuk. Daarnaast zien we in meer of mindere mate de volgende veranderingen van de huid: roodheid, kaalheid en schilfers. Daarnaast kan de huid stinken door een vettige afscheiding (exsudaat), de huid wordt 'klef'. In chronische gevallen zien we, dat de huid verkleurt (hyperpigmentatie) en dikker wordt (lichenificatie). De huid is vooral aangetast bij de lippen, oren, poten, oksels, liezen en de hals.
De diagnose kan gesteld worden door het aantonen
van een zeer groot aantal gisten (veel meer dan normaal) in een
plakbandpreparaat van de huid of in een
schimmelkweek van een haarmonster. Het is ook
mogelijk om in het bloed
specifieke
antilichamen tegen Malassezia pachydermatis aan te tonen.
Indien er een overgroei van Malassezia is, is het heel belangrijk om de
achterliggende oorzaak te achterhalen. Bestrijding van de gist alleen heeft
namelijk weinig zin, als de oorzaak gewoon aanwezig blijft.
Indien er een achterliggende oorzaak gevonden wordt, dient deze zo mogelijk behandeld te worden. Heel vaak is het dan zo, dat de Malassezia-overgroei dan door het lichaam zelf bestreden wordt en u helemaal niet aan de gang hoeft met allerlei heftigere middelen.
Als er geen onderliggende oorzaak gevonden wordt, kan de overgroei met Malassezia bestreden worden met Nizoral® tabletten (werkzame stof is Ketoconazol). Door tabletten in te geven, wordt het middel via de darmen in het bloed opgenomen en zo door het hele lichaam verspreid, zodat het ook in de huid komt. Op deze manier wordt de gist grondig bestreden. Helaas is Nizoral geen onschuldig middel en komt het ook in de lever terecht, die het middel weer moet afbreken. Dit is zeer belastend voor de lever en kan daardoor schade aanrichten.
Kortom, Malassezia pachydermatis wordt meestal veroorzaakt door een weerstandsprobleem (door welke oorzaak dan ook) en zal bij het onder controle krijgen van de primaire oorzaak meestal vanzelf verdwijnen.
Er zijn vaak ook goede resultaten met het middel MacSamuel Weerstand, omdat dit middel een algemeen weerstandsverhogend effect heeft.
Zie ook Surolan.
Maligne, maligniteit:
kwaadaardig, gevaarlijk; i.t.t. benigne.
Malocclusie:
is een aandoening, waarbij de tanden niet goed op elkaar passen.
Zie brachygnathie en prognathie.
Mamma, meerv. Mammae:
borstklier, melkklier.
Mammatumor:
tumor aan de melkklieren; zie wetenswaardigheden.
Mand:
een ligplaats voor honden. Deze moet zo ruim zijn, dat de hond er gemakkelijk in kan liggen, dus koop hem vooral niet te klein. De mand moet op een plaats staan, waar de hond zich goed voelt, maar niet op de tocht.
De manden moeten regelmatig schoongemaakt worden om ongedierte en stof te verwijderen. 'Manden' van kunststof of kunstleer zijn het eenvoudigst te reinigen.
Mandibula:
onderkaak.
een belangrijk sporenelement voor de stofwisseling, skeletvorming en voortplantingsorganen.
Mantel:
één kleur, die bijna de gehele hond bedekt. Alleen de benen, hals en een stuk (laatste deel) van de staart blijven anders gekleurd (bijv. Jura Laufhund).
is speuren op de man, een reddingshondendiscipline die in Nederland nog vrij uniek is. Een mantrailer of speurwerkhond zoekt naar de puur specifieke geur van een bepaald persoon. M.b.v. een geurbron, zoals een kledingstuk, sleutelbos, haarborstel etc. van die persoon neemt de hond de geur op en zoekt waar hij die geur nog meer vindt, zodat hij de persoon kan localiseren. Die persoonsgebonden geur is voor de hond a.h.w. een soort vingerafdruk. Het is individueel en specifiek.
Bij het begin van zijn speurtocht krijgt hij de geur van de persoon die hij moet volgen te ruiken. Dit kan d.m.v. een stukje stof dat enige tijd contact met de huid van die persoon heeft gehad. Honden die meer ervaring hebben kunnen deze geur ook opnemen vanaf een sleutelbos, een fiets of een autoportier.
Gedurende het lopen verifieert de speurwerkhond telkens de aanwezige geuren op zijn pad met de geur van de persoon die hij moet zoeken. Hij selecteert deze geur bij wijze van spreken. Zodoende is de speurwerkhond in staat een route te lopen die de vermiste persoon ook gelopen heeft.
De persoonsgebonden geur ontstaat door het ontbindingsproces d.m.v. bacteriën van de afgestorven huidcellen in verbinding met de huidafscheiding. De luchtstroom rond het lichaam transporteert dode afgestorven huidcellen naar de omgeving.
De omgevingsinvloeden
zoals temperatuur, luchtvochtigheid en wind bepalen weer waar en hoever van de
mens vandaan deze huidcellen op de grond belandt of aan planten of bomen gaat
plakken. Als het bijv. hard waait, ligt het geurspoor van een persoon soms
meters verwijderd van het spoor die deze persoon heeft gelopen.
De omgevingsinvloeden bepalen ook hoelang de hond nog in staat is deze persoongebonden geur te kunnen onderscheiden van andere geuren. Gemiddeld is een geoefende en ervaren hond in staat na 48 uur nog het spoor te volgen. Een ervaren bloedhond zelfs tot 72 uur! Toch kunnen onder ideale omstandigheden hele oude sporen (soms wel van een week oud) gevolgd worden, terwijl er onder andere omstandigheden (storm en hevige regenval) niets meer van een spoor over is.
Omdat de hond leert hoofdzakelijk naar de persoongebonden geur van een mens te zoeken en niet naar bodembeschadigingen (zoals bij het gewone speuren) is de mantrailer ook te gebruiken op harde ondergronden zoals asfalt, beton, tegels etc. Zo kan bijvoorbeeld een mantrailer een spoor van iemand volgen die dwars door een druk winkelcentrum loopt.
Er zijn in Nederland nog niet veel mensen bezig met het trainen van een mantrailhond.
Mantsjoerijse
Sneeuwhond:
ook Mongoolse Dog genoemd. Het is een vierkante witte hond met een zware vacht.
Maorihond:
zie Kuri.
M.A.P., MAP:
zie meervoudige apporteerproeven.
Marginaal:
op de rand (=margo) gelegen, zich op de rand bevindend.
a) gebied door een geurvlag afzetten om andere honden af te stoten;
b) het juist observeren van de plaats, waar het wild is beland en deze plaats ook enige tijd kunnen onthouden. Enkele honden kunnen zelfs 4 valplaatsen onthouden.
Bij markeeropdrachten moet de hond laten zien, dat hij de plaats waar de dummy is gevallen goed heeft onthouden. De ideale hond laat dit zien door er in één rechte lijn naar toe te gaan en, zonder verdere aanwijzingen van zijn voorjager, de dummy te vinden.
Bij de workingtesten in Engeland vallen de dummy's vaak op erg grote afstanden, zo'n 150 à 200 meter. Als de hond dan niét goed gemarkeerd heeft en bijvoorbeeld in een verkeerd gebied gaat zoeken, mag de voorjager de hond helpen door hem naar het valgebied te dirigeren door commando's met een fluitje en armsignalen te geven. De grootte van het valgebied wordt bepaald door de afstand naar de dummy toe, het zicht van de hond op het vallen van de dummy, obstakels onderweg en het soort terrein.
Marlborough
Spaniel:
is een King Charles van 5,5-7 kg. Deze variëteit is niet erkend.
Marque de chevreuil:
het reeënteken: grijze vlekjes op de billen bij de
Français Blanc et Noir en de Grand/Petit
Gascon-Saintongeois.
mannelijk; i.t.t. feminien.
een donker gekleurde (donkerbruin tot zwarte) voorsnuit. Wordt bij veel rassen verlangd.
Zie ook domino.
Mastitis (melkklierontsteking):
is een ontsteking van de melkklieren van de teef tijdens het zogen. Mastitis leidt tot harde melkklieren, die warm aanvoelen; de melk die door een ontstoken melkklier wordt geproduceerd kan bloederig zijn en/of er afwijkend uitzien. De zieke teef voelt zich niet lekker; ze zal hoogstwaarschijnlijk geen of weinig eetlust hebben en mogelijk ook braken.
Mastitis wordt veroorzaakt door een bacteriële infectie door streptokokken. Om mastitis te voorkomen dient u de buik van de teef regelmatig schoon te vegen, liefst met een mild antibacterieel middel.
De pups moeten alle tepels evenveel gebruiken. Lukt dit niet (bijv. bij een klein nest), dan moet u de melk met de hand uit de ongebruikte tepel(s) drukken.
Maxilla:
bovenkaak.
de tijd voor het afleggen van een agilityparcours, die bij overschrijding leidt tot diskwalificatie. De MPT, bepaald door de keurmeester, bedraagt niet minder dan 1,5 maal de SPT en ten hoogste 2 maal de SPT.
MDR1:
of Multidrug Resistance is overgevoeligheid voor bepaalde geneesmiddelen.
Bij de normale gezonde hond worden het hersenweefsel en het centrale zenuwstelsel beschermd tegen de hoge concentraties van giftige stoffen (zoals geneesmiddelen) die in de bloedbaan circuleren. Het “Multidrug Resistance gen 1” (MDR1 gen) heeft een belangrijke functie in de barrière tussen de bloedvaten en het hersenweefsel. Het codeert het eiwit P-glycoproteïne, dat een onderdeel is van het membraan in de bloed-hersen-barrière.
P-glycoproteïne zorgt ervoor dat allerlei giftige stoffen (o.a. geneesmiddelen zoals Ivermectine) vanuit de hersencellen worden teruggevoerd in het bloed.
Het verschijnsel 'Ivermectine-overgevoeligheid bij Collies en Collie-achtigen' werd voor het eerst beschreven in 1983. Ivermectine (een middel tegen parasieten) veroorzaakt vergiftigingsverschijnselen in de hersenen bij een deel van de Collies. Dat gebeurt al bij doseringen die 1/200ste deel zijn van de doseringen die bij andere honden tot schade leiden. De dieren die het treft gaan vaak overmatig speekselen, ze gaan braken, krijgen epileptiforme aanvallen, krijgen spijsverterings- en ademhalingsstoornissen en kunnen in coma raken en zelfs overlijden.
Honden die aan overgevoeligheid voor Ivermectine lijden, blijken overgevoelig te zijn voor een reeks van geneesmiddelen.
Dr. Katrina Mealey en haar collega’s van het Department of Veterinary Clinical Sciences van Washington State University ontdekten, dat overgevoeligheid voor Ivermectine wordt veroorzaakt door een deletie (een verliesmutatie) in het gen voor MDR1. De afwijking vererft autosomaal recessief.
Een MDR1 DNA-test geeft 3 mogelijke resultaten:
• Uw hond is 'vrij' (en heeft 2 'gezonde' allelen: MDR1/MDR1).
De hond zal bij gebruik van risico-geneesmiddelen geen overgevoeligheidsreacties krijgen en, minstens zo belangrijk, kan de afwijking niet doorgeven aan de volgende generatie.
• Uw hond is 'drager' (en heeft 1 'gezond' allel en 1 'defect' allel: MDR1/mdr1-1Δ).
De hond zal het mutante allel aan de helft van zijn nakomelingen doorgeven. Dragers kunnen vergiftigingsverschijnselen krijgen bij toediening van een normale dosis loperamide (Imodium®), en van een aantal geneesmiddelen tegen kanker of bij toediening van een hoge dosis Ivermectin (meer dan 50 microgram per kilogram).
• Uw hond is 'lijder' (en heeft dus 2 defecte allelen: mdr1-1Δ/mdr1-1Δ). Lijders geven het afwijkende allel door aan al hun nakomelingen in de volgende generatie en krijgen vergiftigingsverschijnselen bij toediening van risico-geneesmiddelen. Het zijn de dieren die de overgevoeligheidsreacties in hevige mate vertonen.
In de literatuur wordt een aantal geneesmiddelen gemeld die overgevoeligheidsreacties veroorzaken bij honden (met name bij Collies en Collie-achtige honden). Zodra een dier dat aan overgevoeligheid lijdt medicatie nodig heeft, is het verstandig om de meest recente versie van de lijst met “Risico-geneesmiddelen” te raadplegen. Het is te verwachten, dat deze lijst wordt uitgebreid naarmate er meer onderzoek wordt gedaan. Uit biochemisch onderzoek blijkt, dat het gen MDR1 een rol speelt bij tenminste 50 verschillende geneesmiddelen.
Het Veterinary Clinical Pharmacology Laboratory (VCPL) van het College of Veterinary Medicine van Washington State University publiceert op haar webpagina de meest recente ontwikkelingen in het farmacologisch onderzoek op het gebied van “Multidrug Resistance”.
Voordat u geneesmiddelen toedient, kijk altijd eerst op deze webpagina's van VCPL, GCS of Buster Alert, zodat u op de hoogte bent van de meest recente gegevens. Maar let op: niet alleen bepaalde geneesmiddelen kunnen gevaarlijk zijn, maar ook het eten van poep van andere honden die deze middelen toegediend hebben gekregen!
Rassen die risico's lopen zijn: Collie, Sheltie, Australian Shepherd, Border Collie, Bearded Collie, Australian Cattledog, Bobtail, maar ook Engelse Herder, langharige Whippet, Silken Windhound, Duitse Herder, Zwitserse Witte Herder en kruisingen van Collie-achtigen.
Doordat er een DNA-test beschikbaar is, kunt u uw hond laten testen. Tevens kunt u overwegen om dit gelijktijdig te laten doen voor de opslag van een bloedmonster in de DNA-databank. Die DNA-databank heeft een aantal voordelen voor u. Onder andere kunt u daarvan gebruik maken indien er in de toekomst DNA-testen beschikbaar komen voor andere erfelijke afwijkingen. U kunt dan uw hond laten testen zonder dat daarvoor opnieuw bloed moet worden afgenomen. Het monster blijft gedurende 25 jaar ter beschikking van u en u kunt al die tijd testen laten uitvoeren.
Per 1 juni 2009 verviel de mogelijkheid om bloed op te laten slaan in de GCS-DNA-databank; in het Dr. Van Haeringen Laboratorium BV te Wageningen en het Laboklin GmbH & CoKG te Bad Kissingen (D) bleef het wel nog mogelijk.
eerste zwartachtige ontlasting van pasgeborenen, darmpek.
aan de binnenzijde, naar het midden gelegen; i.t.t. lateraal.
Mediaanlijn:
de voorhoofdsgroef, een lichte indeuking van de schedel tussen de ogen, die meestal naar de achterhoofdsknobbel geleidelijk ondieper wordt en vervaagt.
op het midden betrekking hebbend; i.t.t. lateralis.
scheidingswand in het midden van de borstholte.
Medioligne:
volgens prof. Solaro honden, waarvan de lichaamslengte groter is dan hun schofthoogte, ongeveer in verhouding 11:10.
Medulla:
merg, ruggenmerg.
Meervoudige
Apporteerproeven (M.A.P.):
een door Orweja geïntroduceerde wedstrijdvorm. Deze proeven hebben ten doel de weidelijkheid tijdens de jacht te bevorderen door het gebruik van goed opgeleide jachthonden na het schot te stimuleren. De apporten kunnen combinaties zijn van diverse opdrachten, steadiness, markeren, verloren, sleep en dirigeren.
Een MAP bestaat uit 6 samengestelde proeven waar bij iedere proef twee stuks dood veer- of haarwild geapporteerd dienen te worden. De proeven zijn niet vooraf bekend en zijn gesimuleerde jachtsituaties.
Deelname aan een MAP is uitsluitend mogelijk indien de hond in het bezit is van een KNJV B of KNJV A diploma.
is een aandoening die gekenmerkt wordt door een verwijding van de slokdarm. De golfbewegingen van de slokdarm zijn afwijkend, waardoor het eten niet goed verplaatst wordt naar de maag en dus in de slokdarm aanwezig blijft. Soms is een onderliggende ziekte de oorzaak van de megaoesophagus, maar regelmatig kan er geen oorzaak gevonden worden.
De aandoening komt met name voor bij de hond en soms bij de kat. Na de maaltijd (soms snel, maar soms ook veel later) komt het eten plots weer omhoog en wordt uitgespuugd of weer doorgeslikt. Dit noemt men regurgiteren. Het wordt vaak door de eigenaar braken genoemd, maar dat is het in feite niet. Bij braken komt het voedsel terug uit de maag en zie je herhaalde bewegingen van de buikspieren voordat het voedsel er pas uitkomt. Bij regurgiteren is het voedsel helemaal nog niet in de maag geweest.
Dieren kunnen gaan vermageren en als ze zich verslikken, doordat de slokdarm abnormaal functioneert, kan er koorts, hoesten en benauwdheid ontstaan door de longontsteking die kan optreden (de zogenaamde versliklongontsteking). Overige verschijnselen zijn afhankelijk van de eventuele onderliggende ziekte en oorzaak van de megaoesophagus.
De ziekte kan worden onderverdeeld in de volgende 3 groepen:
• De aangeboren megaoesophagus zonder aanwijsbare oorzaak. Dat is als de verschijnselen al begonnen zijn toen het dier erg jong was. Meestal gaan de pups regurgiteren als ze overgaan van melk naar vaste voeding. Deze vorm zou vaker voorkomen bij de Ierse Setter, Duitse Dog, Duitse Herder, Labrador Retriever, Shar Pei, Newfoundlander, Dwergschnauzer, Foxterriër en de Dalmatiër.
• De verkregen megaoesophagus (die op latere leeftijd is ontstaan) zonder aanwijsbare oorzaak. Het is niet bekend hoe de slokdarmproblemen bij deze vorm ontstaan.
• De verkregen megaoesophagus met een aanwijsbare oorzaak. Mogelijke oorzaken zijn:
* Systemische lupus erythematosis;
* Polymyositis / polymyopathie;
* Glycogeen stapelingsziekte (type2);
* Dermatomyositis;
* Dysautonomie syndroom;
* Hondenziekte;
* Tetanus;
* Tumor van de slokdarm;
* Vasculaire ring anomalie;
* Strictuur van de slokdarm;
* Vreemd voorwerp in de slokdarm;
* Lood vergiftiging;
* Organofosfaat vergiftiging;
* Ziekte van Addison;
* Maag dilatatie-volvulus;
* Oesophagitis;
* Thymoom;
De dierenarts kan een vermoeden hebben van de aandoening door de symptomen en de röntgenfoto. De diagnose kan bevestigd worden door een barium contrastonderzoek.
Er dient een volledig bloed- en urineonderzoek gedaan te worden om te zoeken naar een eventuele oorzaak. Het bloed dient ook altijd getest te worden op Myasthenia gravis. Er kunnen nog meer onderzoeken noodzakelijk zijn als de dierenarts een vermoeden heeft van een van de bovengenoemde oorzaken.
Als er een oorzaak gevonden is voor de megaoesophagus, dan dient deze natuurlijk behandeld te worden. Bij die patiënten waarbij de megaoesophagus blijvend is en bij de patiënten waar nooit een oorzaak is gevonden, kan helaas alleen ondersteunend behandeld worden:
* De maaltijd moet in kleine porties verdeeld worden over de dag. De hond moet eten met de voorpoten op een dusdanige verhoging, dat het dier op zijn achterpoten steunt en de slokdarm een verticale stand heeft. Het voedsel kan nu door de zwaartekracht passeren naar de maag i.p.v. dat het in de slokdarm blijft zitten. De hond moet 5-10 minuten na het eten of drinken in deze positie blijven staan. De ene hond reageert beter op zacht voer, de andere op droge brokken.
* Bij dieren die ernstig vermagerd zijn of dieren met een versliklongontsteking kan er een sonde (slang) in de maag geplaatst worden, zodat de voeding direct in de maag terecht komt. Sommige honden reageren goed op de sonde, anderen blijven toch regurgiteren en zich verslikken doordat de voeding vanuit de maag terugvloeit in de slokdarm.
* Een aanwezige longontsteking dient zo snel mogelijk behandeld te worden met een breed spectrum antibioticum.
* De patiënten dienen iedere 1-2 maanden bij de dierenarts op controle te komen, waarbij er een foto gemaakt wordt. De mate van verwijding van de slokdarm wordt bekeken en de longen worden gecontroleerd op ontsteking.
Wat is de prognose? Sommige honden met een aangeboren megaoesophagus verbeteren met de ondersteunende behandeling.
De prognose voor dieren met een verkregen megaoesophagus zonder aanwijsbare oorzaak is slecht: ze bezwijken helaas vaak aan een longontsteking, doordat ze zich steeds weer verslikken.
Als er wel een oorzaak is gevonden, kan er in ongeveer de helft van de gevallen met succes behandeld worden.
Zie ook slokdarm.
Mégnin, Prof. Pierre:
ontwierp in 1896 de onderstaande indeling van de rassen naar hun bouw, vooral uiterlijk:
a) lupoides, dus wolventype, bijv. de Hollandse Herder;
b) braccoides, jachthonden behalve Windhonden, bijv. Foxhound en Pointer;
c) molossoides, dus doggen, bijv. Mastiff;
d) graioides, Windhonden, bijv. Greyhound.
In elke groep konden weer 5 ondergroepen voorkomen:
1) van 65 cm schofthoogte en meer;
2) tussen 40 en 65 cm;
3) tussen 20 en 40 cm;
4) onder 20 cm;
5) krombenigen.
Behalve deze inmiddels achterhaalde indeling, bestaan er tal van andere, o.a. die van de Kennel Club en de FCI.
Zie ook het boek 'Le Chien et ses Races' bij literatuur over de hond.
Meiose:
de reductiedeling die in de geslachtscellen plaatsvindt; daarbij worden gameten gevormd en wordt het aantal homologe chromosomen gehalveerd.
is een aandoening waarbij de ontlasting zwart is. Het wijst erop, dat er ergens in het spijsverteringsstelsel een bloeding is geweest. Er zijn verschillende oorzaken, zoals bijv. ingeslikt bloed, bloeding in de maag of darmen, of een inwendige bloeding door medicijnen, gif of een vreemd voorwerp.
zwart of bruin pigment in de huid. Zie ook eumelanine en feomelanine (pheomelanine).
Melanocyten:
zijn cellen, die pigment bevatten.
Melanoom:
kwaadaardig, gepigmenteerd bindweefselgezwel (huidkanker).
Voor meer info over kanker: zie wetenswaardigheden.
dit hormoon stimuleert de vorming en de verdeling van melanine in de huidcellen. Hoewel de hypofyse in principe constant melanotropine zou kunnen maken, wordt hij in de productie geremd, wanneer de epifyse het hormoon melatonine in grote hoeveelheden aanmaakt.
Melk:
zie hondenmelk.
Melkgebit:
volledig aanwezig met 12 weken; zie tanden.
tijdens de zoogperiode kunnen één of meerdere melkklieren ontstoken raken. Zo’n melkklier is warm, hard, gezwollen en pijnlijk. De huid is rood tot blauwrood verkleurd en de melk is abnormaal van kleur en consistentie. De teef kan koorts hebben en is algemeen ziek. Vaak zal ze weigeren om de pups te laten drinken aan de ontstoken melkklier. Toch is het aan te raden om de pups juist aan de ontstoken tepel te leggen, zodat de spanning in de borst minder wordt. Als de druk, door het zuigen, minder wordt, laat de teef het meestal wel toe. De behandeling bestaat uit een gerichte antibioticum kuur (aan de hand van een kweek en een gevoeligheidstest) en eventueel pijnstillers. Een ijscompres wil de pijn ook wel eens verzachten. Dit kunt u aanbrengen door een "coldpack" in een washandje te doen, waarna u met een badhanddoek het zakje op zijn plaats houdt door deze om de hond te wikkelen en met een veiligheidsspeld vast te maken. Leg ijs nooit onbeschermd op de huid.
Verlies uw teef niet uit het oog!
zijn bij honden vaak voorkomende gezwellen aan de melkklieren; 40% van deze tumoren worden kwaadaardig (meest voorkomende vorm van kanker bij de hond).
Een intacte (niet-gecastreerde) teef heeft 25% kans, een reu ongeveer 1% kans om melkklierkanker (tepelkanker, borstkanker) te krijgen.
De kans wordt groter naarmate de hond ouder wordt, en wordt gereduceerd als de teef vroeg gecastreerd wordt.
Als een teef vaak schijnzwanger is, wordt de kans hierop ook erg groot. De reden is, dat bij elke volgende schijnzwangerschap door steeds weer melkgift, er met melkvocht gevulde holten ontstaan, die kunnen ontaarden in melkkliertumoren.
Als er zich tumoren hebben gevormd, is het belangrijk dat ze helemaal weggehaald worden. Ook dan overlijdt 40-60% in de eerste twee jaar na de operatie.
Zie voor meer info: wetenswaardigheden.
het door de pups slaan van hun voorpootjes tegen de melkklier van de teef (moederhond). Ze doen dit al direct na de geboorte. Door het aaien van het pootje over de tepelhuid laat de hypofyse van de teef oxytocine los, waardoor de afgifte van melk vanuit het klierweefsel naar de tepel wordt gestimuleerd.
In een latere levensfase, wanneer de melkbron bij de moederhond nagenoeg is opgedroogd, gebruiken de pups de melkslag nog, maar dan slaan zij met hun voorpoot in de richting van de bek van de moederhond of een andere hond uit de roedel. De volwassen honden kunnen reageren door voedsel uit te braken.
Als pups nog ouder zijn, wordt de melkslag opnieuw van een andere betekenis voorzien. Het wordt dan een begroetingsgebaar, dat veel honden ook maken naar de hand van de baas: het 'pootje geven'.
bij melkgebrek of overlijden van de teef zonder dat er een min kan worden gevonden, is een melkvervanging voor het kunstmatig grootbrengen van de pups onontbeerlijk. Koeienmelk bevat te weinig vet en proteïnen, met name globuline en albumine. Een goed verteerbare vervanging krijgt men door 2 delen ongesuikerde gecondenseerde melk te verdunnen met 1 deel water en daaraan in de juiste verhouding verse room en een aminozuurpreparaat, bijv. eiwithydrolysaat, toe te voegen en dagelijks een multivitaminepreparaat in de juiste dosering te geven. Het mengsel moet voor elke maaltijd (in het begin elke 4 uur) vers worden aangemaakt en in goed gereinigde zuigflessen op lichaamstemperatuur worden gebracht.
De dierenarts kan u advies geven over speciale puppymelkpreparaten. Deze zijn steriel, goed uitgebalanceerd en prima verteerbaar en verdienen dus de voorkeur.
Membraan:
vlies.
Membrana nictitans (MN):
derde ooglid; knipvlies.
Membrana pupillaris persistens
(MPP):
het blijven zitten van delen van het vaatvliesje, dat bij het embryo, dus tijdens de zwangerschap, de voorzijde van de lens voorziet van bloed. Dit vaatvliesje behoort circa 4 weken na de geboorte te zijn verdwenen.
MPP wordt veroorzaakt doordat, tijdens het laatste deel van de dracht, een stoornis in de afbraak van het embryonale vaatnetje aan de voorzijde van de lens optreedt. Bij een aantal rassen (bijv. Petit Basset Griffon Vendéen) is de afwijking erfelijk bepaald. MPP is dus een aangeboren afwijking en komt in vele vormen voor. Bij de lichtste vormen blijven er kleine pigmentklontjes achter op de voorkant van de lens of tegen de binnenkant van het hoornvlies. Ook kunnen er zich draadjes bevinden op het oppervlak van het regenboogvlies. Deze draadjes kunnen ook oversteken over de pupil of naar de voorkant van de lens of naar de binnenzijde van het hoornvlies. Er kan ook een soort spinnenweb voor de pupil van overblijven. Als de resten verbonden zijn met de binnenzijde van het hoornvlies, kunnen zij daarin witte littekens veroorzaken. Het lijkt dan of de hond al op pupleeftijd een beschadiging aan het oog heeft gekregen. Als de resten tegen de voorzijde van de lens blijven zitten, kunnen zij daar cataract veroorzaken. Soms gaat MPP ook gepaard met andere oogafwijkingen, zoals microftalmie of netvliesafwijkingen.
Een behandeling is vrijwel nooit noodzakelijk. Een heel enkele keer is operatieve verwijdering nuttig.
Honden met ernstige vormen van MPP kunnen beter worden uitgesloten van de fokkerij, net zoals lijders uit rassen waarbij MPP een probleem vormt.
grondlegger van de hedendaagse erfelijkheidsleer. Geboren als Johann Mendel (* 22-7-1822 in Heinzendorf in Oostenrijk, tegenwoordig Tsjechische Republiek; † 6-1-1884 in Brünn/Brno in Moravië). Hij werd in 1848 tot priester gewijd en nam de kloosternaam Gregor aan (Augustijner monnik).
Mendel experimenteerde met erwten en bonen. In 1866 publiceerde hij zijn ontdekkingen. Pas rond 1900 werd door andere onderzoekers de waarde van zijn ontdekkingen ingezien o.a. door de Amsterdamse hoogleraar Hugo de Vries (* 16-2-1848 Haarlem; † 20-5-1935 Amsterdam), Carl Correns (* 19-9-1864 München; † 14-2-1933 Berlijn) en Erich von Tschermak-Seysenegg (* 15-11-1871 Wenen; † 11-10-1962 Wenen).
1) de Reciprociteitsregel zegt, dat het er voor veel kenmerken niet toe doet of ze van de mannelijke of van de vrouwelijke ouder afkomstig zijn.
Als een fokzuivere zwarte Labrador wordt gepaard met een bruine, zijn alle nakomelingen zwart. Het doet er dan niet toe of de reu of de teef fokzuiver was voor die zwarte kleur. Reciprociteit betekent dus dat het geslacht zonder gevolgen kan worden omgekeerd, m.a.w. de nakomelingen van BB x bb zijn hetzelfde als van bb x BB.
2) de Uniformiteitsregel (monohybride kruising) houdt in, dat alle nakomelingen van kruisingen tussen rassen (homozygoot) er hetzelfde uitzien.
Als een raszuivere zwarte Labrador gekruist wordt met een bruine Labrador, worden alle nakomelingen in het nest zwart. Ze zijn uniform, zowel in genotype als in fenotype (BB x bb = Bb)
3) de Dominantieregel houdt in, dat een kenmerk een ander kenmerk kan onderdrukken (domineren).
De zwarte kleur in het eerstgenoemde voorbeeld van Labradors is dominant over de bruine kleur: BB (zwart) x bb (bruin) = Bb (zwart).
4) volgens de Splitsingsregel valt de uniformiteit van de producten van een kruising weer uit elkaar als de kruisingsproducten onderling gepaard worden.
Als de zwarte nakomelingen uit het eerste voorbeeld van de Labradors onderling gepaard worden, dan worden daaruit naast zwarte ook bruine nakomelingen geboren. Mendel stelde vast, dat in een dergelijk geval op 4 nakomelingen naast 3 zwarte gemiddeld 1 bruine kan worden verwacht.
M.a.w. Bb x Bb = BB-Bb-bB-bb, dus 75% zwart (¼ BB, dus homozygoot zwart en ½ Bb, dus heterozygoot zwart) en 25% bruin (bb, dus homozygoot bruin). Dus fenotypisch 3:1 en genotypisch 1:2:1.
5) volgens de Onafhankelijkheidsregel (dihybride kruising) kunnen verschillende kenmerken onafhankelijk van elkaar worden overgeërfd.
Als kortharig zwarte kruisingsproducten (F1) van een langharige rode Ierse Setter en een kortharige zwarte Labrador (P) onderling gepaard worden, kunnen in de F2 kortharig zwarten (9/16), kortharig roden (3/16), langharig zwarten (3/16) en langharig roden (1/16) verwacht worden. De kenmerken voor de haarlengte en de haarkleur worden onafhankelijk van elkaar overgeërfd.
We kennen 3 wetten van Mendel: de 1e wet van Mendel zijn de eerste 3 regels, de 2e wet is regel 4 en de 3e wet van Mendel is regel 5.
Meningen (klemtoon op de 2e
lettergreep nin):
hersenvliezen.
Meningencefalitis, meningencephalitis:
ontsteking van het hersenweefsel (hersenen en hersenvlies).
of hersenvliesontsteking is een ontsteking van de hersen- en/of ruggenmergvliezen.
Bij mensen (vooral bij kinderen) is meningitis een beruchte infectieuze ziekte. We kennen allemaal wel de verhalen uit de media over de besmettelijke vorm van hersenvliesontsteking die af toe in een bepaald gebied of op een school ineens de kop op steekt. De infectie wordt bij mensen veroorzaakt door een virus of een bacterie. Bij honden komt hersenvliesontsteking ook voor, hoewel de aandoening niet altijd onderkend wordt.
We zien naast de (overigens vrij zelden voorkomende) infectieuze vorm van meningitis bij honden ook een niet infectieuze (oftewel aseptische) vorm van meningitis, waarvan de oorzaak eigenlijk niet precies bekend is.
Bij honden wordt een infectieuze meningitis vrijwel altijd veroorzaakt door een bacteriële infectie. Deze bacteriële infectie is meestal afkomstig van een ontsteking elders in het kopgebied. Zo kan bijv. een oorontsteking of een ontsteking van de ogen, neus of bijholten zich uitbreiden en een meningitis veroorzaken. Maar ook vanuit een ontsteking elders in het lichaam (tussenwervelschijven, prostaat, botten, hartspier, baarmoeder) kan door verspreiding via het bloed een hersenvliesontsteking optreden. Het is overigens niet altijd mogelijk om de originele infectiebron te traceren.
Naast bacteriën kunnen ook andere infectieuze agentia de oorzaak zijn van deze vorm van meningitis. Zo kunnen we denken aan protozoa zoals Toxoplasmose, schimmels zoals Cryptococcus, Blastomycose en Coccidiomycose en virussen zoals het Hondenziektevirus.
De genoemde schimmelinfecties komen in Nederland voor zover we weten niet of nauwelijks voor. Een infectie met Toxoplasma of de genoemde virussen waarbij het centraal zenuwstelsel geïnfecteerd raakt, beperkt zich meestal niet tot een ontsteking van de hersenvliezen, maar veroorzaakt tevens een ontsteking van het hersenweefsel zelf (= meningencefalitis).
De "aseptische of immuungemedieerde meningitis" wordt niet veroorzaakt door een infectie. Het is een ontsteking t.g.v. een storing in het immuunsysteem. De eigenlijke oorzaak voor deze ontsporing van het immuunsysteem is tot op heden nog niet bekend.
Het is meestal sterk leeftijd gebonden, de honden zijn vrijwel altijd jonger dan 1 jaar en het komt meer voor bij honden van de grote rassen. Vooral de Berner Sennenhond is berucht vanwege deze kwaal, hoewel de indruk bestaat dat de aandoening bij dit ras enkele jaren geleden frequenter voorkwam dan tegenwoordig.
Wat zijn de symptomen? Honden met een infectieuze meningitis zijn eigenlijk altijd zeer ernstig algemeen ziek: de dieren zijn zeer sloom, hebben koorts, kunnen braken en zijn soms zelfs in shock met verschijnselen van een lage bloeddruk en een trage hartslag. Daarnaast zien we de kenmerkende symptomen van een meningitis: zeer stijf in de nek, pijnlijk bij bewegen van de nek en overgevoelig voor prikkels zoals aanraking, geluid en licht.
Honden met de aseptische vorm van meningitis vertonen vaak alleen maar de extreme nekpijnlijkheid en nekstijfheid, hebben vaak (maar niet altijd) koorts en zijn verder niet in ernstige mate algemeen ziek. Een hond met een meningitis heeft eigenlijk altijd een zeer typische houding: hij houdt de kop angstvallig omlaag en als hij opkijkt (bijv. als je hem roept) dan kijkt hij alleen met zijn ogen, terwijl hij zijn kop zelf zo min mogelijk beweegt. Bij het lopen zet hij de poten zeer voorzichtig en wat onzeker neer: "hij loopt op eieren". Ze vinden het meestal niet fijn om aangeraakt te worden, hoewel dit laatste symptoom bij de ene hond uitgesprokener aanwezig is dan bij de andere hond.
Op grond van het klinisch beeld is het onderscheid tussen de infectieuze vorm van meningitis en de immuungemedieerde meningitis vrij eenvoudig te maken.
Bij de infectieuze meningitis is het natuurlijk van belang, dat de dierenarts probeert vast te stellen welk micro-organisme de infectie precies veroorzaakt. Pas dan kan er een gerichte therapie worden ingesteld.
Bij het vaststellen van de oorzaak voor de infectieuze meningitis kan een bloedonderzoek, urineonderzoek en onderzoek van de cerebrospinale vloeistof (= de hersenruggenmergvloeistof) informatie verschaffen over de oorzaak van de meningitis. Verder is het van belang dat er gericht onderzoek gedaan wordt naar de eventuele primaire ziekte (ontsteking van de hartspier, ontsteking van de tussenwervelschijven, onderzoek van de neus, oren of sinussen etc.). Het kan dus zinvol zijn om röntgenfoto's te maken van de schedel of de wervelkolom, of een echo van hart en/of buik om de primaire ontstekingsbron op te sporen.
Bij de immuungemedieerde meningitis zal er bij nader onderzoek in bloed of cerebrospinale vloeistof eigenlijk verder niets te vinden zijn, behalve soms een toename in het aantal witte bloedcellen bij bloedonderzoek.
Wat houdt de behandeling in? Zoals gezegd is het bij de infectieuze meningitis mogelijk om een gerichte behandeling in te stellen, zodra bekend is welk micro-organisme de oorzaak is van de infectie.
Naast het geven van een gericht antibioticum zijn aanvullende maatregelen vaak noodzakelijk in de vorm van infusen en eventueel koortsremmende middelen. Is het oorzakelijke agens niet bekend, dan moet er gekozen worden voor een breed spectrum antibioticum. Het is ook van belang dat er bij de keuze van een antibioticum rekening wordt gehouden met het vermogen van het antibioticum om in de hersenvliezen door te dringen (het moet de bloed-hersenbarrière kunnen passeren).
Bij de immuungemedieerde meningitis moet de behandeling gericht zijn op het onderdrukken van de ongewenste immuunreactie van het lichaam. Regulier geeft de dierenarts hiervoor prednison. Hij begint dan met een hoge dosering, die hij via de bloedbaan toedient en daarna gaat hij over op tabletten die qua dosering in ongeveer 2-3 weken snel afgebouwd worden.
De meeste honden reageren gelukkig vrij snel op deze behandeling, maar helaas kan het voorkomen dat de aandoening tot een bepaalde leeftijd (meestal 1-1,5 jaar) telkens recidiveert. Dan gaat het gebruik van al die prednison toch een beetje tegen staan. We kunnen dan proberen om een homeopathisch middel te vinden om de meningitis te behandelen of om een recidief te voorkomen.
De homeopathische middelen waaraan we bij een meningitis kunnen denken, zijn Apis mellifica, Belladonna, Bryonia, Gelsemium of Zincum metallicum.
Let op: een infectieuze meningitis mag nooit behandeld worden met (alleen) een homeopathisch middel. Dit is een levensbedreigende ziekte, die zonder antibiotica niet zal genezen. Sterker nog: zelfs met het goede antibioticum is de kans nog steeds groot, dat de hond zal komen te overlijden.
De immuungemedieerde meningitis is weliswaar een ernstige aandoening waarbij de hond zich heel ellendig voelt, maar is niet direct levensbedreigend en bovendien leent het immuungemedieerd zijn van deze aandoening zich veel beter voor een homeopathische behandeling. De homeopathie grijpt immers juist aan op het immuunsysteem.
Het is dus absoluut niet de bedoeling dat u m.b.v. bovenstaande opsomming van homeopathische middelen zelf thuis gaat dokteren! Een hond met symptomen van een meningitis moet door een dierenarts behandeld worden!
hoefijzervormige schijf in het kniegewricht. Van een meniscuslaesie is sprake als de schijf gescheurd of dubbelgeklapt is. Meniscuslaesie treedt vooral op bij een instabiel kniegewricht, o.a. als gevolg van een kruisbandlaesie.
Zie ook skelet.
geestelijk, psychisch.
is een kleurgen, dat o.a. bij de Australian Cattle Dog voorkomt. Het merle-gen kan afhankelijk van de wijze waarin het voorkomt een gevlekte of harlekijn-tekening geven. Deze honden hebben een verhoogde kans op doofheid als de hoeveelheid wit verhoogd is. Honden met het merle-gen, die bijna geheel wit zijn, zijn vaak doof.
Zie cochleaire doofheid.
een plaatselijke blauwe of rode verkleuring van de vacht, die wordt aangetroffen bij honden van sterk uiteenlopende rassen.
Zie ook blue merle, red merle, sable-merle en getijgerd.
Mésalliance:
ongewenste dekking. De in het verleden hardnekkig beweerde opvatting, dat een dergelijke paring sporen zou nalaten bij nakomelingen uit latere wel gewenste paringen, is volledig achterhaald.
Mesencefalon, mesencephalon:
de middenhersenen.
Mesenterium:
darmscheil, vliezen waar de darmen aan vastzitten en de bloedvaten doorheen lopen.
Mesioversie:
van de hoektand is een afwijkende ligging van de bovenhoektand en komt voor bij de Sheltie en een enkele maal bij andere rassen (o.a. de Jack Russell Terriër). In de Angelsaksische literatuur wordt dit een 'Lance canine tooth' genoemd.
Vaak is de melkhoektand daarbij nog aanwezig. Dit is waarschijnlijk een afwijking met een erfelijke achtergrond.
Therapie is goede homecare (poetsen) als element niet behandeld wordt, een extractie van de hoektand of een orthodontische behandeling.
is een chemische stof die tijdens de stofwisseling in het lichaam wordt gevormd.
stofwisseling. Metabolisme kunnen we nog onderscheiden in katabolisme en anabolisme.
Metacam®:
is een sterk werkende niet-steroïde ontstekingsremmer en is er als injectie of suspensie. Behorend tot de oxicam-klasse, een groep van enolzuren, die onderdeel uitmaakt van de NSAID's. Sterke remmer van de prostaglandinesynthese met anti-inflammatoire, analgetische, antipyretische en anti-trombotische eigenschappen. Remt de leukocyteninfiltratie in ontstoken weefsel en voorkomt kraakbeenbeschadiging.
Na subcutane en intraveneuze toediening van Metacam 5 mg/ml injectie is de biologische beschikbaarheid 100%. Maximale bloedspiegels na subcutane injectie worden bij de hond na 2½ uur bereikt. Er bestaat een lineair verband tussen de toegediende dosis en de bereikte plasmaspiegels. De hoge eiwit-binding maakt een optimale penetratie in de ontstoken weefsels mogelijk. Het verdelingsvolume is bij de hond 0,3 l/kg. De gemiddelde terminale halfwaardetijd in het bloed is voor de hond 24 uur. Metacam wordt gemetaboliseerd tot farmacologisch inactieve metabolieten door de lever en voornamelijk via de feces uitgescheiden.
Indicatie: verlichting van ontsteking en pijn bij zowel acute als chronische aandoeningen van het bewegingsapparaat. Vermindering van postoperatieve pijn en ontsteking na orthopedisch chirurgische ingrepen en weke delen chirurgie.
Contra-indicaties: niet gebruiken bij drachtige of melkgevende teven. Maar ook niet bij honden die lijden aan gastro-intestinale afwijkingen zoals irritatie en bloedingen, verminderde lever-, hart- of nierfunctie en stollingsstoornissen of bij honden waarbij een individuele overgevoeligheid voor het product is gebleken. Niet gebruiken bij pups jonger dan 6 weken.
Typische bijwerkingen van NSAID's zoals vermindering van de eetlust, braken, diarree, occult fecaal bloed en apathie werden af en toe gemeld. Deze bijwerkingen zijn in de meeste gevallen van voorbijgaande aard en verdwijnen na staken van de behandeling.
De dosering: 1) bij aandoeningen van het bewegingsapparaat: éénmalige subcutane injectie van 0,2 mg meloxicam per kg lichaamsgewicht (d.w.z. 0,4 ml/ 10 kg). Voor het voortzetten van de behandeling kan gebruik gemaakt worden van Metacam® 1,5 mg/ml orale suspensie, in een doseering van 0,1 mg meloxicam per kg lg, 24 uur na toediening van de injectie; 2) vermindering van post-operatieve pijn: éénmalige intraveneuze of subcutane injectie van 0,2 mg meloxicam per kg lichaamsgewicht (d.w.z. 0,4 ml/ 10 kg) vóór de operatie, bijv. bij de inductiefase van de anesthesie.
Zoals bij alle NSAID's kan het gebruik bij pups jonger dan 6 weken en bij verzwakte oude dieren extra risico met zich mee brengen. Hiermee dient, als behandeling toch onvermijdelijk is, bij de dosering rekening gehouden te worden en een zorgvuldige klinische begeleiding kan nodig zijn.
Metacam niet gelijktijdig toedienen met steroïde en andere niet-steroïde anti-inflammatoire middelen, aminoglycosiden of anti-coagulantia. Eerdere behandelingen met anti-inflammatoire middelen kan leiden tot additionele of toegenomen bijwerkingen, reden waarom een behandelvrije periode van tenminste 24 uur in acht genomen dient te worden voor het begin van de behandeling met Metacam.
Een langdurig gebruik van Metacam is mogelijk, doch alleen zinvol als de behandeling in de eerste 7 dagen tot verbetering van de symptomen heeft geleid. Zorg tijdens het gebruik van Metacam voor wateropname. Bij aanhoudend gebrek aan eetlust, braken, diarree of bloederige dan wel teerkleurige ontlasting de dierenarts waarschuwen. Stopzetten van de behandeling is in voorkomende gevallen te overwegen. Bij overdosering is een symptomatische behandeling aangewezen.
Zie ook previcox. Klik voor de teksten van de bijsluiters hier.
Metacefalen,
metacephalen:
de overgrote groep van honden, gedacht tussen de breed- (brachicefalen) en smalschedeligen (dolichocefalen).
uitzaaiing van een tumor.
Voor info over kanker: zie wetenswaardigheden.
Meteorisme:
zwelling van de buik door ophoping van gassen in het darmkanaal.
Metoestrus, met-oestrus:
is een periode uit de ovulatiecyclus, waarvan de eerste dagen nog tot de loopsheid behoren, dagen, waarin de teef nog wel voor de reu blijft staan, maar waarin een eventuele dekking waarschijnlijk geen bevruchting meer oplevert.
De met-oestrus wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van grote concentraties progesteron. Het progesteron bevordert de dracht op verschillende manieren. Het bereidt de uteruswand voor op de implantatie van de vrucht, het vermindert de spierspanning van de uterus en het maakt de uterus minder ontvankelijk voor de samentrekkende invloed van het oxytocine, het vermindert de vorming van F.S.H. in de hypofyse, zodat geen nieuwe ovulaties kunnen optreden en het zorgt i.s.m. het prolactine voor de uitgroei van de melkklieren.
Is er echter geen drachtigheid aanwezig, dan volgt al spoedig een regressie van het gele lichaam en een daling van het progesterongehalte. De baarmoederwand wordt geleidelijk in grootte gereduceerd. De lengte van de met-oestrus-periode bedraagt ongeveer 2 maanden.
In deze periode kan ook een baarmoederontsteking optreden.
Bij de regressie van het gele lichaam verdwijnt eerst het pigment, zodat gesproken kan worden van het witte lichaam (corpus albicans). Langzamerhand verdwijnt dit lichaam tot er nog maar een heel klein littekentje overblijft.
De verschrompeling van het gele lichaam en het stopzetten van de progesteronproductie vindt plaats onder invloed van prostaglandines.
Een nog steeds niet geheel opgehelderd fenomeen bij de teef is de schijndracht, waarbij om de een of andere reden het gele lichaam niet verschrompelt, ondanks het feit, dat er geen sprake is van de aanwezigheid van bevruchte eicellen. Het gele lichaam heeft echter niet het eeuwige leven en gaat bij de hond na 2 maanden tenslotte toch ten gronde, maar juist omdat de tijdsduur van de schijndracht in de met-oestrus en de lengte van de drachtigheid even groot zijn, kunnen de verschijnselen van de schijndracht de fokker aardig parten spelen: dikker worden, onrustig zijn, nestvorming, zwelling van de melkklieren en melkgift.
Metzgerhund:
tot halverwege de 19e eeuw in Duitsland voorkomend hondenslag, dat de kudden van de veehandelaars en slagers naar de markt en weer naar huis dreef. De 'Metzgerhond' wordt beschouwd als stamvader van diverse hondenrassen, zoals de Rottweiler en de Sennenhonden.
groep van brakken, die het wild achtervolgen tot dit is uitgeput. Ook drift genoemd.
hond, die kwalificatie 'matig' waard is. 'Matig' dient te worden geïnterpreteerd als het rapportcijfer 5.
In het Engels heet dit "Fair" en in het Duits "Mäßig".
Microchip:
is een kleine zender, die onder de huid wordt geïnjecteerd en die wordt gebruikt voor de precieze identificatie van een dier.
Zie ook chip.
Microfaag:
kleine fagocyt.
Microfilaria,
microfilariën:
zijn de larven van hartwormen.
Microftalmie,
microphthalmia:
een aangeboren, te kleine oogbol, welke eenzijdig of beiderzijds kan voorkomen.
Doordat de oogbol te klein is aangelegd, ligt deze te diep in de oogkas. Als gevolg hiervan vinden de oogleden onvoldoende steun aan de oogbol, waardoor ze naar binnen kunnen rollen (entropion).
Microftalmie gaat vaak gepaard met andere ontwikkelingsstoornissen, zoals bijv. resten van het bloedvaatnetje van de lens van voor de geboorte (MPP) en cataract.
Microftalmie is veelal het gevolg van een recessief overervend defect, maar kan bij uitzondering ook het gevolg zijn van een toevallige, aangeboren fout, bijvoorbeeld t.g.v. een infectie tijdens de dracht.
Een ernstige microftalmie kan in het algemeen gemakkelijk worden herkend. Ter vaststelling van een beiderzijdse, geringe microftalmie zal de grootte van de oogbol moeten worden vergeleken met die van een normale ras- en leeftijdgenoot. Ook een echografisch onderzoek kan duidelijkheid geven. Als microftalmie wordt vastgesteld, dienen ook de diepere delen van het oog te worden gecontroleerd op andere aangeboren afwijkingen. Een therapie is onbekend. Indien een extreem kleine, blinde 'oogbol' blijvend irritatie oplevert, is verwijdering van de oogbol aan te bevelen.
Er komen ogen voor, die duidelijk te klein zijn, maar die toch een normaal gezichtsvermogen blijken te bezitten.
De nestgenoten en ouderdieren dienen nauwkeurig te worden onderzocht.
Met honden, die aan deze afwijking
lijden, moet niet
gefokt worden
verzamelnaam voor bacteriën en virussen.
Microplastische papil:
bij de micro- en de hypoplastische (niet functionele) papil is (de kop van) de oogzenuw onvoldoende ontwikkeld, wat zich uit in een vermindering van het aantal zenuwvezeltjes en zenuwcellen. De papildoorsnede is hierbij veelal minder dan de helft van de doorsnede van de papil van het normale oog. De afwijking komt echter ook aan beide zijden voor, zodat dan vergeleken zal moeten worden met het oog van een normale ras- en leeftijdsgenoot. Het vaatpatroon is veelal niet duidelijk afwijkend.
De hypoplastische papil is als, vrij zeldzame,
recessief
erfelijke
afwijking bekend bij de kleine Poedels en de Collie. Het
gezichtsvermogen van een oog met een
Middenhand:
het lichaamsdeel tussen schoft en kruis oftewel het lichaamsgedeelte van de hond tussen de voor- en achterhand. Deze term wordt veel minder gebruikt dan achter- en voorhand.
Zie skelet.
is een spier-peesplaat, die de borstholte scheidt van de buikholte. Aan de achterzijde van de borstholte doorboort de slokdarm het middenrif (diafragma).
Zie ook buikademhaling en spieren. Zie voor nog meer info: spieren.
Middenslag:
is een van de variëteiten van een ras, zoals bijv. bij de Keeshond, Schnauzer en Poedel.
Mijnopsporingshonden:
toen de oorlog 1940-1945 ten einde was, waren er veel landmijnen die nog niet tot ontploffing waren gekomen. Men richtte honden af om de mijnen te lokaliseren. Zo werd na de bevrijding van Walcheren door een afdeling van het Britse leger de spoorbaan van Lewedorp tot Vlissingen afgezocht. Hoewel er door de honden inderdaad mijnen zijn opgespoord, was het resultaat toch onbevredigend, want later bleek dat veel mijnen niet werden ontdekt.
of haakwormen zijn circa 1 cm. lang. We kennen 2 soorten. nl. Uncinaria stenocephala en Ancylostoma caninum. De larven worden via het drinkwater opgenomen, maar zij kunnen ook actief door de huid heen dringen. Via het bloed belanden deze wormen eerst in de longen, waarna zij via de keelholte in het maagdarmkanaal komen. In de darm zuigen de wormen zich aan de darmwand vast en voeden zich met bloed, dat zij eerst onstolbaar maken. Bij verplaatsing van de wormen blijven de wondjes bloeden. Bloedarmoede, vermagering, zwarte ontlasting en in ernstige gevallen een verbloeding kunnen de gevolgen zijn. In zeer ernstige gevallen kan de hond hieraan dood gaan.
De mijnworm werd direct na de oorlog ook wel in Nederland gesignaleerd, toen veel mensen met hun honden uit Indonesië terugkeerden naar Nederland. Tegenwoordig is het voorkomen van deze tropische worm in Nederland nog een zeldzaamheid. In feite beperkt het voorkomen zich tot importdieren.
Zie ook wormen.
Mijt:
parasiet (ectoparasiet), die in of op de huid leeft en die schurft of oormijtinfectie veroorzaakt. Mijten behoren tot de spinachtigen en hebben in volwassen toestand 8 poten.
We onderscheiden o.a. sarcoptes, demodex, otodectus, cheyletiella yasguri en cheyletiella parasitovorax.
Zie ook oogstmijt (of hooimijt, grasmijt, herfstmijt), copramijt, farinaemijt en chorioptes.
Voor huisstofmijt, voedselmijt en meelmijt: zie allergie en atopie.
Voor een middel hiertegen: zie advocate.
Milbemax®:
is een oraal in te nemen, breed-spectrum ontwormingsmiddel ter preventie van hartworminfecties en ter behandeling en controle van zweepwormen, haakwormen, spoelwormen en lintwormen bij honden. Het is best wel prijzig.
Er zijn aparte tabletten voor kleine en grote honden. 1 Tablet voor kleine honden en puppy's bevat 2,5 mg Milbemycine oxime en 25 mg Praziquantel (niet toedienen aan puppy's jonger dan 2 weken en/of met een gewicht minder dan 0,5 kg). 1 Tablet voor grote honden bevat 12,5 mg Milbemycine oxime en 125 mg Praziquantel (niet toedienen aan honden die minder dan 5 kg wegen).
Milbemycine oxime behoort tot de groep van de macrocyclische lactonen, geïsoleerd uit de gisting van Streptomyces hygroscopicus var. aureolacrimosus.
Het is actief tegen mijten, tegen larvale en volwassen stadia van nematoden alsook tegen de larven van Dirofilaria immitis.
De behandeling en controle van menginfecties met volwassen cestoden en nematoden zoals:
- Cestoden: Dipylidium caninum, Taenia spp., Echinococcus spp. en Mesocestoides spp.
- Nematoden: Ancylostoma caninum, Toxocara canis, Toxascaris leonina en Trichuris vulpis.
Het product kan ook worden ingezet bij de preventie van hartworminfectie (Dirofilaria immitis), wanneer een begeleidende behandeling tegen cestoden nodig is.
Waarschuwing: studies met milbemycine oxime geven aan dat de veiligheidsmarge bij sommige Witte herders en Collies of aanverwante hondenrassen minder is dan bij andere rassen. Bij deze honden moet de aanbevolen dosering strikt worden gevolgd. De tolerantie bij jonge puppy's van deze rassen voor Milbemax is niet onderzocht. De klinische verschijnselen bij collies zijn gelijkaardig aan diegene die gezien worden bij overdosering in de globale hondenpopulatie (zie ook MDR1).
Miliaria:
korrelige uitslag.
omgeving waarin en omstandigheden waaronder.
Milt:
orgaan, dat betrokken is bij het afbreken van 'versleten' rode bloedlichaampjes en de aanmaak van witte bloedlichaampjes, en fungeert als voorraadvat van bloed dat vrijkomt bij grote inspanning.
Zie ook lymfocyt, erythrocyt, splenectomie, AIHA, amyloïdose en babesiose.
Min:
is een zogende of schijnzwangere teef, die pups van een andere moederhond voedt, omdat ze genoeg melk heeft en omdat de moederhond is overleden of onvoldoende melk produceert. Het vraagt in het begin wel veel zorg en toezicht.
zijn in 2 hoofdgroepen te verdelen, te weten zouten en sporenelementen. De chemische opbouw is bij beide groepen gelijk: een metaalatoom dat gekoppeld is aan een zogenaamde zuurrest. Van de 'zouten' heeft een hond een vrij grote hoeveelheid nodig, van de 'sporenelementen' is slechts een spoortje, d.w.z. een heel klein beetje, nodig. Overmaat is meestal niet zo gunstig voor het lichaam. Er kunnen vergiftigingen ontstaan.
Bij een echte verbranding onder laboratoriumomstandigheden zullen de mineralen niet verbranden. Zij vormen de asbestanddelen van het voedsel.
Mineralen zijn óf oplosbaar in water óf onoplosbaar in water. De onoplosbare mineralen komen terecht in de ontlasting. De oplosbare mineralen behoeven verder geen nadere bewerking van de verschillende darmenzymen en kunnen direct vanuit de darm worden opgenomen in de bloedbaan.
Naast allerlei specifieke functies kunnen we voor zouten en spoorelementen in het algemeen stellen, dat ze als bouwstoffen in de cellen worden benut of als hulpstof dienen voor verschillende enzymsystemen. Bovendien hebben ze een invloed op de vochtverdeling in het lichaam.
'Mineralen' is een verzamelnaam voor anorganische stoffen (o.a. calcium, fosfor, magnesium, ijzer).
Sommige mineralen hebben een typische bouwfunctie, zoals kalk en fosfor, dat in het beenweefsel wordt afgezet.
Andere mineralen zorgen voor een goede werking van het zenuwstelsel (natrium, magnesium, kalk en chloor).
Weer andere mineralen hebben een ondersteunende functie in verschillende enzymsystemen (zoals zink bij koolzuurgasanhydrase).
Zie ook sporenelement en zouten.
Mineralocorticoïden:
zijn corticosteroïden met directe effecten op de concentratie van natrium, chloor en kalium en met een indirect effect op de vochthuishouding in het lichaam.
jaren voordat de wetgever tot dit terrein was doorgedrongen,
ijverde het particulier initiatief (Dierenbescherming
en
Krachtens het bepaalde bij artikel 254
1. Hij die, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk een dier pijn of letsel veroorzaakt of de gezondheid van een dier benadeelt;
2.
Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen 5 jaar zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een der strafbare feiten, omschreven in dit artikel of in artikel 455, onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste 1 jaar worden opgelegd.
Onder "redelijk doel" als hier omschreven is te verstaan een te billijken grond of motief. Hetgeen als maatschappelijk of economisch belang is aan te merken, geldt als redelijk, mits het daarbij de zedelijke toets kan doorstaan, zulks naar een algemeen gangbare opvatting. Niet vergeten mag worden, dat dierenmishandeling volgens onze wetgeving strafwaardig is als zaak van immoraliteit. Het is aanranding van het zedelijkheidsgevoel. Derhalve is dierenmishandeling ten onzent (= bij ons) een zedenmisdrijf. In deze zin is dus elke onnodige, pijnlijke behandeling of bewerking van een dier, welke aanstoot geeft, strafwaardig. In deze geest levert het pijn en letsel veroorzakend couperen van dieren dan ook dierenmishandeling op in de zin van onze wetgeving.
Artikel 455
Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (
1. Hij die nodeloos een dier pijn of letsel veroorzaakt, nodeloos een dier kwelt of nodeloos de gezondheid van een dier benadeelt;
2. Hij die nodeloos aan een dier, dat geheel of ten dele aan hem toebehoort en onder zijn toezicht staat, of aan een dier, tot welks verzorging hij verplicht is, de nodige verzorging onthoudt.
Tot de in het voorgaande lid strafbaar gestelde feiten wordt gerekend (de niet genoemde c) d) etc. gaan niet over de hond):
a) een dier arbeid doen verrichten, welke kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;
b) een dier vervoeren of doen vervoeren zonder dit het nodige levensonderhoud te verschaffen of te doen verschaffen;
f) een hond als trekkracht gebruiken;
g) de oorschelpen van een hond verkleinen.
Het dier kan, indien het de schuldige toebehoort, worden verbeurdverklaard.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen 3 jaar zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een der strafbare feiten, omschreven in dit artikel of in artikel 254, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste 3 maanden worden opgelegd.
Miskraam:
zie abortus.
Mismatching:
is een verkeerde baas-hond relatie, omdat de karakters niet bij elkaar passen. Bijv. een overactieve hond bij oudere mensen of een schrikachtig, nerveuze hond in een druk gezin met jonge kinderen.
Vaak is het zo, dat in dit soort situaties de baas op een verkeerde manier met de hond omgaat. Hierdoor kunnen o.a. conditioneringsfouten optreden.
Mitochondrium (meerv. mitochondriën):
korrel- of worstvormig deel van de cel, dat belangrijk is voor de energielevering en de stofwisseling van die cel. Ze liggen in het cytoplasma. Ze hebben een dubbele membraan, waarvan de binnenste in plooien ligt. Op de geplooide binnenste membraan vinden we tal van enzymen, die van groot belang zijn in de eindafwikkeling van de stofwisseling: de enzymen van de mitochondriën koppelen waterstof aan zuurstof, waardoor water ontstaat.
Mitochondriën bevatten DNA, maar bij de bevruchting van de eicel door de zaadcel dringen de mitochondriën van de zaadcel niet door tot in de eicel, m.a.w. al het mitochondriale erfelijke materiaal verkrijgen nakomelingen alleen van moederszijde.
Mitose:
indirecte celdeling; de normale deling die in de niet-geslachtscellen plaatsvindt.
Mitralis (mitrale insufficiëntie):
aandoening als gevolg van een slecht functionerende linker atrio-ventriculaire klep.
Symptomen zijn vocht in de longen, waardoor de hond heel snel buiten adem raakt. De hond kan ook last van hoestbuien krijgen, vooral na inspanning en 's avonds. Zijn buik kan opzetten en hij kan afvallen.
Deze ziekte is niet te genezen. Er kunnen alleen medicijnen (ACE-remmers) gegeven worden om de symptomen te verlichten en te zorgen dat de kwaal niet erger wordt.
Zie ook CVD.
Modificatie:
verschillen tussen individuen met dezelfde erfelijke aanleg als gevolg van aanpassing aan het milieu (voeding, klimaat, beweging etc.).
Modificerende genen:
genen, die kleine veranderingen, modificaties (of in het
Engels: modifiers), in kenmerken aanbrengen. Bekende voorbeelden zijn de genen die kleine veranderingen aanbrengen in de kleurpatronen van
bont getekende dieren. Het gen
Ook bij Dalmatische Honden is dit verschijnsel wel eens waarneembaar. Bij honden
die homozygoot zijn voor het gen
Nadere bestudering van genetisch bepaalde kenmerken wijst uit dat modificerende genen vaker een rol spelen dan tot dusver is onderkend.
Zie ook staartloosheid.
teef, die pups ter wereld heeft gebracht.
Moederloze pups:
bij overlijden van de moederhond, moeten de pups iedere 2 uur drinken, ongeveer 10% van het lichaamsgewicht per dag verdeeld over aanvankelijk 12 porties. Kunstmelk (zie hondenmelk) is de beste optie. Na het drinken de buikjes wrijven met een vochtige prop watten (imitatie van de tong) om de darmen en urineblaas te stimuleren.
Na een week kunnen de tussenpozen verlengd worden tot 's nachts 4 uur en overdag ongeveer 3 uur. De hoeveelheden per keer dan vermeerderen.
De omgevingstemperatuur moet de eerste 7 dagen op minimaal 30º C gehouden worden. In de tweede week kan die geleidelijk wat verlaagd worden naar zo'n 25º C. Een warmtelamp is een uitkomst. Indien mogelijk is een min de beste oplossing, maar die is er meestal niet.
Het grootbrengen van moederloze pups vraagt veel tijd. Ook moet men er rekening mee houden, dat de pups geen antistoffen via de eerste moedermelk hebben meegekregen. Extra isolatie en hygiëne is geboden tot de pups op de leeftijd van 6 weken hun eerste vaccinatie kunnen krijgen.
Zie ook spenen.
Moederwaanzin:
zie eclampsie.
Moedig:
zie scherp.
Moer:
is een wijfjesdier, dat jongen heeft voortgebracht. Zo is de betekenis van een moervos een wijfjesvos. Zie ook rekel.
ware kiezen, blijvende kiezen. In de bovenkaak van elke kaakhelft 2 en in de onderkaak 3. Zie tanden.
Molossers:
dogachtigen, Romeinse Dog; genaamd naar de fokkerij ten tijde van Alexander de Grote in Molos op de Peloponnesos.
Zie hier.
Mongoolse
Berghond:
op Tibetaanse Mastiff gelijkende berghond. Kort- en langhaar, schofthoogte 60-65 cm.
De langharige variëteit is lichter van geraamte dan de kortharige, ook in het hoofd. Zandkleurig, zwart en zwartroestbruin. Geen hubertusklauwen. Slechts weinig langer dan hoog. Staart over de rug gedragen, niet zijwaarts.
Mongoolse
Dog:
ook
soort van de grote witte bloedcellen. Zie ook bloedonderzoek.
één gen is bepalend; i.t.t. polygeen.
Monohybride kruising (eerste wet van Mendel):
een kruising van ouderdieren, die slechts in 1 eigenschap verschillen.
Monomorf:
eenvormig.
Monorchidie:
zie monorchisme.
het ontbreken van één testikel in het scrotum. De hond hoeft niet steriel te zijn, omdat er nog 1 intacte testikel is. Daar het een erfelijke afwijking is, moet er niet mee gefokt worden.
Op tentoonstellingen worden alleen maar reuen toegelaten, die beide testikels hebben.
Zie
ook cryptorchisme.
Monstrum:
m
Morbiditeit:
Morbilli-virus:
virus, dat o.a. mazelen en hondenziekte veroorzaakt.
Morbus (meerv. morbi):
ziekte.
betekent letterlijk "vormkunde". Het woord is afgeleid van μορφη (morfè), het Griekse woord voor vorm en wordt gebruikt in diverse disciplines waar een vorm een rol speelt. Bijv. in de biologie. De morfologie bestudeert de uitwendige bouw en vorm van levende wezens (vormleer) en hun organen (orgaanleer) en probeert hun veelvormigheid terug te brengen tot enkele grondtypen (bouwplannen).
sterftepercentage.
is het vermogen tot actieve beweging.
Motivatie:
verschillende prikkels kunnen ervoor zorgen, dat een dier een bepaald gedrag uitvoert. De bereidheid (motivatie) voor het vertonen van dit gedrag kan echter variëren, ondanks de aanwezigheid van de betreffende prikkel. Een specifieke motivatie wordt vaak drang of drift genoemd.
Een dier dat geen honger heeft, zal niet zozeer een drang hebben om op jacht te gaan en zo voor voedsel te zorgen. De interne bereidheid om een bepaalde handeling uit te voeren, wordt ook wel gemoedstoestand genoemd. Zo zijn er dus vele termen voor hetzelfde begrip. De reden hiervoor is, dat het een subjectief element is. Bij dieren wordt de motivatie afgeleid van het gedrag dat het dier vertoont. Als een hond een andere hond of mens bijt met ontblote tanden, wordt dit toegeschreven aan een agressiemotivatie, als het dier gaat eten aan de motivatie 'honger'.
is het vermogen om te bewegen.
of efferente zenuwen zijn zenuwbanen, die de prikkels vanuit het centraal zenuwstelsel naar de periferie (omgeving, dus organen, zintuigen, spieren etc.) voeren. Zie ruggenmerg en zenuwstelsel.
Moustache:
beroemde poedel uit het leger van Napoleon.
MRD:
of Multifocal retinal dysplasia is een bepaald type van Retina Dysplasie, d.w.z. waarbij RD op verschillende plaatsen (multifocaal) voorkomt.
Het komt bij een aantal rassen voor, zoals bijv. bij de Beagle, Collie, Riesenschnauzer, Labrador Retriever, Field Spaniel en Sussex Spaniel.
MRI-scan
(Magnetic Resonance Imaging):
of magneetscan. Bij deze afbeeldingtechniek komt de hond te liggen in een lange tunnel, die een sterke magneet bevat, waarmee het water in de weefsels gemagnetiseerd wordt. Dat berust hierop dat in het weefsel de wateratomen (eigenlijk zijn het de waterstofatoomkernen) zich als miniatuurmagneetjes kunnen gedragen. Verder worden vanuit de scannertunnel radiogolven uitgezonden van een golflengte, die de watermagneetjes als het ware doen meetrillen (resoneren) waarbij ze energie uit de radiogolven in zich opnemen. Als de radiogolf wordt gestopt, wordt de eerder opgenomen energie weer uitgezonden als een signaal waarin allerlei bijzonderheden van het weefsel zijn vervat. Uit deze signalen kan de computer van het apparaat de samenstelling van de verschillende weefsels berekenen en ze uittekenen in de vorm van een doorsnede (de MRI-scan). Gebieden waar geen water is, zoals lucht of bot, geven geen signaal en zijn zwart op de scan.
MRI-beelden zijn zeer gedetailleerd in het vertonen van de verschillende weefsels, maar een nadeel is dat het bot zelf niet zichtbaar is (wel het beenmerg), omdat het bijna geen water bevat.
Wat de MRI procedure zelf betreft, maakt het apparaat tijdens zijn werking veel lawaai.
Zie ook CT-scan en röntgenstraling.
MSM (Methyl Sulfonyl
Methaan, Methylsulfonylmethaan):
is, volgens de reclame, de leverancier van de belangrijkste zwavelverbindingen. Zwavelverbindingen zijn nodig voor de aanmaak van collageen en keratine en de (weder)opbouw van het kraakbeen.
MSM is een organische, lichaamseigen zwavelverbinding. "Ingenomen als een volkomen veilig voedingssupplement, heeft ze tal van gunstige effecten", zo wordt in de reclame beweerd. Maar al die claims zijn nooit onderzocht. De reclamemakers roepen dus maar wat. Wetenschappers hebben wel onderzoek naar MSM gedaan, maar daar kwam niets uit wat het vertrouwen in MSM versterkt. Dieronderzoekers hebben echter ontdekt dat MSM als bron van zwavel niets voorstelt. Ongeveer 1% van de zwavel in MSM wordt opgenomen door het lichaam, meer niet.
MSM zit o.a. in Glucosamine Complexen van diverse fabrikanten.
Muceus:
slijmachtig.
Mucopus:
slijmerige etter (pus).
slijmvlies (mucus = slijm), dat de holle lichaamsstructuren bekleedt, zoals de mond en de dunne darm.
slijm, heldere, doorschijnende afscheiding die door de cellen van de slijmvliezen wordt geproduceerd.
korfje van leer of ander materiaal om de voorsnuit van de hond, teneinde bijten te voorkomen. Soms voorgeschreven door gemeenten of bepaalde landen; soms ook voor bepaalde rassen of in het algemeen voor bijtgrage honden. Soms went een vechtgrage hond door een kort gebruik van een muilkorf voorgoed zijn slechte gewoonte af.
Gaat u bijv. naar een bepaald vakantieland waar de verplichting 'muilkorf' geldt of moet u naar de dierenarts en uw hond vindt dat niet leuk, dan is het wel zaak de hond ruim van tevoren aan het dragen ervan te wennen. In ieder geval moet u zorgen, dat de hond geen verband legt tussen bijv. de dierenarts en het moeten dragen van de muilkorf.
Multipara:
dier, dat al vaker jongen heeft gehad.
Multipel:
op meerdere plaatsen voorkomend, veelvoudig.
Musculatuur:
spierstelsel (musculus = spier). Zie spieren.
de menner op de slede (bij
slederennen met Huskies,
Samojeden en Malamutes).
zie musher en sledehondensport.
een lichtbruin schimmelpatroon, zoals dat voorkomt bij de Braque Charles X. Witte ondergrond, bezaaid met rossige, wijnkleurige en grijze vlekjes.
Musketon:
haak aan de hondenriem, die d.m.v. een veer gesloten wordt; veerhaak aan de hondenriem.
een sprongsgewijze, blijvende verandering in het genen- en/of chromosomenpatroon.
Oftewel een spontane wijziging in de erfelijke eigenschappen waarbij het genotype wordt veranderd. Als de wijziging plaatsvindt in de voortplantingscellen is zij erfelijk; als zij plaatsvindt in de (normale) lichaamscellen is zij niet erfelijk en in dit laatste geval spreken we van een somatische mutatie.
Mutileren:
mismaken, anders dan door couperen.
Muur:
toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt; evt. met 1 of 2 openingen in de vorm van een tunnel. Boven op de muur zijn afwerpbare elementen geplaatst in de vorm van een halve cirkel.
Zie voor uitgebreidere info: Agility.
Muzzle:
Engelse term voor voorsnuit.
Myasthenia gravis, MG:
is een gelukkig vrij zeldzaam voorkomende aandoening bij hond en kat. Bij honden komt het relatief vaker voor dan bij katten, maar ook bij honden zien we de aandoening niet vaak. Het is een spierzwakte met op verlamming lijkende verschijnselen (myasthenia gravis is Latijn voor 'ernstige spierzwakte').
Er zijn 2 vormen van de ziekte: een
aangeboren
en erfelijke
vorm én een verkregen vorm die zich op latere leeftijd openbaart. De verkregen
vorm ontstaat vaak op jong volwassen leeftijd (1-4 jaar) of juist bij wat oudere
dieren (9-13 jaar).
Wat is myasthenia gravis nu precies en hoe ontstaat het?
Bij myasthenia gravis is de prikkeloverdracht tussen zenuwuiteinde en spiervezels gestoord. De overgang tussen zenuwuiteinde en spiervezels wordt ook wel aangeduid met de term 'synaps'. De prikkeloverdracht in de synaps komt normaliter als volgt tot stand:
Aan een zenuwuiteinde wordt t.g.v. een zenuwprikkel een chemische stof vrij gemaakt met de naam 'acetylcholine'. Dit acetylcholine gaat vanaf de zenuwuiteinde naar de spiervezels en bezet daar specifieke receptoren (zgn. acetylcholine receptoren). Het bezetten van deze receptoren geeft weer een specifieke reactie in de spier, waardoor de spier gaat samentrekken.
Bij myasthenia gravis gaat er iets mis bij deze prikkeloverdracht. Bij de aangeboren vorm zijn de acetylcholine receptoren abnormaal van vorm en functioneren daardoor niet goed.
Bij de verkregen vorm van de ziekte worden er door een auto-immuun reactie antilichamen gemaakt tegen de acetylcholine receptoren, waardoor deze vernietigd worden.
Ten gevolge van de gestoorde prikkeloverdracht zullen de spieren dus onvoldoende of zelfs niet kunnen functioneren.
Het schijnt dat de verkregen (auto-immune) vorm vaker gezien wordt in combinatie met het voorkomen van een goedaardig gezwel van de thymus. De thymus is een soort lymfeklier die voorin de borstholte ligt en een belangrijke rol in de afweer speelt op jonge leeftijd. Normaliter verschrompelt deze klier op latere leeftijd. In het geval van een thymoom verschrompelt het weefsel van deze klier niet en blijft zelfs hyperactief. Blijkbaar speelt dit te actieve weefsel een rol bij de vorming van antilichamen tegen de acetylcholine receptoren.
Alle symptomen die we zien zijn terug te leiden tot spierzwakte. Niet alleen de spieren van de ledematen vertonen zwakte, ook de spieren van bijv. de slokdarm, het strottenhoofd, de oogleden en de snuit doen vaak mee.
Het meest kenmerkende symptoom is een progressieve spierzwakte. We zien de spieren letterlijk uitgeput raken, terwijl het dier beweegt. Aanvankelijk, na rust, beweegt de hond dus normaal, maar naarmate de inspanning langer duurt, gaat het steeds moeilijker. Uiteindelijk kan de hond volledig instorten, waarbij het tijdelijk helemaal niet meer op de poten kan staan.
Verder zien we vaak slikproblemen. De hond zal duidelijk moeite hebben met het doorslikken van zijn voer en mogelijk het voer weer teruggeven vanuit de slokdarm. Dit noemen we regurgiteren. Ten gevolge van het moeilijk slikken zien we vaak ook, dat de hond speeksel verliest uit de bek.
Er kunnen ook problemen met de ademhaling ontstaan. Enerzijds door een verslapping van de ademhalingsspieren (middenrif, tussenribspieren), anderzijds zien we regelmatig een longontsteking t.g.v. het feit dat een dier met deze aandoening zich gemakkelijk verslikt.
Ook kunnen we stemveranderingen waarnemen t.g.v. een spierzwakte van de spieren van het strottenhoofd en de stembanden. In een aantal gevallen kunnen we een duidelijke gegeneraliseerde spieratrofie waarnemen.
Om de diagnose myasthenia gravis te bevestigen, is er een test waarbij een kortwerkende stof wordt ingespoten die de afbraak van de stof acetylcholine remt. Hierdoor blijft de stof acetylcholine langer aanwezig in de buurt van de acetylcholine receptoren, waardoor er toch een prikkel kan ontstaan en de spieren weer (tijdelijk) normaal kunnen functioneren. De stof die voor deze test gebruikt wordt is Tensilon® (werkzame stof: edrophonium chloride). Als de dierenarts bij een hond of kat met ernstige spierslapte dit middel direct in het bloedvat inspuit, dan ziet hij direct een dramatische verbetering wat betreft de spierkracht en bepaalde reflexen (met name de ooglidreflex dient te worden gecontroleerd).
In verband met het feit dat de verkregen vorm van myasthenia gravis vaak in combinatie wordt gezien met het voorkomen van een gezwel van de thymus, is het zinvol om foto's van de borstholte te maken en eventuele massa's voorin de borstholte te puncteren. Hierdoor kan duidelijk worden of er inderdaad sprake is van een thymoom (=goedaardig gezwel van de thymus).
Een andere reden om foto's van de borstholte te maken, is om na te gaan of de slokdarm nog normaal functioneert. Hierbij wordt een contrastmiddel (barium) gebruikt, zodat de grootte van de slokdarm en de passage van voedsel door de slokdarm in beeld gebracht kan worden.
Bij de verkregen vorm van myasthenia gravis is het mogelijk om antilichamen tegen de acetylcholine receptoren aan te tonen middels een bloedonderzoek. Deze test is echter lang niet altijd betrouwbaar. Vals negatieve resultaten kunnen voorkomen. Dit betekent dat er wel sprake is van de auto-immune vorm van myasthenia gravis, terwijl er geen of heel weinig antilichamen gevonden worden in het bloed.
Een wat meer specialistische test is de zogenaamde Repetitieve Zenuw Stimulatie test (RZS). Hierbij wordt een perifere zenuw herhaaldelijk geprikkeld en wordt er gemeten hoe de reactie van de desbetreffende spier is. Bij myasthenia gravis zien we dan de reactie van de spier geleidelijk aan steeds verder afnemen t.g.v. van uitputting.
Bij myasthenia gravis is er wel afgifte van acetylcholine,
maar de receptoren kunnen niet voldoende reageren (doordat ze veranderd zijn of
zelfs vernietigd). Hierdoor blijft de acetylcholine in de spleet tussen
zenuwuiteinde en spiervezel (=synaps) en wordt daar tenslotte afgebroken door
een enzym met
de naam 'acetylcholinesterase'.
In de zenuwuiteinde wordt wel telkens nieuw acetylcholine aangemaakt, maar omdat
het acetylcholine te lang in de synaps blijft, wordt het ook telkens weer
afgebroken. Op een gegeven moment is de aanmaak van acetylcholine uitgeput. Dit
verklaart de progressieve spierzwakte bij deze ziekte.
De behandeling van myasthenia gravis is er dan ook op
gericht om de concentratie acetylcholine in de synaps zo hoog mogelijk te
houden, waardoor er ondanks het slecht functioneren van de receptoren toch een
prikkeloverdracht plaats kan vinden. De dierenarts zal dan ook een medicijn
geven, dat het enzym acetylcholinesterase afremt. Voor de diagnostiek gebruikt
hij een dergelijk middel in kortwerkende vorm. Therapeutisch kiest hij
voor een dergelijk middel in langwerkende vorm: Mestinon
In geval van de auto-immune vorm van myasthenia gravis is het tevens zinvol om corticosteroïden te geven. Deze medicijnen remmen de immuunreactie in het lichaam, waarbij de acetylcholine receptoren worden afgebroken.
Is er sprake van een thymoom, dan zal dit gezwel moeten worden verwijderd door een ervaren chirurg. Dit is specialisten werk! Niet alleen vanwege het feit dat er in de borstholte geopereerd moet worden, maar ook omdat patiënten met myasthenia gravis meer risico lopen tijdens een narcose.
In het geval van een longontsteking t.g.v. verslikken, moet deze natuurlijk gericht behandeld worden met antibiotica.
Myasthenia gravis is dus te behandelen en in het geval van de verkregen vorm mogelijk zelfs volledig onder controle te krijgen. Helaas lukt dit niet altijd.
U moet zich echter wel realiseren dat met name de mogelijke complicaties de prognose negatief kunnen beinvloeden. Zo zal een hond waarbij de slokdarm al helemaal verwijd is geraakt door het veelvuldig blijven hangen van voedsel, een veel slechtere prognose hebben dan een hond waarbij de slokdarm nog normaal functioneert. Ernstige longontstekingen zijn natuurlijk ook niet zo gunstig voor de prognose. Bij honden met een thymoom is de prognose ook minder gunstig, tenzij het mogelijk is om het gezwel volledig te verwijderen.
Mycoplasma:
geslacht van micro-organismen.
Mycose:
ziekte veroorzaakt door schimmels of aan schimmels verwante bacteriën.
Mycotisch:
schimmelig.
Myelencefalon, myelencephalon:
deel van de hersenen.
Myelitis:
ontsteking van het ruggenmerg of beenmerg.
röntgenfoto van het ruggenmerg na injectie van een contrastvloeistof. M.a.w. myelografisch onderzoek is m.b.v. contrast.
Myocarditis:
ontsteking van de hartspier.
weefsel van de hartspier.
Myocardose:
aandoening van de hartspier anders dan door een ontsteking.
is het zuurstofbindende eiwit, dat in grote hoeveelheden voorkomt in spieren, zowel de hartspier als skeletspieren.
Het grootste deel van het myoglobine in plasma (50-85%) is gebonden aan haptoglobine. Het resterende vrije myoglobine is echter dusdanig klein, dat het zonder veel problemen gefilterd wordt door de glomerulus in de nier. De geringe hoeveelheid myoglobine, die onder normale omstandigheden wordt gefilterd, wordt gereabsorbeerd door de tubuluscellen en daarin afgebroken, zodat myoglobine niet zichtbaar in de urine verschijnt. Wordt dit wel gevonden, dan zijn de spieren beschadigd, en dan moet de hond onderzocht worden om te kijken wat er aan de hand is.
Zie ook ijzer.
Myometrium:
spierlaag van de baarmoeder.
Myoom:
vleesboom.
spierziekte. Zie ook spieren.
Myorrhexis:
spierscheuring.
spierontsteking.
Myringitis:
trommelvliesontsteking.
Myxoom, myxoma:
slijmgezwel.
Myxopoëse:
slijmvorming.
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell