Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse
kynologische & medische termen en uitdrukkingen
Laagbenig:
zie kortbenig.
Laaggesteld:
honden, waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte.
Labium:
lip.
Labradoedel,
labradoodle:
is een kruising tussen een Labrador Retriever en een Poedel (standaard of miniatuur). Herkomstland is Australië, maar in Amerika komen ze best veel voor.
In Nederland begint het ook een hype te worden sinds het in de "Linda" en de "Wraf!" heeft gestaan en bovendien een paar keer in "Hart van Nederland" te zien was. Een Labradoodle pup kost ongeveer tussen de € 1500,= en € 1800,= (2008).
In de tachtiger jaren (en niet in de zeventiger jaren, wat overal op internet staat) werd in Australië geprobeerd een goede blindengeleidehond te fokken. Hiervoor werd een Labrador gekruist met een standaard poedel, waarbij de leercapaciteiten van de Labrador en de intelligentie van de Poedel gecombineerd werden. Door een goed fokprogramma werd de Labradoodle geboren: een intelligente, goed te trainen hond, met een vacht die niet verhaart, niet ruikt en geen allergie of astma veroorzaakt. Een echte familiehond.
Er moet mij echter wel wat van het hart. De fokkers die inmiddels in Nederland actief zijn, laten bijna alle pups, reuen en teven, met zo'n 7 weken castreren c.q. steriliseren; alleen de honden die ze zelf voor de fok houden, worden niet geholpen. M.a.w. puppykopers krijgen een pupje mee, dat al geopereerd is.
Dit vind ik op deze jonge leeftijd echt niet kunnen! Om over de dierenartsen die deze ingreep uitvoeren nog maar te zwijgen. Medisch gezien is er geen enkele reden voor, dus moet het ook niet gebeuren. Dit zou expliciet vermeld moeten staan in de de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).
Het laten helpen op een leeftijd van 6 maanden staat al ter discussie (zie hier), wil ik nog maar zwijgen om dit op een leeftijd van zo'n 7 à 8 weken te doen. Het verweer van deze fokkers luidt: "De reden hiervoor is dat op deze wijze het fokprogramma gecontroleerd kan geschieden. Door castratie/sterilisatie kan wilgroei vermeden worden en kan de pupkoper gegarandeerd worden dat hij een hond koopt met de beloofde eigenschappen en afstamming. De broodfok en alle ellende die dit veroorzaakt, kan zo drastisch ingeperkt worden".
Dit slaat natuurlijk nergens op. Want zelfs de meest ervaren fokker kan met 6 à 7 weken niet zien of een pup uit zal groeien tot een goede vertegenwoordiger van zijn ras. Bovendien komen de meeste erfelijke gebreken pas later aan het licht. Het is niet voor niks, dat een aantal officiële testen pas gedaan wordt vanaf 1 jaar (heupen, ogen, ellebogen etc.).
Het gevolg van deze methode is, dat men zo maar een paar honden overgehouden heeft om mee te fokken, want de rest, zowel reu als teef, is geholpen. Hoe kan men spreken van een goed fokprogramma met zo'n kleine (overgebleven) populatie?
Daarnaast is het ook nog eens zo, dat het niet duidelijk is hoe deze gecastreerde / gesteriliseerde honden op gaan groeien, wat eventuele gezondheidsrisico's op de lange termijn zijn. Stel uw kind (peuter) wordt geopereerd; denkt u, dat hij of zij later als een echte man of vrouw uit zal zien? Denkt u, dat hij of zij gezond op zal groeien, zonder de invloed van hormonen? Er zijn redenen genoeg om, als u logisch redeneert, aan te nemen dat het op jonge leeftijd castreren van honden nogal wat gevolgen heeft voor de ontwikkeling van een hond, zowel op het lichamelijke als op het psychische vlak.
Ik ben dus niet tegen castreren / steriliseren, maar het moet niet te vroeg gebeuren, m.i. vanaf de leeftijd van 1 jaar (zie de voor- en nadelen). Wacht in ieder geval tot de hond uitgegroeid en uit ontwikkeld is, zowel op het fysieke als op het psychische vlak. Pas dan is de keus weloverwogen en bewust te maken.
Het ras is niet erkend door de FCI, dus de pup krijgt ook geen officiële stamboom. D.w.z. de pupkoper krijgt er wel een, maar dit is volgens de wet een waardeloos papiertje (klik hier voor meer info).
Zie de
rasstandaard in het Engels zowel als in het
Nederlands.
Lachen:
het optrekken van de bovenlippen, wat niets met het menselijk lachen gemeen heeft (zie tanden laten zien). Het is niet het ontbloten van het voorste gedeelte van het gebit, dit is het toebereidsel voor vechten. Het 'lachen' schijnt een uiting van blijdschap of opwinding te zijn.
Ook niet verwarren met grommen.
Lactase:
enzym, dat lactose opsplitst in glucose en galactose.
melkgift, voeding met moedermelk na een geboorte.
melksuiker.
verwonding, letsel, kwetsuur.
Laika:
de naam 'Laika' is geen rasaanduiding, maar komt van het Russische woord 'lájatj' (russisch Лайка), wat blaffen betekent.
Met Laiki (meervoud van Laika) wordt het type honden bedoeld welke sinds de oertijd met de mens samenleven en die, door verschil in gebruik én geologische ligging, van uiterlijk verschillen. Zij liggen aan de oorsprong van vele huidige noordse rassen. Van de 6 Laika-rassen zijn er momenteel slechts 3 erkend door de FCI: de Russisch Europese Laika, de West Siberische Laika en de Oost Siberische Laika.
De andere 3, te weten Karelo-Finse Laika, Jezdoraja Laika en Nenezker Laika (of Samojeden Laika, niet te verwarren met de Samojeed nu), zijn niet door de FCI erkend.
Tevens is Laika ook de naam van een bekend hondje. Het Russische hondje Laika ging op 3 november 1957 de ruimte in. Ze schreef daarmee geschiedenis als de eerste deelnemer aan een bemande ruimtevaart. Laika overleefde de reis niet. Het was de bedoeling dat ze door vergiftigd voedsel zou sterven, vlak voordat het ruimtevaartuig Spoetnik II zou verbranden. Vermoedelijk is ze echter al na een paar uur in de ruimte overleden aan oververhitting en stress.
Ten tijde van Laika's ruimtereis was weinig bekend over het effect van een dergelijke onderneming op levende wezens. Honden werden door het Russische ruimteprogramma gebruikt als proefkonijnen. Alleen straathonden viel deze eer ten deel, omdat deze dieren geacht werden zich beter aan zware omstandigheden aan te passen.
Na een aantal ruimtevluchten met honden, brachten de Russen op 12 april 1961 wel de eerste mens in de ruimte, de 27-jarige kosmonaut Yuri Alexeyevich Gagarin (Russisch: Юрий Алексеевич Гагарин).
In Rusland werd op 11 april '08 een officieel Laika-monument onthuld, ter ere van het hondje dat vijftig jaar geleden een ruimtereis maakte en dat met de dood moest bekopen. Het monument, een beeld van een hond bovenop een raket, staat in de buurt van de militaire onderzoeksfaciliteit in Moskou, waar de reis van Laika werd voorbereid.
In 2006 heeft schrijfster Bibi Dumon Tak het Kinderboekenweekgeschenk van 2006 geschreven. Het boek heette "Laika in de sterren" en ging over Laika de hond.
Na Laika werden nog vele dieren de ruimte ingeschoten. Veel van die dieren overleefden de reis wel.
Lamel:
dun plaatje, bijv. van been, verkleinwoord van lamina.
dunne plaat, bijv. van been.
operatie om de druk, die een kapotte tussenwervelschijf op het ruggenmerg uitoefent, te verlichten. Deze operatie kan het best binnen 24 uur na het ontstaan gedaan worden. Klik hier voor meer info.
Lancet:
chirurgisch mesje met fijne punt en zeer scherpe snede.
hond, die op het gezicht jaagt zoals windhonden.
Zie ook "loslopen van lange honden".
jacht met honden, die alleen hun gezichtsvermogen gebruiken.
Lange neus:
et vermogen om wild op een grote afstand te ruiken.
de cellen in de alvleesklier (pancreas), die insuline produceren. Zie Eilandjes.
Lange
spieren (spoelvormige spieren):
de spiervezels lopen in de lengterichting van de spier. We vinden dit type vooral aan de ledematen. Zie voor meer info: spieren.
lang, aanliggend haar met dunne en zachte bovenvacht (grannen). Zie vacht.
Langharige Steenbrak:
vermoedelijk een terugslag van ingekruiste Épagneulrassen; niet gewenst. Zie ook brakken.
Languedoc,
Herdershond van de ~:
ook Farou of Herdershond van de Camargue genoemd. Hij lijkt op de ouderwetse Beauceron, maar is iets lichter.
Reuen 40-50 cm. schofthoogte, teven 38-50 cm. Gewicht ongeveer 24 kg. Levendig en schrander. Vrij lang hoofd, platte hersenpan, weinig stop, puntige snuit, zwarte neus. Grote, levendige, donkergele ogen. Diepe borst. Vrij lange voeten, 1 hubertusklauw verplicht, soms 2. Haar is meestal glad, soms halflang en lang. Dan hoofd toch kort en hals, benen en staart halflang. Zwart en licht roestbruin, diep ros of met zwart.
instrument voor inwendig buikonderzoek, dat via de buikwand wordt ingebracht. Een laparoscoop is een lange dunne holle buis met aan het uiteinde een lens. Naast de laparoscoop maakt de dierenarts ook gebruik van een hulpinstrument.
is een kijkoperatie of Minimaal Invasieve Chrurgie, een inwendig buikonderzoek m.b.v. optische apparatuur (laparoscoop). Laparo (=buik) scopie (=kijken) is een operatietechniek waarbij door zeer kleine toegangspoorten van slechts 5 mm in de buik geopereerd wordt.
Een laparoscopie wordt uitgevoerd om de oorzaken van verschillende klachten in de buikholte op te sporen (diagnostische laparoscopie) en zo mogelijk direct te behandelen (therapeutische of operatieve laparoscopie) of om vast te stellen of een andere operatie nodig is.
Laparoscopie wordt in Nederland nog niet door veel dierenartsen gedaan, maar het is wel de sterilisatie van de toekomst, hoewel er voor- en nadelen zijn.
De voordelen:
• korte operatietijd. Een laparoscopie duurt gemiddeld 14 minuten, terwijl de traditionele sterilisatie al snel 40 minuten duurt;
• korte narcose, waardoor de hond sneller hersteld is;
• 3 sneetjes van 5 mm i.p.v. een lange, diepe snee (normaal een wond van 7-10 cm door 3 lagen). Gevolg is minder wondpijn, minder kans op wondinfectie, geen kans op wondbreuk en de hond hoeft na de operatie geen kap op. Bovendien hoeft de buik niet helemaal kaalgeschoren te worden;
• beter zicht tijdens de operatie. Het zicht in de buik is veel beter dan bij de ouderwetse operatie. Geen kans op nabloeden of op restovaria;
• alleen de huidlaag hoeft te worden gehecht, dus geen diepe hechtingen;
• amper nazorg. De nazorg bestaat eigenlijk alleen uit het, door de eigenaar zelf, verwijderen van de 3 huidhechtingen na 7 dagen.
De nadelen zijn:
• ervaring is vereist, anders is het een levensgevaarlijke operatie;
• door de hoge aanschafwaarde van de apparatuur is een laparoscopie duurder dan een traditionele sterilisatie. De korte operatietijd brengt de prijs echter weer naar beneden, waardoor het nu (in '07) nog z'n 50 tot 100 euro duurder is (afhankelijk van het gewicht van de hond).
Ook kan er een laparoscopische castratie van de cryptorche reu gedaan worden, waarbij de testikel nog niet tumoreus mag zijn.
Zie ook endoscopie.
Laparotomie:
buiksnede, buikoperatie.
Lappenhond:
is onder te verdelen in de Finse Lappenhond of Lapinkoira, en de Zweedse Lappenhond of Lapphund.
Larve,
larf:
is de vorm bij dieren met gedaanteverwisseling waarmee het dier het ei verlaat.
Een larve is de eerste levensfase van de meeste insecten en alle amfibieën, nadat deze het ei hebben verlaten. Ook veel vissen kennen een larvestadium.
Bij insecten verandert de larve in een imago nadat verpopping heeft plaatsgevonden. In de pop veranderen de kenmerken drastisch; dit wordt ook wel een volledige gedaanteverwisseling genoemd. De larven van insecten lijken niet op het imago, i.t.t. wantsachtigen, die een nimfstadium kennen. Het bijzondere van larven is, dat ze vaak totaal andere organen krijgen na verpopping.
Veel larven hebben een soort vaste naam, omdat ze per groep niet veel verschillen: de larve van een kever die tot de familie bladsprietkevers behoort (zoals bijv. de meikever) heet engerling, van de vlieg een made, van de vlinder een rups, van de langpootmug een emelt, van de kniptor een ritnaald (of koperworm) en van de kikker en pad heet de larve een kikkervisje of dikkopje.
ontsteking van het strottenhoofd (= larynx).
is een soort gebogen roestvrij stalen spatel met op het uiteinde een lampje om de keel te onderzoeken.
het onderzoek van de keel m.b.v. een laryngoscoop, wanneer er iets in de keel zit (bijv. visgraten) of bij verdenking op tumoren. Omdat een hond niet zo meewerkt, gebeurt dit meestal onder narcose.
Zie ook endoscopie.
is het strottenhoofd en bevindt zich op de overgang van keelholte naar luchtpijp. Het strottenhoofd bestaat uit een vijftal kraakbeentjes bedekt met spierweefsel (8 spieren): het tongbeen, strottenklepje, schildvormig kraakbeen, ringvormig kraakbeen en bekervormig kraakbeen. Tussen de bekervormige kraakbeentjes en de bodem van het schildkraakbeen zijn de stembanden uitgespannen. U moet zich deze niet zozeer als banden voorstellen, het zijn eerder strak gespannen gordijnachtige vliezen, die aan de zijkanten zijn vastgehecht aan het schildkraakbeen.
De larynx wordt afgedekt door een beweeglijke op een klep gelijkende structuur, epiglottis genaamd. De epiglottis sluit de luchtpijp af als de hond eet en drinkt om te voorkomen dat voedsel of water in de luchtpijp terechtkomen.
Ook de larynx zelf kan zich sluiten om te voorkomen dat voedselresten in de luchtpijp terechtkomen. Tevens regelt de larynx de luchtstroom in de luchtpijp tijdens het ademhalen. De sluitfunctie is heel belangrijk en 7 van de 8 spieren zorgen dan ook voor sluiten van de larynx tijdens het eten en drinken. Slechts 1 spiertje zorgt voor opening van de larynx tijdens het ademhalen.
Het gehele strottenhoofd is opgehangen aan de schedel. De verbinding tussen de schedel en het strottenhoofd wordt gevormd door het tongbeen. Het tongbeen geeft tevens steun aan de tong.
Zie voor meer info: skelet.
Larynxparalyse, larynx paralyse:
zie stembandverlamming.
Larynxparese, larynx parese:
stembandverslapping.
Laser:
lichtversterking door gestimuleerde emissie van straling. Een geconcentreerde lichtbundel wordt ook in de chirurgie gebruikt.
Latent:
verborgen, onzichtbaar, niet waarneembaar, bijv. van een ziekte.
terzijde, zijdelings gelegen; i.t.t. mediaal.
op de zijde betrekking hebbend; i.t.t. medialis.
Laufhund, Laufhunde:
naam door de Zwitser voor de Lopende Honden; zie brakken.
Layback:
Engels voor
hoeking.
Layback
nose:
teruggeslagen neus (bijv. Pekingees en Engelse Bulldog).
LDH,
Lactaat Dehydrogenase, lactaatdehydrogenase:
is een enzym, dat voor komt in een groot aantal weefsels, waaronder lever, spieren en rode bloedcellen. Het komt vrij bij gewijzigde celmembraanpermeabiliteit en necrose.
Een stijging van LDH kan wijzen op vele aandoeningen, zoals bijv. hemolyse, lever- en hartziekten.
hoe oud kan een hond worden? De algemene levensverwachting van een hond hangt van meerdere factoren af. Een belangrijke factor is het ras. Een grote hond heeft een levensverwachting van ongeveer 7-9 jaar, een middelgrote hond 10-12 jaar, terwijl die van een kleiner ras gemiddeld 14-16 jaar is.
In het algemeen kan men wel stellen, dat bastaarden een hogere levensverwachting hebben dan rashonden.
Dus als vuistregel geldt dat hoe groter (zwaarder) de hond is, hoe minder oud hij gemiddeld zal worden. Ook een Sint Bernard kan best 12 jaar oud worden, maar dat is wel veel uitzonderlijker dan een Schnauzer die de leeftijd van 12 jaar haalt.
Hoe oud een hond precies wordt, is mede bepaald door erfelijkheid, maar een belangrijke factor is ook de algemene zorg voor de hond gedurende zijn leven en de kwaliteit van de voedingsstoffen die hij gekregen heeft.
Een hond die een goede start gemaakt heeft, en een uitgebalanceerde, gezonde en natuurlijke voeding kreeg, heeft een veel grotere kans om gezond oud te worden, terwijl een hond die altijd ziekelijk is geweest, omdat de vitale organen dan al een hoop geleden hebben, wat weer voor problemen kan zorgen als de hond ouder wordt.
Een hond wordt vaak pas oud (veteraan, senior) genoemd als hij 7 jaar is. Dat komt omdat honden op die leeftijd vaak de eerste tekenen van ouderdom gaan vertonen. De eerste grijze haren verschijnen, meestal rond de bek, en de vacht is minder 'vol' en glanzend. Oudere honden zullen zich vaak minder onbekommerd gaan gedragen, slapen veel meer en lijken minder energie te hebben. In sommige gevallen zal de hond vergeetachtig worden of eerder geïrriteerd en soms zelfs eigenwijs. Net als bij mensen kunnen oudere honden minder gaan horen en zijn de ogen ook niet meer zo goed als het geweest is.
Volgens het Guinness Book of Records is de oudste hond Butch geworden. De viervoeter uit de Verenigde Staten haalde de gezegende leeftijd van 28 en stierf in 2003.
In mei 2008 stierf Labrador Bella. Ze is, volgens baasje David Richardson uit het Engelse Chesterfield, 29 geworden, maar omdat er geen papieren zijn met de exacte geboortedatum, wordt dit niet erkend als oudste hond van de wereld.
het bepalen van de leeftijd aan de meer of mindere veranderingen van de snijtanden is en blijft een benadering. Deze veranderingen kunnen nl. verschillend zijn. Zo heeft bijv. het dragen van houtjes, botten en stenen een snelle afslijting tot gevolg.
Melkgebit en blijvend gebit zijn wel van elkaar te onderscheiden: melkkiezen zijn puntiger en blauwachtig van kleur.
Een ondersteuningsmiddel bij de leeftijdsbepaling is het optreden van grijze haren aan het hoofd. Soms worden op 3-jarige leeftijd de haren in de omgeving van de neusrug en bovenlip al grijs, vooral bij rassen met donker haar.
Een troebel worden van het hoornvlies, een ouderdomscataract, kan ook op 3-jarige leeftijd al aanwezig zijn. Betrouwbaar houvast heeft men hieraan niet, ook niet aan het sneller groeien en meer gebogen worden van de nagels. Honden met weinig beweging, en dan nog wel op zachte bodem, hebben dikwijls al op zeer jonge leeftijd lange, kromgegroeide nagels.
Zie ook tanden.
Leeftijdsfasen:
zie gedrag.
Legg-Calvé-Perthes,
ziekte van ~:
een aandoening aan de kop van het dijbeen, die bij de onvolwassen hond van kleine rassen voorkomt.
Aangenomen wordt, dat de oorzaak is gelegen in een stoornis in de bloedvoorziening van de heupkop. Deze stoornis leidt tot botverval en heeft daardoor een slechte aansluiting en artrose tot gevolg en is daardoor vergelijkbaar met heupdysplasie.
De behandeling bestaat uit het wegnemen van de heupkop.
overvulde slijmbeurs van de elleboog. Een legger is een bij de hond (maar ook bij het paard)
voorkomende zwelling op
de achterkant van de elleboog. Een legger is een reactie van een herhaalde
prikkeling (bv. zich stoten). Meestal is een zeer harde ondergrond de oorzaak.
Als reactie op deze druk vormt zich onder de huid een slijmbeurs, dus een met
vloeistof gevuld kussentje, waarvan de wand op den duur steeds dikker gaat
worden, en de holte daarbinnen steeds kleiner, zodat het tenslotte een harde
bindweefselknobbel wordt, die nog steeds met huid bedekt is, hoewel deze huid
dan ook steeds hard en hoornig aanvoelt. Meestal treedt geen kreupelheid op,
tenzij de slijmbeurs ontstoken raakt, dit zien we echter zelden.
Pas de harde ondergrond aan, en geef de hond een zachte ondergrond en vermijd spelen op hardere ondergronden.
Zie ook bursitis.
Leihond:
leihonden zijn honden die zoeken aan de riem naar het geschoten wild.
Leishmania,
Leishmaniasis, Leishmaniose:
infectieziekte, die wordt veroorzaakt door flagellaten van het geslacht Leishmania en verspreid door zandvliegjes (Phlebotomus). Niet alleen de hond kan het krijgen, maar ook de mens (een paar jaar geleden had een 15 maanden oud kind uit Aken dit).
Door een beet van de zandvlieg kan de parasiet worden overgedragen. Soms blijft de infectie beperkt tot de huid, maar ook inwendig kan de parasiet flink huishouden. Organen kunnen onherstelbaar worden aangetast waardoor dierenartsen het huisdier moeten laten inslapen.
Er is op dit moment nog geen vaccin beschikbaar tegen leishmaniasis. Dus als u met uw hond op vakantie naar gebieden rond de Middellandse Zee gaat, geef hem dan preventief een behandeling met een vlooienmiddel op basis van permethrin of een bepaald type anti-tekenband (bijv. Scalibor®): dit heeft een afwerende invloed op de vliegjes. Ook kunt u uw hond beter binnenshuis houden na zonsondergang, omdat dan de zandvliegjes schijnbaar het meest actief zijn.
Leithund:
zie limier.
Lemon belton:
zie belton.
het gedeelte van de rug, waar zich de 7 lendenwervels bevinden (zie skelet).
In veel standaards wordt de nadruk gelegd op een krachtige lendenpartij, d.w.z. dat de spieren bij dit gedeelte van de rug zwaar ontwikkeld moeten zijn.
Lensextractie:
operatieve verwijdering van de lensinhoud bij cataract, of van de gehele lens bij lensluxatie.
Lensluxatie
(ectopia lentis), Lens luxatie:
(gedeeltelijke) loslating van de lens in het oog. De lens is in het oog opgehangen met hele fijne ophangbandjes. Door een erfelijke aanlegfout en degeneratie of door grof geweld kunnen deze ophangbandjes kapotgaan en kan de lens zich iets verplaatsen of geheel loskomen in de oogbol. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.
Lensluxatie is meestal het gevolg van een (waarschijnlijk recessieve) erfelijke oogafwijking, die regelmatig voorkomt bij veel van de kleine terriërachtigen (bijv. Duitse Jachtterriër, Welsh Terriër, Tibetaanse Terriër, Foxterriër, Jack Russell Terriër, Miniatuur Bull Terriër, Dandie Dinmont Terriër), Australian Cattle Dog, Border Collie en Shar-Pei.
Leptospirosis
(leptospirose):
ziekte van Weil, melkerskoorts. Bacteriële infectie veroorzaakt door Leptospiren. Wordt o.a. overgebracht door urine van ratten. Deze is overdraagbaar op de mens en kan dodelijk zijn.
Doordat de ziekte wordt overgedragen via contact met de urine van besmette dieren, en zo honden het ook op elkaar overbrengen, komt de ziekte van Weil vaker voor bij reuen dan bij teven, aangezien reuen vaker urine oplikken en aan genitaliën likken.
Bij jonge pups kan leptospirosis zich manifesteren, doordat er plotseling een of meer pups van het nestje overlijden zonder dat er gezondheidsklachten waren.
De symptomen zijn zeer divers: o.a. anorexia, lusteloosheid, geelzucht, braken, diarree en bloedingen. In acute gevallen kan de dood al binnen een paar uur nadat de symptomen zich hebben voorgedaan intreden, ook als de juiste behandeling is gestart.
Er bestaat een vaccinatie tegen de ziekte van Weil (zit in de cocktailenting) en deze dient ieder jaar te worden herhaald. Bij jachthonden of honden die veel zwemmen wordt het zelfs 2 maal per jaar gedaan.
is een sterke, machtige Berghond uit oostelijk Kaukasië met een krachtig hoofd met brede schedel, hangoor, lang, wit behaard, hoofd kortharig.
Zie ook Jakoetenhond.
dodelijk, de dood veroorzakend.
Letale
factor:
dit zijn erfelijk bepaalde factoren die de dood tot gevolg hebben. In de kynologie hebben we vooral te maken met subletale factoren. Een voorbeeld daarvan is de Merle-tekening. Als twee Blue-Merle-honden met elkaar gepaard worden, wordt een kwart van de nakomelingen bijna geheel wit en sterk verminderd levensvatbaar.
Zie ook heterozygotie en homozygotie.
Letaliteit:
het percentage gevallen met dodelijke afloop.
toestand van geestelijke ongevoeligheid; ziekelijke slaapzucht.
Letterkunde,
De hond in de ~:
de Nederlandse literatuur heeft zich weinig met 's mensen beste vriend beziggehouden. Zij bezit echter in "Overpeinzingen van een bramenzoeker" van R.N. Roland Holst het beste dat in onze taal op psychologisch gebied over de hond is geschreven. Zijn strijd tussen het avontuur en de knusheid, de benadering tot eenwording toe tussen de 2 oude makkers en altijd daarna het uit elkaar drijven, kon alleen door een kunstenaar zó juist gezien en zo meesterlijk weergegeven worden.
Arthur van Schendel liet eigen werk over de hond en een bloemlezing uit dat van anderen na onder de titel "Mensen en Honden" (1947). Hoewel waarschijnlijk onbekend met "The First Friend" koos de auteur zeer weinig van wat ook daarin voorkomt, zodat beide werken elkaar aanvullen.
Louis Couperus ontpopte zich in zijn laatste levensjaar als een innige hondenvriend, al paste zijn "Brinio" ook weinig bij hem (Feuilleton "Het Vaderland", later opgenomen in "Proza").
Frans Coenen betreurt zijn gestorven hond. Frederik van Eedens "De Kleine Johannes" (1887) stelt zijn hond boven de kat, die wel voor zichzelf zorgt. In de beschrijving van hun ontdekkingsreizen hebben mevrouw en de heer Visser-'t Hooft hun hond Patiala vereeuwigd."Tita vlucht" door Karel Jonckheere is met veel begrip van de hond geschreven.
Bij de oudere schrijvers komt de hond wel eens min of meer terloops ter sprake, o.a. in "Van den vos Reynaerde" en bij Vondel o.a. in "Bespiegelingen over God en Godsdienst" (1662, IV, 155). Willem Bilderdijk echter heeft in zijn, ook door Willem Kloos in zijn bloemlezing (1906) opgenomen gedicht "De Dieren" (1817) de hond verheerlijkt.
De buitenlandse literatuur en met name de Engelse is, ook naar verhouding, veel rijker aan verhalen waarin de hond een rol speelt.
Vooral Shakespeare kende hond en jacht. Geoffrey Chaucer (±1343-1400) noemt de hond in "The Canterbury Tales". Walter Scott (1771-1832) is ondenkbaar zonder Maya en zijn "Guy Mannering" schonk de Dandie Dinmont Terrier zijn naam. In later tijd zijn het bekendst Rudyard Kipling (1865-1936) in tal van boeken (o.a. "Thy servant a dog" uit 1930), John Galsworthy, J.K. Jerome (o.a. "Dogs as Companions"), Jack London en Curwood. In de reisverhalen over pooltochten schittert dat van kapitein R.F. Scott door zijn zuiver en heldhaftig inzicht dat men wel zichzelf, maar niet een hond aan wetenschap of wat ook mag offeren. Majoor A. Dawson schrijft kynologisch leerzaam in romanvorm (o.a. "Peter of Monklease").
Lucy Menzies verzamelde in "The First Friend" (Allen & Unwin Ltd., London) veel van het beste over de hond geschreven van 1400 v.C.-1921.
Ook "The Fireside Book of Dog Stories", verzameld door Jack Goodman, geeft wat tal van auteurs over onze beste vriend schreven.
In het Frans treft hetgeen Lamartine, Rousseau en Maeterlinck aan de hond wijdden het meest. In "Sans Famille" ("Alleen op de wereld"; 1878) van Hector Malot (1830-1907) is een Poedel een belangrijke figuur.
Duitse publicaties van onze tijd zijn o.a. "Die gelbe Dogge Senta" van Paul Eipper (1891-1964) en wat Bruno Nelissen-Haken schreef over de "Dackel Haidjer".
Dášeňka (1932) van Karel Čapek (1890-1938) werd uit het Tsjechisch vertaald (o.a. in het Nederlands als "Tuuntje" verschenen of "Dashenka" in het Engels).
Voor boeken over de hond: zie literatuur over de hond.
Leucocyten:
zie leukocyt.
Leucodystrofie:
zie kooikerverlamming.
bloedkanker, kwaadaardige woekering van de witte bloedcellen in beenmerg en/of lymfeklieren.
Het is een vorm van kanker, waarbij abnormale vermeerdering van de leukocyten plaatsvindt, gepaard gaande met kankerachtige woekeringen in de milt, lymfeklieren, lever en/of het beenmerg. De ziekte heeft meestal een chronisch verloop.
Symptomen zijn: vermagering, verstopping, lichte koorts en typische veranderingen in de samenstelling van het bloed. Vroegtijdige behandeling kan het verloop van de ziekte vertragen.
Zie voor meer info over kanker: wetenswaardigheden.
verschijnsel, dat een witte vacht gepaard gaat met gehoorstoornissen. Leukistisch witte honden hebben soms ook 1 of 2 blauwe ogen. Soms is daarbij ook het gezichtsvermogen aangetast.
De vacht is bij leukistisch witte honden bijna overal wit, maar ook kunnen vlekken van zwart of bruin pigment voorkomen.
Bij witte Bull Terriërs komen enkele gepigmenteerde vlekken zeer onregelmatig verspreid op het lichaam voor. Bij Engelse Setters en Dalmatische Honden zijn het kleinere of grotere, regelmatig over het lichaam verspreide pigmentvlekken.
Bij leukistisch witte honden is soms het ene oog blauw en het andere geheel of gedeeltelijk gepigmenteerd.
Bij de mensen is leukisme bekend onder de naam 'Ziekte van Waardenburg', maar het komt ook voor bij katten, nertsen en runderen.
Zie ook pleiotropie.
wit bloedlichaampje, witte bloedcel. Ze komen in diverse vormen voor: macrofagen en lymphocyten oftewel granulocyten, monocyten en lymfocyten. Leukocyten zijn witte bloedcellen, die het lichaam beschermen tegen lichaamsvreemde stoffen, m.a.w. ze verdedigen het lichaam tegen invloeden van buitenaf, waaronder ziekteverwekkende bacteriën, virussen en schimmels.
Zie ook bloedonderzoek.
Leukocytose:
(tijdelijke) toename van witte bloedcellen bij onder andere drachtigheid en ontstekingen.
Leukodystrofie:
zie kooikerverlamming.
Leukopenie:
tekort aan witte bloedlichaampjes.
Level:
Engels voor sluitend gebit (scharende snijtanden; level mouth) en voor een rechte belijning van de rug (level back).
Leven:
het leven in een nagel: zie nagels knippen.
Levensduur
bij de hond (levensverwachting):
is afhankelijk van het ras. De jonge hond is afhankelijk van het ras na één tot twee jaar volgroeid. Het verouderingsproces treedt in op zijn 8ste tot 10de levensjaar en kort daarna de vergrijzing.
De meeste honden worden 12-14 jaar, maar sommige gezonde en goed verzorgde dieren kunnen 16 jaar of zelfs nog ouder worden. Als hoogste leeftijden worden 22 en 24 jaar genoemd en volgens Flower (1931) zou er één zelfs 34 jaar zijn geworden.
In het algemeen kan men wel stellen, dat bastaarden een hogere levensverwachting hebben dan rashonden.
Zie ook leeftijd.
vervult tal van functies in het lichaam, waarbij de afvalverwijdering qua omvang slechts een beperkte taak vormt.
Zo kunnen we noemen: a) de productie van gal; b) de ontgiftiging van het bloed; c) de stapeling van reservevoorraden; d) de afbraak en opbouw van aminozuren en vitamines; e) de vorming van bloedeiwitten; f) de vorming van hormonen (somatomedine).
Zie ook levercirrose, leverinsufficiëntie, levershunt, levertumoren, spijsverteringsstelsel, uitscheidingsstelsel en vitamine A.
is een chronische aandoening van de lever waarbij levercellen te gronde gaan en gedeeltelijk worden vervangen door bindweefsel (leverfibrose). Hierbij gaat de functie van de lever achteruit. Het ontstaat als gevolg van een infectie, vergiftiging of van een andere ziekte. Levercirrose uit zich eerst in wat algemene verschijnselen als moeheid, gebrek aan eetlust en misselijkheid. Later ontstaan geelzucht en vochtophoping. Ernstige levercirrose leidt tot de dood.
Zie ook Hepatitis Contagiosa Canis en GGT.
de lever is een van de belangrijkste organen en heeft vele ingewikkelde functies. Hij helpt o.a. de nieren om afvalstoffen uit het lichaam te verwijderen, maakt eiwitten aan die nodig zijn voor het stollen van het bloed, verwerkt vetten en koolhydraten en slaat die op, maakt gal aan (die nodig is voor de spijsvertering) en zuivert het bloed.
Veel leveraandoeningen zijn ernstig. De symptomen zijn vaak moeilijk op te merken, vooral in het beginstadium van de ziekte. De hond kan zijn eten weigeren, afvallen, braken, diarree hebben of in algehele slechte conditie verkeren. Het oogwit zal bovendien geel worden.
Langdurige ontsteking van de lever, kanker of problemen met het galkanaal (de buis waardoor de gal wordt vervoerd) kunnen allemaal leverinsufficiëntie tot gevolg hebben.
Jammer genoeg kan er maar weinig voor de hond gedaan worden. Alle behandeling is
gericht op het verlichten van de klachten met het doel de hond nog een redelijk
leven te geven.
vooral bij jachthonden gebruikte aanduiding voor een lichtere bruintint (volgens de Raad van Beheer); naar de mening van verschillende kynologen: andere term voor chocoladekleur.
Leverontsteking:
zie hepatitis.
of een porto-systemische shunt. Een levershunt kan zich in grote lijnen op twee manieren presenteren: intra-hepatische en extra-hepatische shunts.
Het niet sluiten van de ductus venosus kan resulteren in een shunt binnen de lever; we noemen dit een intra-hepatische shunt.
De extra-hepatische shunt is een verbinding tussen de poortader en de grote circulatie, die buiten de lever is gelegen. De oorzaak hiervan moet gezocht worden in het blijven bestaan van een verbinding, die ontstaan is tijdens het actieve groeiproces van de vaten rond de lever.
Gevolgen: daarmee komen de giftige stoffen vanuit de darmen direct in het lichaam terecht. Een hond met zo'n aangeboren shunt (bijv. Cairn Terriër, Ierse Wolfshond en Hovawart) wordt daardoor langzamerhand vergiftigd.
Het wezenlijke verschil tussen beide soorten shunts is: de intra-hepatische shunt via de ductus venosus (Arantii) is een shunt t.g.v. het niet sluiten van de tijdens de embryonale levensfase, functionele en van levensbelang zijnde verbinding tussen de vena umbilicalis en het hart; de extra-hepatische shunt is een verbinding die bij toeval ontstaat of ontstaat als tijdelijke brug voor de vorming van een ander vat en nog tijdens het embryonale leven zou moeten verdwijnen maar dat niet doet.
Om een levershunt vast te stellen wordt een bloedonderzoek op ammoniak (NH3) verricht.
Het type shunt (intra- of extra-hepatisch) is van groot belang voor de prognose van de hond. De meeste shunts zijn echter operabel; slechts 40 % van de intra-hepatische shunts is dat niet. Als de shunt niet operabel blijkt te zijn, dan zijn de vooruitzichten voor de hond somber. Met een eiwitarm dieet kunnen de symptomen zich wel tijdelijk verminderen, maar hiervan moet u niet al te veel verwachten. Meestal zullen deze honden binnen niet al te lange tijd sterven t.g.v. de shunt.
L.H., LH:
luteïne hormoon, luteïniserend hormoon, luteotroop hormoon.
Bij het vrouwelijk dier zorgt dit hormoon voor de vorming van het gele lichaam uit de gerijpte en geovuleerde follikel. Daarna stimuleert dit hormoon de productie van het drachtigheidshormoon progesteron door het gele lichaam.
Bij het mannelijk dier bevordert dit hormoon de productie van het mannelijke geslachtshormoon testosteron door de interstitiële cellen van Leydig; daarom wordt bij mannelijke dieren dan ook wel gesproken van het I.C.S.H. (interstitiële cellen stimulerende hormoon).
Zie ook oestrus.
Libido:
geslachtsdrift.
Lichaampje
van Barr:
of het sexchromatine is een onderdeel van de cel van (alleen) vrouwelijke (zoog)dieren.
Het is een van de twee geslachtschromosomen, die zeer sterk opgerold ligt. Bij onderzoek naar sekse zoekt men specifiek naar deze kleurstofkorrel in speekselkliercellen. Die zijn gemakkelijk te verkrijgen, want in het speeksel zijn er altijd wel een aantal aanwezig.
Lichaampje
van Malpighi:
glomerulus; zie nieren.
Lichaamsscan:
is een inwendig onderzoek van het lichaam m.b.v. radiogolven of radioactieve isotopen.
Zie ook MRI-scan, CT-scan en röntgenstraling.
is een middel om met elkaar te communiceren. Hiermee wordt o.a. weergegeven of een hond dominant is t.o.v. de ander of juist onderdanig (submissief).
Deze houdingscommunicatie bestaat uit de volgende 4 elementen: a) staartdracht, b) lichaams- (romp-)houding, c) oorstand, d) mondhoeken.
Zie voor uitgebreide info: ons theorieboek.
Honden hebben uiteraard veel meer mogelijkheden tot communiceren. Het is echter de houdingscommunicatie, bestaande uit deze 4 elementen, die bepaalt hoe de dominantierelatie tussen twee of meer individuen is.
Zie ook gedrag, hondentaal en houding.
Lichaamstemperatuur:
zie temperatuur.
LID, L.I.D.:
is
Liesbreuk
(hernia inguinalis):
het binnendringen door het lieskanaal van delen van de darmen in de scrotumhals.
Ook bij teefjes kan een liesbreuk ontstaan, zij het dat dit veel minder vaak voorkomt. De uitwendige breukzak is dan niet zoals bij de reu de scrotumhuid, maar de huid in de liesstreek.
Een liesbreuk ziet er bij de reu uit als een verdikking in de scrotumhals, en bij de teef als een verdikking in de lies.
Vanwege het risico, dat de breukinhoud wordt ingeklemd en daardoor afsterft, moet een liesbreuk meteen operatief verwijderd worden.
band van bindweefsel om een gewricht.
is een dier dat een besmettelijke of erfelijke ziekte bij zich draagt én er bovendien aan lijdt. De beide ouders zijn minstens drager van het gen, dat deze ziekte veroorzaakt.
Lijders geven deze ziekte door aan al hun nakomelingen in de volgende generatie. Daarom moet er niet met de lijder, maar ook niet met de nestgenoten, ouders en het nageslacht gefokt worden.
Lijn:
a) riem, waaraan de hond vastgehouden wordt;
b) lijn is ook synoniem voor lijnteelt (zie hieronder).
Lijnteelt, lijnenteelt:
een intensieve vorm van inteelt (bijv. neef/nicht, neef/tante, oom/nicht).
Bij lijnenteelt wordt steeds weer teruggekruist op vader- of moederdieren, die in hoge mate aan de verwachtingen hebben voldaan. Als die vader of moeder niet meer beschikbaar is, worden nakomelingen gekozen die zo goed mogelijk aan dezelfde eisen voldoen. Door een dergelijke teelt wordt op den duur een grote mate van fokzuiverheid en daarmee ook van uiterlijke uniformiteit bereikt.
Lijnzaad:
is al van oudsher bekend als een voedingssupplement, dat 2 belangrijke voordelen heeft:
a) het werkt regulerend op de spijsvertering en de ontlasting (om die reden ook te adviseren bij honden met anaalklierproblemen);
b) het geeft glans aan de beharing. Dof en bros haar wordt weer soepel en glanzend, belangrijk voor bijv. de teef waarvan de vacht tijdens de verzorging van de pups sterk achteruit is gegaan.
Lijnzaad bevordert niet de groei van de vacht.
is een huidaandoening t.g.v. overmatig likken van de hond. Likgranulomen treden vooral op aan de poten, maar kunnen eender waar op het lichaam voorkomen.
De oorzaken zijn niet altijd duidelijk, maar vaak begint het likken met jeuk. Een andere veel voorkomende oorzaak van een likgranuloom is stress, zoals door verlatingsangst of nervositeit. Het likken is dan een uitlaatklep voor de stress. Indien de hond eenmaal aan het likken is geslagen, kan het soms zeer moeilijk zijn om hem hiermee te doen stoppen, omdat het dan een gewoonte is geworden.
Als uw hond zich constant likt of bijt zonder enige aanwijsbare reden, kan dit dus het gevolg zijn van een gedragsprobleem. Er zijn 3 vormen te herkennen:
a) als onderdeel van aandacht trekken;
b) als onderdeel van stereotype gedrag;
c) als onderdeel van de hyperactieve hond (komt minder vaak voor).
Dit kan resulteren in een zogenaamd "likgranuloom", maar ook bijv. "staart jagen", "flank bijten" etc. horen hierbij.
Hieronder vindt u een overzicht van de kenmerken en de mogelijkheden voor behandeling.
1) Kenmerken van de hond met een likgranuloom als onderdeel van "aandacht trekken":
• geen dermatologische oorzaak;
• interactie met de eigenaar, dit is gedrag ontstaan door aandacht van de eigenaar als de hond zich likt; hieruit heeft de hond geleerd: "als ik lik, heb ik aandacht".
Behandeling middels gedragstherapie:
* negeren, de hond geen aandacht geven, ook niet straffen (straffen is negatieve aandacht);
* weglopen;
* aandacht voor de hond alleen op initiatief van de baas;
* gehoorzaamheidsoefeningen: zit en af en uitbouwen.
2) Kenmerken van de hond met een likgranuloom als onderdeel van stereotype gedrag:
• herhaling van gedrag;
• overdreven in vorm en duur;
• kan zelf niet stoppen;
• stereotypisch;
• langer dan 15 min. per dag.
Behandeling middels gedragstherapie is erg moeilijk en helpt vaak niet. Middels therapie met medicijnen: selgian of clomicalm.
3) Kenmerken van de hond met een likgranuloom als onderdeel van de hyperactieve hond (komt minder vaak voor):
• hyperactief;
• lage prikkeldrempel;
• altijd erg opgewonden;
• kunnen slecht ontspannen;
• veel hijgen en blaffen;
• als pup o.a. geen zelfbeheersing en overdreven motoriek.
Behandeling middels gedragstherapie:
* rust: opwinding voorkomen, negeren en alleen aandacht trekken als de hond rustig is;
* gehoorzaamheidsoefeningen: zit en af en dit uitbouwen;
* spel: stoppen en negeren bij erge opwinding of bij niet af willen geven van bijv. de bal, en pas verder spelen als hij rustig is. Blijft hij opgewonden, doe hem aan de riem en doe wat oefeningen. Doe geen trekspelletjes.
Zie ook acupunctuur.
Limbisch systeem:
hersenstelsel, dat het zenuwstelsel en hormonaal stelsel regelt.
Limier
(meerv. Limiers):
Franse term (in het Engels lymehound; in het Duits Leithund): een brak, waarmee men in het jachtveld eerst het wild opzoekt alvorens de meute wordt ingezet voor de jacht. M.a.w. een hond, die aangelijnd op het zweetspoor gezet wordt.
Vaak werd de Bloedhond gebruikt, die daartoe niet
aan de riem, maar in een tuig was aangelijnd.
Linea:
lijn, draad.
Linea alba:
witte lijn van de navel tot de verbinding der schaambeenderen.
Lingua:
tong.
worm, die het darmkanaal kan verstoppen. Tot de onderorde der lintwormen behoren verschillende Taeniae, Dipylidium caninum, Echinococcus en Botriocefalus. Zie voor meer info: wormen.
geproduceerd door de pancreas ten behoeve van de vertering van vetten. Lipase splitst vetzuren af van tri-glyceriden, waardoor uiteindelijk een mengsel ontstaat van tri-glyceriden, di- en mono-glyceriden, vrije vetzuren en glycerol.
Lipomatose:
vetzucht.
Lipoom:
is een goedaardig vetgezwel en komt vooral voor bij oudere, grote honden, die aan overgewicht lijden.
Lippen:
vlezige massa, die de mondholte omsluit. Lippen, vooral die van de bovenkaak, bepalen de belijning van de voorsnuit, een belangrijk punt bij de beoordeling van het hoofd.
eczeem, dat veroorzaakt wordt door in de buitenste plooi van de onderlip achtergebleven speeksel en voedselresten. Het komt voor bij honden met diepe lipplooien. Regelmatig schoonhouden voorkomt dit. Soms is een operatieve lipcorrectie nodig.
water, (ruggenmerg)vocht.
Zie ook hydrocefalus en cerebrospinale vloeistof.
Literatuur over de hond:
het aantal boeken over kynologie of onderdelen daarvan is legio en breidt zich nog steeds uit. Een overzicht van de op dit moment verkrijgbare boeken zou dan ook morgen weer verouderd zijn. Daarom volsta ik hier met de vermelding van een aantal historisch interessante, merendeels alleen nog antiquarisch verkrijgbare kynologische werken, terwijl dit stukje wordt afgesloten met de opsomming van enkele, over het algemeen eenvoudig verkrijgbare boeken over fokken, het gangwerk en het keuren van honden. Daarnaast bestaat er over elk ras wel een of meerdere boeken.
Tot de meest vermaarde eerste kynologische werken behoort het in het Frans geschreven 'Livre de Chasse', van Gaston Phoebus, uit 1387. Edward, hertog van York, bewerkte het voor Engeland, waar het onder de naam 'The Master of Game' tussen 1406 en 1413 is verschenen.
In 1486 kwam het 'Book of St. Albans' uit, geschreven door "Dame Berners" of "Barnes", die abdis van Sopewell zou zijn geweest, indien het geen schuilnaam was. Beroemd zijn haar berijmde raspunten van de Greyhound, die beginnen met het hoofd van een slang en verder gaan met de hals van een draak, de voet van een kat, de staart van een rat etc.
Een vaak aangehaald werk is het Latijnse 'Joannis Caii Britanni de Canibus Britannicus, Liber Unus. De Rariorum Animalium, et Stirpium Historia, Liber Unus. De Libris Propriis, Liber Unus. Iam Priumu Excusi' van dr. Keyes of Caius (London, 1570), lijfarts van koningin Elizabeth I van Engeland. Van de hand van Abraham Fleming verscheen in 1578 een hier en daar vrije vertaling in het Engels. Enige boeken van George Turberville over de valkenjacht en de lange jacht zijn, ook door de houtsneden, leerrijk voor hondenliefhebbers. Ze verschenen aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw. Gervase Markhams 'Art of Fowling' uit 1655 leert veel omtrent het gebruik van de hond.
Omstreeks 1800 verschenen 3 boeken van grote waarde, ook om hun platen, nl. Thomas Bewicks 'A General History of Quadrupeds' (1790 en 1792), 'Cynographia' door Edwards (1800) en 'The Sportsman's Cabinet or A Correct Delineation of The Various Dogs Used in Sports of The Field' door William Taplin (1804). Bewick gaf de eerste scherpe afbeeldingen van de rassen; voor 'The Sportsman's Cabinet' had Reinagle (of Scott?) de illustraties getekend.
Latere Engelse kynologische werken zijn: Daniel, 'Field Sports' (1813); Scott, 'Sportsman's Repository' (1820); William Youatt, 'The Dog' (1847); Idstone (Thomas Pierce), 'The Dog' (1872); Vero Shaw, 'The Classic Encyclopaedia of the Dog' (1879-1881); Hugh Dalziel, 'British Dogs' (1887); Stonehenge, 'The Dog in Health and Disease' (1887); Vero Shaw, 'The illustrated book on the dog' (1889); Rowden B. Lee, het driedelige 'Modern Dogs' (deel I, Terriers, in 1894); Vero Shaw, 'How to choose a dog' (1897, latere uitgave verzorgd door Theo Marples); Robert Leighton, 'New Book of the Dog: a comprehensive natural history of British dogs and their foreign relatives, with chapters on law, breeding, kennel management, and veterinary treatment' (1907); Theo Marples, 'Show Dogs' (1919); C.C. Sanderson, 'Pedigree Dogs' (1927); Edward C. Ash, 'Dogs, Their History and Development' (1927); A. Croxton Smith, 'About our Dogs' (1935); Harold R. Spira, 'Canine terminology' (1982); 'The Kennel Club's illustrated breed standards' (1989); Bruce Fogle, 'The Dog's Mind' (1990); 'The Complete Dog Book', A.K.C. (erkende rassen en standaards); William Secord, 'Dog Painting, a social history of the dog in art 1840-1940' (1992).
Van de talrijke Britse encyclopedieën is 'Hutchinson's Dog Encyclopaedia' van Walter Hutchinson (1935) in 3 delen misschien wel de bekendste. Arend Lourens Hagedoorns 'Animal Breeding' beleefde ook vele drukken. Het belangrijkste boek na de Tweede Wereldoorlog is 'The Book of the Dog' van Brian Vesey-Fitzgerald (1948, Nicholson and Watson, Londen). "Canis" (Clifford L.B. Hubbard) schreef daarna enige boeken over alle rassen, waaronder een populair, 'Dogs', in de "Observer's"-reeks van Frederick Warne & Co. Ltd., Londen.
De belangrijkste historische boeken in de V.S. zijn: 'Pure Bred Dogs', uitgave van The American Kennel Club (1929); Will Judy, 'Dog Encyclopedia' (1936); en Josephine Z. Rine, 'The Dog Owner's Manual' (1938).
In de Duitse taal zijn de belangrijkste historische algemeen kynologische werken de volgende: Conrad Gessner, 'Historia Animalium' (5 delen; 1551-1587; het eerste deel, dat in 1551 verscheen, behandelt de levendbarende viervoeters); Hans Friedrich von Fleming, 'Der vollkommene Teutsche Jäger' (1719); Heinrich Wilhelm Döbel, 'Jägerpraktica' (1754). In de 20e eeuw verschenen o.a. Richard Strebel, 'Die deutschen Hunde und ihre Abstammung' (1905); Franz Bazille, 'Die Kennzeichen unserer Rassehunde' (1926); J. Berta, 'Der Hundesport'; Aga gravin Von Hagen, 'Die Hunderassen' (1935); Rudolf Löns, 'Hundesport und Hundezucht' (2e druk, daar de 1e druk merkwaardige inzichten bevat die in de 2e zijn weggelaten, is ook die nog van belang).
Recenter bruikbare werken in het Duits zijn: 'Die Hunde der Welt' (Dr. Erich Schneider-Leyer, 1960); 'Das Große Hundebuch' (2 delen; 1974; ook in het Frans en Engels vertaald); 'Das Jahr des Hundes' (Eberhard Trumler, 1984).
Van de hand van de Zwitser prof. dr. Studer zijn in de Duitse taal van 1886-1908 tal van werken verschenen over voorhistorische honden, evenals van prof. C. Keller, dr. H. Studer en W. Tschudy.
Van de kynologische werken in de Franse taal zijn de volgende voor ons van het meeste belang: 'Le Chien et ses Races' door prof. Pierre Mégnin (1897); 'Nos Chiens' door Paul Mégnin (1909); en 'Tous les Chiens' door Hubert Heuillet (1934).
Verder nog de in het Frans gestelde rapporten en eindrapporten van het Internationale Kynologische Congres van 1934 in Monaco, die het volgende omvatten: voeding, hondenziekte, internationale vaststelling van de rechten en verplichtingen van de eigenaars van dekreuen en fokteven, vaststelling van een eenheidsstelsel van de raspunten; 'Vénérie aujourd'hui' (beschrijving van de Franse rassen van Lopende Honden, de meutes, de muziek, diverse rasstandaards, valkenjacht, musea); 'Hounds of France' (George Johnston, 1979); 'Manuel de Vénérie' (le Couteulx de Canteleu Comte J.-E.-Hector, standaardwerk betreffende de Lopende Honden en hun jacht, 1902).
De bekendste kynologische werken in het Nederlands: Kon. Ned. Jachtver. Nimrod, 'Honden' (raspunten voor het keuren). Henri graaf van Bylandt, 'Raspuntenboek van de meest bekende Hondenrassen' (als facsimile verkrijgbaar); hieruit is de latere 4-talige uitgave 'Les Races des Chiens', 2 delen met meer dan 2300 afbeeldingen, ontstaan. L. Seegers, 'Hondenrassen' (2 delen; 1912-1914). Pieter M.C. Toepoel, 'Onze Honden' (1953), uitgave Kosmos, Amsterdam. Johan Pieterse, 'Mijn Hond - een boek voor allen, die van honden houden en voor hen die een hond willen aanschaffen' (1934), uitgave Meulenhoff, Amsterdam. 'Elseviers Groot Rashondenboek' (Fiorenzo Fiorone, 1980).
Voor de fokker belangrijke boeken zijn: dr. C. Naaktgeboren, 'De geboorte bij de hond' (1973); dr. Marinus Adrianus Jozef Verwer, 'Wat bezielt die hond' (1975); Eberhard Trumler, 'Honden zijn om van te houden' (1972); Eberhard Trumler, 'Honden moet je serieus nemen' (1974); Clarence Cook Little, 'The inheritance of Coat Color in Dogs' (7e druk 1979); Leon F. Whitney, 'How to breed Dogs' (6e druk 1976); prof. dr. Wilhelm Wegner, 'Kleine Kynologie' (1979); Prof. Dr. Walter Schleger und Dr. Irene Stur, 'Hundezüchtung in Theorie und Praxis' (1990); Alfred Krähenmann, '100 Jahre Kynologische Forschung in der Schweiz' (uitgever Schweizerische Kynologische Gesellschaft SKG / Albert-Heim-Stiftung).
En tenslotte nog enkele boeken op het gebied van het gangwerk van honden en het keuren van honden: Mc. Dowell Lyon's, 'The Dog in Action' (1969; verouderd); R.H. Smythe, 'The Dog Structure and Movement' (1970); Rachel Page Elliott, 'The New Dogsteps' (1984); Leon Hollenbeck, 'The Dynamics of Canine Gait' (1981 herziene druk); M. Curtis and Thelma R. Brown, 'The Art and Science of Judging Dogs' (1976); Tom Horner, 'Take Them Round Please' (1975); Hilary Harmar, 'Showing and Judging Dogs' (1977); Prof. Dr. Emil Hauck, 'Die Beurteilung des Hundes' (1954, 2e druk); Max Von Stephanitz, 'Die Beurteilung des Deutschen Schäferhundes' (1974, herzien door W. Trox); 'Terrier Chronik' (van 100 Jahre Klub für Terrier e.v. von 1894; 1994); 'Svenska Kennelklubbens Jubileumskrönika 1889-1989' (Svenska Kennelklubben 1989).
Voor de hond in de letterkunde: klik hier.
Liver belton:
zie belton.
Llewellin
Setter:
strain van oude Welsh Setters, genoemd naar R. Llewellin. De stam bestaat nog in Amerika, hoewel niet officieel door de AKC erkend.
Loboor:
bij de aanzet smal en geleidelijk breder uitlopend oor, aan de punt afgerond, bijv. Amerikaanse Cocker Spaniel.
Lobus:
kwab, lob.
Lochiometritis:
baarmoederontsteking.
voortbeweging.
Locus
(meerv. loci):
betekent plaats. In de genetica is de locus de plaats voor een gen. Elk gen heeft een vaste plaats, locus, op de chromosomen. Op die locus kan het oorspronkelijke gen liggen, maar in de plaats daarvan kan er ook een allel van dat oorspronkelijke gen liggen.
Onder koppeling van genen wordt behandeld dat loci voor bepaalde genen dicht bij elkaar gelegen zijn en dat er dan sprake is van gekoppelde loci.
L.O.F., LOF:
Livre des Origines Français (Franse stamboom).
Longiligne:
volgens prof. Solaro een hond, waarvan de lichaamslengte aanzienlijk meer is dan de schofthoogte, bijv. de Duitse Herdershond en de Teckel (Dashond).
Longkanker,
longtumoren:
bij honden komen primaire longtumoren (i.t.t. de mens) zelden voor, maar we zien wel frequent metastatische longtumoren. Dit zijn tumoren die in de longen ontstaan t.g.v. een uitzaaiing van een tumor op een andere plaats. Zo kunnen tumoren ter hoogte van de tepel bij een teef gemakkelijk via het lymfevatenstelsel uitzaaien naar de longen en daar dan symptomen geven.
Wat is longkanker eigenlijk?
Cellen liggen aan de
basis van elk orgaan. In normale omstandigheden vermenigvuldigen de cellen zich
alleen als het nodig is. Wanneer het ingebouwde mechanisme van de cel wordt
verstoord en de cellen zich ongecontroleerd beginnen te vermenigvuldigen,
ontstaat er een gezwel
of tumor.
Een goedaardige (benigne)
of kwaadaardige (maligne)
tumor zijn allebei celwoekeringen.
Bij een kwaadaardige tumor spreken we
van kanker.
Deze tumoren bestaan uit deeltjes die zich niet alleen ongebreideld en
ongeorganiseerd vermenigvuldigen, maar die ook de omgevende weefsels kunnen
binnendringen en via het bloed en de lymfevaten kunnen uitzaaien (metastaseren)
naar andere delen in het lichaam.
De cellen van goedaardige tumoren
zaaien niet uit en zijn niet levensbedreigend. Ze kunnen echter wel overlast
bezorgen.
Een longtumor is een gezwel dat afkomstig is van
het luchtwegepitheel (opperste celweefsel van de luchtwegen).
Longcarcinoom, longtumor of longkanker zijn synoniemen voor een kwaadaardig
longgezwel of maligne longtumor.
Een longcarcinoom ontstaat wanneer cellen van de luchtwegen hun normale controle
verliezen, zich ongeremd verder delen, en zo over het verloop een gezwel of
tumor vormen.
Dit stukje gaat over de behandeling van primaire longtumoren, d.w.z. een longtumor die geen metastase is van een andere tumor.
De diagnose kan gesteld worden a.d.h.v. de geschiedenis van het dier, de radiologie van de longen en gerichte biopsie met echografie van het gezwel. Met het biopt kan de dierenarts zien of het om een primaire tumor of metastatische tumor gaat.
Wat is de behandeling?
•
Chirurgie
Een operatieve ingreep kan een mogelijkheid zijn om een kwaadaardige tumor
te verwijderen. Maar een operatie heeft alleen zin als de
hele tumor verwijderd kan worden. Dat
geldt in het bijzonder bij longkanker.
Voor de operatie moet dus goed worden onderzocht hoe groot de tumor is en of er
uitzaaiingen zijn. Ook moet bekeken worden hoe de algemene conditie van de hond
is, en met name de functie van hart en longen is;
•
Palliatief
De term 'palliatieve zorg' is afgeleid van het Latijnse woord pallium, dat
'mantel' betekent. Palliatieve zorg, een mantel van warmte en bescherming. Een
mantel die de ongeneeslijk zieke hond door zijn baasjes wordt aangeboden in zijn
laatste levensfase.
Idealiter start palliatieve zorg op het moment dat vastgesteld wordt, dat
genezing niet meer mogelijk is. Bij palliatieve zorg richt de zorgverlening zich
meer op de hond dan op de ziekte, meer op het verlichten van lijden, dan op het
verlengen van leven.
Er kan daarom gesteld worden dat palliatieve zorg is gericht op het toevoegen
van leven aan de dagen, in plaats van dagen aan het leven.
Zie voor meer info: kanker.
is vocht in of achter de longen, men zegt ook wel: "Vocht (water) op de longen". Er is een verminderde zuurstofopname. De hond is kortademig.
Longoedeem kan een symptoom van CHI zijn of een verschijnsel van acuut nierfalen.
Bij kleplekkages van de linkerhartboezem stroomt vaak bloed onder hoge druk terug in de longen, en dat effect kun je op een röntgenfoto vaak terugzien in de vorm van longoedeem en een te duidelijke longvattekening.
Met medicatie kan de hond behandeld worden. Als er teveel vocht op de longen is kan er bijv. een vochtafdrijver gegeven worden. Deze zorgt ervoor dat de hond meer gaat plassen, waardoor het bloedvolume gaat dalen en waardoor de bloeddruk automatisch gaat dalen.
ontsteking van het weefsel aan de binnenkant van de longen.
Longontsteking kan door een bacteriële of een virusinfectie worden veroorzaakt, hoewel dat niet voor alle gevallen geldt. Longontsteking kan ook ontstaan, doordat er voedsel of braaksel, rook of zelfs chemicaliën in de luchtpijp zijn gekomen; in deze gevallen zal de hond meestal een secundaire bacteriële longontsteking hebben.
Symptomen zijn o.a. aanhoudend hoesten, vrij forse hoeveelheden slijm ophoesten, moeilijk ademhalen, niet graag willen lopen of zelfs helemaal niet bewegen, koorts, lusteloosheid en gebrek aan eetlust.
Een hond die longontsteking heeft, zal op een heel specifieke manier staan: met zijn voorpoten uit elkaar en zijn kop omlaag; hij zal veel hoesten, maar snakken naar adem.
één van de 3 vliezen in de borstholte. Het longvlies behoort tot de sereuze vliezen. Het valt op door 4 kenmerken: glad, glanzend, vochtig en doorschijnend. Vooral door de vochtigheid kan het longvlies zich bewegen langs de pleura en langs het mediastinum. En dat is nodig bij de in- en uitademing, waarbij de longen zich uitzetten, dan wel weer in elkaar laten zakken.
Lood
(Pb):
komt het milieu en het dierlijk voedsel binnen via de uitstoot van uitlaatgassen van fabrieken en door lozing op rivieren, terwijl ook een verhoogde concentratie wordt gevonden in de uitlaatgassen van auto's. Zo bezit gras uit wegbermen een aanzienlijke hoeveelheid lood meer dan gras uit verder weg gelegen weilanden.
Bij dieren die buiten lopen, kan soms een acute loodvergiftiging optreden na het drinken van verontreinigd (sloot)water. Dat wordt meestal veroorzaakt door het dumpen van accu's in sloten.
Chronische loodvergiftigingen kunnen worden waargenomen wanneer honden kunnen sabbelen op huisraad dat met ouderwetse loodhoudende verf is geverfd. Mede n.a.v. dit soort vergiftigingsgevallen is het aan de fabrikanten van kleurpotloden tegenwoordig verboden om deze potloden te voorzien van een loodhoudende verf.
Zie sporenelementen.
Loopketting:
er zijn wettelijke verordeningen omtrent het aan de ketting leggen van een hond.
Loops:
tot welke leeftijd blijft een hond loops? De loopsheidscyclus gaat, als ze niet geopereerd wordt, het gehele leven van de teef door.
Zie voor verdere info: loopsheid.
periode in de cyclus van de teef, waarin ze bloederige uitscheiding vertoont, waarin ze zich laat dekken en waarin ze vruchtbaar is. Het is dus absoluut niet te vergelijken met de menstruatie bij vrouwen. Men zegt tijdens deze periode: "Mijn teef is loops". Het duurt zo'n 3 weken.
Binnenshuis kunt u haar een speciaal "periodiek broekje" (loopsheidbroekje) met een inlegkruisje erin geplakt aan doen; buitenshuis doet u het uiteraard uit.
De loopsheid omvat de volgende perioden uit de ovulatiecyclus: pro-oestrus, oestrus en enkele dagen van de met-oestrus.
Haar eerste loopsheid heeft een teef vanaf een leeftijd van 6 tot 14 maanden. Dit varieert sterk; wel is het vaak zo, dat hoe kleiner de hond, des te eerder haar eerste loopsheid, hoe groter het ras, des te later.
Uiterlijk waarneembaar zijn de zwelling van de vulva en een aanvankelijk donkerrode, later lichter gekleurde uitvloeiing.
In het begin van de loopsheid (pro-oestrus) is de teef niet vruchtbaar. Ongeveer de 12e tot de 14e dag van de loopsheid vindt de ovulatie plaats, een periode waarin de teef bereid is zich te laten dekken door een reu (oestrus).
Wilt u geen pups, houd de teef dan goed in de gaten vanaf dag 10 t/m 15: laat haar niet los, maar houd ook deuren goed gesloten (zodat ze zelf niet op zoek kan gaan naar een leuk mannetje) en laat uw teef deze dagen liever niet alleen in de tuin, want een reu uit de buurt komt graag 'op bezoek'.
Wilt u wel pups, wacht dan met een eventuele dekking totdat ze ongeveer 2 jaar is.
Gedurende de hele loopsheid is de teef aantrekkelijk voor reuen, en zelfs erna nog, maar vruchtbaar is ze maar een paar dagen. De duur van de loopsheid is ongeveer 3 weken, maar de verschillende stadia van de ovulatiecyclus kunnen verkort of verlengd zijn. Op deze wijze kan de tijdsduur van de loopsheid variëren van ongeveer 4 dagen tot 4 weken.
De loopsheidscyclus gaat het gehele leven van de teef door. De volgende keer, dat ze weer loops wordt kan 6 tot 9 maanden later zijn (varieert ook sterk).
Loopsheidpreventie kan op twee manieren: a) sterilisatie (eigenlijk castratie), b) hormoontoediening (prikpil).
Vanaf 27-6-'05 mogen loopse teven toegelaten worden op tentoonstellingen, kampioensclubmatches en clubmatches. Op wedstrijden etc. worden ze nog niet toegelaten.
Loopsheidpreventie:
zie hierboven.
ziekelijk voorwaarts gekromde ruggengraat; holle rug.
Zie ook kyphose.
Los
front:
door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en te veel bewegende schouderbladen en/of ellebogen, m.a.w. een afwijking in de voorhand. Bij het gaan slingeren de voorbenen of zij kruisen.
L.O.S.H.,
LOSH:
Livre des Origines Saint-Hubert (Belgische stamboom). Buiten het L.O.S.H. zijn er nog A.L.S.H. (Annexe au Livre des Origines Saint-Hubert) en R.I.S.H. (Registre Initielle Saint-Hubert of Initieel Register Sint-Hubertus).
Alleen het L.O.S.H. wordt door de F.C.I. erkend; het is geheel te vergelijken met het Nederlandse Hondenstamboek (N.H.S.B.).
Losse
schouder:
schouders, die bij het gaan naar buiten uitwijken (fout).
Louisianer:
LPA:
Los Processus Anconeus. Een groeikern die van de elleboog is afgebroken en los in het ellebooggewricht is gelegen.
Dit verschijnsel wordt vooral bij grote honden als Sint Bernards en Bloedhonden, maar ook bij Bassets op een leeftijd van ongeveer een half jaar aangetroffen.
Als geen behandeling wordt ingesteld kan het losse stuk bot aanleiding geven tot artrose van het ellebooggewricht.
LPC:
Los Processus Coronoides of Los Processus Coronoïdeus (Medialis). Een los stukje bot dat aan de ellepijp ontbreekt en los ligt aan de binnenkant van het ellebooggewricht.
Dit verschijnsel treedt op bij honden van ongeveer een half jaar en wordt gezien bij Retrievers, Rottweilers en verschillende andere grote en middelgrote rassen. Het processus breekt af als gevolg van een relatieve overbelasting. De aandoening wordt vaak beiderzijds gezien en vaak in combinatie met andere stoornissen in de ossificatie, zoals o.a. OCD.
is een synthetisch thyroxine in tabletvorm. Zie ook Forthyron.
Luid geven:
zie hals geven.
Luid-op-spoor-jagen:
zie brakken (brakkenjacht in Nederland).
bij de hond kent men 2 soorten luis, nl. de haarluis (trichodectes; vachtluis) en de bloedluis (haematopinus). Bij voorkeur nestelen luizen zich aan de hals en achter de oren, de bloedluis aan de onbehaarde huidplaatsen, vooral buik en liesstreek.
De haarluis is 1 tot 2 mm. groot, heeft een zeer brede kop en voedt zich met huidschilfers en bloed. De eieren van de haarluis zitten aan de haren gekleefd. De haarluis wordt wel eens aangewezen als tussengastheer van de lintworm, maar dit is onjuist gebleken (de vlo wel).
De bloedluis is iets langer, heeft een spitse kop en leeft uitsluitend van bloed. Ook deze soort kleeft zijn eitjes (neten) vast aan de haren.
Bij een besmetting met luizen zal de hond zich erg veel krabben en daardoor grote huiddelen beschadigen. Kansen op infecties, ontstekingen en huiduitslag worden hiermee vergroot.
Luizen zien we nog maar weinig, omdat de meeste honden regelmatig behandeld worden met anti-vlooienmiddelen, die ook luizen bestrijden.
Lumbaal:
tot de lendenen behorend, de lendenen betreffend.
Lumbo-sacrale
instabiliteit, lumbosacrale instabiliteit:
botwoekeringen bij de overgang van de laatste lendenwervel naar het sacrum (heiligbeen): L7-S1 instabiliteit. Er wordt ook wel eens gezegd, dat het spondylose op een specifieke plek is.
L7 en S1 zijn verbonden door een tussenwervelschijf aan de onderzijde en 2 kleine gewrichtjes aan de bovenzijde. Normaal laten deze gewrichten slechts een beperkte beweging toe zodanig dat de zenuwen beschermd zijn tegen inklemming.
Deze botwoekeringen kunnen dusdanige vormen aannemen, dat als gevolg hiervan er zenuwuitval optreedt. De klachten kunnen zo ernstig worden, dat de hond geëuthanaseerd moet worden. Deze vorm is vooral bekend bij de Duitse Herder, maar ook een van mijn Golden Retrievers lijdt hieraan.
Klachten kunnen zijn: trager gaan zitten, staan en liggen, slecht of niet meer kunnen springen, in een later stadium slap gangwerk, slappe staart, incontinentie van urine of ontlasting en verlamming van de achterhand.
Problemen op deze plaats kunnen verschillende oorzaken en gevolgen hebben en vereisen een specifieke aanpak. Fysiotherapie is een optie.
Zie ook CES.
Lumen:
holte in een orgaan of een afvoergang.
is een auto-immuunziekte en komt in 2 vormen voor, de huidvorm (Discoide Lupus Erythematosus of DLE) en de gegeneraliseerde vorm (Systemische Lupus Erythematosus of SLE).
Systemisch wil zeggen dat vele organen in het lichaam kunnen worden aangetast. Het woord 'lupus' is een Latijnse benaming voor "wolf". De karakteristieke vlindervormige uitslag in het gezicht doet denken aan de witte tekening op de snuit van een wolf. Erythematosus is een Griekse benaming voor "rood". Deze verwijst naar de rode kleur van de huiduitslag.
Lupus is vooral te vinden bij de Collie, Alaska Malamute, Siberische Husky, Chow Chow, Duitse Herder en hun kruisingen.
De eerste vorm en tevens de minst erge is de discoïde lupus, een huidziekte die haarverlies en een korstige, irritatie van de huid, gewoonlijk in het gezicht en op het hoofd veroorzaakt. Ook zien we algemeen ziek zijn met koorts, gewrichtsontsteking etc. Deze huidvorm kan gemakkelijk verward worden met Pemphigus. DLE begint gewoonlijk met depigmentatie van de neusspiegel en/of lippen. Die depigmentatie gaat over in erosies en uiteindelijk in zweren. De lokalisatie is oren, lippen, neusrug, neusspiegel en (mond)slijmvlies, zelden in andere gebieden. De lokalisatie is vergelijkbaar met die bij Pemphigus foliaceus en erythematosus, de ernst van de laesies met die bij Pemphigus vulgaris.
De discoïde lupus kan aan de ernstigere, systemische ziekte, lupus erythematosus (SLE) voorafgaan. Honden met SLE lijden aan een verscheidenheid van problemen, maar de meest gekende zijn artritis, nierziekte, huidziekte en bloedafwijkingen (bijv. bloedarmoede). Een groot aantal andere effecten en neveneffecten kunnen ook optreden. Daarom is het moeilijk om deze erge auto-immuunziekte precies te omschrijven. Sommige reacties op medicijnen en sommige vormen van kanker hebben bijna dezelfde klinische tekenen en veel problemen veroorzaken deze klinische tekenen ook.
SLE kan zich sluimerend ontwikkelen, maar het kan ook acuut verschijnen.
Symptomen kunnen erger dan weer minder erg worden, maar worden geleidelijk steeds erger (progressief verloop) en houden onder meer sloomheid, koorts en anorexia in, naast de orgaanspecifieke verschijnselen. Vaak aangetaste structuren zijn: gewrichten, nieren, de huid en het bloed, minder vaak zijn spieren (incl. de hartspier), de hersenen en de pleura aangetast. Het leidt vaak tot kreupelheid die afwisselend in verschillende poten kan optreden, chronische slechtwerkende nieren, AIHA en AITP.
Behandeling bestaat uit het geven van levenslang cortisonen zoals Prednison in een zo laag mogelijke dosis en daarbij symptomatische therapie ter verzachting van de op de voorgrond tredende klachten, bijv. rust, en pijnstillers als de gewrichten heftige pijn veroorzaken.
Andere auto-immuunziektes met inbegrip van hemolytische anemie en trombocytopenie, kunnen een symptoom van Lupus zijn. Lupus is ongeneeslijk, maar het is mogelijk voor honden om er succesvol mee te leven. De ernstige gevallen kunnen fataal zijn. Maar het is met betrekking tot de bijwerkingen bij een levenslange behandeling met o.a. prednison steeds maar weer de vraag of u de hond er echt een plezier mee doet. Ontembare honger, onlesbare dorst, vetzucht en slaperigheid; alle bijwerkingen van prednison dragen zeker niet bij tot het gevoel van welbevinden, integendeel. Omdat iedere hond verschillend reageert op deze medicijnen, moet ook bij iedere hond individueel die vraag gesteld worden.
Uiteindelijk komt er misschien een moment, dat het aan de eigenaar is, om als het leiden te erg wordt, zijn hond dit te besparen en hem in te laten slapen (euthanasie).
was vroeger een bastaardwindhond; in Engeland veel gebruikt als stropershond, vaak ruwharig, jagend op neus en gezicht en vaak schrander en daardoor ook veelal nuttig op boerderijen.
Tegenwoordig is de omschrijving: een Lurcher is een kruising tussen 2 honden, van wie er tenminste één een windhond als voorouder heeft. Er wordt dus nagedacht over de te maken kruising, want de fokproducten moeten verschillende kwaliteiten hebben om hun taken te kunnen vervullen.
In principe onderscheidt men bij de Lurcher 3 hoofdgroepen: de kruising windhond x windhond, windhond x terriër en windhond x herdershond. Kruisingen tussen windhonden en spaniels of retrievers zijn nu zeldzaam.
De meest populaire is de Border Collie Lurcher en de mooiste qua uiterlijk vanwege zijn adellijke verschijning de Barsoi Lurcher.
Wie zich bezighoudt met Lurchers wordt in Engeland een 'lurcherman'
genoemd en de sport zelf heet 'lurcher work' of 'lurchering'.
Lus
van Henle:
buizenstelsel; zie nieren.
a) ontwrichting, b) verplaatsing van de ooglens uit haar kapsel.
het naar buiten treden van het oog uit de oogkas, meestal na een ongeval (auto, hondenbeet of trap van een paard). Dit is een oogheelkundig spoedgeval.
De weefsels zullen snel zwellen en rood worden. Direct of binnen enkele uren raakt de cornea ernstig en de oogzenuw onherstelbaar beschadigd.
Rassen als de Pekingees en de Shih Tzu dienen in dit kader apart te worden vermeld. Bij deze rassen ligt de oogbol in een dermate ondiepe oogkas (orbita) en is de oogspleet net zo ruim dat de oogbol gemakkelijk door de oogspleet kan luxeren, maar niet meer spontaan terug kan. Een woedeaanval is soms al voldoende om een luxatie op te wekken. Ook bij het vasthouden (trekken aan het vel in het nekgebeid) kan een luxatie optreden. Deze honden kunnen het beste met de handen om de nek, direct achter de kop worden vastgehouden. Pekingezen dienen niet in het nekvel of aan de halshuid te worden vastgehouden!
Als eerste hulp moeten de oogleden, dus de kophuid, onmiddellijk weer over de oogbol worden getrokken. Is dit onmogelijk, dan moet de oogbol onmiddellijk worden beschermd tegen verdere beschadiging en uitdroging, bijv. met slaolie. Daarna moet de patiënt zo snel mogelijk naar de dierenarts worden gebracht. Tijdens dit vervoer moet worden voorkomen dat de hond het oog verder beschadigt. D.m.v. hechtingen worden de oogleden tegen elkaar gehecht, zodat de oogbol op zijn plaats wordt gehouden.
Soms kan door verscheuring van de binnenoogspier scheelheid naar de buitenzijde optreden.
De prognose voor het gezichtsvermogen en het behoud van het oog is redelijk gunstig, mits de luxatie niet langer dan 1 à 2 uur (Pekingees minder dan 15 min.) heeft bestaan.
Fokkers, maar ook de kopers van gepredisponeerde rassen, dienen ervan doordrongen te zijn, dat oogbollen een diepe oogkas nodig hebben ter bescherming van het oog.
Lyme, ziekte van ~:
zie ziekte van Lyme.
Lymehound:
zie limier.
Lymfe:
weefselvocht; zie lymphe.
liggen verspreid door het lichaam en filteren de lymfe, m.a.w. ze spelen een rol bij de afweer.
Bij ontstekingen zijn vaak zwellingen van de lymfeknopen in de buurt van de ontsteking te zien.
boonvormig orgaantje, waarin een van de soorten lymfocyten gevormd wordt.
witte bloedcel, gevormd in de lymfklieren en de milt. Het zijn kleine cellen, waarbij bijna het gehele celvolume wordt ingenomen door de kern. Ze reageren specifiek op bepaalde ziekteverwekkers.
Lymfocyten (of lymphocyten) kunnen we in 2 groepen opsplitsen. We spreken van B-cellen en van T-cellen. De B-lymfocyten maken antistoffen en T-lymfocyten vallen lichaamsvreemde en door virussen geïnfecteerde cellen aan. T-cellen kunnen we nog verder onderverdelen in T4- en T8-cellen.
Zie ook bloedonderzoek.
het plasma met witte bloedcellen; verzorgt voeding van weefsels en voert afvalstoffen af.
Lysis:
desintegratie, ontbinding; geleidelijke vermindering van de ziekteverschijnselen.
is een zeer klein blaasje, dat zich in het cytoplasma bevindt en ook wel 'de afvalberg' van de cel genoemd wordt. Lysosomen worden bij dierlijke cellen eveneens afgesnoerd door het Golgi-apparaat. Zij zijn alleen door hun inhoud te onderscheiden van gewone vacuolen. Lysosomen bevatten namelijk krachtige afbraakenzymen.
De functie van de lysosomen is afvalverwerking. In het lysosoom heerst een zuur milieu met een laag pH van rond de 3. Dit is nodig, omdat lysosomale enzymen alleen werken bij zo'n laag pH. De enzymen werken alleen onder deze omstandigheden, omdat ze anders de hele cel zouden afbreken wanneer ze al dan niet bedoeld vrijkomen.
Door versmelting van afvalvacuolen en voedselvacuolen met lysosomen ontstaan de fagosomen. Binnen een fagosoom verteren de afbraakenzymen van de lysosomen de aanwezige stoffen terug tot herbruikbare nutriënten.
Indien het om de eigen afvalstoffen gaat (verzameld in een afvalvacuole) noemt men dit afbraakproces autofagie. Gaat het om afbraak van stoffen door fagocytose opgenomen in een voedselvacuole, dan noemt men het heterofagie.
Lyssa:
hondsdolheid, rabiës.
© Copyright by Yvonne Soomers-Marell