Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

K

 

Kaalheid:

zie haarverlies.

Kaboelhond:

was vroeger de benaming van de Afghaanse Windhond.

Kabylenhond:

zie Algerijnse Herder.

Kadaver:

          dood lichaam.

Kalium (K):

min of meer dezelfde functie als natrium.

Zie ook zouten, mineralen, electrolyten en bloedonderzoek.

Kalk:

a) zie calcium

b) synoniem voor krijt, dat gebruikt wordt om de witte vacht van honden te reinigen.

Kam:

instrument om de lange vacht van honden te fatsoeneren. Kammen dient voorzichtig te geschieden, omdat de onderwol gemakkelijk verwijderd wordt, wat zeer ongewenst is.

Kameelrug:

een te dicht bij de schoft gewelfde rug.

Kampioen:

zie C.A.C. en C.A.C.I.B.

Kampioenschapsclubmatch:

een door een rasvereniging georganiseerde expositie voor het ras of de rassen of variëteitsgroep(en), waarvan de belangen door die rasvereniging worden behartigd, en waar Nederlandse kampioenschapsprijzen (CAC's) behaald kunnen worden.

Zie ook CW (clubwinnaar). 

Kampioenschapsprijs:

            zie C.A.C.           

Kampioensklas:

1) een klasse op een tentoonstelling voor honden die een nationale of internationale kampioenstitel hebben behaald; 

2) een klasse op een tentoonstelling, waar internationale kampioenschapsprijzen behaald kunnen worden voor honden die de leeftijd van minimaal 15 maanden hebben bereikt en door de Raad van Beheer of een aanverwant lichaam een kampioenstitel is toegekend;

3) Het openstellen van een Kampioensklasse geldt alleen voor Kampioenschapsclubmatches en Clubmatches van rasverenigingen. Dus niet voor een Clubmatch georganiseerd door een Kynologenvereniging.

Kampioenshonden mogen op een clubmatch van een Kynologenvereniging uiteraard wel in andere klassen worden ingeschreven.

Inschrijven in de Kampioensklasse op een Kampioenschapsclubmatch is niet verplicht. Kampioenshonden mogen ook in andere klassen inschrijven.

Kangaroehond:

is veeleer de naam van een groep jachthonden, dan van een ras. Om de zeer snelle kangaroe in te halen is windhondenbloed nodig, maar daar het buideldier tevens een ongemakkelijke vechter is en hard stoot, moeten de honden veel zwaarder zijn dan de Greyhound. Daarom gebruiken de Australiërs kruisingsproducten van de Greyhound, Ierse Wolfshond en Foxhound. Gewoonlijk zijn het honden van ca. 40 kg. en ruwharig, die de nodige snelheid aan vechtvermogen paren en ook te water gaan wanneer de kangaroe daarin springt.

Kanker:

deze term slaat op een verzameling ziektes. Het gaat om kwaadaardige tumoren en leukemie, en deze komen veel voor bij honden. 

Tal van factoren kunnen kanker veroorzaken, ook leefomgeving of erfelijkheid

De behandeling hangt af van de oorzaak, de ernst en de plaats van de kanker. Ziektes kunnen altijd maar beter vroeg dan laat behandeld worden, want dan is de kans op succes veel groter. Mogelijk is een operatie, chemotherapie of bestraling

Voor uitgebreidere info: zie wetenswaardigheden.           

Kapsel van Bowman:

kelkvormig kapseltje; zie nieren.  

Karakter:

over het algemeen een aanduiding voor de wijze waarop de hond zich gedraagt t.o.v. zijn omgeving.

Karakter is erfelijk bepaald, maar ook milieu-invloeden spelen hierbij een rol.

Karperrug:

rug (rugsilhouet) met gewelfde lendenen (bijv. Engelse en Franse Bulldog).

Karyotype, karyogram:

typerende groepering van de chromosomen of anders gezegd het totaalbeeld van de chromosomen van een organisme (uit het Grieks karyo- = kern). Deze rangschikking van chromosomen levert per soort een specifiek patroon op.

In de celkern van elke lichaamscel komt hetzelfde karyotype voor. Dat wil zeggen dat hetzelfde aantal chromosomen met nauwkeurig dezelfde vorm van elk van de chromosomen even vaak voorkomt als er cellen in het lichaam zijn. Hetzelfde geldt ook voor de DNA-configuratie.

Aan het onderzoek van het karyotype is bij verschillende diersoorten en ook bij de mens reeds veel aandacht besteed. Het karyotype van het bananenvliegje en van de muis is al in detail vastgesteld en ook voor dat van de mens zijn belangrijke vorderingen gemaakt. Niet alleen de aantallen waarin de chromosomen in de lichaamscellen voorkomen, maar ook de structuur en de kleurbaarheid van de onderdelen zijn reeds vergaand vastgelegd.

Bij de soorten van planten en dieren waarbij dit onderzoek vooral heeft plaatsgevonden, is voor een groot aantal genen bekend op welk chromosoom ze liggen en op welke plaats op dat chromosoom. Met de technieken uit het DNA-onderzoek kan daardoor worden vastgesteld op welk deel van de chromosomen een verandering heeft plaatsgevonden.

Het onderzoek van het karyotype van de hond is onder invloed van de ontwikkelingen bij het DNA-onderzoek in een stroomversnelling gekomen. Het karyotype van de hond bestaat uit 39 paren chromosomen, waaronder het X- en Y-chromosoom, m.a.w. bij honden zijn de normale karyogrammen [78, XX] voor een teef en [78, XY] voor een reu. Het karyotype kan daarnaast ook uitgedrukt worden in een formule als 2n=78 (bij een diploïde aantal chromosomen).

Ook de structuren van deze chromosomen zijn beschreven en m.b.v. het DNA-onderzoek is ook voor de hond al van een aantal genen bekend waar ze liggen. 'Gene Mapping', het onderzoek naar de plaats van de genen, vormt momenteel het hoofdthema van het genetisch onderzoek bij de hond.

Katabolisme:

afbraak van stoffen, bijv. ten behoeve van de 'verbranding'; zie stofwisseling.       

Katalase:

is een enzym, dat een proces versnelt m.b.v. zuurstof.

Kataplexie:

          ziekte, waarbij de hond in elkaar zakt en niet wil bewegen.

Kattenloop:

toestel, dat bij behendigheid wordt gebruikt: vrij smalle loopplank met aan weerszijden een schuin verlopende opgang en afgang. 

Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Kattenvoer geven:

wordt vaker gedaan bij kieskeurige honden. Kattenvoer is immers veel smakelijker dan hondenvoer. Het enige gevaar schuilt in het feit, dat kattenvoer veel eiwit (vlees) bevat, te veel voor de behoeften van een hond. Een teveel aan eiwit geeft op de lange duur nadelige effecten aan de nieren. Het is zo dat men de nadelige effecten van te veel eiwit pas na jaren ziet en wanneer men de effecten ziet, is het uiteraard te laat. Daarom moet vanaf het begin een correct uitgebalanceerde voeding gegeven worden.

Kattenvoet:

kleine, ronde voet; klein eerste teenkootje. Vele Terriërrassen en Keesachtigen, alsmede enkele Dogachtigen, vertonen deze formatie.

Kauwgom verwijderen:

wanneer uw hond in kauwgom getrapt heeft of dit in zijn vacht heeft gekregen, kunt u dit verwijderen door de haren met pindakaas in te smeren. Als u dit niet lekker vindt, kunt u ook (baby)olie gebruiken: even laten intrekken en u haalt de kauwgom er zo uit.

KCS:

          zie Keratoconjunctivitis Sicca.

Keelhuid:

losse, ruim hangende huid rond de keel. Bij zeer ruime keelhuid spreekt men van wammen, bijv. bij de Bloedhond en de Basset Hound.

Keelontsteking:

          zie faryngitis.

Keelpijn:

          zie kennelhoest en faryngitis.

Keizersnede:

is het operatief opensnijden van de baarmoeder om volledig ontwikkelde pups ter wereld te brengen.

Zie ook geboorte.

Kelb:

Arabische waakhond, waarvan de schilder Auguste LeGras enkele meebracht. Ze waren lichtgeel bij wit af, langharig, met staande oren en maakten enigszins de indruk van een te lange Keeshond. In 1917 verscheen er als laatste opleving van het ras één op een tentoonstelling te Rotterdam.

In het Arabisch duidt de benaming 'kelb' niet op een ras, maar op de hond in het algemeen. Het is dan ook geen wonder dat onder de naam Kelb in Engeland enkele gladharige honden uit Malta zijn ingevoerd, met lang hoofd, staand oor en tengere romp, die op de Pariahond lijken en aan de Windhond doen denken. Zij jagen op gezicht en neus beide.

Keltenbrak:

stamras waaruit vele Brakkenvariëteiten zijn ontstaan, o.a. Zwitserse Brakken en vele Franse Brakken.

Kennel:

a) Engelse naam voor hondenhok; b) een inrichting waar honden gefokt worden.

Kennel Club:

in navolging van de Engelse Kennel Club hebben vele nationale kynologische verenigingen de woorden 'Kennel Club' in hun naam, zoals in de Verenigde Staten de Amarican Kennel Club, in Argentinië de Kennel Club Argentino, in Zweden de Svenska Kennelklubben, in Denemarken de Dansk Kennelklub en in Israël de Israël Kennel Club.

De Engelse Kennel Club, de eerste vereniging op kynologisch gebied ter wereld, werd in 1873 opgericht. Er werden toen reeds 14 jaar hondententoonstellingen gehouden en de ervaring had de noodzaak aangetoond van een leidend lichaam, dat bepalingen zou opmaken voor de wijze waarop deze zouden worden gehouden en dat algemeen toezicht zou uitoefenen.

Een van de eerste bepalingen, en zeker de belangrijkste, was dat honden, voordat ze konden worden tentoongesteld, bij de vereniging moesten zijn geregistreerd onder een naam die hen onderscheidde en die geen andere hond mocht voeren. De hiervoor betaalde onkosten vormde de belangrijkste bron van inkomsten van de vereniging.

Eerst viel slechts een deel van de hondententoonstellingen onder haar toezicht, later echter alle, waarna het tentoonstellingsgebeuren geweldig in omvang toenam.

Zie ook Raad van Beheer.

Kennelhoest:

          besmettelijke ademhalingsziekte; zie wetenswaardigheden 2.

Kennelnaam:

een door de FCI geregistreerde en beschermde naam, die gebruikt mag worden als affix of als prefix bij de naam van de honden, die door de eigenaar van de kennelnaam gefokt zijn. 

Kennelnamen moeten worden aangevraagd bij de Raad van Beheer, waarna er een goedkeuring door de F.C.I. kan volgen, mits deze naam niet reeds toegekend is.

Kennelsyndroom:

honden die niet of nauwelijks gesocialiseerd zijn in de socialisatieperiode. Honden kunnen, als ze geen kennis gemaakt hebben met mensen, honden of kinderen, voor deze groepen angst ontwikkelen. Indien bijv. een hond in deze periode niet gesocialiseerd is aan kinderen, kan hij t.o.v. kinderen een kennelsyndroom ontwikkelen. 

Een kennelsyndroom ontstaat dus door een socialisatiedeficiëntie in de socialisatieperiode. De hierdoor ontwikkelde angst is alleen met veel geduld misschien te herstellen.

Om het ontstaan van een kennelsyndroom te voorkomen, moet met de socialisatie van de pups worden begonnen als ze 3 weken oud zijn.

Keratine:

          eiwit ('n vezeleiwit), waaruit hoorn, nagels, haren en opperhuid bestaan.

Keratitis:

          ontsteking van het hoornvlies.

Keratoconjunctivitis Sicca (KCS; droog oog):

is een oogziekte, waarbij de oogbol aan de voorzijde uitdroogt, doordat er onvoldoende of geen tranen meer worden geproduceerd. Dit kan o.a. worden veroorzaakt door infecties, zenuwbeschadiging, sommige medicijnen tegen chronische darminfecties (sulfa's) of fouten in het afweersysteem. 

De afwijking wordt meer gezien bij de kleinere honden en in het bijzonder bij de Teckel (langhaar), de Cavalier King Charles Spaniel en de West Highland White Terriër. 

De cornea en conjunctivae zijn matglanzend en er wordt taaie, slijmige pus gevormd. Ook de neusspiegel, het neusslijmvlies en de mondholte kunnen een droog aspect vertonen. 

De behandeling kan zijn: medicatie of operatie (transplantatie van de ductus parotideus).

Zonder behandeling gaat eerst het gezichtsvermogen en uiteindelijk zelfs de oogbol verloren.

Keratoseborroeïsch:

droge en/of licht schilferende huid is huid van keratoseborroeïsche aard.

Zie Sebocalm en Sebolytic.

Kersenoog, kerse-oog:

zie cherry eye.

Ketoacidose, keto-acidose:

ophoping van ketonen in de bloedsomloop t.g.v. nierfalen.

Bij chronische diabetes gebruikt het lichaam vetten als energiebron, omdat suiker niet beschikbaar is. De cellen breken de vetten af tot ketonen, zoals bijv. aceton. Als die snel worden verbruikt, kunnen ze geen schade aanrichten, maar wanneer ze de kans krijgen zich op te hopen in het bloed, wordt het bloed zuurder en kunnen ernstige problemen ontstaan.

Honden met ketoacidose zijn uitgedroogd, futloos en depressief en lijken te gaan braken. Hun adem ruikt naar aceton en lijkt wel op de geur van nagellakremover.

Ketoacidose is een levensbedreigende aandoening. De ziekte wordt vastgesteld aan de hand van de ademgeur en de identificatie van ketonen in een urinemonster. De behandeling bestaat uit het intraveneus toedienen van vloeistoffen en insuline.

Ketonen:

normale stofwisselingsproducten (afvalstoffen die ontstaan door chemische reacties in het lichaam), zoals azijnzuur en aceton. Ze verzuren het lichaam.

Zie ook urineonderzoek.

Kettinghond:

met het Besluit van 19 december 1962 ter uitvoering van artikel 1 van de Wet op de dierenbescherming, inzake het houden van een waak- of heemhond, heeft de wetgever een eind trachten te maken aan veel hondenleed. Hierin zijn de eisen vastgelegd waaraan moet worden voldaan om een hond als waakhond op een erf vast te leggen. Zo moet de ketting minstens 2 m. lang zijn, met een vrij draaiende wartelhaak aan de halsband zijn bevestigd en aan de andere kant vastzitten aan een looplijn van minstens 10 m. lengte.

Verder moet het dier over een tochtvrij hok van bepaalde minimum afmetingen beschikken en moet altijd schoon drinkwater tot zijn beschikking staan.

Indien de hond in een ren wordt gehouden, moet deze ook aan bepaalde minimum eisen voldoen; de hond mag in de ren niet worden vastgelegd.

Keukenzout (NaCl):

keukenzout (NaCl, natriumchloride) staat bij de hondeneigenaar in een kwaad daglicht. Keukenzout zet de hond aan tot het produceren van urine. Uitkristallisatie van verschillende afvalstoffen kan dan niet optreden: blaasgruis en stenen kunnen niet ontstaan.

Het kan absoluut geen kwaad het hondenvoedsel te bereiden als was het voor uzelf: met toevoeging van zout. Dit is speciaal van belang bij aardappels, waarbij grote hoeveelheden kalium door natrium moeten worden gecompenseerd. In droogvoeders ziet men meestal tot ongeveer 1,5% keukenzout aangegeven. Dat is omgerekend naar een 'normaal' voer circa 0,42%, een laag normale waarde.

Wat wel kwaad kan, is als de hond een té grote hoeveelheid binnenkrijgt. Dat zou kunnen gebeuren als het gegeven wordt om de hond te laten braken. Zout heeft een irriterende werking op het slijmvlies van het maagdarmkanaal, waardoor gebrek aan eetlust, braken en diarree vaak de eerste verschijnselen na opname van een overmaat aan zout zijn. Door de hoge natriumconcentratie in het bloed verplaatst water zich vanuit de weefsels naar het vaatbed, wat kan leiden tot oedeem.

Als de natriumconcentratie ook in de hersenen gaat stijgen, kan dit leiden tot schade met neurologische klachten als gevolg. De hond wordt rusteloos, prikkelbaar, sloom en/of krijgt spiertrekkingen, toevallen en koorts. Uiteindelijk kan het dier in coma raken en overlijden (zoutvergiftiging).

Ik raad daarom het gebruik van zout als braakmiddel niet af, maar wees er voorzichtig mee! U kunt altijd in plaats daarvan naar uw dierenarts gaan voor het toedienen van een braakmiddel.

Zie ook chloor.

Keuren:

het beoordelen van honden aan de hand van de standaard.

Het keuren van honden is moeilijk en ook al treden goede kenners van het ras op, die nauwgezet keuren en onpartijdig zijn, verschil in plaatsing en kwalificatie is mogelijk. Keuren van dieren is een subjectieve zaak, aan het moment gebonden. Een keurmeesterverslag van een bepaalde hond wordt objectiever naarmate het betreffende dier van meerdere keurmeesters een ongeveer gelijkluidende beschrijving heeft gekregen.

Bij het keuren wordt op een aantal hoofdpunten gelet:

1) Rasbeeld of rastype, zoals omschreven in de rasstandaard. Ook het geslachtstype is bij het afwegen van belang.

2) Soundness: onder deze term kan men verstaan de constructie, de gezondheid en het getoonde gedrag.

3) Balans: dit is de harmonie van de verhoudingen oftewel hoe passen de onderdelen bij elkaar? Een hond kan in onderdelen ook disharmonisch zijn.

4) Gangwerk: dit is een belangrijk onderdeel. Om een juist beeld te krijgen van het gangwerk dient de keurmeester de hond in draf te zien gaan. Gelet wordt op de stand van benen en voeten, en op de paslengte.

Keuren is het speuren naar schoonheid. In de keurverslagen dient een aanduiding van de kwaliteit van het rasbeeld gegeven te worden. Type is het meest essentieel bij een schoonheidskeuring.

Vervolgens dienen plus- en minpunten tegen elkaar afgewogen te worden. Zo komt de keurmeester tot zijn kwalificatie en eventueel plaatsing van de gekeurde hond. Wie keurt, ziet en voelt veel dat de toeschouwer ontgaat.

De keurmeester werkt zonder zich door wie of wat dan ook te laten beïnvloeden. In Nederland is hij verplicht de exposanten een schriftelijk keurverslag te geven.

Zie ook kwalificatie en showen.

Keurmeester:

a) iemand, die op een expositie honden beoordeelt en kwalificeert; 

b) iemand, die bij een (bijv. agility-) wedstrijd of examen een oordeel over (een deel van) de combinaties moet uitspreken en in die functie benoemd is door de Raad

Zijn beslissingen zijn bindend.

Reeds op de eerste Nimrodtentoonstelling, in 1875, trok het vraagstuk van de keuring van honden zodanig de belangstelling, dat er op de laatste dag van de tentoonstelling een besluit werd genomen, dat bepaalde dat er voortaan gekeurd zou worden op punten, zoals destijds ook in Engeland. Er werd een commissie gevormd voor de samenstelling van een keuringboek. Op de in 1878 gehouden tentoonstelling werd voor het eerst op punten gekeurd en het aantal, door iedere hond behaald, meegedeeld. Het stelsel voldeed niet en men keerde terug naar de beoordeling van de hond in zijn geheel.

De keurmeesters op de tentoonstellingen worden aangewezen door de tentoonstellinggevende vereniging.

Om het keurmeestersexamen te kunnen afleggen: klik hier.

Klik hier voor FCI regels voor exterieur keurmeesters.

Keurmeesterexamen:

of rasexamen. Dit mag pas afgelegd worden als een kandidaat keurmeester de examens KK1, KK 2 en E&B behaald heeft én hij aan een aantal stagevoorwaarden heeft voldaan. 

Voor ieder ras moet de kandidaat beschikken over de volgende kennis: theoretische kennis van het ras en het vermogen om in de praktijk vertegenwoordigers van het ras te beoordelen, op aanvaardbare wijze te kwalificeren en plaatsen en daarvan een keurverslag op te maken, dat inzicht biedt in de overwegingen, die aan de kwalificatie en plaatsing ten grondslag liggen. 

Voor het keurmeesterexamen kan men zich opgeven bij de Raad van Beheer. 

KI:

          afkorting van kunstmatige inseminatie.

Kiezen:

zie tanden.

Kijkoperatie:

is een operatie, die wordt uitgevoerd om de oorzaak van een medische aandoening op te sporen. Een voorbeeld ervan is een laparoscopie.

Kiltix®:

is een halsband, die teken doodt en voorkomt voor de duur van ongeveer 6 maanden. Dit is een goede anti-tekenband, die u moet toepassen als u naar gebieden gaat, waar teken zijn die een serieuze bedreiging vormen voor wat betreft het overbrengen van ernstige ziekten, zoals Babesiose en Ehrlichiose. Ziekten die met name in Zuid-Europa voorkomen, maar geleidelijk naar boven lijken op te trekken.

Kin:

bij honden het naar voren stekende gedeelte van de onderkaak; zeer duidelijk bij de Boxer en de Engelse Bulldog.

Kind & hond:

zie tips voor een goede omgang tussen kinderen en honden. Voor het Hond & Kindproject op basisscholen: klik hier. Het project voor moeilijk lezende kinderen: klik hier.

Kissing spots:

kleine, roodbruine vlekjes op de wangen van de Black and Tan oftewel Engelse Toy Terriër.    

KK-I of KK1/K.K.1:

Kynologische Kennis deel 1, examen afgenomen door de Raad van Beheer (RvB) vanaf 1996. Ervoor werd het examen AKK afgenomen. Het examen is schriftelijk en wordt meestal 2x per jaar afgenomen.

De RvB stelt aan de regelmatige fokkers de eis, dat zij in het bezit moeten zijn van het diploma KK-I, om in aanmerking te komen voor een kennelnaam

In grote lijnen omvat het examen KK 1 de volgende onderwerpen: Reglementenkennis (organisatie kynologie), Rassenkennis, Voedingsleer, Voortplanting, Gedragsleer, een inleiding tot de Erfelijkheidsleer, Kynologische Terminologie, Gezondheidsleer en Verzorging en huisvesting. 

Het diploma van de KK 1 is nodig om verder te kunnen gaan met de KK 2.

Klik hier voor het Kaderreglement en hier voor de Uitvoeringsregels van toepassing op de examens KK1, KK2 en E&B.

KK-II of KK2/K.K.2:

Kynologische Kennis deel 2, examen afgenomen door de RvB vanaf 1996. Dit examen wordt mondeling afgenomen.

In grote lijnen omvat het examen KK 2 de volgende onderwerpen: Cytologie, Anatomie, Fysiologie, een voortzetting van de Erfelijkheidsleer (zoals gegeven bij de KK1), Bewegingsleer, Embryologie en Reglementenkennis. 

Het diploma van KK 2 is nodig om verder te kunnen gaan met Exterieur en Bewegingsleer en het Keurmeesterexamen.

Klik hier voor het Kaderreglement en hier voor de Uitvoeringsregels van toepassing op de examens KK1, KK2 en E&B.

Klappertanden:

kan bij de hond te zien zijn onder de volgende omstandigheden:

epilepsie;

• smoorverliefdheid, d.w.z. als er loopse teven in de buurt zijn, kan een reu gaan klappertanden naast likken aan plasjes en vaak zijn poot optillen. Het orgaan van Jacobson verklaart het klappertanden van de reu, die de geur van een loopse teef ruikt.

Klasse, klassenindeling:

groep van zoveel mogelijk gelijkwaardige honden ingedeeld naar sekse, leeftijd, behaalde africhtingstekens of kampioenschapstitels. 

We kennen de volgende klassen: open klasse, jonge honden klasse, jeugdklasse, babyklasse, puppyklasse, seniorenklasse, veteranenklasse, gebruikshondenklasse, fokkersklasse, kampioensklasse, fokkerijklasse, nakomelingenklasse, koppelklasse en groepsklasse.

Zie ook kwalificatie en hoe show ik mijn hond?

Klassieke conditionering:

          zie conditionering.

Kleine hersenen:

zie cerebellum en hersenen.

Kleppen van Bauhin:

klepsysteem, waardoor het voedsel de dikke darm binnenkomt, juist op de scheidslijn tussen het caecum (de blinde darm) en het colon (karteldarm). De kleppen moeten het terugstromen van de voedselbrij verhinderen.

Klier:

is een orgaan, dat stoffen kan maken uit grondstoffen, die door het bloed worden aangevoerd. 

We onderscheiden: a) klieren met een afvoerbuis (exocriene klieren), en b) klieren zonder afvoerbuis (endocriene klieren).

Klooster:

kloosters hebben een grote rol gespeeld bij het tot stand komen van enkele rassen. Vele kloosters hadden weinig contact met de buitenwereld. Ze vormden een gesloten gemeenschap en aldus een ideale omgeving voor selectie. In Tibet met zijn vele boeddhistische kloosters komen er enkele voor, waar prachtige blauwe Chow Chows worden gefokt. Uit de geschiedenis is verder bekend het klooster van St. Hubertus te Andain in de Ardennen, waar de fraaie Sint Hubertushonden werden gehouden, en nog meer tot de verbeelding spreken de Sint Bernards van het Hospiz op de St. Bernard pas in Zwitserland, die ik in 2007 bezocht heb.

Kluif:

          zie bot.

Klysma:

          darmspoeling.

K.M.S.H., KMSH:

Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (Franstalig: S.R.S.H. = Société Royale Saint-Hubert), opgericht in 1882. Deze is via de U.C.S.H. in de F.C.I. vertegenwoordigd. 

Knarsetanden:

zie stresssignalen en fit.

KNGF:

Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds. De officiële opening was in 1935 en in 1953 kreeg de stichting Nederlandsch Geleidehondenfonds het predikaat ‘Koninklijk’, waardoor de naam veranderde in het huidige ‘stichting Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds’.

Knie, kniegewricht:

gewricht in het achterbeen, zeer gecompliceerd van opbouw, zodat er vaak kniegewrichtsaandoeningen worden geconstateerd. Het kniegewricht heeft 2 menisci nodig om goed te kunnen functioneren. Tussen het dijbeen en het scheenbeen vinden we de inwendig gelegen kruisbanden, die nog wel eens willen scheuren.

Zie ook skelet.

Knieproblemen:

zie TPLO, TTA-operatie, patella luxatie, OCD, osteoartrose, synoviaalcel sarcoom, skelet en spierstelsel van de hond.

Knikstaart:

staart, waarvan twee wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn.

Zowel een knik- als haakstaart is een erfelijke fout in de aanleg van het centrale zenuwstelsel. Bij de kleine pup is dit al te voelen. Het ontstaat dus niet, omdat de staart tussen een deur heeft gezeten, op een andere manier bekneld zat of omdat iemand erop getrapt heeft.

Vaak komen er meerdere pups binnen één nestje met deze afwijking voor. Dit staat de gezondheid van de hond niet in de weg, maar het maakt hem wel ongeschikt voor het fokken.

Wordt er echter wel met deze honden gefokt, dan kunnen dergelijke misvormingen gaan optreden in het nageslacht en deze beperken zich dan zelden tot de staart, maar treden in andere delen van de wervelkolom op.

Als er knikstaarten voorkomen in een nest, dan zullen deze door de dierenarts gecoupeerd worden. Hij geeft dan een medische verklaring af, zodat de pup wel een stamboom kan krijgen. Ook hoort hij het in het dierenpaspoort te vermelden.

Tijdens de periode, dat het coupeerverbod nog niet gold, zijn veel knik- en haakstaarten eraf gehaald en was het aan de eerlijkheid van de fokker om deze erfelijke afwijking de aspirant puppykoper mede te delen.

Iets heel anders dan een knikstaart is een zwemmersstaart (gekneusde staart).

Knipvlies:

is het derde ooglid.

K.N.J.V., KNJV:

Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, dat een voortzetting is van de voormalige Koninklijke Nederlandse Jachtvereniging 'Nimrod', die samen met Cynophilia en de Kynologen Vereniging 'Nederland' in 1902 de Raad van Beheer oprichtte. 

Onder supervisie van de K.N.J.V. speelt zich het 'jachthondenwezen' af. Het diploma C is het eenvoudigst, diploma B wat moeilijker en het diploma A het moeilijkst. Zie ook jachthondenproeven en Orweja.

Knoflook:

wordt veel gebruikt in de volksgeneeskunde. Knoflook is rijk aan vitamine A, B1, B2 en zwavel en heeft volgens aloude literatuur een infectieremmende, slijmoplossende, schimmelremmende, bloedzuiverende, licht worm-afdrijvende, spijsverteringsbevorderende, insecten-verjagende en antibacteriële werking. 

In hoofdzaak werd het als wormmiddel gebruikt. Het werkzame bestanddeel uit de knoflook is een zwavelhoudende etherische olie. 

Knoflook zou bij diarree een gunstige invloed hebben, omdat het de peristaltiek remt zonder verstopping te veroorzaken. Als eigenlijk wormmiddel heeft het weinig waarde voor honden. Tegen ouderdomsgebreken, vervalverschijnselen, suikerziekte, hondenziekte en een aantal infectieziekten werd en wordt het nog aanbevolen. De reguliere diergeneeskunde distantieert zich hiervan. 

Men gebruikt het ook als preventiemiddel voor vlooien. Zie hier voor meer info.

Maar u moet ook voorzichtig zijn met knoflook: klik hier voor meer info.

Knopoor:

hoog aangezet, driehoekig oor, dat zo naar voren valt, dat de gehoorgang is afgesloten (bijv. diverse Terriërs als de Airedale, Fox, Lakeland en Welsh Terriër, maar ook bij de Mopshond).

K.N.P.V., KNPV:

Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging, ontstaan uit de Club van Verdedigingshonden. Men kan hierbij met de hond een aantal opleidingen volgen, die kunnen resulteren in het behalen van een certificaat zoals Politiehond I en II, Objectbewakingshond, Reddingshond en Speurhond. 

De K.N.P.V. verzorgt ieder jaar een landelijke wedstrijd. Om lid te kunnen worden van en deel te kunnen nemen aan de activiteiten van de K.N.P.V. is geen bijzondere rashond vereist. Alle honden, rashonden en bastaarden worden, mits geschikt, toegelaten tot de opleidingen.

Tegenwoordig bestaat er geen binding meer tussen de Raad van Beheer en de K.N.P.V., hoewel de Raad van Beheer wel de certificaten van de K.N.P.V. erkent en desgewenst hiervan aantekening maakt op de stamboom.

Kobalt:

zie cobalt.

Koehakkig:

van achteren bezien staan de spronggewrichten (hakken) naar binnen gedraaid en dichter bij elkaar dan de voeten.

Heel vaak is dit een jeugdfout bij zeer zware rassen. Bij voldoende krachtige voeding en door juiste beweging kan deze jeugdfout verbeteren.

Koeienmelk, koemelk:

als vervanging van hondenmelk is koemelk ongeschikt wegens een te laag vet- en eiwitgehalte.

Zie ook melkvervanging.

Koerdenhond:

primitief herdershondachtig ras voor de bewaking van de kudden. Slechts één exemplaar, waarvan men de oren had gecoupeerd, is in Nederlandse handen geweest.

Zie ook Kelb.

Kokhalzen:

op het punt staan te braken; kokken. Oorzaak kan o.a. zijn keelontsteking, maagkanteling of kennelhoest.

Koliek:

hevige, krampachtige, aanvalsgewijs optredende pijn in het maagdarmkanaal. 

Kooikerverlamming:

een verlamming van de achterhand, die in deze vorm alleen bij honden van het Kooikerras voorkomt. Omdat bij nader onderzoek is gebleken, dat de verschijnselen veel overeenkomst vertonen met het beeld, dat ook bij andere hondenrassen en bij de mens wordt aangetroffen, wordt tegenwoordig ook wel de voor deze groep van stoornissen meer algemeen bekende naam leukodystrofie (leucodystrofie) gebruikt.

De verschijnselen van kooikerverlamming openbaren zich meestal voordat de hondjes een jaar oud zijn en worden in de eerste plaats gekenmerkt door verlammingsverschijnselen aan de achterhand. Het eerst waarneembare gegeven is vaak dat de normale spanning van de staart verloren gaat. Nadien gaan de achterbenen in toenemende mate slepen, waarna het proces zich steeds verder naar voren uitbreidt. Aan de verschijnselen kan wat gedaan worden, maar het proces schrijdt voort totdat euthanasie onvermijdelijk is.

Naast kooikerverlamming heeft ook de ziekte Von Willebrand een belangrijke rol gespeeld bij de kooikerhondjes. Dankzij de ontwikkeling van een DNA merker voor de Von Willebrand ziekte bij de kooikers is het nu mogelijk de dragers voor het gen dat voor deze ziekte verantwoordelijk is op te sporen. Door deze dragers uit te sluiten voor de fokkerij, kan het ras van deze ziekte bevrijd worden.

Koolhydraten:

leveren energie, maar kunnen ook omgebouwd worden tot lichaamsvet om als reservevoorraad te worden bewaard. In bepaalde afbraakstadia kunnen ze aan stikstofverbindingen worden gekoppeld om zo aminozuren te vormen. Uit aminozuren kan het lichaam eiwitten opbouwen. 

1 Gram koolhydraten levert aan beschikbare energie 4 kilocalorieën (17 kilojoules).

Koop:

het is zaak een hond bij een betrouwbaar adres te kopen. Een fraaie kennelnaam vormt nog geen garantie. Vraag dus eerst bij de rasvereniging of de Raad van Beheer of de kennel erkend is. Bovendien is onderzoek naar de betrouwbaarheid gewenst. Stambomen hebben alleen waarde, wanneer de Raad van Beheer of een buitenlandse, erkende instantie ze verstrekt heeft. Kennis van aard, gezondheid en uiterlijk van de voorouders is van groot belang.

Het is altijd gewenst de hond door een dierenarts te laten onderzoeken, daar ook aan de eerlijke verkoper een gebrek onbekend kan zijn. Wanneer de verkoper aan de koper eisen stelt m.b.t. het houden en verzorgen van de hond, is de kans groot dat hij zelf ook betrouwbaar is.

De raspunten van alle rassen vindt u onder hun naam op deze website, zowel in het Nederlands als in het Engels.

Toch doet de leek er goed aan een kenner mee te vragen. Bij een asiel kan men ook een lieve en gezonde hond aanschaffen, zowel een rashond als een kruising, en vaak niet al te duur. Ook op deze website staat een pagina "herplaatsing".

Verscheidene rasverenigingen propageren een standaard koopcontract. Zaken die hierin worden vermeld zijn, naast de naam en het adres van koper en verkoper en de naam en het chipnummer van de hond, de overeengekomen prijs en bepalingen over hoe er moet worden gehandeld als de hond kort na de koop gebreken blijkt te hebben of overlijdt, over de verplichting van de koper de hond goed te verzorgen, over de plichten van koper en verkoper als de koper de hond wenst te verkopen (bijv. dat de koper de hond eerst aan de verkoper moet aanbieden of dat de verkoper behulpzaam moet zijn bij het zoeken naar een nieuw thuis voor de hond).

U moet, voor u tot een ras besluit, zich terdege afvragen of de kosten van het voer, de aard, de grootte, de beharing, de noodzakelijke beweging etc. passen bij u, uw huisgenoten, uw inkomen, uw huis etc.

Tentoonstellingen en clubmatches bieden gelegenheid tot oriëntatie. Een teefje heeft het voordeel, dat de liefde haar slechts (ongeveer) tweemaal in het jaar in beslag neemt, terwijl de reu altijd paarbereid is.

Koorden:

sommige vachten hebben een zodanige structuur, dat er vervilting ontstaat en dit kan leiden tot strengen (koordenpoedel, Puli, Komondor) of tot grote platen (Komondor en Bergamasco).

Koordenpoedel:

is een poedel waarvan de vacht vervilt tot koorden.

Koorts:

verhoogde lichaamstemperatuur als gevolg van infectieziekten. Meer dan een halve graad hoger dan de normale temperatuur (tussen de 38-39º C), noemen we koorts. Koorts is verder te herkennen aan een verhoogde pols, verhoogde ademhaling en rillen.

Zie voor verdere info: temperatuur.            

Koper (Cu):

sporenelement, dat van belang is bij de vorming van het haemoglobine, waar het ervoor zorgt, dat het ijzer in het kleurstofmolecuul wordt ingebouwd. 

Bij ongewervelde dieren vervangt het koper het ijzer in de bloedcellen.

Koppel:

twee honden van één ras, onverschillig welk geslacht. Zijn de honden van verschillend geslacht, dan spreekt men van een 'paar'. Soms is er op een tentoonstelling een speciale Koppelklasse.

Koppeling:

a) het in de vererving gebonden zijn van verschillende genen door ligging op eenzelfde chromosoom.

Van koppeling van genen spreekt men als genen voor verschillende kenmerken op korte afstand van elkaar op 1 chromosoom liggen. Als die afstand kort is, wordt van een nauwe koppeling gesproken.

Bij een nauwe genetische koppeling worden de kenmerken die door deze genen bepaald worden vaak samen van ouders op nakomelingen overgedragen. De kans dat deze kenmerken bij de overdracht van ouders op nakomelingen ontkoppeld worden, is afhankelijk van de afstand van de betreffende genen op het chromosoom.

Bij de muis en de mens, maar ook bij de kip en het varken, zijn verschillende groepen van gekoppelde genen bekend. Vooral aan het onderzoek naar koppeling van genen voor eiwitten van de witte bloedcellen en genen die van invloed zijn op de weerstand tegen infectieziekten wordt daarbij veel aandacht besteed.

Voor de hond bevindt het onderzoek naar genetische koppelingen zich nog in een beginstadium. De koppeling tussen de E locus voor de vachtkleur en een gen voor het esterase enzym is een van de eerste voorbeelden van genetische koppeling bij de hond. Ook voor de A locus voor de vachtkleur van de hond zijn inmiddels gegevens over koppeling bekend geworden. Zie ook karyotype.

b) het sluitstuk van de dekking wordt gevormd door het zg. hangen of koppelen. Direct na de zaaduitstorting zwelt de penis enorm, vooral het zwellichaam, waardoor het terugtrekken uit de schede van de teef verhinderd wordt. Deze koppeling kan wel 3 kwartier duren (zie ook vestibule). Een koppeling is voor het slagen van de dekking niet noodzakelijk, wel weet men na een koppeling zeker dat het sperma in de vagina is terechtgekomen.  

Koppelklas:

een klasse op een tentoonstelling, kampioenschapsclubmatch of clubmatch voor 2 honden (reu en teef) van hetzelfde ras en dezelfde variëteit, waarvan dezelfde exposant eigenaar is.

Een hond mag slechts in de koppelklas ingeschreven worden, indien hij ook in een andere klas is ingeschreven.

Deze klasse is optioneel (niet verplicht open te stellen).

Korst:

is een gevolg van een huidontsteking. Het bestaat uit serum, bloed en ontstekingscellen.

Kortbenig:

door verkorting van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal gebouwde hond. Voorheen ook laagbenig genoemd.

Bijv. Teckels en kortbenige Terriërs, zoals Cairn, Norwich, Skye en West Highland White Terriër, en Welsh Corgi's.

Bij de kortbenige rassen is het van groot belang dat lijders aan hernia (erfelijk bepaald of door trauma) niet voor de fokkerij gebruikt worden en dat er niet op overdreven lichaamslengte wordt gefokt.

Om bij deze rassen vast te stellen of de hond aanleg heeft voor hernia, moet gekeken worden naar de dwarsdoorsnede van de ruggenwervels in relatie tot de lichaamslengte. De wervels bij de staartaanzet geven een indicatie van de dwarsdoorsnede van de ruggenwervels. Een te kleine dwarsdoorsnede bij de staartaanzet duidt op een potentiële hernialijder. Voor fokkers en keurmeesters een zaak om op te letten.

Korte jacht:

jacht met het geweer. De rassen die hiervoor gebruikt worden, kunnen in 3 groepen worden verdeeld:

a) staande honden: werken van kort tot zeer ver voor het geweer (jager),

b) spaniels: werken onder het bereik van het geweer, 

c) retrievers: werken na het schot.           

Kortharig:

            korte bovenvacht met ondervacht. Zie vacht.

Körung:

ook buiten Duitsland vaak gebruikte naam voor de jaarlijkse keuringen van werkrassen en met name Duitse Herdershonden waarop, buiten de tentoonstellingen om, de dieren beoordeeld worden naar hun vermoedelijke waarde voor de fokkerij.

De honden moeten niet ouder dan 8 jaar zijn, geen sporen van enigerlei ernstige ziekte, zenuwaandoening of rachitis, noch anorchisme of cryptorchidie tonen, of van erfelijk belaste stam zijn. Volkomen albino's vallen af. De honden moeten lichamelijk en geestelijk goed aan de vereisten van het ras beantwoorden. Blijkt dit laatste niet uit werkverrichtingen, dan moet het uit de houding blijken. De honden kunnen worden goedgekeurd (angekört), voorlopig goedgekeurd (bedingt angekört), afgekeurd (abgekört) of geweigerd (zur Ankörung nicht geeignet). Doorgaans geschiedt goedkeuring voor 2, voorlopig voor 1 jaar. Goedgekeurde honden, die in de fokkerij minder gelukkig blijken, worden afgekeurd.

De eigenaars van goedgekeurde reuen verbinden zich hen niet onder de 2 jaar ter beschikking te stellen en alleen voor stamboekteven, die minstens 21 maanden oud en volkomen gezond en normaal zijn. Zij mogen hun reuen niet vaker dan 40 maal in het jaar laten dekken.

Eigenaars van goedgekeurde teven verbinden zich haar niet onder 21 maanden te laten dekken en tenminste 8 dagen van tevoren de eigenaar van de reu een afschrift van haar stamboom en een verklaring te doen toekomen, dat de teef gezond is en geen besmettelijke ziekte heeft.

Koudvuur:

          zie gangreen.

Koud waterstaart, koudwaterstaart:

zie zwemmersstaart.

Koudwildtest:

tijdens een koudwildtest worden jachtpraktijksituaties nagebootst met koud (dus al eerder geschoten) wild. Het doel van een koudwildtest is om Retrievers en hun voorjagers voor te bereiden op het veldwerk. Het is beslist geen wedstrijd maar een test.

Om voor deelname in aanmerking te komen, dient de hond aan een aantal toelatingseisen te voldoen.

Kousen:

een witte kleur op de voeten en bij de benen omhoog; korte kousen = sokken.

Kraag:

a) lang haar aan hals en nek, bijv. bij de Belgische Herder Groenendaeler. 

b) een kegelvormig voorwerp, dat rond de nek van de hond kan worden geplaatst; een hulpmiddel om de hond van zijn verband of hechtingen af te houden. Eenvoudig te maken van stevig karton, of van een oude emmer van dun plastic: doorknippen en een gat in het midden maken, zo groot dat het plastic gemakkelijk om de hals van de hond past. Natuurlijk kunt u de kap ook in de dierenwinkel of bij uw dierenarts kopen.

Sinds 2004 is er een diervriendelijk alternatief te koop, de MoonCollar®. Ook wordt de MoonCollar® gebruikt voor honden die meegaan aan boord van een boot of schip. Door het gebruik van een MoonCollar® kan een dier, als het overboord valt, niet meer kopje onder gaan.

Kraamkamer:

ter voorbereiding van de geboorte wordt in een rustige ruimte een werpkist klaargezet. Deze moet ongeveer 2x zo groot zijn als de normaal gebruikte slaapmand of -kist en wanden hebben van 20-50 cm. hoogte, afhankelijk van de grootte van de hond. De kist moet op klossen van de grond staan.

Bij kortbenige rassen moet men een speciale toegangsopening aanbrengen om verwonding van de melkklieren te voorkomen.

Het is aan te bevelen voor de teef een 30-60 cm. hoge ligplaats aan te brengen, waarop ze zich kan terugtrekken als de welpen het haar al te lastig maken. Het beste nestmateriaal is zacht, droog, stofvrij stro of houtwol, dat tijdens de geboorte met schone doeken wordt afgedekt. Ook maakt men wel gebruik van kranten, die gemakkelijk kunnen worden ververst, of lappen van een oude deken, die geregeld kunnen worden uitgewassen.

Door haar rustig toe te spreken, went men de teef in de 8e week van de dracht aan de werpkist.

De kraamkamer behoort zodanig te zijn gelegen, dat moeder en pups ook 's nachts door iemand kunnen worden gehoord als er iets mis mocht zijn. Een babyfoon kan soms ook goede diensten bewijzen.

De werpkist moet niet te koud staan (ca. 28º C de eerste 3 dagen na het werpen, daarna ca. 20º C; eventueel een warmtelamp of biggenlamp als bijverwarming gebruiken). Een goede ventilatie (geen tocht!) van de ruimte is een vereiste.

De eerste weken moet de kist niet in het volle dag- of kunstlicht staan. Druk bezoek wordt, zeker in het begin, door de moeder meestal weinig op prijs gesteld, terwijl bezoek van andere honden, ook al uit het oogpunt van besmetting met ziekten, achterwege moet blijven.

Zie ook geboorte, openen van de ogen, openen van de oren, placenta, vroeggeboorte, keizersnede, eclampsie, melkklierontsteking, uterusatonie, nestgrootte, bijvoeren van pups, alchemilla, hypoxie en gedrag.

Kramp:

een ongewilde samentrekking van spierfilamenten (onderdelen van spiervezels), die vooral voorkomt bij wedstrijdhonden.

Kreatinine:

zie creatinine.

Krentenbaard:

is een oppervlakkige, zich uitbreidende infectie van de huid, die veroorzaakt wordt door streptokokken of door stafylokokken (Staphylococcus Aureus) en zich bevindt "onder z'n bekkie".

De behandeling bestaat uit een antibioticumkuur, die volgehouden moet worden totdat de infectie geheel verdwenen is, anders komt het terug. Probeer de hond niet te laten krabben, want door te krabben kan de infectie verergeren en zich verspreiden.

U kunt ondertussen de huid schoonhouden met bijv. betadineshampoo. Denk aan de hygiëne.

Kreupelheid:

een hond is kreupel als hij niet tot normale beweging in staat is of als hij buitensporig hinkt. Kreupelheid kan door diverse aandoeningen veroorzaakt worden, maar over het algemeen is het een symptoom van pijn in een ledemaat of in het ondersteunende weefsel. Kreupelheid kan ook door misvorming ontstaan, zoals te korte poten, of door abnormale spierverkorting in de poten. 

Sommige oorzaken kunnen gemakkelijk verholpen worden, zoals een splinter in de poot of een gebroken voet, maar andere soorten worden veroorzaakt door plaatselijke slijtage bij oudere honden.

Kringspieren:

deze spieren lopen in een kring tussen de andere weefsels en omgeven vaak een opening. Ze zijn doorgaans niet met het skelet verbonden. 

Voorbeelden zijn de sluitspier van de maag (pylorus), van de blaas en van de endeldarm (anus). Minder aansprekende voorbeelden zijn de spieren rond de ogen en rond de mondholte.

Zie voor meer info: spieren.

Kroep:

          zie kruis.

Kroeshaar:

gekrulde vacht, waarbij de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht.            

Kroon:

het zichtbare deel van de tand of kies. De kroon is aan de buitenzijde bedekt met een laagje glazuur of email (of emaille), dat zeer hard is en tegen de inwerking van scherpe stoffen een zekere bescherming geeft. Het email is niet goed bestand tegen de inwerking van zuren. Zuren worden gevormd door in de mondholte levende bacteriën, die suikers omzetten. 

Bij honden worden in de voeding bijna geen suikers gebruikt en door de afwezigheid van amylase in het speeksel kan de hond ook geen suikers vormen uit zetmeel. Door de zuren ontstaat cariës ("gaatjes"). Het is daarom duidelijk, dat de hond (bijna) geen last heeft van cariës.

Krop:

          struma.

Kruis:

het kruis (kroep of croupe) is de plaats, waar het kruisbeen overgaat in de staartwervels. Anders gezegd: het gedeelte van de ruglijn tussen de darmbeenknobbels en de staartaanzet. Beter is het om te spreken van helling van het bekken. De staartaanzet kan een indicatie zijn voor de mate van helling van het bekken; deze heeft invloed op de bewegingsmogelijkheden van de achterhand.

We onderscheiden: 

a) afvallend kruis - neerwaarts verlopend als bij Franse Bulldog; 

b) vierkant kruis - vlak liggend als bijv. bij Terriërs.

Kruisband:

gescheurde kruisbanden (kruisbandlaesies) komen bij alle rassen voor, maar boxers, rottweilers en terriërs zijn er wat gevoeliger voor. Sommige dierenartsen spreken zelfs over een 'boxerknie'.

In het kniegewricht bevinden zich in het gewricht banden, die kruislings t.o.v. elkaar van de dijbeenkop naar de scheenbeenkop lopen: dit zijn de kruisbanden, die stabiliteit aan het gewricht geven.

Het is meestal de voorste kruisband die scheurt. Als deze band kapot is, is de knie niet meer stabiel. Dijbeen en scheenbeen schuiven over elkaar, waardoor de meniscus, die tussen deze botten ligt, overbelast wordt en ook kan scheuren.
De grootste kans om een kruisband te scheuren is een combinatie van overstrekken en draaien van de knie. Dit gebeurt bijv. wanneer de hond in een gat stapt, uitglijdt of met spelen een ongelukkige beweging maakt.

Een steile stand van het achterbeen (rechte hak) zoals we bijv. bij boxers en rottweilers zien, leidt tot een zware belasting van de voorste kruisband. Deze honden zullen dus gemakkelijker hun band scheuren dan honden met een betere stand.

Om tot de diagnose 'gescheurde kruisband' te komen is een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk en is ervaring nodig om subtiele veranderingen in bewegingen vast te stellen. Chirurgie is noodzakelijk. Hierbij worden de restanten van de band verwijderd, volgt er verdere knie-inspectie om evt. een kapotte meniscus te verwijderen. Daarna worden er nieuwe kruisbanden geplaatst, maar soms wordt er ook gekozen voor een speciale hechttechniek om het kapsel te hechten. Het herstel na een operatie duurt vrij lang. De eerste dagen krijgt hij een verband om en gedurende 6 weken mag de hond beperkt bewegen. Na 6 weken worden de bewegingen weer langzaam opgebouwd en moet de eigenaar vaak nog wat fysiotherapeutische handelingen uitvoeren.

Zie ook TTA, TPLO en wetenswaardigheden.

Kruisen:

bij geringe snelheid voorbenen voor elkaar plaatsen (fout).

Kruisgebit:

stand van de tanden, waarbij een gedeelte van de onderkaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is.

Kruising:

nakomeling uit een combinatie van twee ouderdieren, die niet tot hetzelfde ras of dezelfde variëteit behoren.

De nakomelingen die uit kruisingen van honden van verschillende rassen voortkomen, worden hybriden genoemd. Kruising van honden van verschillende rassen wordt nogal eens gedaan door mensen die geen prijs stellen op raszuivere dieren. Daarnaast worden ook wel doelbewuste kruisingen toegepast. Daarbij wordt ernaar gestreefd nakomelingen te fokken, die vitaler zijn en mede daardoor vaak gezonder dan hun ouders zijn. Zij worden meestal als bastaards aangeduid. Bastaards vertonen in het algemeen een grote vitaliteit en vruchtbaarheid.

Bij de africhting van honden voor het politiewerk en voor de bewaking van terreinen wordt vaak gebruik gemaakt van bastaards, omdat de africhters en de gebruikers van deze honden vinden dat zij actiever, alerter en vooral ook scherper zijn dan rashonden.

Bij deze bastaards ontbreken doorgaans die kenmerken, die typisch zijn en daarom gewaardeerd worden door de liefhebbers van rashonden.

Krulhaar, krulharig:

vacht, die sterk krult, meestal door het ontbreken van de harde bovenharen of grannen (bijv. Komondor, Poedel, Puli en Pumi).

Zie ook vacht.

Krulstaart:

in een gesloten ring over de rug gedragen staart, te vinden bij de meeste Keesachtigen en Poolhondenrassen. De Mopshond heeft een 2x opgerolde staart.

Kryptomerie:

          zie cryptomerie.

Kryptorchisme:

          zie cryptorchisme.

Kunst, De hond in de ~:

de oudste afbeeldingen van honden in de kunst vinden we bij de Egyptenaren, uit circa 3000 v.C. Het meest komen voor een soort windhonden met staande oren en een krulstaart. Bij de Babyloniërs en de Assyriërs zien we zware Mastiffs voor de jacht. Griekenland kende verscheidene hondenrassen; de vaasschilderingen en beeldhouwwerken waar honden op voorkomen, zijn zeer talrijk. De Romeinen hebben ons ook vele kunstwerken met honden nagelaten, meest met Windhonden en zware Dogachtigen.

Middeleeuwse manuscripten bevatten miniaturen van jachtscènes, waarop behalve Windhonden en zware drijfhonden ook spanielachtige honden verschijnen. Waren tot dusver de afbeeldingen van honden hoofdzakelijk jachttaferelen, later en vooral bij de Nederlandse schilders van de 17e eeuw zien we de hond ook als huisgenoot, hoewel eveneens herhaaldelijk als jachtgezel. De 18e-eeuwse Franse meesters vereeuwigden menige jachthond met buit en aan het werk. In de 19e eeuw zien we zowel kynologische als anekdotische hondenportretten. Ook in de 20e en in deze eeuw hebben kunstenaars de hond vereeuwigd in hun werk, zowel naturalistisch, bijv. in jachtscènes, als gestileerd of fantastisch, bijv. in sculpturen.

Niet alleen de musea in het buitenland, maar ook die in ons land zijn een studie op dat gebied van honden ten volle waard.

Kunstledematen:

tot voor kort voor honden nog zelden gebruikt. Na amputatie van een der ledematen vond men een prothese niet nodig, aangezien een hond zich op 3 benen vaak nog uitstekend kan redden. Maar er zijn soms toch situaties, waarbij het wel noodzakelijk is en sinds eind 2007 is dat mogelijk. Kijk daarvoor op dierenorthopedie.

Kunstmatige beademing:

als een hond bewusteloos is, moet u eerst kijken of hij nog ademhaalt. Kijk naar de kleur van zijn tong: als hij niet of nauwelijks ademhaalt, zal de tong blauw/zwart zijn. Haalt hij geen adem, kijk dan of er iets in zijn bek of keel zit, dat zijn luchtwegen blokkeert. Haal dit weg. Maak nu zijn hals langer door voorzichtig zijn kin op te tillen. Hierdoor gaan de luchtwegen openstaan. 

Als hij nu nog steeds niet ademhaalt, moet u zijn bek dichthouden en uw mond over zijn snuit leggen. Adem zachtjes de neusgaten van de hond in, met ongeveer dertig ademhalingen per minuut. 

Een andere manier van beademing bij een kleine hond is de hond bij zijn achterpoten pakken (alleen als de hond geen letsel heeft, dat hierdoor erger kan worden!), uw armen rechthouden en de hond van links naar rechts heen en weer zwaaien. Hierdoor wordt het gewicht van zijn inwendige organen op het middenrif overgebracht en er weer af gehaald, waardoor de longen zich vullen met lucht en zich er weer van ontdoen. Houd dit vol tot de hond zelf weer begint te ademen, tot er hulp arriveert of de hond volgens u niet meer te redden is. 

Zie ook reanimatie en wetenswaardigheden 6.  

Kunstmatige inseminatie (KI):

het d.m.v. een pipet diep in de schede van de teef kunstmatig inbrengen van bij de reu manueel afgenomen zaad (sperma). Soms is een natuurlijke dekking niet mogelijk t.g.v. een lichamelijke afwijking van reu of teef

Foktechnisch gezien is KI eerder af dan aan te raden, omdat dergelijke afwijkingen vaak erfelijk zijn.

Soms kan het wenselijk zijn uit een quarantaineland van een bepaalde reu zaad te importeren. In zo'n geval tellen de bezwaren niet. 

Het bevruchtingspercentage schat men op 60%, terwijl het percentage van ingevroren zaad lager ligt.

Kunstmatige voeding:

het kunstmatig voeden van een hond kan in gezonde en zieke dagen nodig zijn. Gebrek aan vast voedsel wordt beter verdragen wanneer voor voldoende vochtopname wordt gezorgd. Jonge honden lijden meer en gaan eerder te gronde aan hongertoestanden dan volwassen honden.

Hoe lang een hongertoestand kan duren zonder dat er sprake is van levensgevaar, is niet nauwkeurig aan te geven, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voor de leek is de kunstmatige voeding door de mond het gemakkelijkst. Voorwaarde is een vloeibare of dunbrijige consistentie van het voer, bij de hond in de zgn. wangzak met een lepel voorzichtig in te gieten of d.m.v. een spuit langzaam er in te spuiten.

Kuri:

is een Nieuw-Zeelandse Spits. Hij werd vroeger door de Maori's hoofdzakelijk gefokt om als offerdier te kunnen dienen. Het vlees werd gegeten en met de haren werden de speren versierd. Tegenwoordig is het een waak- en huishond. Schouderhoogte ca. 35 cm., korte vacht, volle krulstaart, wit van kleur of wit met zwarte vlekken.

Kurkentrekkeroor:

hangend oor, dat een draai maakt (bijv. Bloedhond).

Kurkentrekkerstaart:

korte staart, waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid en geknikt liggen.

Kussens:

de stevige, beëelte onderzijde van de voet; ook zoolkussens genoemd.

Voor behandeling van de voetzool als er bijv. iets scherps ingekomen is of een snee erin: klik hier.

KVV, K.V.V.:

is de afkorting voor Komplete Verse Voeding. KVV bestaat uit gemalen rauwe vleespakketten, waar ook granen aan toegevoegd zijn. Omdat het gemalen is, is KVV minder goed voor het gebit dan NRV en BARF, en het nut van de toegevoegde granen is omstreden. Deze gemalen (complete) vleesvoedingen worden verkocht in dierenspeciaalzaken en zijn dus op voorhand samengesteld.

Voor honden die lijden aan voedselallergie kan het een extra risico vormen, toch blijkt in de praktijk dat veel van die honden het op KVV even goed doen als op hypoallergene dieetbrokken.

Kwaadaardige tumor:

is een tumor, die in het weefsel om hem heen kan dringen of zich via de bloedsomloop of het lymfestelsel verspreidt naar andere delen van het lichaam, zoals de longen of de lever. Zie kanker.

Kwadratische bouw:

door prof. Solaro bréviligne genoemd: de schofthoogte is gelijk aan de lichaamslengte, gemeten van boegpunt tot zitbeenknobbel.

Kwalificatie:

waardering van een hond op de tentoonstelling met U (uitmuntend), ZG (zeer goed), G (goed), M (matig), VB (veelbelovend), B (belovend) of WB (weinig belovend). 

Zie ook klasse en hoe show ik mijn hond?  

Kweek:

op een voedingsbodem gekweekte hoeveelheid micro-organismen.

Kwik (Hg):

kwik, onder meer gebruikt in conserveringsmiddelen van landbouwgoederen (pootaardappelen) of in aardappelmeelproducten (behangsellijm), komt het milieu en het dierlijk voedsel voornamelijk binnen via de uitstoot van uitlaatgassen van fabrieken en door lozing op rivieren.

Zie sporenelementen.

Kyfose, kyphose:

achterwaartse kromming van de ruggengraat, bochel.

Zie ook lordose.

KynEthos:

was een vereniging van gedragskeurmeesters, opgericht in 2001. Zij was door de Raad, die heeft bijgestaan bij de oprichting, erkend als bijzondere vereniging.

Doelstellingen op korte termijn waren: het verbeteren van de doorstroming van aspirant-gedragskeurmeesters naar gedragskeurmeesters. Daarnaast wilde de vereniging rechtstreeks vertegenwoordigd zijn met 2 afgevaardigden in de Commissie Gedragsbeoordeling van de Raad. Op lange termijn wilde de vereniging het takenpakket verbreden en rechtstreeks ondersteunend zijn bij de opleiding en bijscholing van gedragskeurmeesters.

Deze vereniging is in april 2009 opgeheven. Ondanks herhaalde pogingen voor een doorstart bleek de vereniging niet levensvatbaar te zijn. Zij hebben op eigen initiatief het lidmaatschap opgezegd en zichzelf opgeheven.

Kynologie:

a) wetenschap over de hond;

b) deze term wordt ook gebruikt om de hondensport in het algemeen aan te duiden.

Eigenlijk staat kynologie voor alles wat te maken heeft met relaties tussen mensen en (ras)honden. In de eerste plaats is dat kennis van het fokken van raszuivere honden. Maar ook gezondheid, welzijn en alle vormen van hondensport worden gerekend tot de kynologie.

Dat is een omvangrijk werkterrein, als bedacht wordt dat Nederlanders met elkaar ongeveer 2,2 miljoen (bron: MarketResponse maart 2008) honden hebben, waarvan ongeveer 800.000 tot 900.000 rashonden (ca. 35-40% van totale populatie), behorend tot de circa 300 in Nederland erkende rassen.

De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland is het overkoepelende orgaan op dit gebied in ons land.

Kynologische Kennis:

zie KK1 en KK2.

Kynologisch Reglement (KR):

de Raad van Beheer beschikt over een gecombineerde, losbladige uitgave van diverse reglementen, gebundeld in een klappertje. In de kynologische volksmond wordt deze uitgave vaak aangeduid als het Kynologisch Reglement, kortweg KR genaamd.

In deze uitgave zijn echter meerdere reglementen opgenomen:

• Statuten van de vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland;

• Huishoudelijk Reglement van de vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland;

• Algemene voorwaarden van levering van de vereniging Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland;

• Kynologisch Reglement;

• Reglement van Orde voor de algemene vergadering;

• Register op het Kynologisch Reglement.

Het onderdeel Kynologisch Reglement regelt:

• organisatie van de Nederlandse kynologie;

• registratie (stamboekhouding, kennelnamen, rashondenlogboek);

exposities (keurmeesters, tentoonstellingen, kampioenschapsclubmatches, clubmatches);

• wedstrijden, examens en praktijkproeven (veldwedstrijden en jachthondenproeven; windhondenrennen; werkhonden, reddings- & lawinehonden; G&G; behendigheid; flyball);

• tuchtrecht;

• bezwaar en beroep.

Klik hier voor de digitale versie van het Kynologisch Reglement. 

Kynoloog:

letterlijk: kenner van honden; algemeen: liefhebber van honden.

Kyon:

          Grieks voor hond.

Kyste:

          zie cyste.

                                                                                                  Naar de 11e pagina met kynologische uitdrukkingen.

Terug naar 'Kynotermen'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

Menu-knop.