Menu-knop.

 

Alfabetische lijst van Nederlandse en buitenlandse 

kynologische & medische termen en uitdrukkingen

 

A

 

Aaien:

met de hand de hond zijn hoofd, hals of lichaam strelen.

Aalstreep:

streep van donkere haren vanaf de schoft tot het kruis of de staartaanzet (bijv.Mopshond).

Aangeboren (congenitaal):

bij de geboorte aanwezig; zegt niets over de vererving, m.a.w. aangeboren aandoeningen kunnen erfelijk of niet-erfelijk zijn.

Niet alle aangeboren afwijkingen zijn direct na de geboorte waarneembaar. Daarom worden in de hondenfokkerij die afwijkingen als aangeboren aangemerkt, die op een leeftijd van 9 weken bij de pup waarneembaar zijn.

Aangrijpingspunt:

dit punt heet ook wel de insertie of inplanting. Het is dat deel van de spier, waarvan het peesvormig uiteinde is vastgehecht aan een bot van het skelet, dat bij spiercontractie in beweging wordt gebracht. Zie voor meer info: spieren.

Aanhitsen:

het aanhitsen van een hond (of een ander dier) op een mens is strafbaar gesteld in Art. 425 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens dit wetsartikel is men ook strafbaar als men niet voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand dier of het niet terughoudt, wanneer het een mens aanvalt.

Aanlijngebod (aanlijnen of loslopen):

veel gemeenten kennen een aanlijngebod voor honden op bepaalde plaatsen, bijv. in parken. Regels hieromtrent zijn opgenomen in de Algemene Politie Verordening (APV), evenals regels betreffende het uitlaten van honden. Ook in natuurgebieden, bossen en op stranden geldt een aanlijngebod of toestemming om honden los te laten lopen. Informatie hierover vindt u meestal op borden op de terreinen zelf of eventueel bij de gemeente/provincie. Het is verstandig de aanlijngeboden te volgen. Tegen bekeuringen kunt u zich niet verzekeren en bij ongelukken die zijn ontstaan door toedoen van een loslopende hond op een plek waar dat niet is toegestaan, is de eigenaar altijd de schuldige.

Honden lopen natuurlijk het liefst los. Echter, niet elk ras is daarvoor geschikt. Niet getrainde honden met veel jachtinstinct en diverse Poolhondenrassen nemen bij het loslaten zoveel ruimte, dat ze niet meer onder appèl te houden zijn. Hierdoor kunnen gevaarlijk situaties ontstaan.

Ook sommige Brakken zijn niet gemakkelijk los mee te nemen. Wees attent op plaatsen met in de nabije omgeving verkeer. Een verkeersongeluk vormt een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij honden. In de praktijk zal een hond buiten meestal aan de lijn moeten lopen.

Zeker in steden is het moeilijk om plaatsen te vinden waar het toegestaan is de hond los te laten lopen. Er zijn diverse soorten lijnen in de handel, die de hond toch een wat grotere bewegingsvrijheid geven dan de traditionele hondenriem.

Er wordt veelal beweerd dat windhonden (Greyhound, Whippet, Afghaanse Windhond, Galgo Espanol, Podenco etc.) in Nederland volgens de wet nooit los zouden mogen lopen. Vaak duidt men dit aan met 'lange honden'. Een lange hond is een hond die snel genoeg is om het wild te achtervolgen én te vangen.

Er is echter geen specifieke regelgeving (meer) m.b.t. windhonden. Iedere hondeneigenaar dient zich echter wel te houden aan de Flora- en faunawet.

Naast de Flora- en faunawet kunnen ook nog Algemeen Plaatselijke Verordeningen van de gemeente van toepassing zijn op honden.

In de Flora- en Faunawet staat dat iedereen verplicht is te verhinderen dat een dier (dus ook alle honden) dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt (artikel 16, lid 3).

Met veld wordt volgens de Flora- en Faunawet bedoeld: stranden, schorren, gorzen, kwelders, slikken, wadden, binnenwateren en territoriale wateren alsmede wegen en paden, voor zover deze geacht kunnen worden deel uit te maken van een voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein. Hieronder vallen bijv. bossen, wegen en paden waar bejaagbare soorten als konijn en fazant aanwezig zijn.

Dit is van toepassing voor iedere hondenbezitter, die zijn hond niet gebruikt in het kader van jacht of beheer en schadebestrijding. Men moet dus goed uitkijken als men zich in een veld begeeft. Als het al is toegestaan om er met de hond te komen, moet de bezitter of toezichthouder altijd voorkomen dat de hond in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt.

Zie ook "loslaten en terugkomen van de hond tijdens het wandelen".

Aanrijding, aangereden hond:

wat moet u doen als er een hond is aangereden? U kijkt en beoordeelt. U doet hem een snuitbandje om. En daarna volgt u 'SPAR' oftewel slijmvliezen, pols, ademhaling en reflexen (in deze volgorde).

Draai een aangereden hond nooit over de rug de andere kant op: dit kan een maagkanteling veroorzaken.

Ga direct na het verlenen van eerste hulp (zie ook tourniquet) naar een dierenarts.

Aanslaan:

beginnen met blaffen als reactie ergens op.

Aansprakelijkheidsverzekering:

wie een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid heeft afgesloten, zal over het algemeen gedekt zijn tegen de kosten van vorderingen van derden tot schadevergoeding waarvoor men aansprakelijk kan worden gesteld, omdat de schade is veroorzaakt door de hond die men bezit. Heeft men meerdere honden, dan is het aan te raden bij de verzekeraar te informeren of de polis voldoende dekking biedt. Kennelhouders zullen zich zeker extra moeten verzekeren.

Aantal jongen:

het aantal jongen dat een hond werpt, varieert van 1 tot 15. Op de nestgrootte zijn verscheidene factoren van invloed, o.a. het formaat van de hond (meer pups bij de grotere rassen), het moment van de dekking (meer pups, als dekking op het eind van de vruchtbare periode plaatsvindt), en de leeftijd van de teef (grootste nesten t/m het derde levensjaar).

Aantrekken:

het voorzichtig volgen van het wild tot dit vastligt en zich niet meer verplaatst.

Aardhonden:

jachthonden, die het wild onder de grond moeten zoeken (bijv. terriërs; terra (Latijn)=aarde).

Zie Bedlington Terriër, Border Terriër, Cairn Terriër, Cesky Terriër, Dandie Dinmont Terriër, Foxterriër, Jachtterriër, Schotse Terriër, Sealyham Terriër, Teckel en Welsh Terriër.

Aaseten, aaseter:

voorliefde voor rauw, stinkend vlees. Geen afwijking van de hond, maar een van zijn voorvaderen geërfde eigenschap.

Abces:

etterbuil of -gezwel, met pus gevulde holte, ontstaan door verweking of verdringing van weefsel als gevolg van een bacteriële infectie.

Abdomen:

          buik.

Aberdeen:

een van de oude namen van de Schotse Terriër, naar de stad in Schotland. In Groot-Brittannië en elders wordt de naam ook nu nog wel gebruikt.

Abessijnse Zandterriër:

is een licht zandkleurige Afrikaanse naakte hond, die op de Mexicaanse Naakthond lijkt. De oren zijn vaak windhondachtig achterwaarts tegen het hoofd gevouwen. De gehele verschijning is terriërachtig.

Ablatio retinae:

het losraken van het netvlies van het oog, waardoor de zintuigcellen van het netvlies niet meer kunnen functioneren en het losgelaten deel van het netvlies 'blind' is. Zie ook CEA.           

Abortus:

          miskraam, vroegtijdige geboorte.

Abrasie:

verkleuringen van gebitselementen worden regelmatig gezien. Het kan voorkomen bij een slijtage van de kroon, waarbij het dentine is bloot komen te liggen. Deze vorm van slijtage heet abrasie. Het (witte) glazuur is verdwenen. Het dentine kleurt na enige tijd bruin door inwerking van voedsel.

Door verstoringen tijdens de tandontwikkeling kunnen de glazuurvormende cellen beschadigd raken, waardoor het permanente gebitselement glazuur op de kroon of op delen daarvan moet missen. Ook hierbij zal het blootliggende dentine bruin verkleuren.

Mogelijke oorzaken van deze verkleuringen zijn ziekten tijdens de tandontwikkeling gepaard gaande met koorts en trauma. Deze verkleuringen komen vaak symmetrisch voor in tegenstelling tot trauma.

Door uitwendig trauma, bijv. het opvangen van een hard voorwerp, kan er een bloeding in een tand of kies optreden. Daarbij kleurt de kroon, of een gedeelte ervan, van het gebitselement rozerood. De drukverhoging die de bloeding in het gebitselement veroorzaakt, kan deze doen afsterven. Het verdient aanbeveling dit gebitselement regelmatig röntgenologisch te laten controleren. Een wortelkanaalbehandeling of een extractie is geïndiceerd, indien het gebitselement is afgestorven. Een dode of afgestorven gebitselement is niet meer helder wit, maar vaak geel of beige verkleurd.

Zie ook attritie.

Abrikoos:

          een roomgele tot oranjegele kleur.

Acanthosis nigricans:

olifantshuid, huidafwijking waarbij een kale huid ontstaat. De huid is ter plaatse zeer verdikt en vertoont plooivorming. Dit gaat gepaard met zwartverkleuring en vaak ook jeuk. De oorzaak is niet altijd duidelijk, meerdere factoren spelen een rol en er is sprake van een erfelijke aanleg.

De aanleiding is vrijwel steeds wrijving die tussen de bepaalde huiddelen, bijv. in de oksel, plaatsvindt. Door de wrijving ontstaat een ontsteking, al of niet gecompliceerd door bacteriën. Dan volgt het stadium van huidverdikking en ophoping van pigmentkorrels in de opperhuid. De patiënten zijn vaak te dik of hebben een bouw die de wrijving bevordert. De aandoening is chronisch en het behandelingsresultaat is wisselend.

Acarus:

veel voorkomende huidaandoening vooral bij jonge honden. 

ACE-remmer:

is een geneesmiddel, dat de werking van het angiotensine converting enzym (ACE) remt en daardoor een bloedvatverwijdend effect heeft.

ACE-remmers remmen een bepaalde stof in de bloedvaten en nieren, waardoor de hoeveelheid vocht minder wordt, de bloedvaten zich verwijden en de bloeddruk daalt. Voorbeelden zijn Enacard, Fortekor of Vasotop.

Achillespees:

          pees waarmee de kuitspieren aan de hiel vastzitten. Zie kuitspier.

Achondroplasie:

          zie chondrodystrofie en achondroplasten.

Achondroplasten:

aanduiding voor honden waarbij door een bepaalde erfelijke aanleg het kraakbeen van de ongeboren vrucht op afwijkende wijze verbeent. Dogachtigen en kortbenige rassen vertonen dit verschijnsel.

Achterhand:

de achterbenen en de bekkengordel, anders gezegd: achterbenen, kruis en staart. Zie ledematen.

Achterhoofdsknobbel:

vaak onjuiste benaming voor de jachtknobbel, de kam op het achterhoofdsbeen; 

correct: de uitsteeksels links en rechts van het achterhoofdsgat, die het gewricht vormen met de atlas. Zie ook skelet.

Achtermiddenvoet:

          het deel van het achterbeen tussen hak en tenen. Zie ook skelet.

Acidose:

          ophoping van zuren in het lichaam.

Acrocefalie, Acrocephalie:

ziekelijke vergroting van de schedel.

Acromegalie:

overmatige groei van het skelet, waarbij de weke delen normale afmetingen hebben. Vooral zichtbaar aan neus, onderkaak en oren (uiteinden van het lichaam nemen in grootte toe).

A.C.T.H., ACTH:

adreno cortico troop hormoon. Dit hormoon stimuleert de bijnierschors tot de productie van verschillende bijnierschorshormonen.

Synacthen® is synthetisch ACTH, gebruikt voor 1 van de 2 functietesten voor Hyperadrenocorticisme of Cushing Syndroom bij de hond.

Acupunctuur:

is een traditionele Chinese geneeswijze die zich baseert op energiestromen in het lichaam. Als de energiestromen zijn verstoord, kan zich dat uiten in allerlei aandoeningen. Door bepaalde acupunctuurpunten in die stromen aan te prikken, kan de energiebalans hersteld worden en bevordert dit het herstel.

Acupunctuur bij mensen is inmiddels een vaak toegepaste geneeswijze. Niet zo bekend bij velen is dat acupunctuur ook voor dieren een waardevolle behandelmethode kan zijn. Er zijn zeer oude Chinese prenten van dieren waar per diersoort de acupunctuurpunten zijn aangegeven.

Er zijn in Nederland inmiddels tientallen dierenartsen, die zich naast hun studie diergeneeskunde ook hebben toegelegd op acupunctuur.

Het is niet zo dat acupunctuur altijd en overal kan worden toegepast. Een flinke wond moet natuurlijk worden gehecht en een longontsteking wordt behandeld met antibiotica. Maar in andere gevallen kunnen met acupunctuur, eventueel als aanvulling op de reguliere diergeneeskunde, goede resultaten worden bereikt.

Acupunctuur is zinvol bij onder meer de volgende klachten:

problemen in spieren, gewrichten en botten, zoals nek- of rughernia en artroseklachten;

huidproblemen, zoals likgranuloom bij de hond en atopische dermatitis bij vele diersoorten;

neurologische uitvalsverschijnselen;

ademhalingsproblemen;

maagdarmproblemen zoals diarree en obstipatie;

vruchtbaarheidsproblemen;

oorontstekingen;

immunologische problemen.

Hoe acupunctuur werkt is niet helemaal duidelijk. Wel is wetenschappelijk aangetoond dat met acupunctuur:

hormonen vrijkomen, zoals cortison en endorfines (werken pijnstillend);

• de bloedcirculatie kan worden verbeterd;

• zenuwbanen gestimuleerd worden;

• krampen in spieren en het maagdarmkanaal kunnen worden opgeheven.

Voor de behandeling worden hele dunne naaldjes gebruikt. In principe is de behandeling pijnloos en heeft geen bijwerkingen. Sommige punten kunnen bij het inprikken even wat gevoelig zijn, maar dat verdwijnt direct. Een behandeling duurt gemiddeld 20 minuten; dit is afhankelijk van de soort klacht. Als de naalden gezet zijn geeft dit een ontspannen gevoel van de spieren, daarom vinden de meeste dieren een behandeling niet erg en blijven ze vrij rustig.

Na 4 behandelingen moet toch wel resultaat gemerkt worden. Afhankelijk van de klacht zijn 6 of meer behandelingen nodig, één- tot tweemaal per week.

Net als met een behandeling met medicijnen kan er niet gegarandeerd worden, dat een acupunctuurbehandeling aanslaat.

Acuut:

          plotseling beginnend, plotseling optredend, snel verlopend (i.t.t. chronisch).

Addison, ziekte van ~:

acute bijnierschorsinsufficiëntie (Addisonse crisis; hypoadrenocorticisme): uitdroging (bespoedigd door ernstige diarree en braken), shock en bewustzijnsverlies, m.a.w. levensbedreigend. 

I.t.t. de ziekte van Cushing treedt de ziekte van Addison (genoemd naar een 19e eeuwse Engelse arts) op als de bijnier niet genoeg bijnierschorshormoon maakt. Deze tekortkoming van de bijnieren kan het gevolg zijn van een aanval van het lichaam op zichzelf (auto-immuunziekte) of het gevolg van een andere ziekte, bijv. bij behandeling van Cushing.

Deze ziekte is dikwijls erfelijk, niet te genezen, dus chronisch. Niet gesteriliseerde teven lopen een hoger risico om Addison te krijgen. In de literatuur wordt met name de grote poedel, bearded collie en Chinese kuifhond genoemd. 

Behandeling van deze chronische ziekte: levenslang tabletten geven, en dagelijks een portie zout door het eten.

Zie ook bloedonderzoek.

Adel:

adel wil zeggen een harmonische belijning, een trotse en edele verschijning. Verder duidt het op symmetrie, fierheid en zelfbewustheid. Adel kan wel gevonden worden bij, maar is niet synoniem aan sierlijkheid en fijnheid. Ook rasloze honden kunnen adel vertonen.

Ademfrequentie:

is het aantal keren per minuut, dat de hond in- en uitademt. Zie ademhaling.

Ademhaling:

het aantal ademhalingen per minuut wisselt en is afhankelijk van o.a. leeftijd, grootte van het ras, gemoedstoestand, lichaamsgewicht, omgevingstemperatuur en evt. pijn, koorts of drachtigheid

De ademhaling moet altijd gecontroleerd worden als de hond staat en in rust is, dus niet na een flinke wandeling als de hond hijgt, maar ook niet na een aanrijding (shock) of bij oververhitting. Vaak is het handig om eerst de ademhaling te bekijken en vervolgens de hond pas te benaderen, omdat benadering van het dier stress kan veroorzaken, wat de ademhaling versnelt.

U kunt de ademhaling zien bij de neusvleugels en lippen, als de hond op zijn zij ligt (borst-buikholte) en bekeken van rechtsachter.

Bij het controleren van de ademhaling let de dierenarts op: ademhalingsfrequentie, ademhalingstype en het ritme van de ademhaling.

Bij de ademhalingsfrequentie kijkt de dierenarts hoe vaak de hond per minuut ademhaalt. De frequentie varieert van 10 tot 30 per minuut in rust (niet hijgen). Het gemiddelde is bij jonge en zeer kleine honden 20-22, bij volwassen en middelgrote honden 16-18 en bij oude en zeer zware honden 14-16  keer per minuut. In het algemeen hebben jonge dieren een hogere ademfrequentie en oude dieren een lagere frequentie. Bij zeer goed getrainde honden is de ademfrequentie ook vrij laag. Wanneer honden onrustig zijn, in een te warme omgeving verblijven of vermoeid zijn, bijvoorbeeld t.g.v. inspanning, is de ademfrequentie hoger dan normaal. De ademfrequentie wordt bepaald door de carbonaat-concentratie in het bloed. Als deze daalt, neemt de ademfrequentie toe.

Bij het ademhalingstype kijkt de dierenarts of er sprake is van:

• Costa-abdominaal ademen: hierbij wordt bij het inademen de ribben naar voren en naar buiten geschoven en het middenrif plat gedrukt, een borst- buikademhaling. Dit is de normale ademhaling, de gecombineerde borst- en buikademhaling. Alles vertoont een minimale afwijking (op- en neerbeweging).

• Costaal ademen: hierbij zet alleen de borst uit (borstademhaling).

• Abdominaal ademen: hierbij zet alleen de buik uit. De hond gebruikt buikpers. Dit komt voor bij verlies van elasticiteit van de longen en de borstkas (buikademhaling).

• Pendelend ademen ("ploep ploep"): Hierbij wordt bij de inademing de buik kleiner en de borst groter. Dit is een afwijkende ademhaling en heeft een hond bij een middenrifprobleem of bij vocht in de borstholte.

Zie ook respiratie, dyspnoe, tachypnoe, bradypnoe.

Adenitis:

klierontsteking.

Adenoom:

           lierweefselgezwel; vaak voorkomende, goedaardige tumor in klieren.

Ader:

          bloedvat, dat het bloed naar het hart voert. Voor meer info: zie bloedvaten.

A.D.H., ADH:

antidiuretisch hormoon. Dit hormoon wordt in de hypothalamus aangemaakt, via zenuwbanen naar de hypofyse vervoerd en van daaruit afgegeven naar het lichaam. Het hormoon is belangrijk bij het terugresorptieproces in de nieren. Indien ADH ontbreekt, stijgt de waterhoeveelheid in de urine (diabetes insipidus). In ietwat grotere concentraties zorgt dit hormoon voor een stijging van de bloeddruk in de bloedvaten. Om die reden kennen we ook de naamsaanduiding vasopressine.  

Adipositas:

          vetzucht.

Adjuvans, adjuvantia:

is een stof die zonder zelf werkzaam te zijn de werking van een geneesmiddel ondersteunt.

Adjuvanstherapie is een aanvullende behandelingswijze.

ADL-hond:

zie SOHO.

Adrenaline:

hormoon dat wordt aangemaakt in de bijnier; komt vrij bij opwinding en verhoogt de bloeddruk. Het is dus a.h.w. een stresshormoon.

Adres:

adres waar de hond thuishoort, kan op de halsband, draagpenning of een kokertje bevestigd aan de halsband worden vermeld. Rashonden zijn getatoeëerd of gechipt (zie: chip), zodat de eigenaar achterhaald kan worden.

Adult:

          volwassen.

Advantage® Spot-on:

doodt vlooien en voorkomt herinfectie voor de duur van ongeveer 1 maand. Het is in het bijzonder effectief bij een vlooienallergie.

Zie ook spot-on pipet.

Advantix® Spot-on:

is een oplossing voor het voorkomen en behandelen van vlooien (Ctenocephalides canis, Ctenocephalides felis), teken en zandvliegen bij honden. Het zijn pipetjes met een spot-on oplossing, een heldere, gele tot bruine oplossing. De actieve stoffen zijn imidacloprid (100 mg/ml) en permethrine (500 mg/ml). De hulpstoffen zijn Butylhydroxytolueen (E321), N-methylpyrrolidone, Miglyol 812 en Citroenzuur (E330).

Advantix blijft ook werkzaam na blootstelling aan water. Echter u kunt de hond beter direct na aanbrengen niet wassen. Behandelde honden mogen onder geen enkele omstandigheid toegelaten worden tot om het even welke vorm van oppervlaktewater gedurende tenminste 48 uur na behandeling, omdat het product schadelijk is voor aquatische organismen.

Advantix is enkel voor gebruik op de huid. Enkel aanbrengen op onbeschadigde huid. Neem een pipet uit de verpakking. Houd de pipet rechtop, draai en verwijder het dopje. Het dopje er omgekeerd weer opsteken, draaien om het zegel te verbreken en het dopje terug verwijderen.

Op de hond aanwezige vlooien worden gedood binnen één dag na de behandeling. Een éénmalige behandeling voorkomt verdere vlooienbesmetting gedurende 4 weken. Het product kan gebruikt worden als onderdeel van een behandelingsstrategie tegen vlooienallergiedermatitis (VAD).

Het product heeft een persisterende acaricide en afwerende doeltreffendheid tegen besmettingen door teken (Rhipicephalus sanguineus en Ixodes ricinus gedurende 4 weken en Dermacentor reticulatus gedurende 3 weken). Dat komt doordat Advantix permethrine bevat, waardoor er minder teken zich gaan aanhechten.

Het kan gebeuren dat teken die al op de hond zaten binnen twee dagen na behandeling niet gedood worden en vastgehecht en zichtbaar blijven. Daarom wordt aanbevolen om teken, die al op de hond zitten op het ogenblik van de behandeling, te verwijderen om hen zo te beletten zich vast te hechten en een bloedmaaltijd te nemen.

Eén behandeling biedt een afwerende (anti-voedende) werking tegen zandvliegen (Phlebotomus papatasi gedurende 2 weken en Phlebotomus perniciosus gedurende 3 weken), tegen muggen (Aedes aegypti gedurende 2 weken en Culex pipiens gedurende 4 weken) en tegen stalvliegen (Stomoxys calcitrans gedurende 4 weken).

De aanbevolen minimale dosis is: 10 mg/kg lichaamsgewicht (LG) imidacloprid en 50 mg/kg lichaamsgewicht (LG) permethrine.

In afwezigheid van beschikbare gegevens zou het product niet mogen gebruikt worden bij pups van minder dan 7 weken of 1,5 kg lichaamsgewicht. Raadpleeg uw dierenarts vooraleer het product te gebruiken bij zieke en verzwakte honden.

Niet gebruiken bij overgevoeligheid voor de werkzame bestanddelen of één van de hulpstoffen.

Niet gebruiken bij katten. Dit product is extreem giftig voor katten en zou fataal kunnen zijn vanwege de specifieke fysiologie van katten, die sommige verbindingen zoals permethrine niet kan afbreken. Houd behandelde honden verwijderd van katten totdat de toedieningsplaats droog is, om te voorkomen dat katten per ongeluk worden blootgesteld aan dit product. Het is belangrijk te verzekeren dat katten niet likken aan de toedieningsplaats van een hond die met dit product werd behandeld. Zoek onmiddellijk diergeneeskundig advies indien dit gebeurt.

Advocate® Spot-on:

advocate® Spot-On oplossing voor honden is een nieuw middel tegen inwendige en uitwendige parasieten, zoals vlooien, mijten en wormen.

De actieve stoffen zijn Imidacloprid en Moxidectine. Niet gebruiken bij pups jonger dan 7 weken.

De wijze van toediening: uitsluitend voor uitwendig gebruik. Lokaal toedienen op de huid tussen de schouderbladen.

Het wordt gebruikt voor honden die lijden aan, of risico lopen op, gemengde parasitaire infecties: voor de preventie en behandeling van vlooienbesmetting (Ctenocephalides felis), voor de behandeling van oormijtinfestatie (Otodectes cynotis), schurft veroorzaakt door Sarcoptes scabiei var. canis, demodicosis veroorzaakt door Demodex canis, voor de preventie van hartworm (L3 en L4 larven van Dirofilaria immitis), voor de behandeling van Angiostrongylus vasorum (Franse hartworm) en voor de behandeling van infecties met gastro-intestinale nematoden (L4 larven, onvolgroeide en volwassen stadia van Toxocara canis, Ancylostoma caninum en Uncinaria stenocephala, volwassen Toxascaris leonina en Trichuris vulpis).
Het product kan gebruikt worden als onderdeel van een behandelingsstrategie tegen door vlooien veroorzaakte allergische dermatitis (FAD).

Bijzondere voorzorgen bij gebruik

Er moet voor gezorgd worden dat de inhoud van de pipet of de toegediende dosis niet in contact komt met de ogen of de bek van het behandelde of andere dieren. Laat niet toe, dat recent behandelde dieren elkaar likken. Wanneer het product toegediend wordt op 3 tot 4 verschillende plaatsen, moeten voorzorgen worden genomen opdat het dier de toedieningsplaatsen niet likt.
Zoals met elk product dat macrocyclische lactonen bevat, moet bij Collies, Old English Sheepdogs en gerelateerde rassen of gekruiste rassen speciale aandacht worden geschonken aan de juiste toediening van het product; in het bijzonder moet orale opname door het behandelde dier en/of andere dieren worden voorkomen.

Niet toelaten dat Advocate® in oppervlaktewater terechtkomt, omdat het schadelijke effecten heeft op waterorganismen: moxidectine is sterk toxisch voor waterorganismen. Laat behandelde dieren niet zwemmen in oppervlaktewater tot minstens 4 dagen na behandeling.
Kortstondig contact van het dier met water bij één of twee gelegenheden tussen de maandelijkse behandelingen in zal waarschijnlijk de effectiviteit van het product niet verminderen. Echter, frequent shampooën of onderdompelen van het dier in water na de behandeling kan de effectiviteit van het product verminderen.
Alhoewel A
dvocate® veilig kan worden toegediend aan honden die besmet zijn met volwassen hartworm, heeft het geen therapeutisch effect tegen volwassen Dirofilaria immitis.

Het is daarom aanbevolen dat alle dieren ouder dan 6 maanden en verblijvend in regio's die endemisch zijn besmet, worden getest voor bestaande volwassen hartworminfecties alvorens de medicatie met Advocate® te starten.

• Vlooienbestrijding en preventie
Eén behandeling voorkomt verdere vlooienbesmetting gedurende 4 weken. Aanwezige poppen in de omgeving kunnen nog uitkomen gedurende 6 weken of
langer nadat de behandeling werd gestart, afhankelijk van de klimaatcondities. Daarom kan het noodzakelijk zijn de Advocate® behandeling te combineren met een omgevingsbehandeling teneinde de vlo cyclus in de omgeving te onderbreken. Dit kan resulteren in een snellere afname van de vlooienpopulatie in huis. Advocate® dient maandelijks te worden toegediend indien het gebruikt wordt als onderdeel van een behandelingsstrategie tegen door vlooien veroorzaakte allergische dermatitis (FAD).
• Behandeling van oormijtinfestatie (Otodectes cynotis)
Voor de behandeling van oormijtinfestatie dient het product eenmalig toegediend te worden. Losse debris dient bij iedere behandeling voorzichtig uit de uitwendige gehoorgang verwijderd te worden. Controle door de dierenarts 30 dagen na de behandeling wordt aanbevolen, omdat bij sommige dieren een tweede behandeling nodig kan zijn. Niet direct in het oorkanaal toedienen.
Behandeling van schurft (veroorzaakt door Sarcoptes scabiei var. canis)
Voor de behandeling van schurft dient het product tweemaal toegediend te worden met een tussenperiode van 4 weken.
Behandeling van demodicosis (veroorzaakt door Demodex canis)
Toediening van het product, twee- tot viermaal, telkens met een tussenperiode van 4 weken, is efficiënt tegen Demodex canis en leidt tot een zichtbare verbetering van de klinische symptomen. Aangezien demodicosis een multifactoriële aandoening is, wordt aangeraden, waar mogelijk, eventuele onderliggende aandoeningen eveneens op geschikte wijze te behandelen.
Preventie van hartworm
Honden die verblijven in regio's endemisch voor hartworm of die reisden naar endemische regio's, kunnen geïnfecteerd zijn met volwassen hartworm. Om deze reden dient voordat een behandeling met Advocate® wordt gestart het advies hierboven te worden overwogen.
Voor de preventie van hartworm dient Advocate® iedere maand toegepast te worden gedurende de tijd van het jaar wanneer muggen (de intermediaire gastheer, die de hartwormlarve draagt en overbrengt) aanwezig zijn. Het product kan het gehele jaar door worden toegediend of tenminste één maand voor de eerste verwachte blootstelling aan muggen. Deze behandeling dient met regelmatige intervallen van 1 maand te worden voortgezet tot één maand na de laatste blootstelling aan muggen. Om een routine te krijgen, is het aanbevolen dat op dezelfde dag of datum van elke maand wordt behandeld. Indien een ander preventief product in een hartworm preventieprogramma wordt vervangen, dient de eerste behandeling met Advocate uitgevoerd binnen de maand na de laatste toegediende dosis van de vorige medicatie.
In niet endemische regio's is er geen risico voor hartwormbesmetting bij de hond. Daarom kunnen ze behandeld worden zonder speciale voorzorgen.
Behandeling van rondwormen, haakwormen en zweepwormen

In regio's endemisch besmet met hartworm kunnen de maandelijkse behandelingen het risico van herinfectie door respectievelijk rond-, haak- of zweepwormen significant reduceren. In niet endemische regio's kan het product worden gebruikt als onderdeel van een seizoensgebonden preventieprogramma tegen vlooien en gastro-intestinale nematoden.
Studies toonden aan dat maandelijkse behandelingen van honden infecties met Uncinaria stenocephala voorkomen.

AF (ALP of AP):

is een enzym, dat door verschillende organen wordt geproduceerd. AF (alkalisch fosfatase) is o.a. een maat voor leverproblemen en botafwijkingen.

We meten de AF die door levercellen en beencellen wordt geproduceerd. Een verhoging van AF zegt alleen iets, als die verhoging minimaal 2 keer de maximale normaalwaarde is en moet altijd in samenhang met andere metingen beoordeeld worden. Bij vermoeden van leverlijden worden altijd de galzuren gemeten.

Lage waarden: geen betekenis.

Hoge waarden: a) leveraandoeningen: gestoorde galafvoer, acute en chronische leverontstekingen; b) jonge dieren (is normaal); c) toediening van prednison; d) ziekte van Cushing; e) toediening van bepaalde narcosemiddelen (barbituraten); f) ingrijpende of uitgebreide botaandoeningen.

Zie ook bloedonderzoek.

Affix:

kennelnaam als achternaam gebruikt (bijv. Timothy of Daggerwood); zie ook prefix.

Afgezette borst:

een te sterk gekromd borstbeen (bijv. bij Teckels).

Africhten:

het aanleren om bepaalde oefeningen (werkzaamheden) op commando uit te voeren.    

Afstaande vacht:

kenmerkend voor bepaalde spitshonden; de vacht staat van het lichaam af en heeft gewoonlijk stevig onderhaar.  

Afstoppen:

de hond laten zitten door op een (rol)fluit te blazen.

Aftekening:

begrenzing van kleurplaten op witte ondergrond of de tanplaatsen bij honden met het tanpatroon.

De zwarte duimafdruk en de potloodstreepjes in het tan of de middenvoet en tenen bij Manchester Terriërs worden ook zo aangeduid.

Afvallen:

als je hond te dik is. Hoe kan mijn hond het beste afvallen? Zie wetenswaardigheden.

Afvallend kruis:

          zie kruis.

Agens (meerv. agentia):

werkzaam middel, stof die een chemische of biologische reactie kan opwekken; werkende oorzaak of kracht.

Agglutinatie:

samenklonteren van rode bloedlichaampjes of bacteriën onder invloed van agglutininen

Agglutinine:

antilichaam in bloedserum, dat samenklonteren van cellen bevordert.

Agility:

Engelse benaming voor behendigheid(sport), nu ook algemeen gebruikt in Nederland. Het is een tak van de hondensport, waarbij een parcours met hindernissen moet worden afgelegd.

Agility is een populaire sport, waarbij van zowel hond als eigenaar sportieve inzet wordt gevraagd. In deze sport leert de hond een diversiteit van hindernissen nemen en diverse parcoursen afleggen op aanwijzing van de eigenaar. De uitdaging zit niet alleen in het goed leren nemen van de individuele hindernissen, maar ook in het foutloos lopen van een steeds wisselend parcours.

Honden en eigenaars die dit beoefenen, zijn razend enthousiast over hun sport.

Zie ook jumping en vast parcours

Alle klassen zijn onderverdeeld in a) Large-klasse voor honden vanaf 43 cm., b) Medium-klasse voor honden vanaf 35 cm. tot 43 cm. en c) Small-klasse voor honden minder dan 35 cm. schofthoogte

Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Agonie:

          doodsstrijd.

Agonistisch gedrag:

gehele gedragsrepertoire, dat zich uitstrekt van totale aanval (agressie) tot totale vlucht (angst). Deze term wordt vaak gebruikt, omdat allerlei dreiggedragingen componenten bevatten van zowel angst als agressie. 

Agouti:

          benaming om wildkleur aan te geven.        

Agrafe:

          klemmetje om wonden te hechten; wondkram.

Agressie:

agressief gedrag omvat alle handelingen, waarbij soortgenoten elkaar kunnen beschadigen, zonder dat daar enige mate van angst bij vertoond wordt. 

AIHA:

is de afkorting voor Auto Immuun Haemolytische Anaemie (Autoimmune Hemolytic Anemia). Dit is een vorm van haemolytische anemie, waarbij de afweercellen zonder aanwijsbare oorzaak de eigen rode bloedcellen aanvallen en afbreken. Dit proces gaat in zo'n snel tempo, dat de aanmaak van rode bloedcellen de afbraak niet bij kan houden, waardoor er een ernstig tekort aan rode bloedcellen ontstaat.

Bij AIHA worden dus de eigen rode bloedcellen (en vaak ook de bloedplaatjes) afgebroken door de eigen afweercellen. Er is als het ware een ontsporing van het afweerapparaat. Wat de trigger voor deze ontsporing is, is vaak onduidelijk.
We zien bij deze aandoening bloedarmoede (een daardoor bleke slijmvliezen), soms geelzucht (t.g.v. beschadiging van de lever door de bloedarmoede en het vrijkomen en van bepaalde kleurstoffen uit de rode bloedcellen), meestal een vrij hoog witte bloedcelpercentage, vaak ook een tekort aan bloedplaatjes en een gezwollen milt.
Deze bevindingen zijn zeer sterk verdacht voor AIHA. De diagnose kan worden bevestigd middels de zogenaamde Coombs-test. Deze test kan echter vals negatief uitvallen; dat betekent dat er toch sprake is van AIHA, terwijl de test negatief is.

AIHA is dus een auto-immuunziekte, die uiteindelijk kan leiden tot een levensgevaarlijke situatie. Hoe levensbedreigend de bloedarmoede is, hangt af van de ernst van de bloedarmoede, maar ook van het tijdsbestek waarin de afbraak van rode bloedcellen plaatsvindt. Hoe langzamer deze afbraak gaat, hoe meer tijd het lichaam krijgt om zich aan de afwijkende situatie aan te passen. We zien dan ook dat de patiënten er ernstiger aan toe zijn naarmate de bloedafbraak sneller en heftiger is.
De behandeling van AIHA bestaat uit het toedienen van immuunsuppressieve medicijnen (prednison, Immuran®) en indien nodig een bloedtransfusie. Als het rode bloedcelpercentage daalt onder de 15% dan kan een bloedtransfusie noodzakelijk zijn.

De honden die verschijnselen vertonen die kunnen wijzen op een zuurstoftekort (snelle pols, shock, flauwtes, benauwdheid) en een rode bloedcelpercentage van beneden de 15% komen direct in aanmerking voor een bloedtransfusie. Als de verschijnselen minder ernstig zijn en/of het rode bloedcelpercentage hoger is dan 15% dan is een bloedtransfusie niet (direct) noodzakelijk.
Sinds een tijdje is er in Nederland een soort bloedbank voor honden, zodat dierenartsen die geen bloeddonor of bloedafnamesysteem voor handen hebben ook aan bloed of plasma kunnen komen.

Het beoogde effect van het toedienen van immuunsuppressieve middelen zoals prednison en Immuran® is het stopzetten van de (verkeerde) immuunreactie waardoor de eigen bloedcellen worden afgebroken. Er wordt gestart met een hoge dosering prednison en die wordt (mede op geleide van het rode bloedcelpercentage) geleidelijk afgebouwd en uiteindelijk helemaal gestopt. Immuran® is eigenlijk een soort chemotherapie en heeft nog ernstigere bijwerkingen dan prednison. Veelal blijkt het toedienen van alleen prednison voldoende te zijn en het is gebleken dat de werking van Immuran® pas na ongeveer 2 weken optimaal is.

AIHA is altijd "een dubbeltje op zijn kant". Recidief van de haemolyse is bij een hond, die eenmaal AIHA heeft gehad, altijd mogelijk.

AITP:

is de afkorting van Autoimmune Thrombocytopenia. Dit is een ziekte, die verwekt wordt door antistoffen tegen bloedplaatjes.

Ajokoiramme:

is de Finse Brak.

A.K.C., AKC:

American Kennel Club; Amerikaanse overkoepelende kynologische organisatie. Wordt ook voor de door hen uitgegeven stamboom gebruikt.  

A.K.K., AKK:

Algemene Kynologische Kennis. In 1947 werd het examen AKK ingesteld en werd afgenomen tot 1994. Zie ook KK 1 en KK 2.            

ALAT:

is de afkorting voor Alanine Aminotransferase (ALAT of ALT). Zie GPT.

Albinisme:

duidt op een volledig ontbreken van pigment in de huid, haren en ogen (door een enzymdefect); daardoor hebben albino's witte haren en rode ogen. Er zijn geen hondenrassen waarbij albinisme als raskenmerk geldt.

Zie ook glasoog.

Albumine:

dit eiwit (in het bloed) zorgt samen met de in het bloed opgeloste zouten voor een osmotisch evenwicht. Bij ernstige tekorten ontstaat oedeem.

Zie ook plasma, hondenmelk en bloedonderzoek.            

Alchemilla:

is een onschadelijk kruid, dat een uitstekende werking heeft bij het herstel na de geboorte van de pups. Na het werpen is het nl. van belang, dat de geboorteorganen zich volkomen herstellen. Daarom kunt u de teef dan bijv. Alchemilla-thee of Alchemilla-melk geven.

Alchemilla Vulgaris D1, een homeopathische bereiding uit de geelgroene vrouwenmantel, herstelt de normale geslachtscyclus. Alchemilla Vulgaris zit ook in supplementen samen met o.a. glucosamine.

Aldosteron:

zie bijnierschors.

Alert:

vrijmoedig bewegend, geboeid lijkend door iets, oplettend.

Algemeen onderzoek:

kunt u bij uw hond doen als hij sloom of hangerig is, en u niet zeker weet of uw hond ziek is en u naar de dierenarts moet.

U kijkt dan naar: APTSl (in deze volgorde) oftewel Ademhaling, Pols, Temperatuur en Slijmvliezen.

Algemene Vorming (AV):

iedere instructeur heeft basiskennis nodig. De cursus Algemene Vorming (AV) van O&O biedt dat fundament, en het doel is dan ook het leggen van de theoretische basiskennis die nodig is om op een verantwoorde en goede manier les te kunnen geven aan combinaties geleider-hond, ongeacht de discipline waarin wordt lesgegeven. 

Deze cursus is de theoretische basis voor alle verdere cursussen van O&O. Het AV-certificaat is daarom verplicht om aan verdere cursussen te kunnen deelnemen.

Algerijnse Herdershond:

ook Kabylen- of Douarhond genoemd. Een in geheel Noordwest-Afrika en het gebeid van de Sahara inheemse, vrij primitieve herdershond. Met zijn reuk onderscheidt hij het vee van zijn 'douar' (tentkring) van dat van andere. Door zijn scherp gehoor is hij een goede waakhond. Hij stamt af van de Turfhond, waarvan hij (bij een groter formaat) de kenmerken heeft bewaard.

Alimentair:

          datgene wat verband houdt met de voeding.

Alkalisch:

          zie pH-waarde.

Allanto-amnion:

allantoïs vergroeid met het amnion.

Allantochorion:

allantoïs vergroeid met het chorion.

Zie ook geboorte.

Allantoïs:

één van de drie vruchtvliezen (zie ook amnion, chorion en geboorte); vormt zich bij de ontwikkeling van het embryo in het moederlichaam. Doet tijdens de dracht dienst als opvangreservoir van foetale urine.

Allelen:

de als paar bij elkaar behorende genen die tezamen dezelfde eigenschap bepalen en die op dezelfde locus van een bij elkaar behorend chromosomenpaar liggen, bijv. een dominante gen voor zwart op de ene chromosoom en een recessieve gen voor wit op de andere bijpassende chromosoom.

Voor allel (meervoud: allelen) wordt ook nog wel het woord mutant gebruikt. 

Allelomimetisch gedrag:

het met elkaar meedoen, zodat er een groepsactiviteit ontstaat, wordt allelomimetisch gedrag genoemd, en de Engelse term hiervoor is ganging-up.

Het is een heel normaal fenomeen bij sociaal levende dieren. Bij honden kan dit gedrag al waargenomen worden rond de leeftijd van ongeveer 7 weken.

Het met elkaar meedoen kan van alles inhouden. Gezamenlijk naar een voorwerp rennen, maar ook met een hele groep op een andere hond afstormen en die grijpen. In zo'n situatie zal het slachtoffer altijd het onderspit delven. De opwinding binnen de groep is tijdens zo'n groepsactiviteit nl. heel erg groot en wordt bij de individuele honden door het groepsgebeuren alleen maar aangewakkerd.

Allergeen:

          een overgevoeligheid opwekkende stof.

Allergie:

overgevoeligheid voor een of meer stoffen. Een hond wordt niet geboren met een allergie maar ontwikkelt deze; 75% van de patiënten ontwikkelt een allergie tussen de 1 en 3-jarige leeftijd. Er zijn rassen waarbij allergieën vaker voorkomen: West Highland White Terriër, Boxer, Engelse en Franse Bulldog, Newfoundlander, Mopshond, Labrador en Golden Retriever, Shar Pei, Poedel, Teckel en Yorkshire Terriër. 

Aangezien een allergie zich moet ontwikkelen, zullen klachten zelden eerder te zien zijn voor 6 maanden leeftijd (3 maanden in geval van een voedselallergie). Behalve deze allergische reactie zijn atopische honden gevoeliger voor bacteriële- en gistinfecties van de huid. Afhankelijk van de betrokken allergenen, kan atopie seizoensgebonden zijn (pollen) of niet (huisstof). Voorbeelden van veel voorkomende allergenen zijn: huisstofmijt, voedselmijt, meelmijt, pollen en huidschilfers (zie mijt).  

Bij veel dieren met langdurige huidproblemen moet de oorzaak gezocht worden in een allergie. Wanneer de resultaten van het onderzoek in deze richting wijzen én verschillende andere huidziekten zijn uitgesloten, zal het onderzoek zich verder hierop richten. In principe zijn er bij honden drie belangrijke allergische huidaandoeningen: vlooienallergie, voedselallergie en atopie.

Zie ook Viatop®.      

Allergietest:

zie atopie.

Allometrie:

verandering van de verhoudingen van de verschillende lichaamsdelen gedurende de groei.            

Allround keurmeester, allrounder:

een allround keurmeester is iemand, die bekwaam is en aangesteld is voor het keuren van alle rassen.

Alopecia:

abnormale haaruitval (haarverlies, kaalheid) hetgeen zich op kleine, afzonderlijke plekken kan voordoen, of op grote stukken van het lichaam. Men denkt, dat stress de oorzaak voor haaruitval bij honden is, net als bij mensen.

Sommige huidklachten die alopecia veroorzaken kunnen ook bij de mens voorkomen, dus u moet goed oppassen, dat u niet ook besmet wordt.

Kaalheden kunnen in diverse groepen worden ingedeeld. Opvallend bij hormonale kaalheden is, dat de kale plekken vaak symmetrisch op het lichaam optreden. Er is meestal geen sprake van jeuk, tenzij bacteriën meespelen. Vaak hebben honden met hormonale aandoeningen meer klachten dan alleen van de huid. Hierbij kunt u bijv. denken aan een verminderd uithoudingsvermogen, veel drinken / plassen, afwijkingen in de groei, vrouwelijke trekjes etc.

De volgende aandoeningen bij de hond kunnen leiden tot hormonale kaalheden: hypofysaire dwerggroei, hypothyreoïdie, syndroom van Cushing, testikeltumoren en alopecia X (ook bekend onder de naam Black Skin Disease bij dwergkeeshonden; men vermoedt, dat het een X-gebonden erfelijke aandoening is, omdat meer reuen dan teven zijn getroffen).

Alopecia X: zoals de naam al aangeeft, is dit een aandoening waarbij de oorzaak van de kaalheid grotendeels onbekend is. Men beschouwt dit als een restgroep, en het is zelfs onduidelijk of deze aandoening echt bestaat. Dit is de groep honden die overblijft, nadat alle diagnostiek (ook die van de hormonale aandoeningen) geen uitslag oplevert. Vaak blijkt Cushing toch een rol te spelen bij deze aandoening. Men ziet het vaker bij de Chow Chow, Samoyeed, Malamute, Keeshond en Dwergpoedel.

De symptomen: men ziet een symmetrische kaalheid op een leeftijd van 1-5 jaar, die zich steeds verder uitbreidt, voornamelijk op de romp. De overblijvende vacht is dof, dor en laat gemakkelijk los. Men ziet geen jeuk.

De diagnose wordt gesteld op basis van de klinische verschijnselen, en het uitsluiten van overige oorzaken. Eventueel  kan men huidbiopten nemen.

Aangezien de oorzaak onbekend is, zijn er veel therapieën mogelijk. Men kan denken aan castratie, hormoontherapie, corticosteroïden etc.

De prognose is onzeker. Er wordt onderzoek gedaan naar het gebruik van Trilostane. Dit zou de haargroei kunnen bevorderen. Meer onderzoek is echter gewenst voordat het ingezet kan worden. Soms kan een homeopathische behandeling uitkomst bieden.

Wanneer uw hond last heeft van kaalheid, dan is het raadzaam om dit door de dierenarts te laten onderzoeken. Dit vergroot de kans op een vroege diagnose en een betere behandeling.

Zie ook post-clipping alopecia.

Alpenbrak:

een black-and-tan brak uit het Alpengebied.

Alpenmastiff:

oude naam voor de Sint Bernard.

Alpha:

is de Nederlandse Vereniging van Gedragstherapeuten voor Honden.  

Alpha dier:

          het in rang hoogste dier in een roedel.

A.L.S.H., ALSH:

Annexe au Livre des origines Saint-Hubert; zie ook L.O.S.H. 

In België kan iedere hond, ook als hij geen stamboom heeft, deelnemen aan tentoonstellingen. Verkrijgt een hond op een show een kwalificatie U of ZG, dan kan hij ingeschreven worden in het A.L.S.H. Vanuit dit bijvoegsel van het stamboek kunnen honden van enkele generaties later worden opgenomen in het L.O.S.H. Nederland kent deze manier van stamboomregistratie niet (meer).            

ALT:

is de afkorting voor Alanine Aminotransferase (ALAT of ALT). Zie GPT.

Alveole:

          holte, bijv. in tand, longblaasje.

Alvleesklier:

          zie pancreas.

Alvleesklierkanker:

          zie wetenswaardigheden.

Alvleesklierontsteking:

          zie pancreatitis.

Amandelvormig:

          aanduiding voor ovale oogvorm.

Ambivalent gedrag:

twee of meerdere gedragssystemen geactiveerd. We kennen twee vormen van ambivalent gedrag: 

a) simultaan ambivalent gedrag: hierbij vertoont het dier tegelijkertijd gedragingen, die bij twee of meerdere gedragssystemen behoren, bijv. angst en agressie,  

b) successievelijk ambivalent gedrag: hierbij wisselt het dier de gedragingen uit twee of meerdere gedragssystemen met elkaar af, bijv. naderen en wijken. 

Amble:

een symmetrische gang, waarbij het tijdsinterval tussen het neerzetten van de voeten aan dezelfde zijde van de hond bijna nul is. De snelheid kan verschillen.

Amertoy:

nog niet erkende dwerg-foxterrier in de Verenigde Staten, waarvan de naam een samentrekking is van 'American' en 'toy'. Oorspronkelijk sprak men van Cheefox.

Aminozuren:

organische zuren, die de bouwstenen vormen van de eiwitten. Er zijn er zo'n 20 bekend. 

Ieder aminozuur bestaat weer uit een bepaalde compositie van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen, maar daar zijn stikstofatomen aan toegevoegd. We kennen bovendien nog enkele aminozuren, waarin zwavel is verwerkt.

Aminozuren aan elkaar gekoppeld leveren een eiwit. Het aantal soorten eiwitten dat kan worden gevormd, is onbeperkt. Dat hangt onder meer af van de volgorde van de verschillende aminozuren en van de lengte van de ketens.

Het lichaam kan verschillende aminozuren wel zelf maken, mits er maar voldoende bouwstenen worden gevonden bij de koolhydraten en de vetten en mits er maar voldoende stikstof wordt aangevoerd via het voedsel.

Een aantal aminozuren kan het lichaam echter niet maken. Die aminozuren noemen we essentieel en zij moeten dan ook iedere dag in het voedsel voorkomen. Tot deze groep behoren o.a. lysine, threonine, tryptophaan en valine. De zwavelhoudende aminozuren methionine en cysteïne zijn eveneens essentieel. Een tweetal aminozuren, waaronder arginine, wordt semi-essentieel genoemd. Ontbreken essentiële aminozuren in het voedsel, dan kan het lichaam geen lichaamseigen eiwit opbouwen. En omdat juist de eiwitten zo'n belangrijke rol spelen als bouwstof voor het lichaam, betekent dat, dat verloren gegane cellen niet door nieuwe kunnen worden vervangen. Op de lange duur zal dit tot vermagering van het lichaam en tot uitputting kunnen leiden.

Om die reden heeft men vooral in de voedingsleer naar wegen gezocht om eiwitten in kwaliteiten te onderscheiden. Een aantal zaken springen daarbij in het oog.

In de eerste plaats moet de verteerbaarheid van een eiwit voldoende zijn, anders zou het met de faeces weer verdwijnen.

Ten tweede moet de zogenaamde biologische waarde voldoende hoog zijn. 

En ten derde moet men een goede hoeveelheid eiwitten in het voer verwerken. Hierbij kan men als norm stellen, dat niet meer dan 30% van de benodigde kilocalorieën mag worden verkregen uit de eiwitfractie. Gaat men meer eiwit voeren, dan leidt dit na verloop van tijd tot een bros skelet en slecht ontwikkelde tanden, jodiumtekorten, onjuiste calcium-fosforverhoudingen (zie fosfor) een een slechte afweer tegen ziektekiemen. We spreken in dit geval van een proteïne-caloriedeficiëntie. Omdat dit beeld het snelst ontstaat bij voedering van alleen maar vlees - zonder toevoegingen - vatten de Amerikanen de symptomen samen onder de naam 'All-meat-syndrome'.

AMIVEDI:

in 1933 opgerichte stichting met als doel d.m.v. registratie van vermiste en gevonden dieren bij te dragen tot hereniging van eigenaar/verzorger met het vermiste huisdier. 

De naam is een afkorting van "Amor en Iustitia, Verzorging van Dieren". 

Ammoniak:

of NH3 is een afbraakproduct van eiwitten. Normaal wordt deze in de lever omgezet in ureum en uitgescheiden via de nieren. Bij een portosystemische shunt is er rechtstreeks verbinding tussen het bloedvat tussen de darm en de lever, buiten de lever om naar het lichaam. Daardoor vindt er stapeling van ammoniak in het bloed plaats.

Lage waarden: geen betekenis.

Hoge waarden: a) portosystemische shunt; b) rood plasma door kapotte rode bloedcellen; c) niet direct onderzocht monster.

De waarde kan zelfs te hoog zijn als het monster wordt onderzocht door iemand die rookt.

Zie ook bloedonderzoek.

Amnion:

ook wel potenblaas of boterblaas genoemd; het binnenste van de eivliezen van de vrucht in het moederlichaam. Bevat het vruchtwater.

Zie ook chorion en allantoïs.           

Amoebe:

eencellig vormveranderlijk diertje, dat zich voortbeweegt d.m.v. protoplasma-uitstulpingen.            

Amoebiasis:

          besmetting met of ziekte door amoebe.

Amputatie staart:

honden met geamputeerde staarten mogen aan een tentoonstelling of aan andere door de Raad van Beheer erkende evenementen deelnemen, mits deze amputatie (het couperen) het gevolg is van een medische noodzaak. De evenementen betreffen o.a. exposities, clubmatches, jonge honden dagen, wedstrijden voor jachthonden en gebruikshonden, (gedrags)testen en proeven voor jachthonden en gebruikshonden, behendigheidswedstrijden, gehoorzaamheidswedstrijden en examens.

De verklaring van de noodzakelijke amputatie dient door een praktiserend dierenarts schriftelijk in het Europees dierenpaspoort (pagina operaties) te zijn vastgelegd.

De verklaring in het paspoort dient te zijn voorzien van de reden (medische indicatie) en datum van de amputatie alsmede een stempel met duidelijke vermelding van naam, adres en een originele handtekening van de dierenarts.

Ik wijs u erop dat de Raad van Beheer de medische verklaringen niet controleert, tenzij er sprake is van twijfel en/of een vermoeden van misbruik en/of valsheid in geschrifte. Misbruik van deze regel wordt via de Raad van Beheer ter sanctionering aan het Tuchtcollege voorgelegd.

Bovenstaande bepaling geldt ook voor buitenlandse honden die op Nederlandse evenementen worden ingeschreven. Ook hier geldt de toevoeging dat in landen waar een couperen is toegestaan deze honden ook zonder medische verklaring mogen deelnemen (KR art. IV 29 lid 1d).

Bij deelname aan evenementen dienen de eigenaren van aan de staart geamputeerde honden in het bezit te zijn van de vereiste verklaring, zodat deze voorafgaand aan de deelname van de betreffende hond door het ringpersoneel gekeurd kan worden.

Op de inschrijfformulieren voor evenementen zal er een apart artikel hierover in het reglement opgenomen worden en dient men bij inschrijving aan te geven of de hond al dan niet aan de staart geamputeerd is.

Zie ook knikstaart.

Amputeren:

gehele of gedeeltelijke chirurgische afzetting van een lichaamsdeel.

Zie ook couperen.

Amylase:

zit in het speeksel van een varken, een gans en de mens, maar niet bij de hond; amylase maakt een begin met de enzymatische vertering van zetmeel. Omdat de hond geen amylase in het speeksel heeft, ontstaan er geen suikers en dus ook geen zuren, hetgeen de hond vrijwaart voor cariës

Amylase is alleen werkzaam in een basisch milieu, dus niet in bijv. de maag waar een zuur milieu heerst (zie PH-waarde). Zie ook bloedonderzoek.

Ten behoeve van de vertering van koolhydraten produceert de pancreas amylase, dat zetmeel via dextrinen afbreekt tot maltose (moutsuiker). Bij het varken, de gans en de mens wordt op deze wijze de zetmeelvertering voortgezet, bij de andere dieren, zoals de hond, wordt op deze wijze een begin gemaakt met de zetmeelvertering.

Amyloïdose (Amyloidosis):

ophoping van een eiwitsubstantie in vooral lever, milt en nieren. Gezond orgaanweefsel wordt hierdoor beschadigd.

Bij de Shar-Pei zien we een erfelijke vorm: FSF.            

Anaal:

          met betrekking tot de anus of behorend tot de anus.

Anaalklieren:

rondom de anale opening bevinden zich 3 soorten klieren met elk een eigen functie: de anaalklieren, de circumanaalklieren en de anaalzakkliertjes

De anaalklieren liggen aan het eind van de endeldarm en produceren slijm, zodat de ontlasting gemakkelijk naar buiten kan glijden. Zie ook Wetenswaardigheden.

Anaalzakkliertjes:

produceren een smerig stinkende stof, die opgeslagen wordt in de anaalzakjes. De uitmondingsplaatsen vindt men op de anale ring, vergeleken met de klok op vijf en zeven uur. Het anaalzakvocht dient om eventuele belagers af te schrikken. Zie ook anaalklieren.

Anabiose:

          terugkeer tot het leven na schijndood.

Anabolisme:

opbouw, bijv. van diverse soorten eiwitten, zoals spiervezels; zie stofwisseling.            

Anaëroben:

          bacteriën, die zonder zuurstof leven.

Anafrodisie:

          ontbreken van seksuele driften.

Anafylactische shock:

is een overdreven, levensbedreigende allergische reactie op vreemde eiwitten of andere stoffen.

Anafylaxie:

zie anafylactische shock.

Anale controle:

besnuffelen van het achterwerk. Aan beide zijden van de anus bevindt zich een klier, die het 'persoonlijke' luchtje van de hond afscheiden.

Analgesie:

ongevoeligheid voor pijn.

Analgetica:

          pijnbestrijders.

Analgetisch:

          ongevoelig voor pijn, pijnstillend.

Anamnese:

voorgeschiedenis van een ziekte, verteld door de (baas van een) patiënt. Dit betekent niets anders dan dat de dierenarts meer te weten wil komen over de verwonding of de ziekte. Hij zal vragen stellen als:

Wat zijn de klachten?

Hoe lang heeft uw hond de klachten?

Was hij al eerder ziek?

Is uw hond al behandeld?

Hoe is het eet- en drinkgedrag van uw hond?

Hoe staat het met de ontlasting en de urine?

Is uw hond sloom of nog alert?

Wat is de leefomgeving van uw hond?

Heeft uw hond de entingen gekregen? Deze staan in het inentingsboekje of paspoort.

Anatomie:

is ontleedkunde. Het woord stamt uit het Grieks en betekent letterlijk 'uit elkaar snijden'. Op deze manier kan kennis worden verkregen over de bouw van mens en dier. Deze oorspronkelijke betekenis geldt nog steeds.

De moderne anatomie bestudeert echter niet alleen de vorm, maar onderzoekt en beschrijft ook de relaties tussen bouw en functie. Een zoogdier, zoals de hond, is een organisme dat is opgebouwd uit verschillende weefsels. Verschillende weefsels met een gezamenlijke functie kunnen worden beschreven als orgaan of orgaanstelsel.

Verwijzingen binnen de anatomie: bewegingsstelsel, bloedsomloop, endocrien stelsel, huid, respiratiestelsel, spijsverteringsstelsel, uitscheidingsorganen, voortplantingsstelsel, zenuwstelsel en zintuigen.

Andro-:

          mannelijk.

Androsteron:

mannelijk geslachtshormoon; verantwoordelijk (evenals testosteron) voor het ontstaan van de secundaire mannelijke geslachtskenmerken, d.w.z. kenmerken die een dier een mannelijk voorkomen geven.

Anemie, anaemie:

bloedarmoede door te weinig rode bloedcellen; beperkt aantal rode bloedcellen of vermindering van de hoeveelheid zuurstofvervoerend pigment (hemoglobine) t.g.v. bloedverlies, aandoeningen van het beenmerg, parasieten of ziekten die de rode bloedcellen vernietigen.

Anesthesie:

ongevoeligheid van zenuwen, hersenen of ruggenmerg door narcose.             

Aneurine:

vitamine B1 (of thiamine). Gebrek eraan levert storingen in het zenuwstelsel op.            

Aneurysma:

zwelling als gevolg van een breuk of verwijding van een slagader of de wand van het hart.

Angst:

van angst is sprake bij een indirecte bedreiging (bijv. de geur van een voorwerp, maar niet de aanwezigheid ervan). Is er sprake van een directe, concrete bedreiging, dan spreken we van vrees.

Angst kan worden geuit door vluchtgedrag, maar ook door het aannemen van een lage houding, waarbij de staart tussen de benen wordt gedragen, de oren naar achteren liggen, de mondhoeken naar achteren worden getrokken en de romp naar beneden wordt gehouden. 

Angst kan veroorzaakt worden door tal van factoren, zoals slechte socialisatie in de socialisatieperiode, overname van het gedrag van de angstige moeder of eigenaar, een traumatische ervaring of vele slechte ervaringen. Ook erfelijkheid kan bij angst een rol spelen (zie ook ons theorieboek).

Zie ook hondentaal.

Angstbijter:

bange hond, die zich op grond van een hoge mate van innerlijke onzekerheid voortdurend bedreigd voelt en zelfs in volkomen onschuldige situaties bijt.

Zie scherp en hondentaal.

Angstperiode:

in deze ook juveniele periode genoemd (leeftijd: 3-6 maanden) bestaat het gedrag van de pup voornamelijk uit ontwijken en de mogelijkheid om te herstellen is dus gering, waardoor ze in deze periode extra gevoelig zijn voor traumatische ervaringen. Normaal gesproken worden er rond de 15e week definitieve dominantierelaties gevestigd. Er is een geleidelijke perfectionering van het gedrag en de locomotie (motoriek).

Zie ook gedrag.

Animaal zenuwstelsel:

of willekeurig zenuwstelsel, is onder te verdelen in het centraal zenuwstelsel en perifeer zenuwstelsel.

Zie voor verdere info: zenuwstelsel.

Ankören:

beoordeling van de fokwaarde van de honden.Heel vaak stelt men de eis, dat de hond eerst een gunstige beoordeling van enkele keurmeesters heeft ontvangen, alvorens het dier voor de fok wordt gebruikt.

Ankylose:

          gewrichtsverstijving.

Ankylostomiasis:

mijnwormziekte; ziekte die wordt veroorzaakt door de larve van de haakworm.            

Annam, Hond van:

voor bewaking en voedsel gehouden hond in het nu tot Vietnam behorende, vroegere keizerrijk Annam. Uiterlijk een tengere, kortharige Chow-Chow.

Annulus fibrosus:

          zie tussenwervelschijf.

Anoestrus, an-oestrus:

is de periode volgend op de met-oestrus, m.a.w. een gewone periode van de totale ovulatiecyclus.

Zodra de rem van het progesteron op de productie van F.S.H. is weggevallen, start de ovulatiecyclus weer opnieuw en zo ontstaat een steeds doorgaande cyclus van pro-oestrus, oestrus, (di-oestrus), met-oestrus, pro-oestrus etc. Deze cyclus wordt in principe alleen maar onderbroken door de dracht.

Bij sommige diersoorten kan er echter een rustperiode voorkomen. Bij honden is de an-oestrus een gewone periode van de totale ovulatiecyclus, die ongeveer 3 maanden aanhoudt alvorens een nieuwe cyclus start.

Hoewel de rustperiode bij de hond normaal gesproken 3 tot 4 maanden kan duren, kan de an-oestrus-periode ook langer of korter zijn. Bij de wilde caniden en bij sommige poolrassen duurt de an-oestrus zo lang, dat de honden slechts eens per jaar ovuleren. Bij sommige dwergrassen is de an-oestrus soms zo sterk bekort, dat er 3 of 4 keer per jaar een ovulatie optreedt.

Terwijl bij de wilde caniden en verschillende van onze huisdieren invloeden van het seizoen zijn aan te wijzen, met name de daglengte (zie ook de invloed van het melanotonine), naar aanleiding waarvan de ovulatiecyclus weer wordt gestart, kunnen bij de gedomesticeerde huishond geen redenen worden aangegeven, waarom een nieuwe cyclus begint. Daarvoor zijn de cycli van onze huishonden te onregelmatig geworden.

Anoftalmie:

het ontbreken van de ogen; een erfelijke aangeboren afwijking.

Anorchidie:

het ontbreken van de teelballen, dan wel een rudimentaire ontwikkeling ervan. Zie anorchisme.

Anorchisme:

het niet aanwezig zijn van testikels bij de reu (zie ook cryptorchisme en monorchisme).

Anorexie:

          gebrek aan eetlust.

Anoxemie:

          zuurstofgebrek van het bloed.

Anoxie:

          zuurstofgebrek van de weefsels.

Antagoneren:

is een ander medicament toedienen dat de werking van het eerste opheft.

Antagonist:

is een spier waarvan de werking die van een andere opheft, bijv. buig- en strekspieren zijn elkaars antagonisten. 

De armbuiger van de mens (biceps) en de armstrekker (triceps) zijn elkaars antagonisten. Bij dieren wordt de kop opgetild door de nekspieren. De antagonisten van deze spieren zijn de halsspieren, die de kop naar beneden brengen.

Maar een antagonistische werking kan ook op een andere wijze ontstaan. Zo kan een gebogen arm spontaan weer naar beneden vallen onder invloed van de zwaartekracht.

Anthelminticum:

          ontwormingsmiddel.

Anthracosis:

          stoflong.

Anti-:

          tegen.

Antibiogram:

m.b.v. een antibiogram wordt bepaald welk antibioticum moet worden voorgeschreven bij een bepaalde infectie.

Antibioticum (meerv. antibiotica):

doodt bacteriën (dit heet een bactericide antibioticum) of remt de groei van bacteriën (dit heet een bacteriostatisch antibioticum). Een voorbeeld van een bactericide antibioticum is Enrofloxacine (Batril®), een voorbeeld van een bacteriostatisch antibioticum is bijv. Doxycycline (Doxoral®).

U moet de werking van een antibioticum niet uit het oog verliezen en zeker niet overschatten: een antibioticum geneest namelijk niet de ontsteking. Dat moet het lichaam zelf doen. De bacteriën worden alleen gedood of sterk geremd in hun groei, waardoor het lichaam in verhouding een betere kans krijgt om de ziekte aan te vechten.

Er wordt vaak foutief gedacht, dat antibiotica en penicilline 2 woorden voor hetzelfde zijn. Dat is niet correct. Penicilline is een aanduiding van een groep van antibiotica, maar niet elk antibioticum is Penicilline. Een voorbeeld van een penicilline is amoxycilline.

Om het nog verwarrender te maken, heeft een geneesmiddel ook altijd nog een merknaam. Zo bestaat er het geneesmiddel Amoxoral®; deze tabletten bevatten de werkzame stof 'amoxycilline' (en dat is dus een soort penicilline). En het geneesmiddel Baytril® bevat als werkzame stof 'enrofloxacine' (dit antibioticum valt niet onder de penicillinen, maar onder een groep met de naam quinolonen).

De keuze voor een antibioticum hang af van een aantal factoren. Ten eerste is het natuurlijk van belang met welke bacteriën de hond te maken heeft en hoe de gevoeligheid is van die bacterie. Hiervoor moet de dierenarts (DA) een bacteriologisch onderzoek doen en een antibiogram maken. Idealiter zou hij deze onderzoeken altijd moeten doen, alvorens een antibioticum voor te schrijven. Maar dit is praktisch gezien niet altijd mogelijk. Het is bijvoorbeeld heel lastig om bij een longontsteking materiaal te verzamelen voor zo'n bacteriekweek. De dierenarts zou dan namelijk een longspoeling moeten doen om een betrouwbare kweek te maken. Maar dat moet onder narcose en dat is wel erg ingrijpend en vooral bij een longontsteking niet zonder risico!

In zulke gevallen kiest hij een breed spectrum antibioticum (een antibioticum dat heel veel verschillende soorten bacteriën aanpakt), waarvan hij weet dat het de belangrijkste verwekkers van een longontsteking aanpakt en dat het goed in het longweefsel doordringt.

Hiermee kom ik meteen op een tweede criterium voor een antibioticum keuze. De DA moet namelijk bij de keuze van het antibioticum ook rekening houden met de lokalisatie van de infectie. Niet elk antibioticum dringt nl. even goed door in alle weefsels. En het is wel van belang, dat het antibioticum de plek van de infectie in voldoende werkzame concentratie bereikt.

Daarnaast moet hij nog rekening houden met eigenschappen van de hond zelf, zoals het ras, de leeftijd, lever- en nierfunctie en eventuele individuele overgevoeligheden (bijv. allergische reacties op penicillines). Katten kunnen bijv. bij het ingeven van trimethoprim-sulfa (bijv. Sulfatrim®) preparaten via de bek enorm gaan speekselen en schuimbekken, terwijl honden de tabletten zonder problemen kunnen innemen. En een Dobermann reageert verkeerd op sulfa preparaten in de vorm van een sterk verminderde traanproductie (keratoconjunctivitis sicca). Bij het geven van Enrofloxacine (Baytril®) aan jonge dieren die nog volop groeien, lopen ze het risico op kraakbeenbeschadiging.

Lever- en nierfunctie zijn van belang, omdat alle antibiotica via de lever en/of nieren moeten worden gemetaboliseerd. Als lever of nieren niet goed functioneren, dan ontstaat dus relatief gemakkelijker een overdosering met vergiftigingsverschijnselen. Dan kan de DA natuurlijk de dosering aanpassen, maar als het mogelijk is dan kiest hij liever bij een verminderde leverfunctie een antibioticum dat voornamelijk door de nieren wordt uitgescheiden, en bij een verminderde nierfunctie juist een antibioticum dat voornamelijk door de lever wordt uitgescheiden.

Een goede dosering is natuurlijk bij alle geneesmiddelen van belang, maar zeker voor antibiotica. De DA wil de infectie immers zo optimaal mogelijk bestrijden en hij wil geen resistentie opwekken bij de betrokken bacteriën. Resistentie van bacteriën moet u eigenlijk zien als een soort selectieprocedure van de sterkste bacteriën uit een populatie. Is de klap niet hard genoeg, dan worden de zwakkere bacteriën wel gedood, maar de sterkste overleven het. Als deze sterkere bacteriën zich dan verder gaan vermenigvuldigen, wordt er een sterker soort 'gekweekt'. Onderdosering én te kort behandelen is dus uit den boze.

De meeste antibiotica hebben een grote veiligheidsmarge, d.w.z. dat toxische verschijnselen bij een relatief wat te hoge dosering niet snel voorkomen. Er zijn echter ook antibiotica waarmee u wel degelijk uit moet kijken.

Het is belangrijk dat u een antibioticumkuur helemaal afmaakt, tenzij in overleg met de dierenarts om bepaalde redenen anders wordt besloten.

De meeste antibiotica mogen met het eten worden ingegeven, zodat u de tabletten eventueel kunt verstoppen in iets lekkers (zie ook pillen ingeven). Beslis nooit op eigen houtje om tabletten maar niet meer te geven en af te wachten!

In sommige gevallen (als er problemen zijn met ingeven, bij braken, ernstig zieke en verzwakte dieren of risico op maagdarmproblemen bij het geven van tabletten) zal de dierenarts besluiten om het antibioticum toe te dienen in de vorm van onderhuidse injecties of via een intraveneus infuus.

De meest voorkomende bijwerkingen van antibiotica liggen op het vlak van het maagdarmkanaal: misselijkheid, braken en diarree. Dit geeft al aan dat de bacterieflora van het maagdarmkanaal met de meeste antibiotica (bij een tablettenkuur) behoorlijk wat geweld aangedaan wordt. Het kan dus zeer zinvol zijn om aansluitend op een (langdurige) antibioticumkuur probiotica te geven.

Zie ook colloïdaal zilver.

Anticoagulans(ant):

          antistollingsmiddelen.

Anticonceptie:

          geboortebeperking.

Anticonceptiemiddel:

          voorbehoedmiddel tegen drachtigheid.

Antidoot, antidota:

tegengif; heft de werking van bijv. een medicijn, narcosemiddel of giftige stof op.

Stoffen die worden gebruikt om de toxische werking van andere stoffen te antagoneren, worden antidota (of 'tegengiften') genoemd. Door de grote verscheidenheid aan stoffen met toxische werking (meestal geneesmiddelen, maar ook andere toxische verbindingen zoals insecticiden en gassen) zijn er verschillende specifieke antidota.

Anti-emeticum, antiemiticum:

is een middel dat braken tegengaat. Anti-emeticum (meerv. anti-emetica) is dus een middel tegen misselijkheid.

Anti-emetica beïnvloeden het braakcentrum in het centraal zenuwstelsel.

Antigeen (antigen):

          stof die het afweersysteem activeert; stof die een specifieke immuunreactie veroorzaakt.

Antihistamine:

crème of lotion om insectenbeten te behandelen; stof die de werking van histamine blokkeert.

Antihistaminica (enkelvoud: antihistaminicum) is een benaming voor een groep geneesmiddelen, waarvan het werkzame deel een remmende werking heeft op de stof histamine en de eosinofiele witte bloedcel. Histamine en eosinofiele witte bloedcellen spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van allergische ziekteverschijnselen. Antihistaminica kunnen echter nooit voor 100% alle symptomen onderdrukken.

Antilichaam:

beschermingsstof, afweerstof, antistof die in het lichaam wordt aangemaakt na inenting of bij infectie.            

Antioxidant (anti-oxidant, antioxidans, antioxidantia):

is een aan voedingsmiddelen toegevoegde stof om bederf door oxidatie tegen te gaan. De meest bekende antioxidantia zijn het butyl-hydroxy-anisol (BHA) en butyl-hydroxy-tolueen (BHT). In sommige hondenvoeders wordt nog gebruik gemaakt van het zeer goed werkzame etoxikine.

Antipyreticum:

          koortsonderdrukkend middel.

Antisedan:

wordt gegeven bij een operatie (narcose). Na een Domitor-injectie duurt het ongeveer 10 minuten voordat de hond wegzakt. De diepte van de narcose is afhankelijk van de dosis. Domitor heeft een zeer sterke invloed op hartfunctie en bloeddruk. Ofschoon het weliswaar een veilig middel is, wordt het niet toegepast bij jonge honden, en liever ook niet bij oude en verzwakte dieren. Soms wordt Domitor gecombineerd met andere middelen om een nog diepere narcose te bewerkstelligen bij zeer ingrijpende operaties.

Met behulp van een 'tegenprik' (Antisedan) wordt de Domitor-narcose binnen enkele ogenblikken ongedaan gemaakt en kan de hond weer lopend de deur uit. Het is dus een zeer geschikte combinatie voor de kleine, niet al te pijnlijke ingrepen. Vaak wordt Domitor alleen toegepast als lichte sedatie, waarbij een zeer lage dosering (liefst rechtstreeks in het bloedvat ingespoten) gebruikt wordt.

Antistof:

          zie antilichaam.

Antistollingsmiddel:

is een medicijn of stof die bloedstolling voorkomt.

Anurie:

weinig of geen urineproductie.

Zie ook oligurie, polyurie, uremie en urineonderzoek.

Anus:

of aars is de uitmonding van de endeldarm.

Zie ook spijsverteringsstelsel.

Aorta:

          grote lichaamsslagader.

Aortastenose:

is een aangeboren hartafwijking en het betekent een vernauwing van de aorta aan de basis van het hart.

Rassen waarbij aortastenose vaker wordt gezien zijn de Duitse Herder, Newfoundlander, Bouvier, Rottweiler, Boxer, Bull Terriër, Golden Retriever en Berner Sennenhond.

Apathie:

is de toestand van ongevoeligheid voor psychische prikkels.

Apex:

          groeitop, bijv. van long, tand- of kieswortel.

Aplasie:

          geen of beperkte groei van organen of lichaamsdelen.

Apnoe:

geen ademhaling.

Appèl:

gehoorzaamheid van de hond, noodzakelijk voor elke opvoeding, africhting en opleiding.

Appelhoofd:

bol voorhoofd, meestal met wat uitpuilende ogen. Bij dwergrassen wil dit vaak ongewenste koptype wel eens optreden.

Appendicitis:

          blindedarmontsteking.

Apport:

"Haal en breng hier". Zie apporteren.

Apporteersport (AS):

is een vrij nieuwe discipline van de F.H.N. Het is een hondensport, waarbij appèl, de wil om voor de baas te werken (will to please), doorzettingsvermogen en intelligentie van zowel baas als hond op de proef worden gesteld. AS is geënt op de jachtsport, maar zo aangepast dat het voor vrijwel ieder hondenras mogelijk is om deze sport te gaan beoefenen. Want waarom zou een Bouvier, Rottweiler, Border Collie of Jack Russell Terriër niet kunnen apporteren? Ook zijn er mensen, die niet met dood wild willen trainen. Bij de AS wordt er alleen gebruik gemaakt van houten of kunststof apporteerblokken of dummy’s.

Er wordt in allerlei (weers)omstandigheden geoefend en met allerlei obstakels en (water)hindernissen. 
Door verschillende bij de FHN aangesloten instellingen worden er door het hele land zowel diplomadagen als werkproeven georganiseerd. Op de diplomadagen kan met opgaan voor het A-, B- of C-diploma waarbij het A-diploma het laagste en het C-diploma het hoogst haalbare is.

Apporteren:

het naar de eigenaar brengen van wild (dood of aangeschoten) of van een voorwerp (=apport).            

Apron:

kraag van Collie en Sheltie.

Arachidonzuur:

zie vetten.

Arachnoidea:

spinnenwebvlies; middelste van de 3 hersenvliezen.

ARFE, A.R.F.E.:

is de afkorting voor Animal Research Foundation Europe. Animal Research Foundation Europe is in 1988 als dienstverlenende stichting zonder winstoogmerk opgericht door de huidige voorzitter Jan Dirk van Ginneke. In de beginperiode werkte men nauw samen met Animal Research Foundation (ARF) uit Quinlan, Texas (Amerika). Maar met het overlijden van ARF-voorman Tom D. Stodghill verdween daar het idealisme, waardoor men hier gestopt is met de co-registratie van honden in Amerika.

Naast het begeleiden van fokprogramma's biedt ARFE een stamboek voor de registratie van (nog) niet officieel erkende hondenrassen zoals bijvoorbeeld de populaire American Bulldog. Op het moment dat een ras erkend wordt door de FCI, kunnen registrerende instanties via het stamboek van ARFE direct over betrouwbare stambomen van enkele generaties beschikken. Omdat ARFE aan haar stamboomuitgifte een systeem van gezondheidsverklaringen heeft verbonden, is er bovendien meteen een helder overzicht van de fysieke kwaliteit van de geregistreerde populatie.

Zie ook import van honden.

Arginine:

is een van de 'essentiële' aminozuren.

Armant:

langharige herdershond uit het Nijldal, o.a. door Brehm vermeld, die de indruk wekt verwant te zijn aan de Briard. Ook Herdershond van Ermente genoemd. Een van de veronderstellingen rond zijn ontstaan is dan ook, dat tijdens de veldtochten naar Egypte honden uit Napoleons leger de grondslag voor het ras zouden hebben gelegd.

Arseen (As):

bevindt zich vooral in grondwater, dat voor de watervoorziening wordt opgepompt. Het heeft in het lichaam een affiniteit tot de beharing.

Zie sporenelementen.

Arteria, arterie (meerv. arteriae):

          slagader. Arteriolen zijn kleine slagaders. Voor meer info: zie bloedvaten.

Arteriosclerose:

          slagaderverkalking.

Arthritis:

          zie artritis.

Arthrose:

          zie artrose.

Articulatie:

          beweging van het gewricht.

Articulatio:

          gewricht.

Artritis, arthritis:

is een gewrichtsontsteking, een ontsteking van het gewrichtskraakbeen.  

Er zijn twee veelvoorkomende vormen van artritis: osteo-arthritis en traumatische artritis. Symptomen zijn: opgezette gewrichten, moeite met lopen en kreupelheid. 

Osteoartritis kan op zichzelf een ziekte zijn, maar ook het gevolg van andere aandoeningen, zoals heupdysplasie

Traumatische artritis wordt veroorzaakt door een verwonding aan een gewricht. Dergelijke verwondingen kunnen het gevolg zijn van een verkeersongeluk of van overbelasting bij lichaamsbeweging.

Osteoartritis is een voortschrijdende en zeer pijnlijke ziekte, die de kwaliteit van leven van de hond ernstig zal aantasten. Er kunnen een of meer gewrichten zijn aangetast, en de ernst hangt af van de aangetaste gewrichten en van de algehele gezondheid van de hond. Te zware honden lopen extra risico om osteoartritis te krijgen.

Artritis kan het gevolg van slechte voeding zijn, vooral in de eerste maanden van het hondenleven. De aandoening kan ook erfelijk zijn, of het gevolg van slechte verzorging én hoge leeftijd.          

Artromix:

is een uniek en innovatief voedingssupplement voor honden, samengesteld uit hoog geconcentreerde nutriënten met een onderling synergetisch effect op de synthese en het behoud van de kraakbeenmatrix.

Het bevat:

• chondroitinesulfaat: een belangrijk structurele component in het kraakbeen. De primaire functie is het tegenhouden van enzymen die het kraakbeen afbreken. Chondroitinesulfaat beschermt en stabiliseert collageen en verhoogt tevens de elasticiteit en het schokbrekend effect van de gewrichten.
Chondroïtinesulfaat zijn biologische polymeren die een essentiële rol vervullen bij het in stand houden van de juiste elastische integriteit van weefsels en komt vooral voor in kraakbeen, tussenwervelschijven en ander gewrichtskraakbeen, de luchtpijp, vaatwanden, botten en bindweefsel. Gewrichtskraakbeen dankt zijn veerkracht en vochtgehalte voor een belangrijk deel aan de CS / Proteoglycan / waterrangschikking;

Glucosamine: de voornaamste structurele component van gezond bindweefsel. De primaire functie ervan bestaat erin de afscheiding van glycosaminoglycanen te stimuleren in het gewrichtskraakbeen.
Glucosamine bevordert de aanmaak van bot- en kraakbeencellen en van bindweefselcellen, hetgeen door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond.
Glucosamine wordt beter opgenomen dan chondroitine. Nieuw onderzoek maakt aannemelijk dat voldoende beschikbaarheid van glucosamine van belang is voor adequate synthese van hyaluronzuur, hetgeen de wondheling bevordert en littekenvorming remt. Glucosamine heeft een stimulerende invloed op de productie van mucopolysaccharides, vervolgens de synthese van proteoglycanen door epitheelcellen van de vaatwand bevordert;

• Metylsulfonylmethane: MSM bevat een uitstekende bron van bio-beschikbare zwavel. Het voorziet in de nutriënten die zorgen voor de aanmaak van collageen en is verantwoordelijk voor de versterking van de lichaamsproteïnen.

Artroscopie:

is een visueel onderzoek van de inhoud van een gewrichtsholte m.b.v. een optische endoscoop.

Artrose:

gewrichtsveranderingen met als kenmerk ziekelijke veranderingen van kraakbeen en bot in en rond de gewrichten (zonder ontsteking). Botwoekering is het gevolg. Pijn en kreupelheid zijn de symptomen.

Achterliggende oorzaken zijn o.a. een slechte gewrichtsaansluiting (o.a. bij heupdysplasie), losse botdelen (o.a. bij OCD, elleboogdysplasie en trauma, zoals bij botbreuk in het gewricht, abnormale belasting en luxatie), of ontstekingen. 

Artrose wordt gekenmerkt door een warm overvuld en pijnlijk gewricht. Aanvankelijk wordt alleen startpijn waargenomen, waar het dier 'doorheen loopt'.

Zie ook osteoartrose en stamceltherapie.

ARVC (Arrhythmogenic Right Ventricular Cardiomyopathy), A.R.V.C.:

is een erfelijke hartspieraandoening die, naast DCM, bij de Boxer voorkomt en die ook wel wordt aangeduid als "Boxer Cardiomyopathie". In het Nederlands wordt het ook aangeduid als 'Aritmogene Rechter Ventrikel Dysplasie' (ARVD). Deze hartaandoening is pas eind jaren 70 in Italië ontdekt. Bij de mens komt een soortgelijke hartaandoening voor.

ARVC zien we bij volwassen boxers van alle leeftijden. Er treden vooral storingen op in de prikkelgeleiding in de rechterhartkamer, waardoor hartritmestoornissen ontstaan. Aan de meeste honden die de afwijking hebben is weinig te merken. Bij de honden die wel verschijnselen vertonen, variëren deze van hartritmestoornissen en flauwvallen tot acute sterfte. De ziekte vererft autosomaal dominant, maar kan zich in verschillende gradaties uiten.

ASCA, A.S.C.A.:

is de afkorting voor de Australian Shepherd Club of America, opgericht in 1957. Het is de Amerikaanse rasvereniging voor de Australian Shepherd, die stambomen uitgeeft en allerlei soorten wedstrijden (shows, agility, obedience etc.) organiseert voor die honden die zijn ingeschreven in dat stamboek. De ASCA is niet aangesloten bij de FCI.

Ascaris:

          spoelworm.

A-schutting:

of klimschutting is een toestel, dat bij de behendigheid wordt gebruikt. Zie voor uitgebreidere info: Agility.

Ascites:

          vochtophoping in de buik.

Ascorbinezuur:

vitamine C; belangrijk voor de vorming van bindweefsel en kraakbeen.            

Aseptisch:

beschermd of beschermend tegen kiemen van verrotting of infectie; niet infectieus.

Asiel:

opvangoord voor weggelopen, gevonden en afgestane dieren.

Aspergillosis, aspergillose:

          schimmelziekte in de neus. Zie ook rinitis en rhinoscopie.

Asphyxie:

          polsverlies; ook schijndood t.g.v. verstikking.

Aspiratie:

          inademing.

Aspirine:

oftewel Acetylsalicylzuur; klik hier.

Assimilatie:

opbouw van chemische stoffen in (levende) organismen, i.t.t. dissimilatie.            

AST:

is een enzym, dat niet orgaanspecifiek is. Het komt voor in de lever, de spieren, het hart en de nieren.

Het gehalte aspartaat aminotransferase (AST) in het serum wordt ook het glutamaatoxalaattransaminase (GOT) genoemd.

Astma:

          aandoening aan de luchtwegen.

Atavisme:

het optreden van eigenschappen die reeds bij verre voorouders voorgekomen zouden zijn, maar de directe voorouders niet bezitten. Vooral de ziekelijke afwijkingen, zoals het aanwezig zijn van meer tenen of juist het ontbreken van enkele, worden als zodanig aangemerkt. In het algemeen wordt dit in de erfelijkheidsleer verklaard door het 'uitmendelen' van een bepaald kenmerk, of door het weer samenvallen van bepaalde erfelijke factoren. Ook het plotseling optreden van nieuwe vormen, het muteren, wordt door de leek soms als atavisme gezien.

Ataxie:

          coördinatiestoornis van de beweging van willekeurige spieren; verminderde spiercontrole.

Atelectase:

aandoening waarbij de longblaasjes niet of slechts gedeeltelijk uitzetten.            

Atherosclerose:

          zie arteriosclerose.

Atibox:

Association Technique Internationale du Boxer. Een internationale organisatie, opgericht in 1968, waarin boxerclubs van vele landen (incl. Nederland) zijn verenigd. Ieder jaar organiseert de Atibox, telkens in een andere lidstaat, een tentoonstelling, waarop gestreden wordt om de prestigieuze titels 'Atiboxsieger' en 'Atiboxjugendsieger'. Deze titels zijn te vergeven in beide geslachten en kleurslagen, bij zowel jonge als volwassen honden. Bij de volwassen honden is een afgelegde africhtingsproef een voorwaarde. Bovendien vinden onder de vlag van de Atibox jaarlijks africhtingswedstrijden speciaal voor Boxers plaats, volgens het Duitse SchH- resp. FH-programma.

Atlas:

bovenste halswervel die het hoofd draagt (zie wervels en spieren). Deze wervel wordt gekenmerkt door een zeer groot wervelgat, terwijl er nauwelijks sprake is van een wervellichaam. Het doornuitsteeksel is afwezig en de dwarsuitsteeksels zijn tot grote vleugels geworden. Het gewricht tussen de atlas en de schedel veroorzaakt de ja-knikkende beweging van het hoofd. 

Zie ook rolgewricht, wervels en hersenschedel.                    

Atopie:

is een allergie voor stoffen in de omgeving. Van atopie is sprake als honden spontaan bepaalde antilichamen aanmaken tegen stoffen, die normaal in hun omgeving aanwezig zijn. De afweerreactie die dan volgt, kan problemen opleveren in verschillende delen van het lichaam (longen, huid en neus). Zo kunnen pollen, huisstofmijten, sterke reinigingsmiddelen, bepaalde voedingsmiddelen en de stof van bijv. het dekentje in de mand de huid irriteren en huiduitslag veroorzaken.

Waarschijnlijk speelt bij het ontstaan van een atopie de erfelijke aanleg een belangrijke rol. Bepaalde rassen krijgen dan ook vaker atopie dan andere, bijv. de Duitse Herder, Boxer, Cairn Terriër, West Highland White Terriër, Golden en Labrador Retriever.

Wanneer uw hond huidklachten vertoont die passen bij atopie, én als andere huidziekten inclusief andere allergieën zijn uitgesloten, is het mogelijk uit te zoeken waarvoor uw hond allergisch is. Dit gebeurt door middel van een combinatie van een uitgebreide huidtest (24 allergenen) en bloedonderzoek.

Honden met atopie moeten meestal levenslang en met verschillende medicijnen behandeld worden. Dit komt doordat een allergie niet te genezen is; het is wel mogelijk om te proberen de allergie zoveel mogelijk onder controle te brengen zodat de hond er minder last van heeft. De ernst van de klachten kan sterk wisselen: niet alleen heeft de ene hond veel meer last van de atopie dan de andere, maar ook bij dezelfde hond kunnen de klachten erg variëren. Hierdoor is het niet mogelijk één standaardbehandeling te geven voor iedere hond met atopie, maar moet de behandeling per individuele hond apart afgestemd worden.

Atresia van de traanpunten (atresia puncta lacrimalis):

is een aangeboren afsluiting van de traanafvoerpuntjes. Hierbij loopt het traanvocht in de binnenooghoek over de lidrand en treedt traanstreepvorming op. Onder anesthesie kan worden getracht een nieuw gaatje aan te brengen. Daarna wordt er een paar weken een slangetje aangebracht, zodat het gaatje niet meer dichtgroeit. De afsluiting kan het gevolg zijn van een polygeen overervend defect.

Zie ook atresie en wetenswaardigheden.

Atresie:

afsluiting van een lichaamsopening door vergroeiing; ontbreken van een lichaamsopening door een groeistoornis bij het embryo, bijv. van de anus.

Atrioventriculair:

          spierstrook tussen de boezems en kamers van het hart.

Atrium:

boezem of voorkamer van het hart.

Atrofie, atrophie:

slinken van weefsels; verschrompelen; afname van weefselvolume door verval t.g.v. degeneratie. Een voorbeeld hiervan is PRA.

Attritie:

is slijtage aan het gebit. Als de hond ouder wordt, is het normaal dat er slijtage aan het gebit optreedt. Deze slijtage ontstaat door het langs elkaar schrapen van de tanden bij kauwen van eten, maar bijv. ook door het kauwen op stokken en speeltjes, vooral het spelen met tennisballen is berucht om de slijtage die het geeft. De oorzaak van het afslijten is het zand, dat op de voorwerpen zit. Het zand fungeert als schuurpapier als de tanden over de voorwerpen heen glijden.

De normale slijtage t.g.v. van kauwen en bijten wordt attritie genoemd. Abnormale slijtage t.g.v. kauwen of bijten op een "vreemd lichaam" wordt abrasie genoemd. Het lichaam reageert op de slijtage door het aanmaken van dentine aan de bovenkant van de mergholte. Doordat er steeds een nieuw laagje binnenin de tand gevormd wordt, wordt voorkomen dat de wortel- of pulpaholte open komt te liggen.

Soms raakt een afwijkend gelegen hoektand een of meerdere snijtanden in de bovenkaak. Dit is oncomfortabel voor de hond en kan (glazuur-)beschadigingen geven aan de tanden zelf. Deze beschadigingen worden ook attritie genoemd. Overwogen kan worden die snijtanden te extraheren die contact maken met de hoektand.

Aujeszky, ziekte van ~:

virusziekte (genoemd naar een Hongaarse dierenarts, die deze ziekte voor het eerst beschreef begin 20e eeuw), dat veroorzaakt wordt door een herpes virus: het Herpes Suis. Besmetting met dit virus kan optreden door het eten van het rauwe vlees van besmette varkens. De symptomen lijken op rabiës en daarom wordt het ook wel pseudo-hondsdolheid of Pseudorabiës of madness genoemd. 

Sinds 1957 is het virus ook in Nederland aanwezig. Het virus tast het zenuwweefsel aan. Voor de mens niet gevaarlijk, maar voor de hond absoluut dodelijk. De enige preventie bestaat uit het voorkomen, dat de hond in een varkensstal komt en dat de hond varkensslachtafval kan eten.           

Auris externa:

          uitwendige oor.

Auris interna:

          inwendige oor.

Auris media:

          middenoor.

Auscultatie, ausculteren:

het luisteren naar geluiden in het lichaam, bijv. met een stethoscoop; medisch onderzoek naar de toestand van inwendige organen door beluisteren.           

Aussiedoedel, Aussiedoodle, Aussie-Poo:

is een kruising tussen een Australian Shepherd en een Poedel. In Nederland is deze hond nog niet te koop, maar dat zal niet lang meer duren na de hype rondom de Labradoedel en Goldendoedel. Daarnaast bestaan er ook andere Poedelkruisingen.

Australische Wilde Hond:

dingo.

Australische Windhond:

zie Kangaroehond.

Aut-, auto-:

          zelf-; lichaamseigen.

Autofagie:

zie lysosoom.

Auto-immuniteit:

           vorming van antistoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels.

Auto-immuun-hemolytische anemie:

is een aandoening, waarbij het immuunsysteem de rode bloedcellen aanvalt.

Zie voor meer info A.I.H.A.

Auto-immuunziekte:

ziekte waarbij het normale afweersysteem van de hond in de war is en zich gedeeltelijk tegen het eigen lichaam keert.

Autoloog:

op zichzelf betrekking hebbend, lichaamseigen. Bijv. bij een autologe stamceltransplantatie worden eigen (van tevoren ingevroren) stamcellen teruggegeven.

Autolyse:

          bij kadavers: het uiteenvallen van weefsels door eigen enzymen.

Autonomie:

is niet alleen de beschikking van een patiënt over zijn eigen lichaam, maar ook het zelfstandig werken van een orgaan, de onafhankelijkheid van een orgaan.

Bijv. het vermogen lichaamsdelen los te laten, waarna uit de stomp een klein aanhangsel groeit, zoals bij hagedissen die de staart afwerpen.

Zie ook regeneratie.

Autonoom:

zelfstandig, onafhankelijk.

Autonoom zenuwstelsel:

onwillekeurige of vegetatieve zenuwstelsel; werkt geheel buiten de wil om. Regelt vooral de werking van de verschillende borst- en buikorganen.            

Autopsie:

          lijkschouwing.

Autorijden:

zie wetenswaardigheden.

Autosoom:

elke chromosoom dat niet direct te maken heeft met de bepaling van de sekse.            

Avasculaire necrose:

celsterfte ten gevolge van een gebrek aan bloedtoevoer.

Aversietherapie:

behandeling van een gedragsprobleem, waarbij gebruik wordt gemaakt van een mild fysiek of mentaal ongemak. Zie aversieve conditionering.

Aversieve conditionering:

is een gedragstherapievorm. Het probleemgedrag wordt verminderd door het toedienen van een positieve of een negatieve straf. De juiste gedragstherapie wordt ingesteld door een gedragstherapeut aan de hand van een diagnose en de combinatie baas-hond.

Zie ook gedragstherapie.

Avitaminose:

gebrek aan vitaminen.

Azotemie:

toename van het stikstofgehalte in het bloed. Azotemie is een wat ouderwets medisch woord voor te veel stikstofverbindingen in het bloed, meestal door nierfalen (azote is Frans voor stikstof). Nieren kunnen afvalstoffen niet efficiënt elimineren, wat leidt tot ziektesymptomen.

De stikstof is gebonden in de vorm van ureum. Is de aandoening het gevolg van leverfalen dan komt er ammoniak in het bloed.

Zie ook bloedonderzoek.

                                                                                             Naar de 2e pagina met kynologische uitdrukkingen.

Terug naar 'Kynotermen'.

© Copyright by Yvonne Soomers-Marell

Menu-knop.